Kolosvar, de tweede stad van Zevenbergen, wat het aantal harer
bevolking aangaat, is uit een staatkundig oogpunt de eerste: ook
beroemt zij er zich op, al de andere steden te overtreffen door de
schoonheid harer gebouwen, den beschaafden toon van haar gezellig
verkeer, de verfijning harer zeden. En toch, als ik het niet vooruit
geweten had, zou ik nimmer op de gedachte zijn gekomen, dat ik mij in
eene hoofdstad bevond. Twee rijtuigen stonden zeer bescheiden aan het
station te wachten, en ik was de eenige reiziger, die hier afstapte. De
straten waren bijna ledig; op het groote plein waren geen wandelaars
te zien; en toen ik langs het voornaamste koffiehuis ging, draaiden
de weinige bezoekers zich nieuwsgierig om, alsof de verschijning van
een vreemdeling eene zeldzame gebeurtenis was. Ook de overdreven ijver
van de bedienden in het hotel maakte een zonderlingen indruk. Kolosvar
had inderdaad geheel het voorkomen van eene kleine provincie-stad;
maar toch was er in de manieren der inwoners iets dat mij verbaasde.
Het duurde niet lang, of dit raadsel helderde zich op. Te midden der
algemeene stilte, die in de stad heerschte, werd mijn oor pijnlijk
getroffen door het gelui van de klokken aller kerken, en van tijd
tot tijd hoorde ik uit mijne kamer een dof geluid, als van regelmatig
voortgaande voetstappen. Ik zag naar buiten: het waren lijkstaatsies,
die elkander opvolgden; somwijlen vertoonde zich de eene sombere
stoet nog voor dat de andere verdwenen was: het was een onafgebroken,
akelige processie. Het bleek mij nu, dat de herbergier van Csucsa
niet al te zeer gelogen had: de cholera richtte in Kolosvar geduchte
verwoestingen aan, en het was niet raadzaam hier lang te vertoeven. Ik
was inderdaad blijde, dat ik nog dien eigen avond door een vriend
zou worden afgehaald om naar buiten te gaan.
De kerken waren opgevuld met menschen in rouwgewaad; ook lokte het
alles behalve fraaie voorkomen dier gebouwen mij niet uit tot een
bezoek aan het inwendige. Ik liet dus de kerken voor wat zij waren,
en besteedde mijn tijd met eene wandeling door de stad en hare
onmiddellijke omstreken. Al dadelijk merkte ik op, met hoeveel zorg
het gemeentebestuur de riolen had laten reinigen, om in de straat,
van afstand tot afstand, kleine hoopen van allerlei onreine stoffen op
te stapelen, die nu in de brandende Augustus-zon lagen te rotten! Dit
deed mij denken aan eene anekdote, die ik onlangs in een dagblad
gelezen had. "Neemt u in acht; de cholera nadert! Verzuimt niet de
noodige voorzorgsmaatregelen te nemen";--zoo had men uit Pesth aan
de magistraten van eene of andere servische of magyaarsche stad van
het Banaat getelegrafeerd. Den volgenden dag reeds kwam het antwoord
van de heeren: "Wij zijn gereed. De cholera kan komen!" Men ging aan
het onderzoeken, en nu bleek het dat de gezondheidsmaatregelen in
niets anders hadden bestaan dan in het delven van eenige honderden
grafkuilen op het kerkhof!
