I.

De meestal heerschende zuid-oostelijke winden maken het mogelijk,

dat zeilschepen, die van de Markiezen-eilanden naar Tahiti gaan,

den afstand van tweehonderd-vijftig zeemijlen, die deze beide punten

scheidt, in zes of zeven dagen kunnen afleggen. Voor dezelfde reis,

in tegenovergestelde richting, behoeven zij daarentegen gemiddeld

achttien tot twintig dagen.

Het kwam mij voor, dat de Vaudreuil stil lag, zoo groot was mijn

verlangen om Tahiti weer te zien. Mijn ongeduld werd gedeeld door

allen, die, zoo als ik, vroeger reeds te Papeete vertoefd hadden;

en zij, die dit bekoorlijke land nog nimmer hadden aanschouwd,

moesten van ons zoo veel daarvan hooren, dat hunne nieuwsgierigheid

niet minder sterk was dan ons verlangen.

Den vijfden dag na ons vertrek van Taio-Hae teekent zich eene

ontzagwekkende donkere massa aan den gezichteinder: dat is Tahiti!

Wij zijn allen op het dek, gewapend met onze kijkers, volop trachtende

te genieten van het heerlijk schouwspel, dat zich voor onze blikken

vertoont. De zon, die zich stralend uit den oceaan verheft, beschijnt

de toppen van hooge, grillig gevormde bergen, waarvan de zonderling

geboetseerde naalden en pieken zich, als reuzige wachters, stout

boven elkander verheffen, en zich met scherpe lijnen afteekenen tegen

het donker blauw des hemels. Het lagere gedeelte dier bergen is nog

in schaduw gehuld; de diepe, donkere, geheimzinnige kloven grijnzen

ons in zwarte nacht tegen, schril afstekende tegen het schitterend

licht, dat ze omvloeit. De tinten worden steeds helderder naarmate de

stralende zonneschijf hooger stijgt; eindelijk giet zij haar licht

uit over de zee, wier witgekuifde golven schitteren en fonkelen als

vloeibaar zilver met diamanten overspat. Voor eenige oogenblikken

zijn alle lijnen en omtrekken, tot de kleinste bijzonderheden der

heerlijke schilderij, volkomen duidelijk zichtbaar; doch dit duurt

slechts kort: weldra vormen zich wolken, die langs de boschrijke

hellingen der bergen omhoog stijgen, en voor het overige van den dag

de hooge toppen in nevelen hullen.

Van den voet der bergen tot aan het strand is de bodem met den

weelderigsten plantengroei bedekt; boven de dichte warreling

van struiken en kreupelhout en laag geboomte, verheffen zich de

onbewegelijke bladerkronen der bevallige kokosboomen. Vlak voor ons

zien wij kaap Venus en den witten vuurtoren, op de uiterste punt der

zandige kust gebouwd. Een met inlanders bemande sloep brengt ons den

loods aan boord, die ons met veel behendigheid door het moeilijke en

bochtige kanaal van Tanoa heenbrengt. De koraalbanken, die dit kanaal

aan beide zijden begrenzen, zijn met oude kanonnen afgebakend. Zoodra

wij kaap Fareoete zijn omgevaren, verbreedt zich het vaarwater;

het spiegelgladde, ruime bekken, dat de reede van Papeete vormt,

opent zich voor ons. Een verrukkelijk schoon tafreel ontrolt zich

nu voor onze oogen: aan eene beschrijving zal ik mij niet wagen,

wetende dat elke poging noodwendig falen moet.

Het anker valt; de schakels van den zwaren, met een dikke laag roest

bedekten ketting ontrollen zich met schor gekraak: straks ligt de

Vaudreuil onbewegelijk. Wij hopen allen, dat zij zich nu eenigen tijd

rust zal gunnen.

De verschijning van een oorlogschip is altijd eene belangrijke

gebeurtenis voor Papeete: het brengt vertier, voordeel en afwisseling

aan. De leegloopende inboorlingen (en hun aantal is zeer groot),

de vrouwen vooral, verzuimen nooit aanstonds naar de kaai te loopen,

om getuigen te zijn van het ankeren. De seintoestel, op den heuvel

gebouwd, die Papeete aan de landzijde begrenst, verwittigt de

belangstellenden langen tijd te voren, dat zich een schip op de

hoogte van het eiland bevindt. "In 't zicht!" In zekere spanning wacht

men dan de verdere signalen af, waaruit blijken zal, welk soort van

schip het is, en tot welke natie het, behoort. Is het een oorlogschip

(manoea, eene verbastering van het engelsche man-of-war), dan is de

vreugde algemeen; men verblijdt zich reeds in het vooruitzicht, dat

de officieren veel geld verteren zullen. Men keert weer haastig naar

huis terug om zich wat op te knappen: een beetje toilet schaadt nooit,

on men wil gaarne een aangenamen indruk maken.

