De vaart van Sebenico naar Spalato duurt vijf uren. Men volgt van
nabij de kust, die hier zeer hoog en moeilijk te naderen is; voorbij
kaap la Planca vormt de Adriatische-zee eene groote menigte inhammen
en kanalen, die vrij diep in het land dringen. De steden liggen allen
langs de kust, en hebben elk haar haven, even als in Istrië en in het
noordelijk gedeelte van Dalmatië; maar zij verschuilen zich hier meer
achter in de baaien en inhammen, en zijn verborgen door eilanden,
vrij wat grooter dan die in de nabijheid van Zara en Sebenico. De
belangrijkste dezer eilanden zijn: Bua, Solta, Brazza, Lissa, Lesina,
Cursola, Sabbioncello, Melida en de groep der Elaphiten. Deze talrijke
engten en kanalen, deze fjords, zijn een eigenaardig kenmerk van de
Adriatische-zee, althans langs deze kust: tusschen la Planca en Ragusa,
zou men zich schier kunnen verbeelden op een der groote italiaansche
meeren te varen, want men verliest nimmer de beide oevers uit het oog:
aan de eene zijde het vaste land van Dalmatië, en aan de andere zijde
de eilanden en klippen, die elkander in lange reeks opvolgen.
In het jaar 303 na Christus, toen het romeinsche rijk, dien
onmetelijken omvang verkregen hebbende waaraan het voor een goed
deel zijn ondergang te danken had, na honderdvijftig jaren van
bijna aanhoudenden krijg wederom een tijdperk van vrede intrad en
nog eenmaal de wereld verblindde door den glans zijner heerlijkheid,
verzamelde Keizer Diocletianus, de hersteller van de militaire tucht
en de overwinnaar der Perzen en Meden, het volk en het leger in de
vlakte van Nicomedië. Daar besteeg hij, het hoofd omkranst met den
lauwer der overwinning, de trappen van een prachtigen troon, en op
de volle middaghoogte zijner macht en zijns roems, verkondigde hij
aan de verbaasde wereld zijn besluit om van de regeering afstand te
doen. Hij keerde zelfs niet meer naar zijne hoofdstad terug, maar
gebruik makende van de algemeene verwondering, door deze mededeeling
verwekt, verborg hij zich voor aller oog in een overdekten wagen
en begaf zich naar Dalmatië, om daar, ver van het gewoel der wereld,
het prachtige paleis te gaan bewonen, waaraan hij sedert twaalf jaren
had laten bouwen.
Dit paleis van Diocletianus, waarin hij negen jaar, tot aan zijn dood,
woonde, bestaat nog altijd te Spalato, en is een der merkwaardigste
monumenten, die ons van de oudheid zijn overgebleven. Nabij het paleis
lagen de tuinen van Salona, waar de Keizer zich met het kweeken van
groenten onledig hield. Dit paleis van Diocletianus is voor een deel
de stad zelve, waar wij voet aan wal zullen zetten, want zij is op
het terrein van dat paleis gesticht en binnen zijne muren omsloten.
Uit zee gezien, maakt Spalato bijkans den indruk eener groote stad:
zij is dan ook inderdaad de volkrijkste en belangrijkste stad van
geheel Dalmatië. Zij ligt aan den oever der zee en in eene vlakte;
de lange levendige kaai wordt aan de eene zijde begrensd door het
lazareth, een groot, vooruitspringend gebouw, en aan de andere zijde
door de nieuwe wijk en de voorstad. Een trotsche campanile verheft
zijne spits ten hemel, en teekent zich af tegen den ernstigen,
donkeren achtergrond der bergen, boven wier golvende lijnen de berg
Mossor hoog uitsteekt. De groote merkwaardigheid van Spalato echter,
datgene wat bovenal de belangstelling der reizigers wekt en hunne
schreden naar deze stad richt, dat is de monumentale ruïne, waarvan
de wedergade ter wereld misschien niet te vinden is, bekend onder
den naam van het paleis van Diocletianus.
