II.

Onder de Alpentoppen, die, als nog nimmer door eens menschen voet

betreden, den heer Whymper bijzonder aantrokken, was er geen, waarvan

de bestijging vuriger door hem werd gewenscht dan de Matterhorn of

Mont-Cervin. De beklimming van dien berg, hoezeer dikwerf beproefd

door de bekwaamste gidsen en de onverschrokkenste reizigers, was

tot dusver altijd mislukt. Zij ging dan ook inderdaad met schier

onoverkomelijke zwarigheden gepaard. Eerst na zeven vergeefsche

pogingen mocht het den heer Whymper, bij een achtsten tocht, gelukken,

den top te bereiken. Doch, helaas! die groote overwinning werd tot

een duren prijs gekocht. De beste Alpengids en drie der reisgenooten

van den heer Whymper verloren op den terugtocht het leven. Bij het

afdalen van den berg, stortten zij, van eene hoogte van ruim duizend

el, op den gletscher van den Matterhorn neder.

De Mont-Cervin is buiten kijf de merkwaardigste berg van de geheele

Alpenketen, ja misschien van de geheele aarde. De afbeelding op

bladz: 80 geeft, beter dan eene beschrijving doen kan, een zeer juist

denkbeeld van die reusachtige obelisk van graniet, die zich ter hoogte

van 4432 el verheft aan het westelijk uiteinde van de vallei van

Zermatt, tusschen de geweldige groep van den Mont-Rose ten oosten,

de Dent d'Hérens (4180 el) en de Tête-Blanche (3750 el) ten westen,

en de Dent-Blanche (4364 el) ten noorden, juist op de grenzen van

Zwitserland en Italië. De bijkans loodrechte rotswanden stijgen ter

hoogte van 1600 of 1700 el boven de omringende gletschers op.

"De Matterhorn, zegt de heer Giordano, hoofdingeneur der mijnen

in Italië, bestaat van de basis tot den top, uit vrij regelmatig

gevormde rotslagen, die allen een weinig naar het oosten, dat wil

zeggen naar den Mont-Rose, oploopen. Deze rotsen, hoewel blijkbaar

van sedimentairen oorsprong, hebben eene zeer sterk uitkomende

kristalvormige gedaante, zoo als in dit gedeelte der Alpen meermalen

het geval is.

"De tegenwoordige piek is slechts het overblijfsel eener

vroegere, geologische formatie, waarvan de geweldige lagen van

drieduizend-vijfhonderd el, even als een onmetelijke mantel, de

groote granietmassa van den Mont-Rose omhulden. De eigenaardige

geologische samenstelling van den berg is voor een deel de oorzaak

van den scherpen vorm en de piramidale gedaante van den top, waarover

de reizigers zich zoo zeer verbazen. De gletschers, die zich aan den

voet dezer piramide bevinden, voeren voortdurend de afvallende steenen

en blokken weg; zonder hen, zou de wonderbare obelisk wellicht reeds

onder hare eigene puinhoopen begraven zijn."

De eerste pogingen om den Mont-Cervin te beklimmen, werden in de

jaren 1858 en 1859 beproefd. Eenige moedige gidsen of liever jagers

van Val Tournanche trachtten, van de zijde van Breuil, den berg te

bestijgen. Dit waren Jean-Antoine Carrel, Jean-Jacques Carrel, Victor

Carrel, de abt Garet en Gabrielle Maquignaz. Het eenige wat men van

hunne expeditiën weet, is dat zij het punt bereikten, tegenwoordig

onder den naam van den Schoorsteen bekend, ter hoogte van ongeveer

3860 el.

In 1860 waagden de heeren Alfred, Charles en Sandbach Parker, van

Liverpool, andermaal eene poging om den Matterhorn aan de oostelijke

zijde te beklimmen. Zij hadden geen gidsen bij zich. Zware wolken,

hevige wind en gebrek aan tijd noodzaakten hen nog dien eigen avond

naar Zermatt terug te keeren, van waar zij des morgens vertrokken

waren. Zij hadden slechts eene hoogte van 3650 el bereikt.

De derde poging werd beproefd in de laatste dagen vau Augustus

1860. De heer Vaughan Hawkins vertrok toen van Val Tournanche, met

de gidsen Bennen en J. Jacques Carrel. De heer Tyndall vergezelde

hem. Hij hield met Carrel stil op honderd el boven den Schoorsteen:

Bennen en de heer Tyndall stegen nog ongeveer twintig el hooger,

maar zagen zich toen ook genoodzaakt terug te keeren.

In 1861 hernieuwden de heeren Parker de gevaarlijke onderneming. Even

als den vorigen keer, was ook ditmaal Zermatt hun punt van

uitgang. Doch, ook even als den vorigen keer, waren thans wederom al

hunne pogingen tot vermeestering der onbedwingbare veste ijdel.

Op den 28sten Augustus van datzelfde jaar kwam de heer Whymper te

Breuil. Hij vernam daar, dat de heer Tyndall er een paar dagen had

doorgebracht, maar geene nieuwe poging had gewaagd. Vast besloten,

het gevaarlijke avontuur te beproeven, begreep Whymper dat een enkele

dag voor een dergelijken tocht te kort was. Hij klom dus, vergezeld

van slechts één gids, in den namiddag tot aan den Col du Lion, en

sloeg daar zijn tent op. De nacht was zeer koud. Het water bevroor

in een flesch, onder zijn hoofdpeluw geplaatst. Den geheelen nacht

door vielen rotsblokken rondom de tent naar beneden, gelukkig zonder

schade te veroorzaken. Zoodra de dag aanbrak, begon de heer Whymper

langs de zuidwestelijke helling naar boven te klauteren. Binnen een

uur bereikte hij den Schoorsteen. Daar weigerde zijn gids, wiens

naam hij verzwijgt, verder mede te gaan, zoodat hij genoodzaakt was

de onderneming op te geven en naar Breuil terug te keeren.

De heer Kennedy van Leeds verbeeldde zich, dat de bestijging van

den Matterhorn in den winter minder bezwaar zou opleveren dan in den

zomer. Mitsdien begaf hij zich in Januari 1862 naar Zermatt, om dat

zeker zeer zonderlinge denkbeeld in praktijk te brengen. Hij bracht,

daags na zijne komst, den nacht door in de kapel van Schwarzsee, in

gezelschap van Pieter Pernn en Pieter Taugwalder; en bij het eerste

morgenkrieken begon hij, op het voetspoor van de heeren Parker,

de rotskam tusschen den Hörnli en den Matterhorn te beklimmen. Maar

nadat hij, ter hoogte van 3298 el, eene kleine steenen piramide van

twee el hoog had opgericht, zag hij zich door de sneeuw, de koude en

den wind gedwongen zoo spoedig mogelijk den terugtocht aan te nemen

en naar Zermatt weder te keeren.

De heer Whymper besteedde dien zelfden winter aan de vervaardiging

van eene nieuwe tent, veel beter en doelmatiger ingericht dan die,

waarin hij aan den col du Lion den nacht had doorgebracht. Vervolgens

begaf hij zich weder op reis, en verscheen in de eerste dagen van

Juli 1863 te Breuil. Den 7den vertrok hij van daar, om, met den heer

Macdonald en drie gidsen, wien hij den weg zou wijzen, Jan Tangwalder,

Jan Kronig van Zermatt en Luc Meynet, de eerste hellingen van den

Matterhorn te bestijgen. Hij vergiste zich echter in de richting;

toen hij zijne dwaling bemerkte, werd hij tevens gewaar dat hij,

zonder het te weten, den kleinen bergtop had bestegen, die zich

boven den col du Lion verheft. Het bovenste gedeelte van dien top

biedt geen vast steunpunt aan; de rotsen zijn hier op verschillende

plaatsen met een laag zeer glad ijs overdekt. Kronig deed een val,

waarbij hij gelukkig met den schrik vrijkwam, maar die zeer licht

doodelijk had kunnen worden. Eindelijk bereikte men, na veel moeite

en niet zonder ernstig gevaar, den col du Lion, waar de tent werd

opgeslagen. Maar de scherpe oostenwind, die den geheelen nacht

met toenemende hevigheid had gewaaid, ging allengs in een orkaan

over. Groote massaas steenen rolden van alle kanten naar beneden; de

koude werd haast onuitstaanbaar. De drie gidsen verklaarden op den

meest stelligen toon, dat zij niet verder wilden gaan; en om half

drie in den namiddag keerde de heer Whymper te Breuil terug, zeer

ter neer geslagen door den slechten uitslag dezer nieuwe proefneming.