Papeete, de hoofdstad der fransche bezittingen of liever der onder

fransch protektoraat staande eilanden, ligt aan de noordwestelijke

kust van Tahiti. De ruime en veilige haven is toegankelijk voor

schepen van de grootste afmetingen. Drie kanalen voeren uit zee in

deze haven. Het kanaal van Papeete, ook het groote kanaal genoemd, ten

noorden, wordt het meeste gebruikt; de ingang, een weinig ten westen

van de stad, heeft eene breedte van zeventig el; het kanaal is niet

meer dan tachtig el lang. De diepte bedraagt doorgaans dertien el,

met uitzondering van een kleine bank, die door bakens is aangewezen

en gemakkelijk te vermijden valt. Het kanaal van Tanoa, ten oosten,

waardoor wij gekomen zijn, is bij de invaart zeer gemakkelijk;

maar het lange en bochtige vaarwater is voor groote schepen zeer

lastig. Ten westen bevindt zich nog een derde kanaal, dat van Tapoena,

dat uitsluitend door de kleine kustvaarders gebruikt wordt.

Maar wij liggen nog steeds voor anker. Wat is er gaande? De

leelijke gele vlag wordt aan den fokkemast geheschen; onze

kommandant is in levendig gesprek gewikkeld met den loods. Deze

laatste, die doorgaans het binnenloopen der haven aan de schepen

vergunt, op grond van de verklaringen van den gezagvoerder of den

scheepsdokter, verstaat verkeerd wat onze dokter hem zegt:--hij zal

ons den gezondheidsinspecteur zenden. Het is nu maar te hopen dat

deze in de stad zij!

De Vaudreuil is reeds omgeven door eene menigte met groenten en

fruit geladen prauwen, die slechts wachten op het teeken dat zij

mogen aanleggen, om op het dek hunne geurige en saprijke waar uit

te stallen. Ook de scheepsbleekers zijn daar, gereed om elkander het

linnengoed van den kommandant en de officieren, als een begeerlijke

buit, te betwisten. Onder hen herken ik den dikken Paofai, dien ik,

bij mijn eerste bezoek met de Sibylle, met mijne klandisie begunstigd

heb. Ik roep hem toe, on vraag hem of hij mij herkent. Zonder zich

een oogenblik te bedenken, zegt hij dat hij juist naar mij wilde

vragen, toen ik hem aansprak; maar hij laat daarop volgen, dat hij

mij ontmoet heeft aan boord van een schip, waarop ik nooit gediend

heb. Wij lachen hartelijk om zijne onbeschaamdheid; hij laat zich

echter niet uit het veld slaan, maar houdt sterk en stijf staande

dat ik mij bedrieg, hetgeen onze vroolijkheid niet weinig vermeerdert.

De boot met den inspecteur der quarantaine nadert en komt ons op zijde;

na eene korte woordenwisseling met onzen scheepsdokter, wordt de gele

vlag weer neergehaald, onder het luid gejubel der eilanders, die in een

oogwenk en eer men hen tegenhouden kan, met hunne rijk beladen manden

en korven naar boven klauteren en het dek overrompelen. Ik laat hen

handelen en schacheren, en begeef mij zoo spoedig mogelijk naar wal.

De stad Papeete, de hoofdstad van het kleine rijk van Tahitide en

tevens zetel van het bestuur van ons protektoraat, dat het eiland

Tahiti en het naburige Moorea, voorts de Toeamoetoe-eilanden, den

archipel van Toeboeai enz. omvat, ligt tusschen den oever der baai

en de heuvelen, die als het ware den voorgrond vormen der bergen van

het eiland. Op een dier heuvelen staat, zooals ik reeds zeide, de

telegraaf of seintoestel. De stad begint ten oosten aan de landpunt

van Faveoete, waar zich het kleine maritime arsenaal bevindt. De

huizen volgen elkander langs het strand op tot nabij de batterij van

de Embuscade, die tot verdediging van het groote kanaal dient.

Bijna over deze geheele uitgestrektheid zijn kaaien aangelegd. Daar

de diepte vóór den oever zeer aanzienlijk is, kunnen zelfs de groote

schepen aan deze kaaien aanleggen: hetgeen zoo voor den handel als

voor het verkeer met den wal van groot gemak is. Het voortreffelijke

water van een der talrijke beekjes, die Papeete besproeien, wordt door

middel van ijzeren buizen naar eene fraaie fontein op de kaai gevoerd,

waar ook de schepen zich van het noodige water voorzien. Doorgaans gaat

men vlak bij die fontein, in het middenpunt der stad, aan land. Niet

ver van daar verrijst een sierlijk gebouw, waarin zich de magazijnen

van levensmiddelen voor de marine en de garnizoensbakkerij bevinden.

