IX.

Wij maken ons gereed om aan land te gaan. Weldra betreden wij de

kaai aan den voet van den muur van het paleis, en volgen die tot aan

de nieuwe stad, die in haar bouwstijl geheel het karakter van haar

modernen oorsprong draagt. Daar ligt ook ons hotel, dat zich door

netheid onderscheidt, en waarvan de benedenste verdieping wordt

ingenomen door eene groote restauratie, waar de beambten en de

officieren van het garnizoen hun maaltijden komen gebruiken.

De ramen onzer kamers zien op de zee en op het nieuwe plein uit,

waarvan slechts twee zijden bebouwd zijn; alles duidt aan, dat hier

eene nieuwe stadswijk in wording is. Men heeft eene nieuwe haven

aangelegd; er is sprake van een spoorweg, en men wijst mij reeds de

plek, waar het station zal komen te staan.

Echter is dit gedeelte der stad nog bijna geheel verlaten; door de

reten onzer zonneblinden zien wij de vrouwen van Spalato, die op het

plein witte lakens uitspreiden, waarop zij het zaad van turksch koren

uitstrooien om te drogen; verder is er geen leven of beweging in deze

buurt te ontdekken.

Ons eerste bezoek geldt natuurlijk de oude stad en het paleis van

Diocletianus. Wij gaan door de smalle straten en stegen tusschen het

nieuwe gedeelte en de omwalling van het paleis, en bevinden ons weldra

op het plein der Signoria, het voornaamste plein der stad, vrij ruim,

omzoomd door koffiehuizen, winkels en monumenten van weinig beteekenis,

of die althans hun eigenaardig karakter door herhaalde verbouwing en

verandering verloren hebben. Hier is het hart der eigenlijke stad,

de wandelplaats, het algemeene vereenigingspunt, het centrum der

beweging. Dit plein verschilt niet wezenlijk van dergelijke pleinen in

de andere kuststeden: alleen mist men hier een dier fraaie italiaansche

loggie of dier schilderachtige venetiaansche raadhuizen, die wij te

Pola, te Zara en te Sebenico hebben bewonderd. Aan de zuidzijde van

het plein bevindt zich de oude IJzeren-poort van het paleis.

Wij gaan onder een hoogen rijk versierden booggang door: daar eindigde

de galerij of portiek, die, evenwijdig met de kust loopende, van de

IJzeren-poort naar de Bronzen-poort, tegenwoordig de kerk van den

Goeden Dood, voerde. Van deze portiek is niets meer over, dan hier

en daar nog enkele sporen in het inwendige der huizen, die er tegen

aangebouwd zijn, en den wijden doorgang zoo zeer vernauwd hebben,

dat ge u in een der stradine van Venetië waant. De richting is

echter dezelfde gebleven: de smalle straat loopt nog heden van de

IJzeren naar de Bronzen-poort. De huizen zijn hoog; de zon kan nooit

in deze straat doordringen; zij gelijkt bijna een reusachtigen put,

langs welks wanden vensters met balkons zijn aangebracht, van waar

ziekelijke, kwijnende planten afhangen, dorstende naar een weinig

frissche lucht en een weinig zonneschijn.

De smalle bedompte straat volgende, komen wij aan het Domplein, het

oude forum van het paleis, waarop ook de portieken uitkwamen van den

Tempel en van het Mausoleum. De beide, door zuilengangen omzoomde

wegen, die het gansche paleis in de lengte en breedte doorsneden,

liepen hier samen. Dit belangrijkste gedeelte van het geheele gebouw

is gelukkig bewaard gebleven: de stad, die de bewoners van Salona

in het paleis stichtten, had ook een plein en een tempel noodig:

men vond beiden bereids in het middenpunt der geïmproviseerde stad

aanwezig. De nieuwe bewoners stelden de vereering van den waren God

in de plaats van de dienst der afgoden, en herschiepen den tempel

in eene katholieke kathedraal; toen metselden zij de bogen van de

portiek toe, en bouwden op het plein, waarop het Mausoleum stond,

het paleis van hun eersten aartsbisschop, waarbij de voorzijde der

portiek de façade van het nieuwe paleis werd. Dit verklaart ook,

waarom het kleine gebouw, onder den naam van het Mausoleum bekend, en

later tot doopkapel ingericht, (naar het oude kerkelijke gebruik, dat

een afzonderlijke kapel voor de doopsbediening vorderde) tegenwoordig,

van het Domplein afgescheiden, in eene nauwe steeg staat.

