ZESDE HOOFDSTUK.

De lieden, die door Archibius op kondschap uitgezonden waren, hadden nog

geen zekere berichten ingewonnen, doch een hardlooper van den Koning

had kort geleden een tafeltje voor hem afgegeven, waarop Iras hem

uitnoodigde haar den volgenden dag een bezoek te brengen. Er waren

verontrustende, doch gelukkig nog onzekere tijdingen gekomen. De

Regent wilde alles doen om zekerheid te verkrijgen, doch hij kende

het wantrouwen der zeelieden en dergenen die aan de haven woonden ten

opzichte van de Regeering. Een onafhankelijk man als hij, zou meer te

weten kunnen komen dan de havenopzichter met al zijn schepen en volk.

Bij dit tafeltje was nog een tweede, waarop de overbrenger van den

Regent de vergunning gekregen had te allen tijde de havenketen te doen

ontsluiten, met zijn schip in de open zee te loopen en ongehinderd terug

te keeren.

De bode, de opzichter der scheepsslaven van Archibius, was een man van

ondervinding. Hij nam op zich, de »Epicurus" een snelzeiler, dien

Cleopatra aan haar vriend ten geschenke gegeven had, binnen twee uren

tot een tocht in de volle zee gereed te maken. Intusschen zou zijn

meester afgehaald worden met een wagen, opdat geen tijd zou verloren

gaan.

Nu keerde Archibius tot de vrouwen terug, en vroeg haar, of het geen

misbruik maken van hare gastvrijheid zou zijn, indien hij zijn vertrek

nu, kort voor middernacht, nog eenigen tijd uitstelde. Zij toonden zich

integendeel oprecht verblijd en verzochten om het vervolg van zijn

verhaal.

»Ik moet mij bekorten," zeide hij, nadat hij den maaltijd dien Berenice

gedurende zijn afwezigheid voor hem had doen gereed maken, eer aangedaan

had. »Ook is er in de daaropvolgende jaren niet veel gebeurd, wat de

vermelding waardig is. Ik moest toen ook al mijn tijd aan mijne studies

in het Museum wijden. Wat Cleopatra en Arsinoë betreft, zij werden

aan het hof als koninginnen behandeld. Met den dag, toen zij ons huis

verlieten, eindigde ook haar kinderjaren. Was het de herstelling van

haar vader op den troon, of de ontmoeting met Antonius, die deze groote

verandering bij Cleopatra veroorzaakt had? Wie zal het zeggen?

»Kort vóór Cleopatra's afscheid, had mijn moeder nog betreurd dat zij

haar moest afstaan aan een vader, zooals de fluitspeler was, en niet aan

een waardige moeder; want zelfs de allerbeste zou zich gelukkig rekenen

in het bezit van zulk een schat. Doch later was haar aard en manier van

doen meer geschikt om een mannenhart in verrukking te brengen, dan juist

dat eener moeder. Het scheen alsof haar streven naar zielevrede geheel

voorbij was. Toch werden haar de drukke feestmalen, het zingen en

muziekmaken, waaraan het in het paleis van den koninklijken virtuoos

nooit ontbrak, wel eens wat te veel. Dan kwam zij in onzen tuin, en

bleef daar dikwijls verscheidene dagen. Arsinoë kwam nooit mede, want

deze liet zich nu eens boeien door een blonden officier der Germaansche

ruiterij, die Gabinius achtergelaten had ter bezetting van de stad, dan

weder door een Macedonisch edelman onder de koninklijke jongelingen, die

toenmaal nog de wacht hadden in het paleis.

»Cleopatra leefde geheel van haar gescheiden, en sedert zij hare zuster

eens hare minnarijen verweten had, legde deze haar vijandige gezindheid

openlijk aan den dag. Cleopatra's belangstelling was op andere zaken

gevestigd. Hoewel zij zich somtijds bezighield met de magische kunsten

der Aegyptenaars, was haar helder verstand toch het meest tehuis in de

wijsbegeerte der Hellenen. Het was een genoegen haar in het Museum met

de leiders der verschillende scholen te hooren spreken of redetwisten.