Deze vuilnishoopen uitgezonderd, is de stad echter over het algemeen
zeer zindelijk. De huizen, bijna allen van eene enkele verdieping,
velen zelfs zonder bovenverdieping, zijn zorgvuldig wit gepleisterd,
terwijl de vensters met fraai traliewerk, naar spaansche manier,
prijken; de straten zijn breed en van voetpaden voorzien. In
afwijking van de gewone bouworde in de hongaarsche steden, staan
hier de woningen niet elk op zich zelve, te midden van een tuin;
even als in de westersche steden zijn zij naast elkander gebouwd, en
vormen meer of minder regelmatige blokken. Trouwens de stad is ook
van duitschen oorsprong, althans door Duitschers herbouwd. De oude
romeinsche kolonie toch was niet meer dan een ellendig walachijsch
gehucht, toen de Duitschers zich in het begin van de vijftiende eeuw
hier vestigden. Zij herbouwden de stad, en lieten haar haar alouden
naam van Clusia, overgezet in Klausenburg; daarop omgaven zij haar,
naar hunne gewoonte--eene gewoonte, waarvan de heldhaftige Magyaren
niets wilden weten;--met sterke muren. Die muren bestaan gedeeltelijk
nog, maar dienen nu deels als tuinmuren en zijn deels met kleine
huisjes bebouwd; ook zijn er nog enkele poorten, die aan overigens
zeer burgerlijke wijken een zeker antiek feodaal voorkomen geven.
De duitsche bevolking zelve heeft zich minder goed in stand gehouden,
dan de door haar gebouwde muren. Men is vrij algemeen van gevoelen,
dat de Duitschers, als zij eenmaal in een land gevestigd zijn,
zich daar als eene afzonderlijke nationaliteit blijven handhaven,
en dat zij langzamerhand hunne buren met hun geest doordringen en
verduitschen. Dit is echter niet zoo: veeleer zou men kunnen zeggen,
dat het tegenovergestelde overal valt op te merken. Wel hebben
de Duitschers, in dichte massaas toestroomende, de slavische en
lithauische bevolkingen van oostelijk Pruissen, even als de Wenden
in Oostenrijk, verzwolgen; maar daar staat tegenover, dat in Polen,
in Hongarije, in de zuid-slavische landen, in Italië, de meeste
hunner koloniën als sneeuw voor de zon versmolten zijn. In de
Vereenigde-Staten vertoont zich hetzelfde verschijnsel: na verloop
van hoogstens een paar geslachten zijn de duitsche landverhuizers
Amerikanen geworden. In Zevenbergen hebben de uit de Rijnlanden
afkomstige Duitschers, ten onrechte Saksers genoemd, zich, dank zij
hunne privilegiën, hunne hoogere beschaving, en de uitgebreidheid
van het door hen ingenomen grondgebied, tot op onzen tijd als eene
afzonderlijke natie weten te handhaven, maar een aantal van hunne
verspreide volkplantingen zijn toch mettertijd gemagyariseerd of
gerumaniseerd geworden. De duitsche kolonie van Klausenburg is, even
als de stad zelve, hongaarsch geworden. De meeste duitsche familiën
hebben haar geslachtsnaam vertaald, of de spelling zoo veranderd, dat
hij er bijna magyaarsch uitziet; zij hebben de taal, de zeden en zelfs
den nationalen trots der Hongaren overgenomen: ook deze afstammelingen
van Germanje beroemen zich op hunne gewaande afkomst van Arpad en
Attila. Echter heeft zich ook to Kolosvar, even als elders, de invloed
der vermenging van verschillende rassen zeer duidelijk doen gevoelen:
de eigenaardigheden en tegenstellingen worden gaandeweg uitgewischt en
alle oorspronkelijkheid verdwijnt. Met uitzondering van de Tsiganen,
gewapend met hun violen, en van de walachijsche en magyaarsche
boeren, die nog hun traditioneel kostuum hebben behouden, is het
tegenwoordig zeer moeilijk, de verschillende ethnologische groepen,
waaruit de bevolking van Kolosvar en haar omtrek is saamgesteld,
van elkander te onderkennen. Zoo zijn de voornaamste kooplieden der
stad van afkomst Armeniërs, maar niemand zou dat ooit vermoeden:
zij hebben tot zelfs hunne taal vergeten.