Als wij ons op het plein plaatsen, met den rug naar de smalle straat

gekeerd, die naar de Gouden-poort loopt, zien wij tegenover ons de

loggia van den peristyle, op vier zuilen van rood graniet rustende. In

het midden van deze loggia heeft men een onderaardschen doorgang

aangebracht; van daar voeren trappen naar de lage galerijen, die met

de zee in gemeenschap staan.

Aan onze linkerhand hebben wij de portiek vóór den tempel zelven,

benevens de klokketoren of campanile, in 1416 door Nicolo Tverde,

Dalmatiër van geboorte, gebouwd, op kosten van Maria, Koningin van

Napels, en later, door de milde gaven van Elizabeth van Hongarije,

voltooid. Aan dezelfde zijde, aan den hoek waar de portiek gesneden

wordt door de straat, die evenwijdig met de zee loopt, hebben de

Venetianen een wachthuis gebouwd, welks voorgevel mede door de

antieke bogen gevormd wordt. Aan onze rechterhand bevindt zich het

aartsbisschoppelijk paleis, insgelijks een geheel uitmakende met

de oude portiek aan die zijde, en waarvan de vensters tusschen de

arkaden gevat zijn.

Het Pantheon te Rome en de tempel in het paleis van Diocletianus te

Spalato zijn de twee schoonste, nog ongeschonden gebleven monumenten

der antieke bouwkunst, die door de Christenen voor hunne eeredienst

zijn ingericht.

Het was in het jaar 650, dat Johannes van Ravenna, door den Paus

gezonden om de aangelegenheden der Kerk in Dalmatië te regelen,

den aartsbisschoppelijken zetel besteeg; tot dusver was Salona de

residentie van den aartsbisschop geweest. Kort daarna werd het lichaam

van Sint-Doïmo (Domnius) van Salona overgebracht naar de nieuwe

kathedraal, aan dien heilige gewijd, die, volgens de overlevering,

door den Apostel Petrus zelven als bisschop naar Dalmatië was gezonden,

en onder de regeering van Trajanus, ten jare 107, te Salona was ter

dood gebracht.

De achthoekige tempel stond oorspronkelijk op eene binnenplaats, aan

de zijde van het plein afgesloten door eene portiek van zes kolommen,

die nog in stand zijn gebleven, en door zijmuren, waarvan mede nog een

gedeelte overig is. Als men de buitenste portiek was doorgegaan, kwam

men aan eene tweede portiek van vier kolommen, die den toegang tot het

gebouw zelf vormde en eenige treden boven den grond verheven was. Het

geheele achthoekige gebouw was verder omgeven door eene omloopende

portiek van vier-en-twintig kolommen, deels van oostersch graniet,

deels van marmer, en allen bekroond met standbeelden, die tegenwoordig

verdwenen zijn. De portiek vóór den tempel is eveneens verdwenen

en vervangen door stevig metselwerk, waarop de campanile rust, en

waarbij een aantal antieke zuilen als bouwmateriaal gebezigd zijn.

De omgang om den tempel bestaat nog, met de portiek, die hier en

daar is toegemetseld, en alleen aan de zijde achter het hoogaltaar is

vernield. Alleen aan den rechterkant is de doorgang nog vrij; tusschen

de portiek en den eigenlijken tempel, in de muren en tusschen de

kolommen, ziet men eene menigte antieke graven, grafzerken en tomben

van historische personen. Boven den ingang van den tempel bevond

zich weleer de sarkophaag van de Prinsessen Margaretha en Catharina,

dochters van Bela IV, Koning van Hongarije, ten jare 1241 overleden

in de vesting Clissa, waar haar vader de wijk had moeten nemen voor

de Tartaren. Haar stoffelijk overschot werd naar Spalato gebracht,

en overeenkomstig een gebruik dier tijden, in een sarkophaag boven

de poort van den Dom geplaatst. In de maand Mei van het jaar 1818

is dit monument verdwenen, men weet niet recht hoe; de ledige plaats

getuigt nog van den gepleegden roof.