Toch gaf hij den moed nog niet op: reeds den 9den Juli klom hij met

zijn vriend Macdonald, Jean-Antoine Carrel en Pession, nogmaals naar

den col du Lion. Het was heerlijk schoon weer. Volgens den raad vau

Carrel, werd het bivouak voor den nacht opgeslagen aan den voet van

den Schoorsteen, op de oostelijke zijde der berghelling, ter hoogte van

3825 el. Den volgenden morgen beklommen Carrel en de heeren Macdonald

en Whymper, zonder te groote inspanning, dien zoogenaamden Schoorsteen:

Pession volgde hen, maar aan het boveneinde gekomen, verklaarde hij

zich te ziek te gevoelen om nog hooger te kunnen klimmen. Carrel wilde

zonder zijn vriend niet verder gaan. De heer Macdonald wilde den tocht

zonder de beide gidsen voortzetten, maar de heer Whymper achtte het

voorzichtiger, in 's hemels naam naar Breuil terug te keeren.

"Drie malen, zoo zegt hij, had ik gepoogd dien berg te beklimmen, en

drie malen had ik met schande moeten terugkeeren. De grens, door mijn

voorgangers bereikt, was ook door mij niet noemenswaard overschreden:

ik was geen el hooger gestegen dan zij. Tot op eene hoogte van ongeveer

4000 el, bood de bestijging geene buitengewone moeilijkheden aan;

die reis kon bijna voor een pleiziertochtje gelden. Er bleven dus

slechts 500 el te beklimmen over; maar geen menschelijke voet had

nog ooit dit gedeelte des bergs betreden, en hier waren de geduchtste

hinderpalen en moeilijkheden te wachten, Er viel niet aan te denken,

om alleen en onverzeld den top te bereiken.... Om sommige gevaarlijke

punten te kunnen passeeren, waren er minstens drie mannen noodig,

volgens Carrel zelfs vier. Waar zou men die twee of drie onontbeerlijke

gidsen kunnen vinden? De grootste moeilijkheid lag niet in den berg,

maar in het gebrek aan geschikte manschappen."

De heer Whymper begaf zich naar Zermatt, om daar de mannen te

zoeken, die hij noodig had; maar hij vond ze niet, en ondernam nu de

beklimming van den Mont-Rose. Te Breuil teruggekeerd, trachtte hij,

doch te vergeefs, Carrel en Meynet te bewegen, hem op den tocht

naar den Matterhorn te vergezellen. Vreezende dat zijne tent, die

op het tweede platform was blijven staan, door den wind zou worden

medegevoerd, ging hij den 18den Juli alleen op weg, om te zien wat

er van haar geworden was. De tent stond nog op dezelfde plaats,

maar was geheel met sneeuw overdekt. Na het prachtige panorama,

dat zich voor zijne oogen ontrolde, bewonderd te hebben, bracht hij

zijne tent, waarin hij nog eenige levensmiddelen vond, weer in orde,

en besloot alleen op den berg te overnachten.

Den volgenden morgen begon hij op nieuw te klimmen, om zoo mogelijk een

hooger terras of platform te bereiken. Niet zonder veel moeite, bracht

hij het tot aan den voet van den Grooten-Toren, het hoogste punt,

dat de heer Hawkins in 1860 bereikt had. "De Groote-Toren, zegt hij,

is eene van de merkwaardigheden van de Matterhorngroep. Hij gelijkt in

voorkomen op een middeleeuwschen wachttoren, zoo als men dien aan de

hoeken van feodale burchten ziet. Van den col Saint-Théodule gezien,

schijnt de Toren van weinig beteekenis; maar naarmate men dichter bij

komt, neemt hij in omvang toe, en als men zijn voet bereikt heeft,

onttrekt hij het geheele bovengedeelte van den berg aan het oog. Ik

vond daar, om mijne tent op te slaan, eene geschikte plaats, die,

hoewel minder gedekt dan het tweede platform, boven dit het voordeel

had, honderd el hooger te liggen."

Na een merkwaardig uitstapje achter den Grooten Toren gemaakt te

hebben, besloot de heer Whymper terug te keeren, daar het blijkbaar

onmogelijk was, alleen de beklimming voort te zetten. Hij hield zich

overtuigd dat hij, zonder iemands hulp, tot eene hoogte was opgestegen,

nog door geen zijner voorgangers bereikt. "Mijne vreugde, zegt hij,

was ietwat voorbarig.

"Tegen vijf uur in den avond verliet ik andermaal de tent, en ik waande

mij reeds goed en wel in Breuil teruggekeerd. Met mijn touw en mijn

haak had ik tot dusver alle moeilijkheden kunnen overwinnen. Ik daalde

den Schoorsteen af, waarbij ik het touw aan een rots vastmaakte, en

mij daarlangs naar beneden liet glijden; ik sneed vervolgens het touw

door en liet het hangen; het overschietende dacht mij genoeg. Mijne

bijl was mij bij de afdaling zeer hinderlijk geweest; ik had haar

mitsdien in de tent achtergelaten. Het was een oude enterbijl, die

niet aan den met ijzer beslagen stok vastzat. Als ik met de bijl gaten

in de sneeuw hakte om naar boven te klimmen, sleepte mijn stok, aan

het touw vastgemaakt, mij achterna; bij het opklimmen stak ik mijn

bijl achter mij in het touw, dat om mijn middel gebonden was, zoodat

zij mij niet kon hinderen; maar bij het afdalen, als ik met den rug

naar de rotsen gewend stond (hetgeen altijd is aan te raden, als het

eenigszins mogelijk is), gebeurde het meermalen dat de bijl of de steel

bleef haken aan de uitstekende punten en oneffenheden van den rotswand,

en reeds meermalen had de onverwachte schok mij bijna doen vallen. Ik

liet dus mijn bijl in de tent, hetzij om dit gevaar te vermijden,

hetzij uit vadsigheid. Die onvoorzichtigheid kwam mij duur te staan.

"Ik had den col du Lion reeds achter mij, en vijftig ellen lager zou

ik den Grooten Trap vinden, dien men in een draf kan afgaan. Maar

aan een hoek der groote steile rotsen van de Tête du Lion gekomen,

bemerkte ik, terwijl ik voortging langs het bovenste gedeelte der

sneeuwlaag, die tegen deze rotsen leunt, dat de warmte van de laatste

twee dagen bijna geheel de gaten had doen verdwijnen, die ik in de

sneeuw had gehakt om naar boven te klauteren. De rotsen waren op

dit punt volstrekt ongenaakbaar; er schoot dus niets anders over,

dan nieuwe gaten in het ijs te steken. De sneeuw was te hard om mij

daarin een pad te kunnen openen, en bij den hoek, waar ik mij bevond,

was niets dan ijs te ontdekken: een half dozijn treden waren echter

voldoende om mij op de naakte rotsen te brengen, waar ik vasten voet

vinden kon. Mij met de rechterhand aan de rots vastklemmende, boorde

ik met de punt van mijn stok gaten in het ijs, totdat ik een voldoend

pad gemaakt had; toen plaatste ik mij tegen den hoek der rots, om aan

de andere zijde hetzelfde werk te volvoeren. Tot dusver ging alles

goed, maar toen ik dien hoek wilde omslaan--ik kan nog niet zeggen

hoe het eigenlijk kwam--gleed ik uit, en stortte in den afgrond.

"De zeer steile helling vormde den eenen wand van een spleet, die

tusschen twee uitstekende rotsen afdaalde naar den gletscher du Lion,

die beneden ter diepte van 300 el zichtbaar was. Deze spleet werd hoe

langer hoe nauwer, en was eindelijk niet meer dan een dunne draad van

sneeuw, ingesloten tusschen twee rotswanden, die eensklaps afbraken

boven een gapenden afgrond, tusschen het benedeneinde der spleet en

den gletscher. Men denke zich een trechter, over de lengte midden

doorgesneden, en met eene helling van 45° geplaatst, met de punt naar

beneden, en men zal eene getrouwe voorstelling hebben van de plek,

waar ik het evenwicht verloor.

"Het gewicht van mijn zak trok mij achterover; ik kwam eerst terecht

op eenige rotsen, drie of vier el beneden mij; toen rolde ik, met

het hoofd naar beneden, in de spleet; mijn stok ontsnapte aan mijn

handen, en ik viel, al om en om buitelende, nu eens tegen het ijs,

dan tegen de rotsen stootende, vijf of zes maal achtereen met mijn

hoofd tegen den steen bonzende. Een laatste stoot slingerde mij van

den eenen wand der spleet, over een ruimte van tusschen de vijftien en

achttien el, naar den anderen;--gelukkig kwam ik met mijne linkerzijde

tegen de rots terecht, waar mijne kleederen aan vasthaakten: ik

tuimelde achterover op de sneeuw, dadelijk gevoelende dat mijn val

gebroken was. Bij geluk was mijn hoofd naar de goede zijde gewend;

met stuipachtige krachtsinspanning klemde ik mij aan de oneffenheden en

punten der rots vast, en kon mij eindelijk ophouden aan den benedensten

ingang der spleet, juist aan den rand van den afgrond. Mijn hoed,

stok en sluier schoten in volle vaart langs mij heen en verdwenen

in den afgrond; en toen ik de rotsbrokken, die ik in mijn val had

losgestooten, beneden op den gletscher in scherven hoorde springen,

besefte ik eerst recht aan welk ontzettend gevaar ik als door een

wonder ontkomen was. Inderdaad had ik, in zeven of acht buitelingen,

een afstand afgelegd van ongeveer zestig el. Ware ik nog drie el

verder gevallen, dan zou ik onfeilbaar, met een enkelen sprong, ter

hoogte van tweehonderd-vijftig el, op den gletscher zelven zijn te

pletter gestort.