Haar gevoel van eigenwaarde was zeer toegenomen. Hoewel zij bij ons

altijd verklaarde, dat zij met smart terugverlangde naar den tijd van

den vreedzamen Epicuristen tuin, zoo nam zij toch zeer levendig deel in

wereldsche zaken en politiek. Zij wist evengoed wat te Rome voorviel,

wat de partijen dáár wilden en najaagden, als wie hunne leiders waren en

welke bijzondere bedoelingen zij hadden.

»Met hartelijke belangstelling volgde zij de loopbaan van Marcus

Antonius. Voor hem was de eerste neiging van haar jonge hart geweest.

Zij had de grootste verwachtingen van hem gekoesterd, maar zijn latere

handelwijze scheen daaraan niet te beantwoorden. Van toen af was iedere

uiting omtrent hem met een tintje van minachting gekleurd, en toch

voelde men ook daarin haar hart.

»Pompejus, wien haar vader zijn terugkeer te danken had, zag zij

voor meer gelukkig, dan groot en wijs aan. Daarentegen sprak zij van

Julius Cæsar, lang vóór zij hem persoonlijk had ontmoet, met gloeiende

geestdrift, al wist zij, dat hij Aegypte tot een Romeinsche provincie

had willen maken. Het grootste wat zij van hem verwachtte was, dat hij

een einde zou maken aan de republiek, die zij haatte, en zichzelven tot

beheerscher der wereld verheffen zou. Alleen had zij gaarne Antonius in

zijn plaats gezien. Dikwijls nam zij in dien tijd tooverkunst te baat om

iets van zijn toekomst te weten te komen. Haar vader deed hieraan mede,

te meer omdat hij daarvan genezing van zijn lichaamskwalen verwachtte.

»Cleopatra's broeders waren nog aankomende jongelingen, die hun voogd

Pothinus moesten gehoorzamen. Aan dezen, en hun opvoeder Theodotus, een

knap doch gewetenloos redenaar, liet de Koning het bewind over zijn land

geheel over. Zij beiden, en ook de veldheer Achillas zouden gaarne

Dionysus, den oudsten erfgenaam des konings aan de regeering gebracht

hebben, om dien ook later te kunnen beheerschen, maar op dit punt haalde

de Koning een streep door hunne rekening. Zooals gij weet, benoemde hij

in zijn laatsten wil zijn lieveling Cleopatra tot zijn opvolgster, maar

haar broeder Dionysus moest de heerschappij als haar gemaal met haar

deelen. Dit wekte in Rome veel ergernis, hoewel het overeenkwam met een

oud Aegyptisch gebruik.

»De fluitspeler stierf. Cleopatra werd koningin en ook de gemalin van

een tienjarigen knaap, voor wien zij zelfs niet een gewone zusterlijke

genegenheid had. En zoo verbond zij zich met het eigenzinnige kind dat

zich door de inblazingen van zijn raadslieden als alleenheerscher

beschouwde, en tegelijk met de voormalige regeeringspersonen van het

land.

»Er brak nu een droeve tijd voor haar aan. Haar leven was een

voortdurende strijd tegen de kuiperijen, waaraan vooral haar zuster

Arsinoë meedeed. Zij hield er een eigen hofhouding op na, aan welker

hoofd de eunuch Ganymedes stond, die een ervaren veldheer en tegelijk

een wijs en welmeenend raadsman voor haar was. Hij wist haar in

aanraking te brengen met Pothinus en de overige staatslieden, en zoo

vereenigden zich ten slotte allen in het ééne streven: Cleopatra van den

troon te dringen. Pothinus, Theodotus en Achillas haatten haar omdat

zij hunne fouten doorzag en hun de meerderheid van haar geest gevoelen

liet. Ook zou het aan hunne vereende pogingen reeds vroeger zijn gelukt

haar te doen vallen, wanneer de Alexandrijnen, en vooral de bond der

jongelingen, die nog altijd eenigszins onder mijn invloed stonden, haar

niet zoo trouw hadden bijgestaan. Alles wat zich »jongeling" noemde,

gloeide voor haar, en ook onder de Macedonische edelen bij de lijfwacht,

zouden de meesten voor haar door het vuur zijn gegaan, hoewel zij

zonder hoop tot haar op moesten zien, als tot een ongenaakbare godin.