De huizen langs het strand duiken half weg in de schaduw van prachtige

boomen, ter wederzijde van de kaai geplant. Natuurlijk ziet men

hier ook de winkels en magazijnen der voornaamste handelaars. De

straten, die naar de binnenstad voeren, loopen allen op deze kaai

uit. Wij willen eene daarvan inslaan, bij voorbeeld die tegenover de

fontein. Aanstonds verandert het tooneel. Ge bevindt u te midden van

een uitgestrekt park, waarvan de breede, rechthoekige straten van

Papeete de statige lanen zijn. Ter wederzijde schuilen, onder het

dichte lommer, te midden van het weelderigst groen, de smaakvolle,

bevallige woningen; schaduw en frischheid en geur allerwege; het is

eene opeenvolging van schilderachtige, liefelijke groepen: een geheel,

zoo bekoorlijk, als ge het zoudt kunnen wenschen. Vooral des avonds,

als de hitte des daags voorbij is, is het een onbeschrijfelijk genot,

door deze lommerrijke straten te wandelen, en den frisschen zeewind

met volle longen in te ademen. Geen woorden kunnen uitdrukken,

wat ik op deze heerlijke plekjes zoo vaak genoten heb, en voor mij

onvergetelijk blijft.

En de inboorlingen! Hoe volkomen passen zij bij deze bekoorlijke

omgeving. De vrouwen vooral, met haar vrijen lossen gang, met haar

schitterend gekleurde, witte, groene, roode of veelkleurige gewaden,

die geheel los en vrij haar om de slanke leden golven. Haar rijke,

schitterend zwarte hairlokken zijn versierd met een bevalligen krans

van pia, waarvan de bleek gele kleur met gouden weerschijn op het

voordeeligst afsteekt bij het blinkend zwart van haar lange lokken;

een vriendelijke glimlach speelt om haren mond; haar klankrijke,

zangerige stemmen doen u denken aan vogelengekweel. En over dit

alles speelt het fantastisch, veelvuldig gebroken en gekleurde licht,

dat zich door dezen dichten lommer een weg baant en wondere tinten

toovert op de onbeschrijfelijk schoone schilderij. Hoe een kunstenaar

hier genieten zou!

De gewone kleeding der inboorlingen bestaat uit een langwerpige lap

gekleurd katoen, pareoe genoemd, die bij de vrouwen de plaats van den

rok, bij de mannen die van den pantalon vervult. Deze lap, die van

de heupen tot de enkels reikt, wordt stevig om den middel gewonden

en vastgestoken. Daarover dragen de vrouwen eene lange hooge jurk

zonder lijf, die veel overeenkomst heeft met een gesloten peignoir;

de mannen, een loshangend hemd van europeesch maaksel.

Doorgaans gaan de vrouwen op Tahiti blootshoofds; haar hair is

eenvoudig gescheiden en golft vrij en los over de schouders. Meestal

dragen zij op het hoofd geen ander sieraad dan de witte bloemen van de

tiare; maar somwijlen tooien zij, en ook de zoogenaamde fáieie, dat wil

zeggen, de jonge dandys, de fatten, zich met den dusgenaamden horo, een

zeer smaakvol ornament. Deze horo wordt gemaakt van een fijnen stengel

of stokje, ter lengte van tien tot vijftien duim. Aan het eene uiteinde

van dit stokje worden, een voor een, een aantal kleine, welriekende en

altijd groene blaadjes gestoken van eene orchidee, maire genoemd, die

op de bergen groeit. Men verkrijgt alzoo een groenen krans van twee tot

drie duim in doorsnede. Het andere uiteinde van het stokje wordt in den

steel bevestigd der groote, zoo heerlijke geurige bloem van de tiàre

(gardenia tahitense), die met haar prachtigen witten krans als een ster

tusschen deze groene kroon schittert. Ook van de fijne bladeren der

kokospalmen weten de vrouwen een smaakvollen krans te vervaardigen,

dien zij op haar lokken drukken. De gewone hoofdbedekking voor mannen

en vrouwen is de zoogenaamde hei, een kroon van bloemen en bladeren.

Als zij in de zon moeten gaan, zetten de vrouwen een stroohoed op,

die uit Zuid-Amerika afkomstig is; op feestdagen daarentegen dekken

zij zich het hoofd met hoeden van inlandsch maaksel, van de schors

der pia (tacca pinnatifida) vervaardigd. Ook de mannen dragen strooien

of zoogenoemde panama-hoeden.

De eilanders gaan in den regel barrevoets; sommige dames echter

trekken, bij plechtige gelegenheden, kousen en schoenen of laarsjes

aan; maar het is niets zeldzaams, haar deze foltertuigen, waaraan

zij niet gewoon zijn, in de hand te zien dragen. Bij openbare feesten

en dergelijke buitengewone gelegenheden, kleeden de rijke Tahitianen

zich geheel naar europeeschen smaak.