"Toch was de toestand, waarin ik mij nu bevond, alles behalve

geruststellend. Ik kon geen oogenblik de rots, waaraan ik mij

vastgeklemd had, loslaten, en ik bloedde uit meer dan twintig

wonden. De gevaarlijkste waren die aan mijn hoofd, en vergeefs trachtte

ik met de eene hand het bloed uit die wonden te stelpen, terwijl ik mij

met de andere aan de rots vasthield. Al mijne pogingen waren vergeefs:

bij iederen polsslag vloeide het bloed mij over het gelaat en maakte

mij het zien bijna onmogelijk. Eindelijk was het alsof ik eene ingeving

kreeg: met mijn voet woelde ik een klomp sneeuw los, die ik nu, bij

wijze van pleister, op mijn hoofd legde; het middel baatte, want de

bloedvloeiing verminderde aanstonds. Nu begon ik onmiddellijk naar

boven te klauteren, en nog juist bij tijds bereikte ik een veiliger

plek, waar ik in zwijm viel. Toen ik weder bij mijzelven kwam, ging de

zon onder, en eer het mij mogelijk was den Grooten Trap af te dalen,

was het volkomen duister geworden. Doch met de uiterste voorzichtigheid

mocht het mij, dank zij mijn goed gesternte, gelukken naar Breuil af

te dalen, zonder uit te glijden en zonder mij een enkele maal in den

weg te vergissen: Breuil ligt evenwel zeventien-honderd el lager dan

de Groote Trap.

"Beschaamd over den toestand, waarin mijne eigene onhandigheid mij

gebracht had, sloop ik stilletjes langs de hut der koeherders, die

ik hoorde lachen en praten, heen, en trad haastig de herberg binnen,

hopende dat ik naar mijn kamer zou kunnen gaan, zonder door iemand

gezien te worden. Maar in den gang kwam Favre mij tegen, en vroeg:

"Wie is daar?" Toen hij licht gehaald had en mij zag, begon hij

luidkeels te roepen, en bracht zoo het gansche huis op de been. Twee

dozijn hoofden werden toen bij elkaar gestoken om te raadplegen over

den toestand van het mijne, zonder dat die plechtige beraadslaging

groote vruchten opleverde. De dorpelingen gaven eenstemmig den raad,

dat ik mijne wonden moest wasschen en verbinden met heeten azijn met

zout vermengd. Te vergeefs verzette ik mij tegen dit paardemiddel: ik

moest mij onderwerpen. Andere geneeskundige verpleging viel mij niet

te beurt. Heb ik het aan dit zeer eenvoudig geneesmiddel of aan mijn

krachtig gezond gestel te danken, dat ik zoo spoedig herstelde? Ik

weet het niet; maar zeker is het dat mijne wonden al spoedig genezen

waren en dat ik na verloop van eenige dagen weer op de been was."

Dit noodlottig ongeval, waarbij hij op den rand des verderfs

was geweest, vermocht den heer Whymper niet af te schrikken. Den

23sten derzelfde maand begaf hij zich weder op weg met Jean Antoine

Carrel, een jager Cesar genaamd, en Meynet. Achter den Toren gekomen,

werden zij door een zoo geweldigen storm overvallen, dat zij moesten

terugkeeren. Eene vijfde poging, op den 24 en den 25sten beproefd,

slaagde niet beter; en den daarop volgenden dag moest ook de heer

Tyndall het opgeven, hoewel hij, volgens zijn zeggen, slechts een

steenworp van den top verwijderd was geweest.

De zesde poging van den heer Whymper had plaats in 1863. Een geweldig

onweder en herhaalde steenstortingen, waarbij zijn leven groot gevaar

liep, dwongen hem ook nu onverrichter zake terug te keeren.

Twee jaar later, in 1865, hervatte de onverschrokken reiziger den

aanval. Ditmaal besloot hij eerst langs de oostelijke helling op te

stijgen, die, volgens zijne waarnemingen, niet zoo steil was als zij

wel scheen. Verschillende redenen echter bewogen hem, wijziging in

zijn plan te brengen. Het reisgezelschap vertrok van Breuil den 21sten

Juni; het bestond uit de heeren Whymper en Reilly en de gidsen Croz,

Almer en Biener. Geweldige steenlawinen noodzaakten hen zoo spoedig

mogelijk op hunne schreden terug te keeren, en naar den Hörnli te gaan,

om van daar de oostelijke helling te bereiken; maar hier stuitte men

op een onverwacht beletsel. De overgang naar den Mont-Cervin was

niet meer mogelijk: de gletscher had zich zoo ver teruggetrokken,

dat het niet meer doenlijk was naar den gletscher van Furggen af te

dalen. Bovendien sloeg het weêr eensklaps om: het begon te sneeuwen,

en de gidsen weigerden verdere pogingen aan te wenden. De heer Whymper

gaf het teeken tot den terugtocht, keerde naar Breuil weder, begaf

zich van daar naar Chatillon en verder door de vallei van Aosta naar

Cormayeux. "Het spijt mij, zoo zegt hij, dat aan den raad der gidsen

gehoor is gegeven. Als Croz niet op den terugtocht had aangedrongen,

zou hij nog in leven zijn. Hij verliet ons op den bepaalden dag te

Chamonix; maar door een zonderling toeval ontmoetten wij elkander

drie weken later weder te Zermatt; en twee dagen daarna kwam hij,

voor mijne oogen, jammerlijk om het leven op dienzelfden berg, waarvan

wij ons, ingevolge zijn raad, op den 21sten Juni verwijderd hadden."

Den 7den der volgende maand bevond de heer Whymper zich nogmaals te

Breuil, met het vaste besluit om voor de achtste maal de beklimming

van den Matterhorn te beproeven. Zijne gidsen toonden zeer weinig

opgewektheid om hem te vergezellen. "Al wat ge wilt, mijn goede heer,

zeide Almer, behalve den Matterhorn; daar moeten wij van afzien." Hij

begaf zich naar Val Tournanche om Carrel op te zoeken. Carrel was

er niet. Men verhaalde den heer Whymper, dat hij den 6den met drie

andere gidsen vertrokken was, om zoo mogelijk langs een anderen kant

den Matterhorn te beklimmen. Het weder was zeer ongunstig. Te Breuil

komende, vond hij daar Carrel, Cesar, C.E. Garet en J.J. Maquignaz. Zij

hadden het zelfs niet tot den gletscher du Lion kunnen brengen. Er

werd al spoedig eene overeenkomst getroffen. Men zou den 9den den col

Saint-Théodule overtrekken, en den 10den de tent, zoo hoog mogelijk aan

de oostelijke helling opslaan. Carrel aarzelde om den ouden bekenden

weg te verlaten. De heer Whymper beloofde hem, dat als de nieuwe

weg niet de verwachte resultaten opleverde, men tot den ouden zou

terugkeeren. De achtste Juli ging geheel voorbij met de toebereidselen

voor den tocht. Het weder was onstuimig en stormachtig. In den avond

van den volgenden dag begaf de heer Whymper zich naar Val Tournanche,

om een kranken landgenoot te bezoeken. Daar ontmoette hij een vreemden

reiziger, vergezeld van een muilezel en van personen, die zijne bagage

droegen: onder die dragers bevonden zich ook Jean-Antoine Carrel en

Cesar. De heer Whymper sprak hen aan, en eene niet zeer aangename

woordenwisseling volgde. Echter werd nu weder afgesproken, dat men

elkander te Breuil zou ontmoeten; maar Carrel en Cesar verbraken

hunne belofte: zij vertrokken om den Matterhorn te beklimmen met een

Italiaan, den heer Giordano, ingenieur der mijnen.

