I.

De spoortrein, die ons medevoerde, had zoo juist Nagy-Varad [9]

achter zich gelaten. De verstrooide huizen slonken al meer en meer,

en schenen niets meer dan witte stippen te midden van het groen der

tuinen. Er kwam meer beweging en verheffing in het landschap. Reeds

strekten enkele kleine heuvelen hunne half begroeide hellingen ter

wederzijde van den weg uit; een helder, dartel riviertje schoot

lustig murmelend voort over haar bedding van glimmende steentjes;

tegenover ons, naar de zijde van Zevenbergen, verhieven zich de blauwe

toppen der bergen van Bihar, terwijl zich achter ons de onafzienbare

hongaarsche vlakte uitstrekte, door den purperen avondgloed beschenen

en bijna aan een reusachtig vaal lijkkleed gelijk.

O zeker, de magyaarsche vlakte, de wijde Puszta, heeft hare

eigenaardige schoonheid, die ik niet miskennen zal, maar toch

deed het mij genoegen, dat ik weder de bergen naderde. Als men

een ganschen dag lang, van de ochtendschemering tot den avond,

onophoudelijk hetzelfde landschap heeft aanschouwd, dat niet achter

ons wegzinkt in het verschiet dan om voor ons weer op te doemen; als

onze oogen moede zijn van het staren op altijd dezelfde boschjes van

acacia's, dezelfde korenvelden, dezelfde diep doorgroefde kleiwegen,

dezelfde dorpen met hunne vierkante witte hutten, dezelfde poelen

waarin ganzen spartelen, dezelfde putten met hunne schuine balken;

als wij te vergeefs hebben uitgezien naar golvende heuvellijnen aan

den schemerenden horizon:--zie, dan is het een waar genot, weder eene

meer afwisselende, rijker geschakeerde natuur te mogen aanschouwen,

bergen, wouden, ruischende wateren.

De bergketen, die door den spoorweg wordt doorsneden, vormt de

natuurlijke grensscheiding tusschen Hongarije en Zevenbergen. De bergen

van Bihar, die zich ter rechterhand in zuidelijke richting uitstrekken,

hangen samen met de minder hooge Besy-bergen, die ten noorden den

horizon begrenzen. De bergwanden naderen van beide zijden al meer en

meer; weldra laten zij niet meer dan eene smalle kloof over, waarin

de Sebes-Körös stroomt, die haar naam (Snelle Körös) met volle recht

draagt, want pijlsnel stuwt zij hare wateren voort. Straks schijnt

de vallei geheel gesloten; kalm vervolgt de lokomotief haar weg naar

een loodrechte witachtige kalkrots, die als een muur oprijst; wisten

wij niet welke schijnbare wonderen de ingenieurs weten te verrichten,

wij zouden huiveren bij de nadering van die dreigende, overhangende

rotsmassa, die telkens ontzagwekkender gedaante aanneemt.

Voor den aanleg van den spoorweg, vermeden de inwoners dezer streek

de kloof van den Sebes-Körös, en bestegen, ten noorden van den pas,

een der hellingen van het Besy-gebergte. De weg, die, zoo ver de

heugenis reikt, de beide landen verbond en steeds door reizigers

en legerbenden gevolgd werd, draagt den naam van Kiralyhago of

Koningsopgang, ongetwijfeld omdat menigmaal de monarchen hier aan

het hoofd hunner troepen langs trokken, en van deze hoogte een

blik wierpen op de beide landen, aan hun schepter onderworpen. In

de volkstaal worden nog heden zeer dikwijls Hongarije en Zevenbergen

aangeduid door de benaming van het land aan deze en aan gene zijde van

den Koningsopgang. Aan deze plek hechten zich belangrijke historische

herinneringen. Naar men wil, volgden de Hunnen dezen weg, toen zij naar

Hongarije trokken, na in de nabijheid den grond te hebben gelegd voor

de sterke vesting Hunyad, sedert en nog Banffi-Hunyad genoemd. Walachen

en Hongaren, Oostenrijkers en Russen hebben sedert de voetstappen der

Hunnen gedrukt, dikwijls genoeg om, even als zij, verderf en dood te

verspreiden. Volgens sommige geschiedschrijvers, zou een der zeven

burchten of kasteelen, waaraan het land zijn duitschen naam [10]

dankt, tot verdediging van den pas van Kiralyhago hebben gestrekt.