»Toen haar vader stierf, was zij zeventien jaar oud, doch zij wist zich

als een man te verdedigen tegen hare vijanden en belagers. Mijne zuster

Charmion die zij bij zich in dienst had genomen, stond haar daarbij

trouw ter zijde. Zij was een mooi en lief meisje, en menigeen dong naar

haar hand, maar de tooverkracht der Koningin hield haar als met ketenen

geboeid. Zij gaf vrijwillig de liefde van een edel man op,--gij weet hij

werd later uw gade, vrouw Berenice--om niet de Koningin te verlaten, in

een tijd dat zij haar bijzonder noodig had. Van dien tijd af was het

hart mijner zuster voor de liefde gesloten. Het behoorde geheel aan

Cleopatra. Zij leeft, denkt, zorgt alleen voor haar. Voor u Barine,

gevoelt zij bijzondere genegenheid omdat uw vader Leonax haar dierbaar

was. Iras, die zoo dikwijls tegelijk met haar wordt genoemd, is de

dochter van mijn oudste zuster, die reeds gehuwd was, toen de Koning de

prinsessen aan mijn vader toevertrouwde. Zij is twaalf jaren jonger dan

Cleopatra, en ook bij haar is hare gebiedster de eerste. Haar vader, de

rijke Krates, deed alles om haar van den dienst der koningin terug te

houden, maar het was te vergeefs. Na één enkel onderhoud met die

wonderbare vrouw was zij voor goed voor haar gewonnen.

»Maar ik moet kort zijn! Gij hebt zeker zelve gehoord hoe Cleopatra ook

Pompejus' zoon, bij zijn bezoek te Alexandrië geheel voor zich innam.

Sedert de ontmoeting met Antonius, had zij geen man zoo vriendelijk

behandeld als hem, en dat was geen opwelling van haar hart geweest, maar

ter wille van het vaderland, dat haar zoo lief was. De vader van dien

Gnejus had destijds de grootste macht in handen, en uit staatkundig

overleg trachtte zij hem te winnen door middel van zijn zoon. De

jonge Romein was dan ook bij het afscheid »vol van haar" zooals de

Aegyptenaars zeggen. Dat deed haar genoegen, maar dit bezoek gaf ook

voedsel aan den laster van haar vijanden. De aanvoerders der lijfwacht,

aan wien zij zich altijd slechts als de trotsche Koningin vertoonde,

hadden haar, heette het, met den zoon van Pompejus zien omgaan als met

haars gelijken; in het theater en bij vele andere gelegenheden waren de

Alexandrijnen getuige geweest hoe zij zijn betuigingen van welgevallen

evenzoo beantwoordde. Maar de haat tegen Rome was in dien tijd hoog

geklommen. De regenten en Arsinoë strooiden uit dat Cleopatra Aegypte

aan Pompejus wilde afstaan, indien de senaat haar verzekerde van de

alleenheerschappij over het nieuwe wingewest, en haar vrijheid wilde

geven zich te ontslaan van haar koninklijken broeder en gemaal.

»Nu moest zij vluchten, en begaf zich allereerst naar de grenzen van

Syrië om onder de Aziatische vorsten vrienden te winnen voor hare

zaak. Aan mij en mijn broeder Straton, die zooals gij weet, bij den

worstelstrijd te Olympia een krans behaalde, werd bevolen haar hare

schatten na te dragen. Dat was wel is waar een gevaarlijke tocht, doch

wij ondernamen dien met blijdschap, en vertrokken uit Alexandrië met

eenige kameelen, een ossenwagen en verscheidene vertrouwde slaven. De

reis ging tot Gaza, waar zij reeds een leger bijeenverzameld had. Wij

hadden ons beiden verkleed als Nabateesche kooplieden, en de talen die

ik geleerd had, om niet bij Cleopatra achter te staan, kwamen mij nu

goed te pas.