Het inwendige van den tempel maakt een grootschen indruk. De

christelijke eeredienst heeft in geen enkel opzicht aan de majesteit

van den antieken tempel afbreuk gedaan. Het gebouw, dat uitwendig de

gedaante van een achthoek heeft, is van binnen cirkelvormig; wij staan

in eene ledige ruimte, van dertien el in doorsnede en een-en-twintig

el hoogte, gedekt door een koepel. Acht zuilen van korinthische orde,

uit een enkel blok oostersch graniet gehouwen, en zeven el hoog, dragen

een bij uitstek rijk bewerkt entablement van kolossale afmetingen,

dat in zijne overmatige versiering duidelijke sporen toont van het

verval der kunst. Op dit entablement rust eene galerij, mede met acht

kleinere zuilen versierd, waarvan vier uit porfier en vier uit graniet,

die eene kroonlijst dragen, waarop het gemetselde gewelf rust.

Het geheel is grootsch en eenvoudig; het eenige gedeelte dat,

behalve het entablement, van te groote overlading getuigt, is eene

fries op de bovengalerij, die om het geheele gebouw loopt en in

eene reeks medaillons eene menigte bas-reliefs bevat, jachten,

wedstrijden, herten, leeuwen, spelende amors, busten van Diana

enz. voorstellende. De tempel is duister, hoewel men er, toen hij

voor de christelijke eeredienst werd ingericht, eenige nieuwe

vensteropeningen in gemaakt heeft; maar oorspronkelijk ontving

hij al zijn licht door een soort van venster, boven den ingang

geplaatst. Intusschen verhoogt dit halfdonker zeer het effect.

Onder den tempel bevindt zich een onderaardsche krypt, die de

geheele ruimte inneemt en zeer goed bewaard is gebleven; het is niet

gemakkelijk uit te maken, waarvoor zij eigenlijk bestemd was.

Bij de inrichting van den tempel voor de katholieke eeredienst, heeft

men ook boven in den koepel eene opening aangebracht. Voor de plaatsing

van het hoogaltaar, heeft men gebruik gemaakt van de cella tegenover

den ingang, waarin het beeld van den god moet gestaan hebben; verder

is een deel van den zijmuur weggebroken en een zijgebouwtje van den

tempel tot kapel ingericht. De preekstoel, een heerlijk kunstwerk uit

de veertiende eeuw, staat links van den ingang, en in elk der nissen

tusschen de pilaren ziet men een altaar. De vloer van den tempel is

onveranderd gebleven, slechts is het achterste gedeelte een paar treden

verhoogd; de ruimte rechts en links van het hoogaltaar wordt door het

koor ingenomen; in de hoeken verheffen zich fraaie gothische monumenten

van gesneden hout, die de beide altaren moeten beschermen, in de

twee nissen van den ronden muur geplaatst. De houten balkons boven

de entablementen op de beide verdiepingen zijn veel later aangebracht.

De tijd heeft het marmer donker gekleurd en de glans van het porfier

gedoofd; een enkel venster laat een breeden straal van licht door,

die sommige gedeelten van het inwendige in helderen glans hult, maar

het verdere in half doorschijnende schemering laat, welke nauwelijks

het fijne beeldhouwwerk doet herkennen. De zware entablementen werpen

breede en diepe schaduwen af, waartegen hier en daar de omtrekken der

vergulde engelen op de baldakyns uitkomen; in de nissen en kapellen

flikkeren de lampen voor het beeld der Madonna; versierde caissons,

groote crucifixen, verguld snijwerk en reliefs van hout, zilveren

lampen, door den tijd geel gekleurd, edele steenen in de altaren,

schitteren hier en daar als lichtende stippen in het geheimzinnig

halfdonker. De kerk schijnt ledig; eene enkele oude vrouw ligt in

de schaduw nedergeknield en murmelt met eentonige klagende stem

hare gebeden.

Driemaal hebben wij daar lange uren gesleten, in de nis rechts

van den ingang zittende en schetsen makende; het was zeer donker;

niettegenstaande het op den vollen middag was, moest de koster twee

kaarsen ontsteken, om daarbij te kunnen teekenen. Duizenden insekten,

vleermuizen, nachtvogels zelfs, daalden van het donkere gewelf en

snorden en zwermden om onze ooren en verzengden hun vlerken aan de vlam

der kaarsen; de koude vochtigheid drong tot op het gebeente door. De

sombere indruk werd nog verhoogd door een klagend geluid, een half

gesmoorden zucht, een doffen snik, nu en dan uit de schemering tot

ons komende: daar lag eene vrouw of een grijsaard ter aarde gebogen

en stortte hier het hart uit voor Hem, wiens oog door de duisternissen

henen dringt en wiens oor de stem der klagenden hoort, van waar zij ook

moge opgaan. Dan gevoelden wij toch ook, dat het hier heilige grond is.