Des avonds is het op de straten van Papeete zeer druk en

levendig. Vooral na acht uur des avonds heerscht er eene buitengewone

beweging en vroolijke levendigheid. Ongelukkig genoeg, is die

vroolijkheid zeer dikwijls niet anders dan het gevolg van dronkenschap,

die hier inderdaad een nationale ondeugd geworden is. Het misbruik

van sterken drank, door de Europeanen hier ingevoerd, is een der

oorzaken van den achteruitgang der inlandsche bevolking. Wellust

en eene ongezonde levenswijze dragen daartoe mede het hunne bij:

het ontgaat dan ook de aandacht van den vreemdeling niet, dat men

hier zoo weinig bejaarde lieden aantreft.

Niettegenstaande dit onmiskenbaar verval, heeft de inlandsche

bevolking van Tahiti nog weinig of niets van haar oorspronkelijk

karakter verloren. Het zijn nog altijd diezelfde schoon gevormde,

krachtig gebouwde athleten, zoo als Cook, Quoy, Lesson, Dumont d'

Urville en zoo vele anderen ze ons in hunne reisverhalen geteekend

hebben. De vrouwen ook zijn nog dezelfde bevallige sirenen, met haar

zacht zangerig geluid, zorgeloos, gemaklievend, van den eenen dag

op den anderen levend, zich louter aan vermaak en genot wijdende,

met bloemen bekroond; en nog altijd verdient het eiland in zekeren

naam van Nieuw-Kythere, door Bougainville aan Tahiti gegeven.

Bieden de straten des avonds een zeldzamen aanblik, niet minder

aantrekkelijk is het schouwspel, dat de reede, omstreeks dienzelfden

tijd, dikwijls te aanschouwen geeft. In duistere en kalme nachten gaan

de Kanaken uit visschen nabij de koraalriffen; de kleine prauw glijdt

langzaam en geruischloos over de stille wateren. Op de voorplecht

staat de visscher, het bovenlijf een weinig over het water gebogen,

den rechterarm opgeheven om te treffen, het oog strak op de golvende

oppervlakte gevestigd; in de linkerhand houdt hij een fakkel, rama

genoemd, van gedroogd riet vervaardigd; achter in de smalle schuit

staat een zijner kameraden, die met zijn pagaai het ranke vaartuigje

bestuurt. Somwijlen is de geheele omtrek der baai verlicht door den

weerglans der roode fakkels in de tallooze bootjes van deze visschers.

Een koerier brengt ons de orders van het gouvernement: gedurende

eenige maanden zal de Vaudreuil hier blijven, ten behoeve der lokale

dienst. Ik denk er dus aan, mij aan wal een tijdelijk verblijf in te

richten. Een mijner kameraden stelt mij voor, te zamen eene woning

te huren. Ik stem hierin gaarne toe, en wij huren met ons beiden een

huisje aan den voet des heuvels, waarop de seintoestel staat.

De europeesche woningen te Papeete zijn doorgaans van hout gebouwd;

tot afwering van de vochtigheid, is de vloer eenige voeten boven

den grond verheven, en rust op gemetselde pilaren. Ons huis is

omringd door een grooten tuin, met een houten heining afgesloten;

een twintigtal groote kokosboomen tooien deze ruimte. Niets ontbreekt

ons, zelfs niet een badkamer, die, het is waar, wel zeer eenvoudig

is ingericht, maar weelde zou hier tot niets dienen. Huizen als het

onze, die niet op fondamenten zijn gebouwd, kunnen zeer gemakkelijk

verplaatst worden. Ik herinner mij, dat eene der straten te Papeete

op zekeren dag geheel verstopt was door een huis, dat de eigenaar

naar eene andere plek overbracht.

Binnen de stad treft men weinig inlandsche woningen aan. Deze zijn,

over het algemeen, zeer ruim, luchtig en zindelijk. De muren, van

gevlochten bamboes vervaardigd, zijn niet hoog; de hard gestampte

bodem is met matten belegd.

Bijna overal vindt men bedden, die laag bij den grond en zeer breed

zijn. Het bed of ledekant bestaat uit een vlechtwerk van nape, een

soort van touwwerk, van kokosvezels gevlochten; daarop legt men een

met gedroogde banaanbladeren gevulden zak, en een met katoen opgevulde

matras. Aan de vier hoeken verheffen zich vier houten stijlen, waaraan

een gazen gordijn bevestigd wordt: een onmisbare voorzorgsmaatregel

tegen de bloeddorstige muskieten, die hier zeer talrijk zijn.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 44 / 92 题