Woedend over deze teleurstelling, besloot de heer Whymper zich naar

Zermatt te begeven. Den 11den zag hij te Breuil een jeugdig Engelschman

aankomen, in gezelschap van een der zoons van Pieter Taugwalder. Zij

spraken elkander aan. De jonkman was lord Francis Douglas, wiens

heldhaftige beklimming van den Gabelhorn de bewondering van den

heer Whymper had opgewekt. Hij bracht goede tijdingen mede: de oude

Taugwalder was onlangs den Hörnli overgetrokken, en het was hem daarbij

gebleken, dat de beklimming van den Matterhorn aan die zijde zeer goed

mogelijk was. Lord Douglas bood zich aan om den heer Whymper op zijne

nieuwe onderneming te vergezellen, waarmede genoegen genomen werd. Den

12den trokken zij te zamen over den col Saint-Théodule, vervolgens om

den voet van den bovensten gletscher van Saint-Théodule heen, staken

den gletscher van Furggen over, en bezorgden de tent, benevens dekens,

touwen en levensmiddelen, in de kleine kapel van Schwarzsee. Zij

hadden tweehonderd ellen lengte touw bij zich. Vervolgens naar

Zermatt afgedaald, namen zij Pieter Taugwalder als gids aan; en in

het hotel van den Mont-Rose terugkeerende, ontmoetten zij Croz met

den Rev. Charles Hudson, die naar Zermatt gekomen was, om op zijne

beurt de beklimming van den Matterhorn te beproeven. Weldra waren de

noodige afspraken en schikkingen gemaakt, en de beide reisgezelschappen

vereenigden zich. De kleine karavaan bestond nu uit de gidsen Croz,

Pieter Taugwalder en zijne twee zonen, den heer Whymper, lord Douglas

en den heer Hudson. Deze laatste vroeg en verkreeg vergunning om

een zijner landgenooten, den heer Hadow, die zoo pas den Mont-Blanc

bestegen had, mede te nemen.

Maar wij zullen nu het woord laten aan den heer Whymper.

"Den 13den Juli 1865, des morgens ten half zes, vertrokken wij van

Zermatt; het was prachtig schoon weder, geen wolkje was aan den hemel

te bespeuren. Ons gezelschap bestond uit acht personen: Croz, de oude

Pieter Taugwalder en zijn twee zonen, lord Francis Douglas, Hadow,

Hudson en ik. Tot overmaat van zekerheid, had iedere toerist zijn

eigen gids. De jongste Taugwalder werd mij toegevoegd; hij was er

trotsch op dat hij deel mocht nemen aan onze expeditie, en gelukkig

dat hij zijne kracht en zijne behendigheid kon ten toon spreiden,

bewees hij ons van den aanvang af de gewichtigste diensten.

"Ik had de zakken te dragen, waarin onze voorraad wijn was geborgen;

telkens nadat men in den loop van den dag van dien wijn gedronken had,

vulde ik de zakken in stilte weder met water aan; bij het volgende

halt waren zij dan ook nog beter gevuld dan bij ons vertrek! Dit

verschijnsel, dat bijna voor een wonder gold, werd algemeen als een

gelukkig voorteeken aangemerkt.

"Het lag niet in ons plan, op dien eersten dag tot eene aanmerkelijke

hoogte op te klimmen; wij gingen dus op ons gemak voort: twintig

minuten over achten waren wij aan de kapel van Schwarzsee, waar

wij de touwen en dekens, benevens de tent en provisie medenamen;

vervolgens zetten wij de bestijging voort van den rotswand, die den

Hörnli met den Matterhorn verbindt. Ten half twaalf kwamen wij aan den

voet van den voornaamsten top: daar, de steile rotskam verlatende,

moesten wij om eenige uitspringende rotsen heengaan, ten einde de

oostelijke helling te bereiken. Alsnu eindelijk op den berg zelven

gekomen, bemerkten wij, tot onze groote verwondering, dat sommige

gedeelten, die, van den Riffel of zelfs van den Furggengletscher

gezien, volstrekt ongenaakbaar schenen, zoo gemakkelijk te beklimmen

waren, dat wij bijna al loopende naar boven konden komen.

"Nog voor twaalven hadden wij een zeer gunstige plaats gevonden voor de

tent, op eene hoogte van drieduizend-driehonderd-vijftig el. Croz ging

op verkenning uit met den jongen Pieter Taugwalder, ten einde voor den

volgenden dag tijd uit te winnen. Zij gingen boven over de besneeuwde

hellingen heen, die in de richting van den Furggengletscher afdalen,

en verdwenen achter een uitstekende rots; maar weldra verschenen

zij weder, hoog op den berg, waar wij hen ijverig zagen klimmen. Wij

hielden ons inmiddels bezig met het in orde brengen van eene veilige

plaats voor de tent; toen dit werk afgeloopen was, wachtten wij met

ongeduld op den terugkeer der beide gidsen. De steenen, die zij naar

beneden deden rollen, wezen aan dat zij zich op eene zeer aanzienlijke

hoogte bevonden; wij mochten dus de verwachting koesteren, dat de

beklimming niet zoo moeilijk zou blijken. Eindelijk, omstreeks drie

uur in den namiddag, kwamen zij terug, schijnbaar zeer opgewonden.

"Welnu, Pieter, wat zeggen zij er van? vroegen wij aan den ouden

Taugwalder, die met Croz en zijn zoon in de landtaal gesproken had.

--Niet veel goeds, mijne heeren."

"Maar de twee gidsen zelven spraken op geheel anderen toon: "Alles

was zoo gunstig mogelijk; er bestond niet de minste zwarigheid. Wij

hadden gemakkelijk den top kunnen bereiken, en nog dienzelfden dag

terugkeeren!"

"Het overige van den dag ging zeer kalm voorbij; sommigen zaten

zich in de zon te warmen; anderen maakten schetsjes of zochten

fragmenten van steenen bijeen; de prachtige zonsondergang beloofde

voor morgen een heerlijken dag, en tevreden en opgewekt begaven wij

ons in de tent, waar wij de noodige toebereidselen maakten voor ons

nachtverblijf. Hudson zette thee; ik maakte koffie klaar; vervolgens

wikkelde ieder van ons zich in zijn reisdeken. Lord Francis Douglas en

ik sliepen in de tent met de Taugwalders; de anderen brachten liever

in de open lucht den nacht door. Nog lang nadat de avond was gedaald,

weerkaatsten de echo's der bergen ons vroolijk gelach en het gezang

der gidsen. Geen enkel gevaar was te duchten; wij gevoelden ons allen

zoo veilig en zoo blijde mogelijk.

"Den 14den waren wij reeds vóór het krieken van den morgen op

de been, en zoodra het licht genoeg geworden was om de richting

te kunnen onderscheiden, begaven wij ons op weg. De jonge Pieter

Taugwalder ging als gids met ons mede, terwijl zijn broeder naar

Zermatt terugkeerde. Dezelfde richting volgende, die de beide

gidsen den vorigen dag hadden ingeslagen, bevonden wij ons weldra

aan gene zijde der uitspringende rots, die, zoo lang wij bij de tent

waren, ons het gezicht op de oostelijke berghelling belette. Eerst

toen overzagen wij met een enkelen blik die geweldige piramide,

die zich als een reusachtige, door de natuur gevormde trap, ter

hoogte van omstreeks duizend el, voor onze oogen verhief. Zij was

lang niet overal even gemakkelijk genaakbaar, maar wij ontmoetten

toch geen moeilijkheden van zoo ernstigen aard, dat zij ons konden

tegenhouden; als zich een onoverkomelijke hinderpaal op onzen weg

opdeed, dan was het ons toch altijd mogelijk, door rechts of links

uit te wijken, die belemmering te overwinnen. Gedurende het grootste

gedeelte van deze beklimming behoefden wij niet eens van de touwen

gebruik te maken. Hudson en ik gingen beurtelings voorop aan het

hoofd van den stoet. Twintig minuten over zessen hadden wij eene

hoogte bereikt van drieduizend-negenhonderd el; wij namen een

half uur rust, daarop begonnen wij weder te klauteren, en gingen

zonder ophouden daarmede voort tot vijf minuten voor tienen; wij

hielden toen een tweede halt van vijftig minuten, op eene hoogte van

vierduizend-tweehonderd-zeventig el. Tweemaal moesten wij overgaan op

de noordoostelijke kam, die wij een klein eind weegs volgden; maar

zonder dat die verandering ons eenig voordeel bracht, want deze kam

was veel minder stevig, veel steiler en altijd moeilijker te beklimmen

dan de oostelijke helling. Uit vrees voor de steenlawinen evenwel,

droegen wij zorg ons niet te ver van die kam te verwijderen.