»Het was een veelbewogen tijd. De namen van Pompejus en Cæsar waren in

ieders mond. Na de nederlaag bij Dyrrhachium scheen de zaak van Julius

Cæsar verloren, maar de slag bij Pharsalus gaf hem de heerschappij

terug, indien zich het Oosten niet voor Pompejus verklaarde. Het scheen

alsof beiden gelukskinderen waren. De vraag was maar wie dat het langst

zou blijven.

»Mijne zuster Charmion vergezelde de Koningin, doch door eene haar

toegedane vrouw uit het gevolg van Arsinoë hadden wij reeds uit het

paleis vernomen, dat het lot van Pompejus beslist was. Hij kwam na zijn

nederlaag bij Pharsalus als vluchteling hierheen, en verzocht den Koning

van Aegypte, of liever de mannen die voor hem het bewind voerden, om

gastvrijheid. Toen bevonden zich Pothinus en de zijnen in groote

verlegenheid, want de troepen en schepen van Cæsar waren in de

nabijheid, en vele vrienden van Gabinius dienden in het Aegyptische

leger. Wanneer men den verslagen Pompejus vriendelijk ontving, dan

maakte men zich den overwinnaar Cæsar tot vijand. Ik moest getuige zijn

van de verschrikkelijke oplossing van dit dilemma. Het afschuwelijke

gezegde van Theodotus: »doode honden bijten niet meer", gaf den

doorslag.

»Mijn broeder en ik waren met onze kostbare vracht reeds tot aan den

berg Casius gekomen en hadden daar onze tent opgeslagen om een bode af

te wachten, toen een groote schaar gewapende krijgslieden uit de stad

naar ons toe kwam. Eerst vreesden wij dat wij vervolgd werden, maar een

verspieder meldde, dat de Koning zelf zich onder de soldaten bevond, en

op hetzelfde oogenblik zagen wij een groot Romeinsch admiraalsschip van

de zijde der kust naderen. Dat kon niet anders dan van Pompejus zijn.

De Koning was dus van gevoelen veranderd, en kwam zelf zijn gast

verwelkomen. De troepen legerden zich langs de vlakke kust, waarboven de

tempel van Ammon zich verhief.

»Het was een heldere Septemberdag en de wapens glinsterden in de zon.

Van den hoogen rotswand der droge rivierbedding, waarin wij onze tent

hadden opgeslagen, zagen wij iets roods zich op en neer bewegen. Het was

de purperen mantel des konings. De blauwe golven, door een zacht windje

bewogen, kabbelden over het gele duinzand. De koning bleef stilstaan.

Hij tuurde met de hand boven de oogen naar het naderende admiraalsschip.

Achillas, de bevelhebber, en de tribuun Septimius, die tot de Romeinsche

bezetting in Alexandrië behoorde, en van wien ik wist dat hij onder

Pompejus gediend, en hem veel te danken had, waren intusschen in een

boot gegaan, en voeren hem tegemoet, daar het schip daar niet landen

kon.

»Nu begonnen de onderhandelingen, en Achillas' voorslagen moeten

zeer aannemelijk en vertrouwen-inboezemend geweest zijn, want een

hooggeplaatste vrouw, Cornelia, de gemalin van den Imperator maakte een

gebaar dat haar dank moest uitdrukken."

De verhaler hield een oogenblik op, haalde diep adem, en drukte de hand

tegen zijn voorhoofd, terwijl hij voortging:

»Nu komt iets.... ach, dat ik dat verschrikkelijk tooneel mee moest

aanzien! Hoe dikwijls heeft men het verkeerd weergegeven, en toch ging

alles zoo akelig eenvoudig!

»De Fortuin geeft haar gunstelingen vertrouwen. Dat had Pompejus dan

ook. In weerwil van zijne acht en vijftig jaren, stapte hij vlug in het

bootje. Alleen een vrijgelaten slaaf bood hem zijn hulp. Een zwarte

matroos stiet het scheepje met zulk een kracht van het groote schip af,

dat het scheen alsof de ijzeren stang een speer en het vaartuig zijn

vijand was. De man struikelde, doordat de riemslagen der roeiers de boot

reeds vooruit dreven, en daarbij viel het bruine mutsje van zijn hoofd.