De buitenwijken on voorsteden van Kolosvar hebben geheel en al haar
duitsch karakter verloren. De huizen, die den breeden weg omzoomen,
maken niet de allerminste aanspraak op architectonische schoonheid;
zij laten den voorbijgangers niets zien dan een zijgevel, half
verdwijnende in de schaduw van een ver overhangend dak; de voorgevel
ziet op den tuin uit, maar die is doorgaans niet te bespeuren: dit
gedeelte van het huis is bijna geheel verborgen achter eene heining
of omwalling van planken of gebladerte, vermengd met vruchtboomen,
seringen, klimop en andere planten. Ik had mij kunnen voorstellen
in Amerika te zijn, zoo zeer geleken deze verstrooide woningen der
zevenbergsche stad op de huizen van menige stad in het zuiden der
Vereenigde-Staten. Soortgelijke oorzaken hebben soortgelijke gevolgen
gehad; en onder die oorzaken, aan beide landen gemeen, bekleedt de
geringe waarde van den grond en van het timmerhout eene eerste plaats:
van daar de schijnbaar zoo zonderlinge overeenkomst in de bouworde
van twee zoo ver verwijderde landen, door geheel andere rassen bewoond.
De weg liep opwaarts: ik had dien voorbedachtelijk gekozen, in de
hoop dat hij mij naar een heuvel of eene hoogte voeren zou, van waar
ik op mijn gemak de in de vlakte gebouwde stad zou kunnen overzien;
maar de voorsteden zijn zoo uitgestrekt, dat ik een geruimen tijd
loopen moest, eer ik een punt bereikte, van waar de blik vrijelijk
het geheele dal van Kolosvar kon omvatten. Echter beklaagde ik mij
de moeite der wandeling niet. De stad met haar torens; de valleien
van den Nadas en den Szamos, die tusschen slanke populieren hunne
wateren vermengen; de lommerrijke heuvelen en dalen, waaruit heldere
beeken te voorschijn treden; de bergen van Bihar met de overblijfselen
hunner statige wouden:--dit alles vormt, aan de zijde van het westen,
een zeer bekoorlijk geheel; maar als men zich naar het noorden en het
oosten keert, welk eene akelige tegenstelling! Daar strekt zich de
Mesöseg, de Middenvlakte, uit: een treurig, somber, golvend plateau,
niet ongelijk aan eene grauwe zee. Geen enkele boom is hier staande
gebleven; het hart van het Land der Wouden is herschapen in eene
naakte, grijze, eentonige vlakte, waar de toenemende verdroging van den
grond en het ongebreidelde geweld der van de bergen stroomende wateren
al meer en meer de bebouwing moeilijk, den oogst onzeker maken. Aan
den verren, verren gezichteinder schemeren flauwelijk de toppen der
bergen van Bistritz: ge wendt het oog naar deze blauwende omtrekken,
nog even zichtbaar, als om u te troosten over de akelige dorheid
dezer streek, door de natuur zoo mildelijk met schoonheid begaafd,
maar door den mensch zoo ruw geschonden.
De heuvel, waarop ik stond, is een voorsprong van den Felek, die de
scheiding vormt tusschen de bekkens van den Szamos en den Maros. Deze
berg is bij de geologen wel bekend, uithoofde van de langwerpige
of wel geheel ronde zandsteenen, die men hier in groote menigte
aantreft. Aan de hoeken van alle straten van Kolosvar, bij den ingang
der koetspoorten, en langs de wegen die van de stad uitgaan, merkt de
reiziger die steenen op, die daar zoowel dienen tot grenspalen als tot
sieraad. Het zijn groote kogels, door concentrische lagen zandsteen
gevormd; sommige dezer blokken, vooral die men beneden aan den berg
vindt, zijn zoo regelmatig en zuiver van vormen, dat men moeite heeft
om niet aan den arbeid eener menschenhand te denken. Anderen munten
uit door hunne kolossale afmetingen; nog anderen zijn aan elkander
verbonden, even als de kralen van een ketting, in vroegere tijden
door een reuzenhand daar neergeworpen.