Als wij, uit de kathedraal komende, het plein oversteken en een nauw

steegje inslaan, bevinden wij ons weldra tegenover het kleine monument,

dat algemeen onder den naam van het Mausoleum bekend is, hoewel

het volgens sommigen een tempel van Esculaap zou zijn geweest. Het

gebouw heeft den vorm van een parallelogram van acht el breedte bij

eene lengte van elf en een half el. Het is betrekkelijk goed bewaard

gebleven; de portiek echter, die den toegang tot den tempel vormde

en die veertien treden boven den grond verheven was, is verdwenen.

Het inwendige ontving al zijn licht door den ingang; de muren zijn

naakt; aan drie zijden loopt een rijk bewerkte kroonlijst, waarop het

uitnemend goed bewaarde gewelf rust. De basreliefs der fries stellen

amors, wijngaardranken, offervazen, leeuwen en luipaarden voor; naar

deze attributen te oordeelen, zou men veeleer denken aan een tempel

voor den god des wijns dan voor dien der geneeskunde. Voor den ingang

staat een antieke sarkophaag, met beeldhouwwerk versierd en blijkbaar

uit denzelfden tijd als de tempel afkomstig. Onder verschillende

allegoriën herkent men duidelijk de afbeelding van den strijd van

Meleager met het wilde zwijn. De sarkophaag komt waarschijnlijk van

Salona; onderscheidene geleerden hebben gemeend, dat het basrelief

eene zinnebeeldige voorstelling was van den dood van Arius Aper, den

moordenaar van Numerianus, die door Diocletianus, toen nog generaal,

doch straks Keizer, ten aanschouwe van het geheele leger, met eigen

hand werd geveld. De overlevering verhaalt, dat eene priesteres der

druïden hem het keizerlijk purper had voorspeld, als hij een wild

zwijn (aper) zou hebben gedood; de italiaansche archeoloog Lanza

heeft zelfs op dien grond beweerd, dat deze sarkophaag eenmaal het

stoffelijk overschot van Diocletianus moet hebben bewaard. Zoo als

ik reeds zeide, dient het gebouw tegenwoordig nog voor doopkapel;

waarschijnlijk heeft het daaraan zijn behoud te danken.

Dit zijn de voornaamste overblijfselen van het beroemde paleis;

maar volstrekt niet de eenige. De gansche oppervlakte, eenmaal door

de keizerlijke residentie ingenomen, is thans bebouwd met nauwe en

donkere straten. Behalve de kathedraal, bevinden zich nog drie kerken

binnen deze ruimte; en wie nauwkeurig alle sporen en overblijfselen

wil nagaan, waarop de oudheidkundigen hunne voorstellingen van

het paleis ten tijde zijner heerlijkheid gegrond hebben, moet niet

alleen dit gansche terrein onderzoeken, maar moet ook in de huizen,

op de binnenplaatsen en zelfs tot in de kamers doordringen. Op een

bovenverdieping, achter een bed, op een trap, in een kast, vertoont

zich soms eensklaps een korintisch kapiteel; elders steekt een zuil

half uit den muur; ginds wederom is het een basrelief of een deel van

een muur, die dikwerf het spoor wijzen tot belangrijke ontdekkingen.

Wij verlaten het paleis door de Gouden-poort, die wij bereiken door

de straat, welke op het Domplein uitkomt, ten einde te volgen. De

afbeelding op bladz. 120 ontslaat mij van alle verdere beschrijving. De

poort waarvan de voet tegenwoordig eenige ellen in den grond begraven

is, was vroeger ongetwijfeld een prachtig monument; de nissen, waarvan

de sporen nog zeer duidelijk zijn te herkennen, waren oorspronkelijk

met standbeelden versierd, die, zoo als men zegt, naar Venetië zijn

overgebracht. Tijdens het venetiaansche bestuur, werd de Gouden-poort,

in het belang der verdediging, voorzien van twee achthoekige torens,

die nog voor een deel zijn in stand gebleven.