Het is of ik dat zwarte, wollige haar nog zie. Eer het mij nog recht

helder werd dat dit geen goed voorteeken was, lag de boot reeds stil.

»Het water stond laag. Ik zag hoe Achillas naar het land wees. Hij

kon het met één sprong bereiken. Pompejus zag naar den Koning; de

vrijgelatene legde de hand onder zijn arm om hem bij het opstaan te

helpen, Septimius stond op naar het scheen om hem te steunen. Doch

neen! Wat is dat? Op eens flikkert iets naast het grijze haar van

den Imperator in het helle zonlicht, alsof er een vonk uit den hemel

gevallen was. Wil Pompejus die afweren, of waarom beweegt hij zijn hand?

Hij nam zijn toga op, en zonder geluid te geven bedekte hij daarmede

zijn gelaat. Nog eens zwaait de tribuun met zijn arm, en toen.... welk

een verwarring! Hier, ginds, overal opgestoken handen, en weder flikkert

iets in de lucht. De veldheer Achillas stoot zijn dolk met zulk een

vaste hand, alsof hij zich in het moorden geoefend had. Het zware

lichaam van den Imperator zijgt neder. De vrijgelatene ondersteunt hem

nog.

»Nu hoorde men een geschreeuw van woede, van weeklachten, en boven dat

alles uit de pijnlijke smartkreet eener vrouw. Die komt van het schip,

van Cornelia, de gemalin van het slachtoffer. Daarop weder toejuichingen

uit het kamp van den Koning, trompetsignalen; de Aegyptenaars trekken

weder af. Daar vertoonde de vuurroode mantel zich weder. Septimius

gaat hem tegemoet, met een bloedend hoofd in de hand. De jonge Koning

ziet in de gebroken oogen, die zoovele gevechten, die Rome, die twee

werelddeelen hebben beheerscht. Dit gezicht is het kind toch te machtig:

hij wendt zich af. Het schip zeilt weer weg; de Aegyptenaars scharen

zich in rijen, en trekken af. Achillas wascht zijne bebloede handen in

de zee, en naast hem de vrijgelatene eveneens het hoofdelooze lichaam

van zijn heer. De trouwe dienaar roept den veldheer iets toe, maar deze

haalt alleen de schouders op."

Archibius moest weder een oogenblik ophouden om adem te scheppen. Toen

ging hij weder kalmer voort:

»Ik hoorde later dat Achillas het leger niet naar Alexandrië

terugbracht, maar naar het Oosten, naar Pelusium.

»Mijn broeder en ik stonden op den steilen rotswand. Het duurde lang

eer wij een van beiden spraken. Een stofwolk onttrok den Koning en zijn

gevolg aan ons gezicht, en het zeil van het admiraalsschip verdween ook.

Het werd donker, en Straton wees naar het Westen, waar Alexandrië lag.

Daar ging de zon onder, zoo rood, alsof een stroom van bloed over de

stad werd uitgegoten.

»Thans daalde de nacht. Er brandde aan de kust nog een zwak vuur.

Vanwaar kwam op die dorre vlakte dat hout? Hoe had men dat daar

ontstoken? Dicht bij het tooneel van den moord had een wrakke schuit

gelegen. De vrijgelatene en zijn makker hadden die in stukken gehakt,

en het vuur werd gevoed met dorre takken, de verscheurde kleeren van het

slachtoffer en droog zeegras. De vlammen sloegen nu hooger op. Wij zagen

hoe op dezen armzaligen brandstapel behoedzaam een menschenlichaam werd

neergelegd. Het was dat van den grooten Pompejus. Een veteraan van den

Imperator bood den trouwen dienaar de behulpzame hand."