De Keizer was aan de oevers van de Adriatische-zee, aan den voet der
Zwarte-bergen, te Dioclea, geboren. Hij was aanvankelijk gemeen soldaat
bij een dier romeinsche legioenen, die het rijk moesten verdedigen
tegen de invallen der barbaren. Langzamerhand tot de hoogste rangen in
het leger opgeklommen, dong hij, hoewel de zoon van een vrijgelatene,
als zoo vele anderen naar het keizerlijk purper; en in dien tijd,
toen de kohorten naar welgevallen hunne gunstelingen op den troon
verhieven, werd ook hij, in het jaar 284, tot Keizer uitgeroepen. Hij
gaf zich den bijnaam van Jovius, en voegde zich een mederegent toe
in den persoon van Maximianus, bijgenaamd Herculius, een soldaat
van fortuin even als hij zelf, maar die noch zijn geestkracht, noch
zijn buigzaam karakter, noch zijne menschenkennis bezat. Diocletianus
had het rijk den vrede weergegeven. Na vele jaren gelukkig den krijg
te hebben gevoerd, liet hij aan zijn ambtgenoot de zorg over om de
laatste vijanden van Rome uit te roeien, en won hij voor zich zelven
den roem van een voortreffelijk regent en een geniaal wetgever.
Rome had haar alouden glans reeds voor een groot deel verloren;
vier vorsten regeerden tegelijk en verdeelden het rijk onder zich:
eerst Diocletianus en Maximianus, en vervolgens ook de beide Cesars,
Constantius en Galerius, aan wie Diocletianus mede een deel van het
gezag gegeven had. Voortdurend in oorlog met de barbaren gewikkeld,
gaf bij de voorkeur aan het verblijf te Nicomedië, waar hij eene
oostersche pracht ten toon spreidde, boven dat in de heilige stad Rome;
Maximianus had zijne residentie gevestigd te Milaan, Constantius in
Gallië, en Galerius aan de oevers van den Donau.
Diocletianus hield van bouwen, en had overal gedenkteekenen opgericht:
Rome dankte hem de beroemde baden, die nog zijn naam dragen; Palmyra,
die heerlijke tempels, waarvan de ruïnen nog heden de bewondering der
reizigers opwekken; Carthago, Milaan, Nicomedië, hadden onder zijne
regeering prachtige monumenten zien verrijzen, waaraan hij met milde
hand de schatten van het Oosten had ten koste gelegd, voor een groot
deel door zijne wapenen onderworpen. Omstreeks het jaar 296, reeds naar
rust verlangende, had hij den blik geworpen op de stad Salona, een
der belangrijkste van Dalmatië, aan den oever eener stille baai, aan
den voet der bergen, gelegen; hij had die stad geheel doen herbouwen
en tuinen doen aanleggen, waar hij zich gaarne onthield te midden van
de dalmatische natuur, waaraan zich voor hem zoo vele herinneringen
hechtten, en die hij lief had, zoo als de visschers der klippen den
naakten grond liefhebben, die hen heeft zien geboren worden. Omstreeks
denzelfden tijd had Diocletianus, op een mijl afstands van Salona,
aan den oever der zee, de grondslagen doen leggen van het reusachtig
paleis, waar hij zijne laatste levensjaren in stille rust wenschte te
slijten. Na een schitterenden veldtocht in Perzië, vertoonde hij zich
voor het laatst aan de inwoners van Rome, werd daar als overwinnaar
gekroond, en keerde toen naar Nicomedië terug, waar hij plechtig van
de regeering afstand deed.
Het huis, waarin hij zich nu terugtrok, geleek in geen enkel opzicht
de nederige woning van den wijze, wars van het gewoel der wereld en
afkeerig van weelde en pracht: het was een uitgestrekt paleis, nog ten
volle een Keizer waardig, en ruim genoeg om tempels en baden, zalen
voor de lijfwachten en woningen te bevatten voor die gansche schaar
van afhangelingen en cliënten, die zich om den gewezen souverein
bleef bewegen.
Het paleis vormt een groot vierkant, aan de vier hoeken van sterke
torens voorzien; de hoofdgevel is naar de Adriatische-zee gekeerd. De
oppervlakte van het geheele gebouw, zonder de aangrenzende tuinen,
beslaat dertigduizend-vijfhonderd el; de open galerij, die op zee
uitzag, had eene lengte van tweehonderd el. Behalve de poort aan
de zeezijde, had het paleis drie hoofdingangen: ten noorden, de
Gouden-poort, die op den weg naar Salona uitkwam: de Bronzen-poort,
die naar Epetium (tegenwoordig Hobrech) voerde; en de IJzeren-poort,
die, volgens den italiaanschen archeoloog Lanza, toegang gaf tot een
park, bepaaldelijk voor de jacht van den Keizer bestemd. Elke dezer
poorten was gevat tusschen twee achthoekige torens. De vierde poort
kwam aan zee uit, en diende voor het in- en ontschepen; zij stond in
verband met uitgestrekte onderaardsche gangen en souterrains, die naar
de verschillende deelen van het paleis voerden en nog heden bestaan.