De pas aangelegde spoorbaan heeft nog niet de eer gehad, voor

strategische doeleinden gebruikt te worden, maar zij vergunt

den reiziger een blik te werpen in eene liefelijke en uitnemend

schilderachtige vallei. In plaats van den berg te beklimmen, zoo als de

oude heirbaan, volgt de spoorweg den loop der rivier, en baant zich,

met behulp van tunnels, een pad door de rotsen en bergen, die hem

den doortocht zouden beletten. Bij een plotselinge wending, strijkt

hij rakelings langs den voet eener rots, die nog de overblijfselen

draagt van een vierkant gebouw, nauwelijks van de rots zelve te

onderscheiden: dit is het Feeënkasteel. Daarnevens opent zich een grot:

het Drakenhol; het monster zwerft door de sombere gangen en spleten van

den hoogen kalkberg, en werpt, door de gaten en scheuren in de rots,

een blik in de stille vallei. Gelukkig kunnen noch de fee, noch de

draak langer kwaad stichten, want een der rotsen, die ge daar ginds

boven de boschrijke hellingen ziet oprijzen, draagt den naam van de

Bisschopsrots: en ge begrijpt dat de kerkvoogd niet heeft verzuimd, van

zijn hoogen zetel de machten der duisternis onschadelijk te maken. Aan

de andere zijde der vallei lokt u een liefelijker tafreel: de hellingen

zijn minder steil; de rotsen hebben een minder dreigend voorkomen;

de plantengroei is weelderiger; een zilveren beek treedt eensklaps

uit het groen te voorschijn, en stort zich, met een bevalligen sprong,

in den Körös.

Wat mij bovenal trof, was dat het land hier inderdaad zijn hongaarschen

naam Erdely, Land der Wouden, ten volle verdiende. Aan alle kanten,

niet slechts op de zacht glooiende heuvelen, maar ook op de steile

rotswanden, overal waar maar een spleet of scheur voor de wortels

gelegenheid bood om zich vast te hechten, zag ik bosschen en

kreupelhout. Alom teekende zich het donkergroene gebladerte scherp

af, hier tegen de witachtig grijze wanden der kalkrotsen, elders

tegen den roodachtigen zandsteen of de metaalkleurige tinten van

het glimmer-schiefer. Bij het verlaten van iederen tunnel, bij elke

kromming van den weg, omringde ons op nieuw het woud: de heerlijke,

verkwikkende geuren van het groote bosch woeien ons tegen op den

adem des winds. Weinig vermoedde ik, dat ik reeds morgen in dit

Land der Wouden, door naakte, boomlooze vlakten zou trekken, waar

zelfs de acacia-boschjes van Hongarije ontbreken. Te oordeelen naar

de onzinnige drift, waarmede de industrieelen de boomen omhakken,

staat het te vreezen dat ook de vallei van den Sebes-Körös haar

tooi van groenende wouden niet lang meer zal bezitten. Dennen balken

drijven in lange rijen op de rivier, en stapelen zich op tot kleine

eilandjes; bij elk station ziet men houtzagerijen, waar bergen van

planken gereed liggen tot verzending; zwaar beladen wagens wachten op

alle zijwegen. Het hout wordt hier voor allerlei doeleinden gebruikt;

zelfs de bermen der spoorwegen zijn met een beslagwerk van takken

belegd, waarvoor men toch zeer gemakkelijk steen had kunnen gebruiken.

Het begon donker te worden. Ik stapte uit aan het dorp Csucsa

(spreek uit Tshoetsha), en liet den trein doorstoomen naar Kolosvar

(Klausenburg). Hier zette ik voor het eerst, niet zonder aandoening

den voet in een land, door Rumeniërs bewoond. De innige sympathie,

die ik voor dit geheimzinnige volk gevoel, deed mijn hart sneller

kloppen. Ik vroeg mij-zelven af, van waar die aandoening? Is het omdat

de rumeensche natie ongelukkig is geweest, en vele eeuwen lang heeft

gezucht onder het juk der dienstbaarheid en het brood der verdrukking

gegeten? Is het omdat hare taal denzelfden oorsprong heeft als de

latijnsche talen der westersche volken, en is het de stem des bloeds,

het instinkt der familie, dat onbewust in mij spreekt? Ongetwijfeld

werkten deze beide oorzaken samen; bovendien overviel mij ook die

geheimzinnige aandoening, welke ieder aangrijpt, die voor het eerst

eene vreemde wereld betreedt.

Een jonkman gaat ons voorbij. Zijn kleine stroohoed met omgeslagen

randen staat coquet op zijne bruine golvende lokken; hij draagt een

overjas van witte wollen stof en een breeden gordel van geborduurd

leder. Hij ziet mij even aan.

"Roumoun? vroeg ik.

--Roumoun," antwoordde hij.