Archibius zonk op den rustbank achterover, en voegde er ter verklaring

bij:

»De man heette Cordus, Servius Cordus. Later is het hem goed gegaan,

want daar heeft de Koningin voor gezorgd. Maar de anderen werden alle

spoedig genoeg door het noodlot achterhaald. Theodotus werd later door

Brutus tot een ellendigen dood veroordeeld. Terwijl hij zieltogend luid

schreeuwde, riep een oud dienaar van Pompejus hem toe: »Doode honden

bijten niet meer, maar zij huilen als zij sterven."

»Het was Julius Cæsar waardig, dat hij zich vol afschuw afwendde toen

hem later het hoofd van zijn vijand gebracht werd. En Pothinus wachtte

te vergeefs een belooning voor zijn schandelijke daad.

»Spoedig na de terugkomst des Konings in Alexandrië zeilde Cæsar uit.

Eerst in Aegypte hoorde hij welke ontvangst men daar Pompejus had

bereid. Gij weet dat hij hier negen maanden lang gebleven is. Menigmaal

heb ik hooren zeggen dat het Cleopatra was, die hem hier geboeid hield.

Dat is waar, en toch ook weder niet waar. Een half jaar was hij

gedwongen te blijven; de overig drie maanden schonk hij aan zijne

geliefde, want het hart van den vierenvijftigjarigen man had zich

werkelijk nog eenmaal voor een grooten hartstocht geopend. Evenals

alle wonden, zoo zijn ook die van Eros' pijlen moeilijker te heelen,

wanneer iemands jeugd al achter hem ligt. Ook waren het niet slechts

oogen en zinnen die dit, in leeftijd zoo verschillende paar tot

elkander aantrokken, maar veeleer beider innerlijke hoedanigheden. Twee

gevleugelde geesten hadden elkander hier ontmoet. Het genie van den een

had dat van de ander erkend. De echte mannelijkheid was de volkomen

vrouwelijkheid tegemoet gekomen. Het kon niet anders of zij moesten

elkander aantrekken. Ik zag het aankomen, want reeds lang had Cleopatra

met gespannen aandacht de vlucht van dezen adelaar gevolgd. Hij vloog

hooger dan alle anderen, ook dan hij, dien zij reeds als kind vol

verlangen had nagestaard. En zij voelde zich sterk genoeg hem ter zijde

te blijven.

»Wij kwamen zonder ongeval bij Cleopatra aan, en hoorden hoe Cæsar in

het paleis der Ptolemaeërs afgestapt was, in weerwil van den vijandige

gezindheid der burgers, en hoe hij de taak op zich genomen had de

orde in Aegypte te herstellen. Wij wisten op welke wijze Pothinus,

Achillas en Arsinoë zouden trachten invloed op hem uit te oefenen. Wat

Cleopatra betreft, zij maakte zich ongerust dat hare vijanden Aegypte

onvoorwaardelijk aan Rome zouden afstaan, wanneer Cæsar hen de teugels

der regeering overliet, en haar daarvan uitsloot. Zij had reden dit te

vreezen, maar ook den moed om voor haar eigen zaak het leven te wagen.

»Zij moest nu naar de stad, en wel naar het paleis, in de

tegenwoordigheid van den Dictator gebracht worden. Mijn broeder en ik

hielpen haar. Aan kinderen heeft men het verhaaltje opgedischt, dat

Cleopatra door een sterken man in een zak door de poort van het paleis

werd gedragen. Het was nu wel geen zak, maar een Syrisch tapijt. De

sterke man was mijn broeder Straton. Ik liep vooruit en maakte ruim

baan.

»Julius Cæsar en zij zagen en vonden elkander. Het lot trok nu het

besluit, dat uit de gegevens vanzelf voortvloeide. Nooit zag ik

Cleopatra meer schitterend in al hare gaven van verstand en hart

dan toen. Toch was zij door gevaren omringd, en had Cæsar al zijn

veldheerstalent noodig om den tegenstand, dien hij hier vond, te

bedwingen. Ik herhaal: dat was het, wat hem hier hield; Cleopatra niet.