Van het punt, van waar wij een blik op de stad Spalato in haar geheel
geworpen hebben, is er een geoefend en scherpziend oog noodig, om
het oude gedeelte te herkennen, te midden der groote veranderingen,
die het in den loop der tijden en in verband met de verschillende
behoeften der opvolgende bewoners ondergaan heeft. De stad is in den
letterlijken zin in en tegen het voormalige paleis gebouwd, waarvan
sommige gedeelten nog bijna ongeschonden in wezen zijn, schoon dan
ook geheel van bestemming veranderd.
Diocletianus liet omstreeks 295 met den bouw van het paleis beginnen:
hij deed afstand in 304; en als wij de kroniek van Eusebius mogen
gelooven, leefde hij te Spalato tot in 313, het jaar van zijn
dood. Welke lotgevallen onderging zijne vorstelijke woning sedert
dien tijd?
De vierde eeuw is de eeuw van de invallen der barbaren. Het ten
ondergang neigende romeinsche rijk wordt, na den dood van Theodosius,
voor goed in tweeën gesplitst: Honorius ontvangt voor zijn deel
Dalmatië met de andere westelijke provinciën. Gansch Illyrië wordt
echter weldra de prooi der Hunnen, der Gothen, der Visigothen, en
tweemaal binnen den loop van eenige jaren levert Alarik het gansche
land aan de verwoesting over. Op de Hunnen volgen de Vandalen; op
Alarik en Attila volgt Genserik. Marcellinus, de vertegenwoordiger
van het Westersche rijk, waartoe Dalmatië heet te behooren, slaagt
er echter in, de geheele provincie te heroveren, terwijl Rome zelf
in de handen valt der barbaren.
Het paleis werd natuurlijk door deze vreemde horden niet gespaard:
de tempels en schatkamers werden geplunderd, alles wat eenige
waarde had of door fraaie bewerking uitmuntte, werd de buit der
barbaren. De beelden der goden lagen, verminkt en geschonden, hier
en daar verspreid; de sarkophagen werden opengebroken; Salona,
de naburige stad, door Diocletianus geheel herbouwd, verfraaid en
versterkt, werd der plundering prijs gegeven. Niettemin bood zij haar
aanvallers heldhaftig weerstand, en weldra herleefde zij uit haar asch.
In het begin der vijfde eeuw heeft men de keizerlijke residentie van
Spalato herschapen in een soort van gesticht of college voor vrouwen,
waar de jonge meisjes wol komen spinnen en weven om de kleederen der
krijgslieden te vervaardigen, onder de leiding van den Procurator
gynecii Jovensis Dalmatiae Aspalato. Langzamerhand keert de vrede
terug; het paleis wordt gerestaureerd en weer tot keizerlijke woning
ingericht ten behoeve van Marcellinus, en na hem van Glycerius en
Julius Nepos (475). Maar Odoaker, die zich bereids van Italië heeft
meester gemaakt, doet een inval in Dalmatië, dat nu het slagveld wordt,
waarop de Herulen en de Oost-gothen, onder aanvoering van Odoaker en
Theodorik, elkander de heerschappij betwisten.
Theodorik roept de Gothen en de Slaven te hulp, en de steden, die bij
de eerste invallen waren gespaard gebleven, worden thans verwoest:
het nauwelijks herstelde paleis valt op nieuw in handen der barbaren,
en Salona, de rijke stad, wordt ten tweeden maal geplunderd en aan
de vlammen prijs gegeven. Wederom gelukt het Keizer Constantius de
provincie te bevrijden en de Gothen te verdrijven: maar de rust is
slechts tijdelijk. Lombarden en Avaren overstroomen op hunne beurt
het geteisterde land, dringen in Salona door en verwoesten de groote
stad zoo volkomen, dat er zelfs geen spoor van overblijft. Van Salona
trekken zij naar Spalato, en bestormen nog eenmaal die oude, beroemde
muren, die zoo veel aanvallen hebben weerstaan.
De zevende eeuw is getuige van de geboorte der stad Spalato, en
daarmede valt tevens samen de groote verandering en herschepping van
het paleis van Diocletianus. De barbaren hebben op hun weg alles
verwoest: er is geen tempel meer te vernielen, geen stad meer te
verdelgen, geen dorp meer te verbranden: het land is bijna eene
wildernis geworden. Aan de eene zijde zijn zij zuidwaarts afgetogen
naar het tegenwoordige Albanië; aan de andere zijn zij langs de kust
voortgetrokken, door Kroatië, Istrië en Frioul; zij hebben Aquilea
en Altino verwoest, Padua geplundert, en de bewoners der kuststreken
uitgedreven naar de lagunen, om daar den grond te leggen voor die
machtige republiek Venetië, die hare heerschappij vestigde op de
golven der Adriatische-zee.