"Wij waren nu aan den voet gekomen van dat gedeelte van den Matterhorn,

dat, van den Riffelberg of van Zermatt gezien, volkomen loodrecht

schijnt en zelfs over het dal schijnt heen te hangen; het was ons

nu ook verder onmogelijk, langs de oostelijke helling naar boven

te klimmen. Gedurende eenigen tijd moesten wij, de sneeuw volgende,

tegen de helling opklauteren, die naar de zijde van Zermatt afdaalt;

daarop wendden wij ons met algemeen goedvinden weder rechts, dat wil

zeggen, naar de zuidelijke flank van den berg. Wij hadden toen in de

orde van den tocht eenige verandering gebracht. Croz liep aan het

hoofd der kolonne; ik volgde hem; Hudson kwam achter mij; Hadow en

de oude Taugwalder vormden de achterhoede. "Nu, zeide Croz, terwijl

hij zich in beweging stelde, zal het anders gaan worden." Naarmate

de moeilijkheden van ernstiger aard werden, werd het noodig de

meest mogelijke voorzorgen te nemen. Op sommige plaatsen was ter

nauwernood eenig steunpunt te vinden: het was dus raadzaam dat zij,

wier tred de meeste vastheid had, vooraan gingen. De helling van

dezen bergwand bedroeg over het algemeen nog geen veertig graden;

de sneeuw, die zich hier had opgehoopt, had de gaten en spleten der

rotsen geheel gevuld; de rotspunten, die hier en daar boven de sneeuw

uitstaken, waren somwijlen overdekt met eene dunne ijskorst, gevormd

door de sneeuw, die gesmolten en bijna onmiddellijk weder bevroren

was. Het was, maar op kleiner schaal, hetzelfde verschijnsel als bij

de laatste tweehonderd-vijftien el van den top der Pointe des Ecrins;

met dit belangrijke verschil echter, dat de bergwand van de Ecrins

eene helling heeft van meer dan vijftig graden, terwijl de helling van

den Matterhorn ter nauwernood veertig graden bedraagt. De beklimming

was niet bijzonder gevaarlijk voor een ervaren bergreiziger. De heer

Hudson had niemands hulp noodig, zoo als hij trouwens op de geheele

reis geene ondersteuning behoefde. Meermalen reikte Croz mij de hand,

om mij op moeilijke plaatsen te helpen; mij omwendende, bood ik dan

den heer Hudson mijne hand aan; maar hij nam die hand nooit aan,

zeggende, dat het niet noodig was. De heer Hadow was aan dergelijke

expeditiën niet gewoon: het was dan ook telkens noodig, hem te hulp

te komen. Maar de moeilijkheid, die hij op sommige punten ondervond,

was niet zoozeer een gevolg van de gesteldheid des bergs, maar enkel

en alleen van zijne onervarenheid.

"Dit eenige wezenlijk moeilijk te bestijgen gedeelte der berghelling

was daarbij niet bijzonder uitgestrekt: naar mijne schatting hadden

wij daarvoor niet meer dan anderhalf uur noodig. Eerst gingen wij,

over een lengte van omstreeks honderdtwintig el, in schier horizontale

richting voort; vervolgens klommen wij rechtstreeks naar den top, over

eene lengte van ongeveer twintig el; toen moesten wij terugkeeren naar

de rotskam, die naar Zermatt afdaalt. Een lange en moeilijke omweg,

dien wij moesten maken om langs eene uitspringende rots heen te komen,

bracht ons op de sneeuw terug. Maar nu was ook de laatste twijfel aan

den goeden uitslag verdwenen. Nog slechts zestig ellen van gemakkelijk

te beklimmen sneeuw, en de Matterhorn was ons!

"Keeren wij even in gedachten terug naar de Italianen, die den

11den Juli van Breuil vertrokken waren. Vier dagen waren sedert

hun vertrek verloopen, en wij vreesden dat zij nog vóór ons den

top zouden bereiken. Gedurende den ganschen tocht waren zij telkens

het onderwerp van ons gesprek geweest; en meermalen hadden wij ons

verbeeld, menschen op den top des bergs te zien. Dat was tot dusver

zinsbedrog geweest; maar toch nam, naarmate wij hooger klommen, onze

spanning toe. Indien ons eens op het laatste oogenblik de prijs werd

afgewonnen! Daar de helling minder steil werd, kon het touw, dat ons

samenbond, worden losgemaakt: Croz en ik stormden dadelijk vooruit,

in een dollen wedloop, die daarmede eindigde dat wij beiden, naast

elkander loopende, te gelijker tijd op dezelfde plaats aankwamen. Des

namiddags, tien minuten over half twee, lag de wereld aan onze voeten:

de onverwinnelijke Matterhorn was overwonnen! Hoezee! geen spoor van

voetstap was in de ongerepte sneeuw te bespeuren!

"En toch--waren wij wel zeker van de overwinning?

"De top van den Matterhorn bestaat uit eene slecht geëffende kam

van eene lengte van ongeveer honderdzeven ellen; misschien waren de

Italianen aan het andere uiteinde aangeland? Ik spoedde mij dus naar

de zuidelijke punt, met scherpen blik de sneeuw onderzoekende. Nog

eens hoezee! geen menschelijke voet had dit sneeuwveld betreden!

"Waar konden onze mededingers thans wel zijn? Ik keek, mij voorover

buigende, over den rand der rotsen heen, verdeeld tusschen twijfel en

zekerheid. Aanstonds werd ik hen gewaar, ver in de diepte beneden ons:

niet dan met moeite waren zij met het bloote oog te ontdekken. Ik

zwaaide met mijne armen en mijn hoed, en begon uit alle macht te

schreeuwen:

"Croz! Croz! kom, kom gauw!

--Waar zijn zij, mijnheer?

--Dáár, ziet ge ze niet, dáár, beneden?

--Ah! de gauwdieven! zij zijn nog op verren afstand.

--Croz, zij moeten ons geroep kunnen hooren en onze zegepraal

vernemen!"

"Wij schreeuwden dus zoo luid wij konden, tot ons de stem begaf. De

Italianen schenen naar onzen kant te zien, maar wij konden dit niet met

zekerheid uitmaken.--"Croz, ik wil dat zij ons hooren! zij moeten ons

hooren!" Toen een rotsblok aanvattende, rolde ik het uit al mijne macht

naar de diepte, en noodigde mijn metgezel uit hetzelfde te doen. Met

behulp van onze stokken, die wij als hefboomen gebruikten, tilden

wij zware rotsblokken op, en weldra ratelde een vloed van steenen,

als een vreeselijke lawine, met donderend geweld naar beneden. Ditmaal

was geene vergissing mogelijk. De verschrikte Italianen namen haastig

de vlucht.

"En toch speet het mij inderdaad, dat de leider van deze expeditie

op dat oogenblik niet bij ons was, want onze zegekreten moesten

hem wel smartelijk in de ooren klinken. De vurigste wensch van zijn

geheele leven, het groote doel zijner eerzucht, ontging hem, juist

op het oogenblik der vervulling, door onze overwinning. Van alle

moedige bergreizigers, die de beklimming van den Matterhorn hadden

beproefd, had er zeker niemand meer dan hij recht op, het eerst den

top te bereiken. Hij was de eerste, die vast aan de mogelijkheid van

het welslagen der onderneming had geloofd, en die steeds, ondanks

tegenspraak van alle zijden, bij zijne overtuiging had volhard. Het

was zijn wensch, den top te bereiken langs de helling aan de zijde van

Italië, ter eere van de vallei, waar hij geboren werd. Eens had hij

alle troeven in de hand; hij speelde zoo goed hij kon, maar een enkele

fout deed hem het spel verliezen. De tijden zijn sedert veranderd

voor Carrel. Zijne meerderheid, waaraan vroeger niemand twijfelde,

wordt thans in Val Tournanche ernstig betwist; nieuwe gidsen hebben

proeven van hunne bekwaamheid afgelegd: men beschouwt hem niet meer als

den jager bij uitnemendheid. Wat mij betreft, voor mij zal hij altijd

blijven wat hij heden is; men zal niet licht zijn meerdere vinden.

"Mijne vrienden hadden zich bij ons gevoegd, en wij keerden naar het

noordelijk uiteinde van den top terug. Croz greep den stok van de

tent, dien de gidsen bij ons vertrek hadden medegenomen, en plantte

dien op het hoogste punt, in de sneeuw.

"Goed, zeiden wij: daar is de vlaggestok, maar waar is de vlag?

--Hier, antwoordde hij, zijn kiel uittrekkende, die hij aan de

stok bond.

"Dat was een armzalige vlag, en geen enkel zuchtje deed dat dundoek

wapperen: toch zag men dit teeken alom in het ronde,--te Zermatt,--op

den Riffel--in Val Tournanche. Ook te Breuil waren veler oogen op

den top gevestigd, om de verschijning der gidsen waar te nemen:

toen men deze vlag zag opsteken, begonnen de lieden daar verheugd

te roepen: "De overwinning is aan ons!" De bravoos voor Carrel en

de vivats voor Italië weerklonken van alle kanten; ieder haastte

zich, de groote gebeurtenis te vieren. Niet lang mocht deze vreugde

duren. Alles bleek geheel anders; de gidsen keerden terug, ontstemd,

ontmoedigd, vol schaamte en spijt.--"Het is maar al te waar, zeiden

zij; wij hebben ze met onze eigen oogen gezien, zij hebben steenen

op ons doen afrollen! De oude overlevering is waar: de top van den

Mont-Cervin wordt door geesten bewaakt!"