Waarom zou hij niet, zooals hij later deed, zijn geliefde meegenomen

hebben naar Rome, wanneer hem dat mogelijk ware geweest? Dit was echter

in geenen deele het geval. Daar zorgden de Alexandrijnen wel voor.

»Hij had het testament van den fluitspeler erkend, en zelfs aan het

Aegyptische koningshuis nog meer rechten toegestaan, dan de Koning had

kunnen doen. Cleopatra en haar broeder en gemaal Dionysus moesten de

heerschappij deelen; aan Arsinoë en haar jongsten broeder werd daarbij

nog Cyprus toebedeeld, dat de Republiek aan hun oom Ptolemæus had

ontnomen. Natuurlijk moest Rome de voogdij over de kinderen behouden.

»Deze beschikkingen waren ondragelijk voor Pothinus en de voormalige

bewindvoerders van den staat. Cleopatra als Koningin, en Rome, dat was

Cæsar, de dictator die haar vriend was, als voogd, dat was zooveel als

ontzetting uit alle macht, ja hunne geheele vernietiging, en daarom

verzetten zij zich daartegen met alle kracht.

»De Aegyptenaars en ook de Alexandrijnen waren aan hare zijde, en de

jonge Koning torste met tegenzin het juk der zooveel meer ontwikkelde

zuster, die hij nooit had liefgehad. Cæsar was met een strijdmacht

aangekomen die op verre na niet gelijkstond met de hunne, en misschien

konden zij den algemeen gevreesden man hier ten val brengen. Zoo streden

zij dan van weerszijden met zooveel inspanning en ijver, dat de dictator

groot gevaar liep het onderspit te delven. Maar Cleopatra verlamde

waarlijk niet zijn kracht, noch belemmerde hem in zijn bewegingen.

Neen! nooit was hij grooter geweest, nooit bewees hij zóó duidelijk

de macht van zijn genie! En welk een overmacht, welk een haat, had

hij te bestrijden! Ik zag hoe de jonge Koning, toen hij hoorde dat het

Cleopatra was gelukt in het paleis binnen te dringen en Cæsar te zien,

als bezeten van woede de straat op liep, zich de kroon van het hoofd

rukte, die op den grond wierp en de voorbijgangers toeriep, dat hij

verraden was. Dit duurde zoolang totdat Cæsar's soldaten hem in het

paleis terugbrachten en de menigte uiteendreven.

»Arsinoë had meer gekregen dan zij had durven hopen, en toch voelde zij

zich ook nu weder het meest beleedigd. Toen Cæsar in het paleis zijn

intrek had genomen had zij hem als Koningin ontvangen, en al haar hoop

op hem gevestigd. Daar was haar gehate zuster gekomen en als altijd

geraakte zij door Cleopatra op den achtergrond. Dat was te veel, en met

haar vertrouweling Ganymedes, die een geducht krijgsman was, verliet zij

het paleis, en ging tot de vijanden van den dictator over.

»Nu volgden hevige gevechten te water en te land. In de stad zelve

streed men om de drinkwaterleiding te bemachtigen die door den vijand

was afgedamd, om haar te gebruiken bij den brand die in een deel van het

Bruchium woedde, en de bibliotheek van het Museum al verwoest had. Maar

ofschoon hij half versmachtte van dorst, en nauwelijks aan het gevaar

van verdrinken ontkomen was; ofschoon hij aan alle zijden werd bedreigd

door den grimmigsten haat, toch stond de overwinnaar pal, en bleef

zegepralen, evenals later in een veldslag, waarvoor de jonge Koning een

leger verzameld en zich aan het hoofd daarvan gesteld had.

»Zooals gij weet, is de jongeling op zijn vlucht verdronken.

»Onder dergelijken strijd en doodsgevaren verliep een half jaar, eer

het Cæsar en Cleopatra vergund was de vruchten te plukken van hun

gemeenschappelijken arbeid. De dictator verhief haar tot Koningin van

Aegypte, en benoemde haar jongsten broeder, nauwelijks half zoo oud als

zij, tot haar mederegent. Aan Arsinoë schonk hij het leven, dat zij

eigenlijk had verbeurd, maar zond haar naar Italië.