Het schijnt dat de volkerenstroom eindelijk is uitgeput; de inwoners
van Salona, die driemaal de wijk hebben genomen in de bergen en
op de eilanden der Adriatische-zee, komen uit hunne schuilhoeken
te voorschijn, en zoeken de plek op, waar eenmaal hunne geliefde
geboortestad stond. Aan dien dierbaren grond gehecht, willen zij
van de oude bekende plek niet scheiden; doch hunne vaderstad is
niets meer dan een ruïne, een vormelooze aschhoop: zij willen dan
voor 't minst onder denzelfden hemel leven, in de schaduw derzelfde
bergen, aan den oever derzelfde zee, waarvan de frissche adem hun
tegenwaait. Zij zoeken eene schuilplaats in de bouwvallen van het
paleis van Diocletianus. De muren zijn zwaar en dik; zij hebben
herhaaldelijk weerstand geboden aan de aanvallen der barbaren: hier
is eene sterke vesting, die gemakkelijk kan verdedigd worden. De
uitgewekenen vestigen hunne woningen in de portieken, in de galerijen
en voorhoven, in de tempels, waaruit de goden verdwenen zijn; als
schuchtere vogels, door den storm voortgedreven, hechten zij hunne
nesten aan de kroonlijsten en verbergen hun kroost in de spleten en
scheuren van het groote monument, onder de architraven, in de baden,
in de prachtige zalen, waar de groote Keizer weleer de gezanten
van Rome ontving. Het is hun slechts om eene veilige wijkplaats te
doen: zij sloopen het grootsche gewrocht om zich woningen te maken,
en het paleis wordt een gehucht, een dorp, eindelijk eene stad:
Ad Palatium--Aspalathum--Spalatum--Spalato.
Spalato is destijds geheel besloten binnen de omwalling van het paleis;
de torens, die tot verdediging moeten dienen, worden hersteld; de
poorten deels toegemetseld, deels versterkt en zorgvuldig bewaakt;
de keizerlijke residentie is eene vesting geworden. De groote tempel,
volgens sommigen aan Diana, volgens anderen aan Jupiter gewijd, is
in eene christelijke basiliek herschapen. De meeste inwoners van
Salona hadden reeds voorlang den heiligen doop ontvangen en zich
tot het Christendom bekeerd: Paus Martinus (640-655) zond hun als
apostolisch legaat Johannes van Ravenna, die eene beslissing moest
nemen in het geschil, dat tusschen Ragusa en Spalato ontstaan was
over den aartsbisschoppelijken zetel, aanvankelijk te Salona gevestigd.
Salona werd in het gelijk gesteld, en daar Spalato sedert de plaats
der verwoeste hoofdstad had ingenomen, werd Spalato tot zetel van den
metropolitaan verheven. Johannes van Ravenna werd door het volk tot
aartsbisschop uitgeroepen; hij koos zijne woning nabij de kathedraal,
onder de portiek van den vroegeren tempel, waar nog heden de prelaat
van Spalato resideert. Zijn paleis heeft tot voorgevel de kolonnade van
de oude portiek, en zijne vensters zien uit op het vroegere plein voor
den tempel. Het Mausoleum tegenover den tempel wordt tot doopkapel
ingericht; de sarkophaag, waarin, naar men zeide, het stoffelijk
overschot van Diocletianus bewaard werd, wordt weggenomen en op
dezelfde plaats het doopvont opgericht. Dit heeft waarschijnlijk
mede aanleiding gegeven tot de heerschende onzekerheid omtrent de
oorspronkelijke bestemming van dezen kleinen tempel, onder den naam
van het Mausoleum bekend, maar die door sommige oudheidkundigen ook de
tempel van Esculaap wordt genoemd. Zoo was het heidensche, romeinsche
Salona opgevolgd door eene zuiver christelijke stad, door Spalato.
Nog altijd maakte Dalmatië in naam deel uit van het Oostersche rijk;
maar de Kroaten en de Serviërs, beiden van slavischen oorsprong en tot
dus ver in de streken bij de Karpathen gevestigd, krijgen vergunning
zich in het land te mogen vestigen en ontvangen het burgerrecht, onder
voorwaarde dat zij de provincie tegen de Avaren zullen verdedigen,
en de steden langs de kust der Adriatische-zee eerbiedigen. De
italiaansche invloed klimt hier tot de vroegste tijden op: die steden
waren romeinsche koloniën; zij blijven onderworpen aan het gezag
der bisschoppen, die op hun beurt aan Rome onderworpen zijn. Eerlang
zullen zij in handen vallen van Venetië: en zoo het platte land geheel
slavisch wordt, zal de kust, die den latijnschen invloed ondergaan
heeft, haar italiaansch karakter onuitwischbaar blijven bewaren.