Intusschen is de oude stad, hoe belangrijk ook, niet het eenige

gedeelte van Spalato, dat de aandacht van den reiziger verdient. Aan

den oever der zee, links van den muur van het paleis, verheft

zich een achthoekige toren, dien wij niet met stilzwijgen mogen

voorbijgaan. Het plein, waarop deze toren, die uit den tijd der

hongaarsche heerschappij dagteekent en den naam van toren van

Harvoje draagt, zich verheft, dient tegenwoordig tot markt. Dit

plein behoort tot de schilderachtigste gedeelten der stad, en

toont door het eigenaardig karakter der omringende gebouwen, als

het ware den geleidelijken overgang tusschen drie verschillende

tijdvakken: tusschen de antieke periode, de hongaarsche heerschappij

en het tijdperk der venetiaansche regeering. Ook elders in de stad

hebben deze verschillende tijdperken overblijfselen en monumenten

achtergelaten. Natuurlijk heeft het venetiaansche karakter de overhand:

gedurende haar lange heerschappij heeft de trotsche republiek ook op

Spalato haar onmiskenbaren stempel gedrukt.

Het klimaat is gezond; de omstreken zijn vruchtbaar; de warmte is

niet te drukkend en de winter is er doorgaans zacht; verder heeft de

stad--natuurlijk met uitzondering van het paleis--weinig dat boeien

kan; en de gedaanteverwisseling, die zij heden ondergaat en die haar

den maar al te bekenden type onzer moderne steden nader brengt, doet

haar dat oorspronkelijke en eigenaardige karakter verliezen dat ons in

de andere steden van Dalmatië zoo zeer getroffen heeft. Binnen twintig

jaar zal te Spalato zeker eene derde nieuwe, geheel moderne stad zijn

verrezen, regelmatig van aanleg, maar koud en zonder eigen physionomie;

doch de eigenlijke oude stad, binnen de muren van het paleis van

Diocletianus besloten, zal aan die herschepping geen deel kunnen

nemen, want daar kunnen geene groote veranderingen worden aangebracht,

zonder hetgeen nog van het paleis over is, geheel te vernielen; en

de oostenrijksche regeering heeft alle mogelijke maatregelen genomen

om verdere schending van deze eerwaardige ruïnen te voorkomen.

Spalato mag op een aantal beroemde mannen bogen, die hetzij daar

geboren zijn, hetzij daar hun verblijf hebben gehouden. Onder de breede

rij harer aartsbisschoppen komt menige schitterende naam voor; een der

meest bekende is wel die van den beroemden Marc-Antonio de Dominis,

den voorlooper van Newton en Descartes. Aanvankelijk hoogleeraar in

de wijsbegeerte aan de hoogeschool van Padua, werd hij door Clemens

VIII tot aartsbisschop van Segna benoemd, en besteeg in 1602 den

zetel van Spalato. Wijsgeer, wiskundige, natuurkundige van naam,

voegde hij bij zijne uitgebreide wetenschap een vast karakter

en eene zeldzame energie; bovenal man der daad, had hij het hoofd

geboden aan de Uskoken, en bewees hij tijdens het heerschen der pest

in 1607, de uitnemendste diensten te Spalato. Zijn levensloop is

zeer merkwaardig: ten gevolge van een geschil met het hof van Rome,

gedwongen zijn vaderland te verlaten, begaf hij zich naar Venetië,

waar hij geschriften in het licht gaf, die door de Inquisitie werden

veroordeeld. Sir Henry Wotton was destijds gezant van Engeland

bij de republiek; hij noodigde Dominis uit, hem te vergezellen,

en de voormalige aartsbisschop van Spalato zwoer zijne Kerk af en

schreef pamfletten tegen den Heiligen Stoel. In Engeland gekomen,

werd hij door Jacobus I beschermd en tot deken van de anglikaansche

kerk van Windsor benoemd. Toen Gregorius XV den pauselijken troon

beklommen had, wendde hij een poging aan om dezen afgedwaalden zoon

der Kerk, dien hij persoonlijk gekend had, en wiens zeldzame gaven

hij bewonderde, terug te brengen. Overtuigd dat Dominis juist door

de vervolging verbitterd en tot buitensporigheden gedreven was, zond

de Paus den spaanschen gezant tot hem, die geene moeite spaarde om

hem weder voor Rome te winnen. Dominis keerde ook inderdaad terug,

wierp zich voor de voeten van den Heiligen Vader, en zwoer zijne

dwaling af. Maar na den dood des Pausen, sloeg het Heilige College

een anderen weg in. Men beschuldigde Dominis van afval, men beweerde

dat hij in verstandhouding stond met de ketters, en in 1624, twee jaar

na zijn terugkeer te Rome, werd hij in den Engelenburcht opgesloten,

waar hij stierf. Zijn lichaam werd openlijk, op het Campo del Fiori,

verbrand, met een exemplaar zijner pamfletten.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 28 / 92 题