"Wij keerden naar de zuidelijke punt van de kruin terug, en richtten

daar eene kleine piramide van steenen op; vervolgens beschouwden

wij, vol bewondering, het onmetelijke panorama, dat zich voor onze

blikken ontrolde.

"Het was een dier heldere dagen, die gewoonlijk door slecht weder

gevolgd worden. De stille, lichte atmosfeer werd door geen nevel,

geen enkele wolk verduisterd. De bergen, op vijftig, wat zeg ik? op

honderd mijlen afstands van ons, waren zoo duidelijk zichtbaar,

dat men gemeend zou hebben, ze met de hand te kunnen grijpen:

alle bijzonderheden, de scherpe rotskammen, de steile wanden, de

smettelooze sneeuwvelden, de stralende gletschers--ze waren allen, in

hunne lijnen en omtrekken, duidelijk waarneembaar. Menig bekende top

riep de herinneringen wakker aan tochten en uitstapjes van vroegere

jaren. Geen enkele der groote toppen van de Alpenketen was voor onzen

blik verborgen. Wij waren bijzonder gelukkig, want in den regel is het

panorama naar het zuiden door wolken bedekt. Van de honderd keeren

is misschien maar een enkele maal het uitzicht geheel onbelemmerd.

"Nog zie ik dien grootschen gordel van geweldige bergtoppen voor

mij, zoo duidelijk als in dat plechtige, onvergetelijke uur: dien

weergaloozen kring van ontzaggelijke reuzen, zich hoog verheffende

boven de massaas en bergketens, die hun als het ware ten voetstuk

verstrekken. Ik zie weer de Dent-Blanche, met haar fiere witte

kruin; den Gabelhorn, den Rothhorn, met de scherpe spits; den

onvergelijkelijken Weisshorn; de Mischabelhörner, niet ongelijk aan

reusachtige torens, geflankeerd door den Allalinhorn, den Strahlhorn,

en den Rimpfischhorn; dan den Mont-Rose met zijn talrijke naalden,

den Lyskamm en den Breithorn. Achter ons verheft zich de prachtige

berggroep van het Berner Oberland, beheerscht door den Finsteraarhorn;

dan de groepen van den Simplon en den Sint-Gothard; de Disgrazia en

den Orteler. Naar het zuiden dringen onze blikken door tot ver voorbij

Chiavasso, in de vlakte van Piémont. De Viso, hoewel honderd mijlen

verwijderd, schijnt dicht bij; op een afstand van honderd-dertig mijlen

vertoonen zich de Zee-Alpen, door geen nevelsluier omhuld. Onder

hunne toppen herken ik al dadelijk mijne eerste liefde, den

Pelvoux, dan de Pointe des Ecrins en de Meye; voorts de groepen

der Graïsche Alpen; eindelijk, ten westen, troont, schitterende in

het gouden zonnelicht, de fiere koning der Alpen, de wonderschoone

Mont-Blanc. Drieduizend-driehonderd el beneden ons strekken zich de

groene velden van Zermatt uit, bezaaid met hutten, woningen, chalets,

waaruit dunne zilveren rookwolkjes opstijgen. Aan de andere zijde

vertoonen zich, in eene diepte van tweeduizend-zevenhonderd el, de

weilanden van Breuil. Nog zie ik voor mijne oogen opdoemen dichte

sombere wouden, malsche groene weiden, schuimende watervallen,

spiegelgladde meeren, vruchtbare akkers en eenzame wildernissen,

vlakten blakerende in de zon, en kille ijsvelden. Wat oneindige

verscheidenheid van vormen en omtrekken! Zacht golvende lijnen,

glooiende hellingen, en steile, loodrechte, overhangende rotsen;

bergen van steen en bergen van sneeuw; somber, donker, ernstig, of

wel schitterend van oogverblindend wit; versierd met hooge muren,

torens, spitsen, naalden; uitloopende in piramiden, in koepels,

in kegels, in naalden, slank en bijna doorzichtig als de torens der

gothische kathedralen.... Geen samenvoeging van lijnen, geen spel van

contrasten, geen schakeering van tinten, die zich hier niet voor den

verrukten blik onthulde.

"Wij toefden een uur lang op den top.

"One crowded hour of glorious life

"Een uur geheel vervuld van heerlijk leven.

"Dit uur ging al te snel voorbij, en wij maakten ons gereed om af

te dalen.

"Op nieuw raadpleegde ik met Hudson over de maatregelen, die in het

belang onzer veiligheid noodig waren. Wij bepaalden met algemeen

goedvinden, dat Croz vooruit zou gaan, gevolgd door Hadow; Hudson,

die, wat de vastheid en zekerheid van zijn voetstap betrof, bijna met

een gids gelijk stond, wilde de derde zijn; daarop zou lord Douglas

volgen, en achter dezen de oude Pieter Taugwalder, de sterkste van de

nog overblijvenden. Ik stelde aan Hudson voor, om op de gevaarlijkste

punten een touw aan de rotsen vast te binden, ten einde, zoo noodig,

daardoor een nieuwen steun te hebben; hij keurde dat denkbeeld goed,

maar wij kwamen niet uitdrukkelijk overeen, dat er ook uitvoering aan

gegeven zou worden. Terwijl ik een schets maakte van den bergtop, had

ons gezelschap zich in de zooeven aangegeven orde gerangschikt; alles

was klaar, en men wachtte slechts om mij aan het touw vast te binden,

toen eensklaps iemand riep, dat wij onze namen niet in een flesch

hadden achtergelaten. Men verzocht mij, die haastig op te schrijven,

en terwijl ik dit deed, stelde de stoet zich reeds in beweging.

"Eenige oogenblikken later bond ik mij aan den jongen Pieter

Taugwalder vast, en met hem onze vrienden naloopende, haalde ik hen in

juist op het oogenblik, toen zij langs het gevaarlijkste punt zouden

gaan afdalen. Alle mogelijke voorzorgsmaatregelen waren genomen.

"Slechts één man tegelijk ging voor; zoodra hij een vast steunpunt

voor den voet gevonden had, ging de volgende persoon op zijn beurt

voort, en zoo vervolgens. Echter had men het nog beschikbare touw

niet aan de rotsen vastgemaakt, en niemand sprak er van om dat te

doen. Daar ik dezen maatregel niet had voorgesteld in het belang

mijner eigene veiligheid, durf ik niet zeggen, of ik er zelf op dat

oogenblik nog aan dacht. Gedurende eenige oogenblikken volgden wij,

Pieter Taugwalder en ik, onze makkers, zonder aan hen vastgebonden

te zijn; waarschijnlijk zouden wij zoo verder zijn blijven dalen,

als lord Douglas mij, omstreeks half vier, niet verzocht had, dat ik

mij aan den ouden Pieter zou vastbinden; hij vreesde, zoo zeide hij,

dat Taugwalder alleen geen kracht zou hebben om zich staande te houden,

als iemand mocht uitglijden.

"Eenige oogenblikken later liep een knaap, met een bijzonder scherp

gezicht begaafd, haastig naar het hotel du Mont-Rose, om aan den heer

Seiler te zeggen, dat hij eene lawine van den top van den Matterhorn

op den gletscher had zien nederstorten. Men beknorde hem, omdat hij

zulk een dwaas vertelsel durfde doen: helaas, hij had gelijk! Ziehier

wat hij gezien had.

"Michel Croz had zijn bijl naast zich nedergelegd; en zooveel mogelijk

voor de veiligheid van den heer Hadow willende zorgen, wijdde hij al

zijne aandacht aan de taak om diens gang te besturen, door, zooals

meermalen gebruikelijk is, de voeten van den jongen toerist een voor

een te zetten in de positie, die zij moesten innemen. Voor zoover

ik heb kunnen nagaan, was op dat oogenblik niemand met afklimmen

bezig. Ik kan dit echter niet met zekerheid zeggen, omdat Croz en

Hadow door een stuk rots gedeeltelijk aan mijn oog waren onttrokken:

ik geloof evenwel dat ik gelijk heb; naar de beweging hunner schouders

te oordeelen, meende ik dat Croz, na de voeten van den heer Hadow

geplaatst te hebben, zich omkeerde, om zelf een paar schreden af

te dalen. Op dat oogenblik gleed de heer Hadow uit, viel op Croz,

en wierp hem omver. Ik hoorde Croz een luiden gil geven, en bijna op

hetzelfde oogenblik zag ik hen beiden met duizelingwekkende snelheid

afglijden; onmiddellijk daarop werd zoowel Hudson als lord Douglas

in hun val medegesleept. Dit alles geschiedde met de snelheid des

bliksems. Nauwelijks hadden de oude Pieter Taugwalder en ik den kreet

gehoord, of wij klemden ons met al onze macht aan de rots vast; het

touw werd plotseling strak gespannen, en wij kregen een geweldigen

schok. Wij hielden ons echter goed en bleven staande; maar eensklaps

brak het touw omstreeks halverwege tusschen Taugwalder en lord Douglas

midden door.... Gedurende eenige sekonden zagen wij onze rampzalige

reisgenooten, met ijlende vaart, op hun rug liggende afglijden, met

uitgestrekte armen vergeefs pogende zich aan een of andere uitstekende

rotspunt vast te klemmen en alzoo hun leven te redden. Een voor een

verdwenen zij uit ons oog, zonder eenige kwetsuur bekomen te hebben, en

vielen van afgrond tot afgrond tot op den gletscher van den Matterhorn,

in eene diepte van twaalfhonderd el beneden ons. Nadat het touw was

gebroken, was het ons volstrekt onmogelijk iets tot hunne redding

te doen.