»Op de overwinning volgde de vrede. Nu hadden werkelijk ernstige

plichten den Staatsman naar Rome moeten terugroepen doch hij bleef nog

volle drie maanden hier. Wie het leven van den eerzuchtigen Cæsar kent,

en weet wat dit verzuim hem had kunnen kosten, die slaat zich met de

hand tegen het hoofd en vraagt: kan dat waar zijn, dat hij dezen

kostbaren tijd gebruikte om met zijne geliefde een tochtje op den Nijl

te doen, tot aan het eiland van Isis toe, aan de uiterste zuidgrens van

het land? Toch is dat zoo geschied, en ik was zelfs in het tweede schip

met haar gevolg. Niet alleen zag ik hen meermalen bijeen, maar ik deelde

ook nu en dan hunnen maaltijd en hunne gesprekken. Dat was dan een geven

en nemen, een terugtrekken en zich verheffen, kortom een opeenvolging

van dissonanten, die men gaarne aanhoorde, omdat men wist, dat zij zich

in de schoonste harmonie moesten oplossen. Dat waren dagen van genot

voor alle zintuigen te gelijk."

»Deze geheele Nijlreis," viel Barine hem in de rede, »stel ik

mij evenzoo voor als die fabelachtige tocht, toen het zeil van

purperkleurige zijde Cleopatra op den Kydnos Antonius tegemoet voerde."

»Neen, neen!" riep Archibius uit. »Van Antonius heeft zij eerst geleerd

het aardsche leven door aardsche genietingen te veraangenamen; Julius

Cæsar verlangde meer dan dat. Haar geest verschafte hem een veel grooter

genot."

Een oogenblik later ging hij voort:

»Het is waar, al datgene waarmede zij Antonius in later jaren altijd

nieuw vermaak verschafte, kwam niet altijd uit haar zelve."

»En dat," riep de jonge vrouw uit, »was nu hetzelfde wezen, dat in de

rust der ziel eenmaal het hoogste goed had erkend!"

»Hetzelfde," antwoordde Archibius nadenkend. »Maar dat moest alles zoo

wezen. Het levensgenot was voor het aankomende meisje het voornaamste

geweest. Vóórdat de hartstocht bij haar ontwaakte, was zielsrust het

hoogste wat zij kende. Toen de tijd kwam dat deze onbereikbaar voor

haar bleek te zijn, bleef toch nog het vastgewortelde verlangen naar

geluk in haar gemoed den boventoon voeren. Mijn vader had haar, als de

toekomstige Koningin, moeten inprenten dat het goede de grondwet van

haar bestaan was. Dat deed hij niet, omdat hij zelf in zijne afzondering

dat geluk gevonden had, dat de meester aan zijn jongeren voorspiegelt.

Van Athene naar Cyrene, van Epicurus naar Aristippus is slechts één

enkele schrede. Zij deed die, toen zij vergat dat de meester geenszins

in het najagen van genoegens alléén het hoogste goed zocht. De

gelukzaligheid, zooals Epicurus die bedoelde, moest niet minder zijn

dan die van Zeus, zelfs al had men enkel gerstebrood en water, om zijn

honger en dorst mede te stillen.

»Toch geloofde zij nog altijd zijn leerling te zijn en toen later

Antonius ten strijde trok tegen de Parthen, waardoor zij langen tijd

alleen bleef, begon zij weder te wenschen naar afwezigheid van smart en

rust der ziel. Doch de staat, haar kinderen, de echtverbintenis van

Antonius met Octavia, haar eigen hartewenschen, de magische kunst en de

Aegyptischen leer van het leven na den dood; meer dan dit alles nog de

brandende eerzucht, de nooit sluimerende behoefte bemind te worden door

hen, die zij zélve beminde, en de eerste te zijn onder de eersten...."

Op dit oogenblik kwam de bode binnen, die hem aankondigde, dat het schip

in gereedheid was.

Cleopatra: historische roman van George Ebers · 第 14 / 46 题