En wij groetten elkander. De ontmoeting was zeer vluchtig, en toch was

er meer tusschen ons voorgevallen, dan in die twee gewisselde woorden

lag opgesloten. Ongetwijfeld zal hij zich zelven hebben afgevraagd,

waarom ik, een vreemdeling, hem zoo vriendelijk toesprak: en ik dacht

weder aan zijn arm, overwonnen en veracht ras, aan al de rampen en

beproevingen, die het wellicht nog in de toekomst wachten. Zonderling

toch is het lot der Rumeniërs in Zevenbergen. Zij vormen de groote

meerderheid der bevolking, en toch zijn zij verstoken van alle

staatkundige rechten; zij hebben zelfs geen officieel bestaan, en hun

land is verdeeld tusschen de drie officieel erkende natiën: Hongaren,

Szeklers en Saksers.

Nauwelijks was ik het dorp ingetreden, of een joodsche herbergier kwam,

al buigende en glimlachende, op mij af. Hoe kon ik ontkomen aan een

man, die mij met zoo uitgezochte beleefdheid behandelde? Hij vroeg

met zooveel belangstelling naar mijne gezondheid, bleef zoo getrouw

mij ter zijde, putte zich zoo zeer uit in allerlei vriendelijkheid en

toonde zich zoo vaardig om aan al mijne wenschen te gemoet te komen

en mij aangenaam te zijn! Mijne zeer korte antwoorden schrikten hem

in 't minst niet af. Terwijl ik het middagmaal gebruikte, dat hij in

aller ijl had laten gereed maken, trachtte hij mij met een vloed van

woorden aan het verstand te brengen, dat ik niet beter kon doen dan een

paar weken in zijne gastvrije woning doorbrengen. Daar hij al spoedig

bemerkte, dat ik niet reisde om zaken te doen, maar om de natuur en de

menschen te bestudeeren, prees hij mij het dorp Csucsa aan als het door

de natuur zelve aangewezen uitgangspunt voor alle belangrijke tochtjes,

die men in westelijk Zevenbergen kan doen. Was het mij om historische

herinneringen te doen, had ik dan niet in mijne onmiddellijke

nabijheid de oude magyaarsche stad Banffi-Hunyad, en nog dichter bij

het oude kasteel van Sebes? Trokken fraaie landschappen mij meer aan,

dan boden de vallei van Kalota en de boschrijke heuvelen, van waar

de bovenste nevenstroomen van den Körös afdalen, mij alles aan, wat

ik redelijker wijze wenschen kon. Was de hooge bergtop van Vlegyasza

niet minder dan eene dagreis verwijderd? Wilde ik de onderscheidene

volksstammen met hunne eigenaardige kleederdrachten leeren kennen,

dan vond ik in den omtrek van Csucsa daartoe ruime stof: Rumeniërs,

Magyaren, Joden en zelfs eene servische kolonie. Eindelijk--en dit was

de dooddoener--moest ik mij wel wachten om het zoo bij uitnemendheid

gezonde Csucsa te verlaten en mijn verblijf te gaan vestigen te

Kolosvar, want daar heerschte de cholera, en--het was verschrikkelijk

om te zeggen--nooit keerde een vreemdeling van daar terug.

Ik beken dat deze laatste mededeeling eenigen indruk op mij maakte;

maar ik sloeg maar half geloof aan de woorden van den kruiperigen,

gluiperigen Jood, wien het louter om mijn geld te doen was; de

pogingen die hij aanwendde om, tegen zijn natuurlijken aard in,

oprecht te schijnen, vervulden mij met dubbel wantrouwen.

Den volgenden morgen vertrok ik dus met den eersten trein, ondanks de

vermaningen en vertoogen van mijn kastelein. Ik moet echter bekennen,

dat hij, toen hij de schoonheid der omstreken van Csucsa roemde, eens

niet gelogen had. Nog half in den doorzichtigen morgennevel gehuld, was

het landschap allerbekoorlijkst: vrouwen, met rooskleurig voorschoot,

met smaakvol geborduurde jakjes, stonden om de fontein gegroept, en

keerden zich om, ten einde ons na te zien; groote witte ossen met lange

hoornen leschten hun dorst aan de murmelende beek; ruischende wateren

stroomden te midden van het malsche gras; de weilanden en bosschen

verdwenen dommelend in den nevel, terwijl de bergtoppen, reeds door

de zon verlicht, zich stralend in de heldere lucht verhieven.

Maar nauwelijks had ik den tijd een blik te werpen op dit bevallig

tafreel, en reeds was het verdwenen. Tot mijn spijt: want naarmate

wij Kolosvar naderden, werd het land vlakker, dorder en alledaagscher.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 30 / 92 题