"Zoo kwamen onze beklagenswaardige makkers om het leven! Meer dan een

half uur stonden wij onbewegelijk, als vastgenageld, ter nauwernood

adem halende. Door angst en schrik overmand, weenden de beide gidsen

als kinderen; zij beefden zoo, dat ons elk oogenblik een dergelijk

ongeluk als onzen vrienden overkomen was, te duchten scheen.

"De oude Pieter Taugwalder riep telkens, al jammerend, uit:

"Chamonix! Oh, wat zal Chamonix zeggen?" hetgeen zooveel wilde

zeggen als: Wie had ooit kunnen denken dat Croz kon vallen?--De

jonge Taugwalder snikte onophoudelijk, en kreet al luider en luider:

"Wij zijn verloren! o God, wij zijn verloren!"

"Daar ik tusschen hen beiden aan het touw was vastgebonden, kon ik

geen stap doen, zoolang zij onbewegelijk op hunne plaats bleven

staan. Ik verzocht dus den jongen Pieter, dat hij zou afdalen:

hij durfde niet. Noch zijn vader, noch ik kon iets uitrichten,

zoolang hij niet begon te dalen. De oude Taugwalder, den ernst van

het oogenblik en het dreigende gevaar ten volle beseffende, begon

nu ook te roepen: "Wij zijn verloren, verloren!" De angst van den

ouden man was begrijpelijk en natuurlijk: hij vreesde voor zijn

zoon; maar de jongen dacht slechts aan zichzelven en toonde zich

lafhartig. Eindelijk herstelde de oude man zich toch weder, en kroop

naar eene rots, waaraan het hem gelukte een touw vast te binden. De

jonkman verkreeg het nu ook van zich om af te dalen, en wij stonden

alle drie bij elkander. Ik wilde toen onmiddellijk het touw zien, dat

gebroken was: en tot mijn onuitsprekelijken schrik bemerkte ik, dat

dit touw het zwakste van de drie was. Het had nimmer gebezigd moeten

worden voor het doel, waartoe het nu was gebruikt, en was ook niet om

die reden medegenomen. Het was een oud touw, dat, in vergelijking met

de andere, bepaald zwak was te noemen. Men had het in reserve moeten

houden, voor het geval dat men een touw, aan de rotsen gebonden,

had moeten achterlaten. Ik liet mij het overgeschoten eind geven,

ten einde de zaak nader te onderzoeken. Het touw was afgebroken,

alsof het doorgesneden was.

"Gedurende de twee uren, die thans volgden, dacht ik elk oogenblik

dat ook mijn laatste stonde gekomen was; niet alleen toch waren de

Taugwalders, door den schrik als verlamd, geheel buiten staat mij

eenige hulp te bieden, maar zij hadden zoozeer alle zelfbeheersching

en overleg verloren, dat ik bij iederen stap vreesde dat zij zouden

uitglijden. Eindelijk echter deden wij, wat dadelijk toen wij

begonnen af te stijgen had moeten geschieden: wij bonden touwen aan

de stevigste rotsen, om ons bij onzen gevaarlijken tocht behulpzaam

te zijn. Sommige van die touwen werden doorgesneden en bleven aan

de rotsen hangen. Ook bleven wij nu aan elkander vastgebonden. De

verschrikte gidsen durfden bijna geen voet verzetten, ook ondanks de

hulp van de touwen; de oude Pieter wendde zich herhaalde malen tot

mij, telkens, met bleek gelaat en bevende over al zijn ledematen,

op angstigen toon herhalend: "Ik kan niet meer."

"Omstreeks zes uur des avonds bereikten wij de sneeuw op den rotskam,

die naar de zijde van Zermatt afdaalt: nu was alle vrees voor gevaar

geweken. Meermalen deden wij vergeefsche pogingen om eenig spoor van

onze ongelukkige reisgezellen te ontdekken; over den rand der rotsen

heengebogen, riepen wij hen uit al onze macht: maar daar kwam geen

antwoord. Eindelijk overtuigd dat zij buiten het bereik waren van

onze stem en van ons oog, staakten wij deze vruchtelooze pogingen.

"Te zeer ter neer geslagen om te kunnen spreken, brachten wij

in stilte de voorwerpen bijeen, die aan ons en aan onze verloren

makkers hadden toebehoord, en maakten wij ons gereed, naar Zermatt

af te dalen, toen plotseling een vreemd verschijnsel onze oogen

trok. Hoog boven den Lyskamm teekende zich eensklaps een reusachtige

regenboog in de lucht. Bleek, kleurloos, zwijgend, vertoonde deze

zonderlinge verschijning volkomen zuivere en scherpe omtrekken,

uitgenomen aan de twee uiteinden, die zich in de wolken verloren:

het scheen een visioen uit eene andere wereld. Met bijgeloovige vrees

vervuld, volgden wij met stomme verbazing de langzame ontwikkeling der

beide groote kruisen, ter wederzijde van dezen zoo zonderlingen boog

geplaatst. Ik zou ter nauwernood mijne oogen geloofd hebben, indien

niet de beide Taugwalders nog vóór mij dit uiterst vreemde verschijnsel

hadden opgemerkt; natuurlijk zochten zij daarin een bovennatuurlijk,

geheimzinnig verband met ons droevig ongeluk. Een oogenblik hield ik

dit verschijnsel voor eene loutere luchtspiegeling, waarbij wij zelven

mede een rol vervulden; maar onze bewegingen brachten in de figuren

hoegenaamd geene verandering te weeg. De spookachtige verschijning

bleef, in al hare geheimzinnige duidelijkheid, onveranderlijk. Het

was een aangrijpend, wonderlijk, ongekend schouwspel, ook voor mij,

die al zoo veel zonderlinge dingen had gezien. In de bijzondere

omstandigheden, waarin wij ons bevonden, maakte deze verschijning,

waarvan ik nog heden geen verklaring of rekenschap kan geven, een

onuitsprekelijken indruk.

"Ik was gereed om te vertrekken, en wachtte op de twee gidsen. Zij

hadden honger gekregen, hadden gegeten en waren ook weer spraakzaam

geworden. Daar zij met elkander in de volkstaal spraken, kon ik hen

niet verstaan. Eindelijk zeide de zoon tot mij in het fransch:

"Mijnheer.

--Wat is er?

--Wij zijn arme menschen; wij hebben onzen meester verloren; niemand

zal ons betalen; dat is wel hard voor ons.

--Zwijg, zeide ik, hem in de rede vallende. Dat is gekkepraat, wat gij

daar zegt; ik zal u betalen, evenals of uw meester nog in leven ware."

"Zij spraken nog eenige oogenblikken met elkander in de volkstaal;

toen begon de zoon weer:

"Wij verlangen van u niet, dat gij ons betalen zult. Wij vragen alleen

dat gij in het boek van het hotel te Zermatt, en in uwe dagbladen

zult vermelden dat wij geene betaling ontvangen hebben.

--Wat dwaasheid is dat nu? Ik begrijp u niet. Wat beteekent dat?

"Hij ging voort:

"Ja, ziet u ... in het volgende jaar zullen er een aantal reizigers

te Zermatt komen, en wij stellig veel te doen krijgen."

"Wat viel er op zulk een voorstel te antwoorden? Ik zweeg; maar

zij bemerkten zeer goed, hoezeer zij mijne verontwaardiging hadden

opgewekt. Hun cynisme had den bitteren beker mijner smart doen

overloopen; in mijn wanhoop slingerde ik met zooveel woede steenen

en fragmenten van rotsen in de ledige ruimte, dat de beide mannen

misschien nu en dan de vrees voelden opkomen dat ik henzelven in

den afgrond zou werpen. Ik moest op eene of andere wijze aan mijn

overkropt gemoed lucht geven!

"De avond viel; een uur lang gingen wij voort met in den donker af

te dalen. Ten half tien uur vonden wij een soort van hut of afdak,

dat nauwelijks voldoende ruimte aanbood voor ons drieën om te slapen;

daar brachten wij zes eindelooze, verschrikkelijke uren door. Met

het krieken van den dag waren wij weder op de been; in vluggen tred

daalden wij van den Hörnli naar de hutten van Buhl, en vandaar naar

Zermatt af. Seiler, dien ik aan de deur van het logement ontmoette,

volgde mij zwijgend in mijne kamer.