De Kroaten en Serviërs brengen hunne eigenaardige gebruiken en hunne
eigene hertogen of vorsten mede. Eerst moeten zij de worsteling
aanvaarden met de Franken, die hun het bezit des lands betwisten;
daarna beginnen zij eene zelfstandige regeering te vestigen, en leggen
aan het land en zijne bewoners hunne wetten op. Spalato was destijds
in het bezit van vrije municipale instellingen: het neemt in bloei en
welvaart toe, zet allengs zijne perken uit en overschrijdt de grenzen
van het paleis. Maar juist die voorspoed wekt de begeerlijkheid
op: de Kroaten willen de stad haar vrijheid ontrooven, de piraten
van Narenta, wier naam reeds toen in de geschiedenis voorkomt,
bedreigen en teisteren haar zoo voortdurend door telkens herhaalde
plundertochten, dat de stad zich gedwongen ziet, de bescherming van
de republiek van Sint-Marcus in te roepen. De Doge Piero Orséolo II,
wiens naam wij terugvinden in de geschiedenis van elke stad langs
deze kust, verschijnt te Spalato, verslaat de Kroaten, verdrijft de
zeeroovers, sluit een voordeeligen vrede met Kresimir II van Kroatië,
en ontvangt de hulde der dalmatische steden, die niettemin hare
vrijheid behouden en nog steeds worden geregeerd door hare eigene
bisschoppen, overeenkomstig hare statuten of keuren.
Maar Peter Kresimir neemt den titel van Koning van Kroatië en Dalmatië
aan en betwist het recht van Venetië; van den anderen kant maakt
Koloman, Koning van Hongarije, mede aanspraken op het land, en trekt
in 1102, Spalato met een leger binnen. Kort daarop laat hij zich zelf
als souverein der beide koninkrijken te Belgrado kronen. Het is de
tijd van de strooptochten der noordsche zeeschuimers: Kresimir heeft
eene vloot noodig, om die piraten te kunnen verdrijven, en daar hij
geen eigen zeemacht heeft, sluit hij een verbond met zijne vijanden,
de Venetianen, die, nadat het kustland van de Noormannen bevrijd was,
de hulp inroepen van Alexis Comnenus, Keizer van Constantinopel;
deze slaat, in 1143, het beleg voor de stad, om welker bezit de twee
mogendheden streden.
Nu volgt een tijdperk van verwarring en onophoudelijke
wisselingen. Spalato gaat van de eene hand over in de andere: Kroaten,
Hongaren, Venetianen, Napolitanen, hebben beurtelings de macht in
handen, terwijl de stad bovendien nog herhaaldelijk geteisterd wordt
door de zeeroovers, en in 1241 door een inval der Tartaren. Eindelijk,
in 1420, staat Ladislas, de Koning van Napels, al zijne rechten op
Spalato aan Venetië af, tegen eene som van honderdduizend gouden
dukaten.
Van 1420 tot 1797, alzoo tot aan den ondergang der republiek, blijft
Spalato nu in de macht van Venetië, ondanks de pogingen, door de
Turken, in hunne langdurige oorlogen met de republiek, bij herhaling
beproefd om de stad te vermeesteren. Van 1797 tot heden deelt zij in
de lotgevallen van geheel Dalmatië.
Tijdens het venetiaansche bestuur bereikte de stad haar volle
ontwikkeling, breidde zich naar het noorden uit, en werd de sterkste
en voornaamste handelstad van geheel Dalmatië. De stad is sinds
lang niet meer besloten binnen de omwalling van het paleis; haar
piazza della Signoria zelfs ligt buiten de grenzen der oude stad,
waarin de inwoners van Salona eenmaal eene wijkplaats zochten. Er
zijn tegenwoordig drie steden: die buiten de voormalige IJzeren-poort,
die aan de zijde der Bronzen-poort, en die buiten de Gouden-poort. De
kaai is verbreed geworden; de woningen der visschers, der kooplieden
van scheepstuig en van allerlei andere handelaars en winkeliers,
die met de scheepvaart en den koophandel in betrekking staan, zijn
tegen den antieken muur van het paleis aangebouwd; en de venetiaansche
regeering laat dat groote lazareth bouwen, waar, vóór de ontdekking
van de kaap de Goede Hoop, de turksche karavanen de koopwaren van
Indië en Perzië plachten aan te voeren.