"Wat is er toch gebeurd, mijnheer? vroeg hij.

--Ik ben met de Taugwalders teruggekeerd.

"Hij begreep mij en barstte in tranen uit; maar zonder verder den

tijd met jammeren te verspillen, ging hij dadelijk heen om het gansche

dorp te wekken. Het duurde niet lang, of een twintigtal mannen hadden

zich gereed gemaakt om de hoogten van den Hohlicht te beklimmen,

die zich boven den gletscher van den Matterhorn verheffen. Na verloop

van zes uren keerden zij terug, en brachten ons de tijding dat zij de

lichamen onzer ongelukkige reisgezellen hadden gezien, onbewegelijk op

de sneeuw uitgestrekt. Het was Zaterdag; zij stelden ons dus voor,

des Zondagsavonds op weg te gaan, ten einde des Maandagsmorgens

vroeg het plateau van den gletscher te bereiken. Ik sprak daarover

met mijn landgenoot, den Rev. Cormick; en daar wij ook zelfs de meest

onwaarschijnlijke kans van behoud niet wilden veronachtzamen, besloten

wij reeds des Zondagsmorgens op weg te gaan. Maar geen van de gidsen

van Zermatt wilde met ons medegaan, omdat zij de vroegmis niet durfden

verzuimen. Voor meer dan één onder hen was dit een harde strijd;

Pieter Perrn verklaarde uitdrukkelijk, met tranen in de oogen, dat

dit de eenige reden was, waarom hij zich niet bij ons kon aansluiten

om zijne oude makkers te gaan opzoeken. Maar onze landgenooten

kwamen ons te hulp. De Rev. J. Robertson en de heer Phillpotts waren

bereid met ons te gaan, met hun gids Franz Andermatten; een andere

Engelschman stelde de gidsen Joseph Marie en Alexander Lockmatter te

onzer beschikking. Fredéric Payot en Jean Tairraz van Chamonix boden

zich ook aan als vrijwilligers om den tocht mede te maken.

"Wij vertrokken dus den 16den, des Zondagsmorgens vroeg, ten twee

uren, en volgden tot aan den Hörnli denzelfden weg, waarlangs wij den

vorigen Donderdag getogen waren. Van daar daalden wij rechts af, en

klommen toen omhoog tusschen de spitsen en naalden van den gletscher

van den Matterhorn. Ten half negen hadden wij het bovenste plateau

van den gletscher bereikt, en bevonden wij ons in het gezicht van de

noodlottige plek, waar de lijken onzer ongelukkige makkers moesten

liggen. Elke gids nam op zijn beurt den kijker, en reikte dien zwijgend

aan zijn buurman over, terwijl eene akelige bleekheid zijn gelaat

overtoog. Alle hoop was verloren. Wij traden naderbij. Daar lagen zij

op de sneeuw, in dezelfde volgorde, waarin zij naar beneden gegleden

waren. Croz een weinig naar voren; Hadow dicht bij hem; en vervolgens

op eenigen afstand daarachter Hudson; maar van lord Francis Douglas

was geen spoor te ontdekken: later vond men van hem slechts een paar

handschoenen, een gordel en een laars. Wij begroeven de lijken in de

sneeuw, op de plaats zelve waar wij ze gevonden hadden, aan den voet

der hoogste piramide van den majestueuzen berg der Alpen.

"Croz en de drie verongelukte toeristen waren aan elkander vastgebonden

geweest met het touw van Manille of met een ander even sterk touw; bij

gevolg was het zwakste touw alleen gebruikt om lord Francis Douglas

en den ouden Pieter Taugwalder aan elkander vast te binden. Dit feit

was zeer in het nadeel van Taugwalder; hoe kon men aannemen dat de

slachtoffers zelven genoegen hadden genomen met een touw, dat uit

het oogpunt der soliditeit zooveel te wenschen overliet, te meer

daar er nog ruim vijf-en-zeventig el van het beste touw in voorraad

was? Het was dus zeer te wenschen, dat dit punt tot helderheid werd

gebracht, en wel in het belang van den ouden gids zelven, die zich

in een onbesproken naam mocht verheugen. Zoodra ik mijne verklaring

had afgelegd voor eene commissie van onderzoek, door de kantonnale

regeering van Wallis ingesteld, reikte ik aan de leden dier commissie

een stuk over, waarop ik eene reeks vragen had geschreven, waardoor

den ouden Pieter Taugwalder de gelegenheid gegeven werd zijne onschuld

te bewijzen en de zware vermoedens, die op hem rustten, af te wenden.

"Inmiddels had de regeering bepaalden last gegeven dat de lijken

naar Zermatt moesten worden gebracht. Den 19den Juli begaven zich

mitsdien een-en-twintig gidsen van het dorp op weg om deze droevige

en tevens gevaarlijke taak te volbrengen. Bij het afdalen liepen zij

inderdaad groot gevaar: er scheelde weinig aan, of zij waren door

het instorten van een der spitsen van den gletscher onder de sneeuw

en het ijs bedolven. Ook zij vonden geen spoor van lord Douglas, die

ongetwijfeld op een of andere rotspunt was terecht gekomen en daar

blijven liggen. De stoffelijke overblijfsels van Hudson en Hadow werden

in het noordelijk gedeelte der kerk van Zermatt ter aarde besteld,

in tegenwoordigheid van eene talrijke en diep bewogen schare. Het

lichaam van Michel Croz werd aan de andere zijde der kerk begraven;

zijn eenvoudig grafteeken draagt eene inscriptie, waarin aan zijn

moed, zijne rechtschapenheid en zijne toewijding eene welverdiende

hulde wordt gebracht.

"De traditie, volgens welke de Mont-Cervin volstrekt onbeklimbaar

zou wezen, was dan gelogenstraft; andere legenden, op meer waarheid

gegrond, kwamen gaandeweg hare plaats innemen. Later reizigers zullen

op hun beurt beproeven, deze trotsche, ontzagwekkende rotswanden te

beklimmen: maar de geduchte berg zal voor geen der later komenden ook

maar van verre dat kunnen zijn, wat hij was voor hen, die het eerst

den voet op zijn top zetten. Anderen zullen die met ijs omschorste

kruin kunnen betreden; maar geen hunner zal de onbeschrijfelijke

gewaarwording gevoelen, welke de borst doorstroomde van hen, die voor

het eerst hun blikken lieten dwalen over dit wondervol panorama. Maar

vurig hoop ik, dat geen later reiziger de blijdschap der overwinning

aldus zal zien verkeeren in droefheid, de vroolijke juichtonen in

smartelijke wanhoopskreten!

"De Matterhorn heeft zich jegens ons een geducht en verbitterd vijand

getoond; langen tijd heeft hij al onze pogingen verijdeld; meer dan

eenmaal heeft hij ons gedwongen, beschaamd en verslagen terug te

keeren. Eindelijk, na eene overwinning, zoo gemakkelijk behaald als

wij ons niet hadden durven voorstellen, heeft de wreede berg, als een

ter aarde geworpen, maar niet vernietigde vijand, zijne nederlaag

schrikkelijk, bloedig gewroken. O, er lag een verpletterende koele

spotternij in de kalme, ontzaglijke majesteit, waarmede de granieten

reus zich hoog ten hemel hief, nadat hij de vermetele stervelingen,

die hem zijn geheim hadden ontrukt, in den afgrond had geslingerd!

"De dag zal eenmaal komen, waarop ook de Mont-Cervin zelf zal verdwenen

zijn; waarop een reuzige, vormelooze steenhoop de plaats zal aanwijzen,

waar de heerlijke berg stond. Atoom voor atoom, duim voor duim, el

voor el, zwicht hij, langzaam maar zeker, voor de onophoudelijke,

onverbiddelijke werking der eeuwige natuurwetten, waaraan niets

weerstand bieden kan. Die dag is nog verre, zéér verre verwijderd:

eeuwen en eeuwen zullen voorbijgaan, eer de zon zal opgaan over

de puinhoopen van den Matterhorn! En inmiddels zullen de volgende

geslachten vol bewondering hunne oogen opheffen naar dien berg, die,

wat de eigenaardige schoonheid van zijn vorm aangaat, geen gelijke

heeft onder de Alpen; zij zullen met ontzetting staren in zijne gapende

afgronden, met vasten voet zijne steile rotsen beklimmen. En niemand

dergenen, wien het geluk te beurt valt dezen berg te aanschouwen,

hoe hoog zijne verwachting ook gespannen moge zijn, zal ontevreden

huiswaarts keeren, omdat de werkelijkheid niet aan zijn ideaal

beantwoordde."

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877 · 第 15 / 92 题