Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
FORMOSA, DE EERSTE KOLONIE VAN JAPAN.
Naar het Fransch van Reginald Kann.
I.--Aankomst op Formosa.--Taïhokoe, de zetel der
regeering.--Chineesche en Japansche wijken.--De beide
takken van den spoorweg en de Décauvillelijn.--Gevolgen der
aardbeving.--De agenten van politie en hun administratieve
werkzaamheid.--Voorloopige hospitalen.--Uitstapje naar
Kagi.--De vroegere Samoeraï als politiebeambten.--Bezoek aan
de koppensnellers.--Maatregelen, door de Japanners genomen
om oude, barbaarsche gewoonten tegen te gaan.--Betrekkingen
tusschen de Atayals en de Japanners.--De thee.--De oorlogshaven
Keloeng.
De reizigers, die van Europa naar Formosa gaan, verlaten te Hongkong
de groote lijn van Yokohama, om zich in te schepen op een der kleine
nipponsche stoombooten, die den dienst van Tamsoeï waarnemen. Vóór de
verovering van het eiland door de Japanners in 1895, was alle handel
in handen van engelsche maatschappijen, maar langzamerhand is men er,
dank zij de subsidies van de regeering, in geslaagd, de britsche vlag
bijna geheel te doen verdwijnen uit de havens van Formosa. De Daijin
Maroe, waar ik passage op neem, is een uitstekend schip, dat flink zee
bouwt en zeer geriefelijk is ingericht. Nadat we de chineesche kust een
eind hebben gevolgd met oponthoud van korten duur te Swatow en te Amoy,
steken we de straat over met het altijd onstuimige water, en zijn na
drie dagen reizens tegenover de haven Tamsoeï. Hier moeten we ankeren
in afwachting van het oogenblik, dat de vloed ons zal vergunnen, een
bank over te komen, waar bij hoog water nog maar 13 voet water staat.
Na verscheiden uren van een vervelend wachten, gedurende welken tijd
de moesson ons geducht doet schommelen, kunnen we eindelijk de rivier
van Tamsoeï binnenkomen; de paketboot legt aan bij een houten brug,
die bij wijze van pier tegen den oever is aan gelegd. Van Tamsoeï
naar de hoofdstad van het eiland, Taïhokoe, het oude Taïpeï der
Chineezen, heeft men slechts een afstand van twintig kilometer af
te leggen, die de spoortrein in een klein uur overwint. Ingevolge
de raadgevingen van een japanschen medereiziger was ik besloten,
mij halverwege op te houden in het winterstation Hokoeto met rijke
zwavelbronnen, waar de regeering een militair hospitaal heeft laten
inrichten en openbare baden, en waar ik, naar mij verzekerd werd,
het eenige europeesche hotel op Formosa zou aantreffen.
Het zoogenaamde hotel bleek een enkele kamer te wezen, voorzien van
een bed als eenig meubel; de eigenaar was een vuile en altijd dronken
Chinees. Ik verliet reeds den volgenden dag die weinig aanlokkelijke
plaats, om te Taïhokoe een minder pretentieuse japansche herberg te
vinden, die heel goed was en waar ik mijn hoofdverblijf vestigde
gedurende de twee maanden, die ik op het eiland zou slijten. De
eigenaar stond mij toe, dat ik een stoel en een tafel plaatste in mijn
kamer, doch op voorwaarde, dat ik de pooten omwikkelde met dikke lappen
stof, om de tatami niet te beschadigen, de dikke, gevlochten matten,
waarmee de vloeren in alle japansche huizen zijn bedekt.
Taïhokoe is de zetel der regeering; daar zijn alle takken van
dienst gevestigd; daar zetelt ook de gouverneur-generaal, die
de kolonie in den naam des keizers bestuurt. Hij geniet volkomen
onafhankelijkheid trots enkele wetgevende bepalingen, die enkel in
theorie de macht beperken, welke hem is toegekend. De constitutie,
geldend op Formosa, gelijkt vrij veel op die van de Soenda-eilanden,
waarnaar ze zonder groote wijzigingen is gevolgd. De hoofdkenmerken
zijn de almacht van den gouverneur, de sterke centralisatie van de
verschillende administratieve takken en het volkomen ontbreken van
alle vertegenwoordiging en van alle aandeel aan het bestuur van de
zijde der inboorlingen; de ambtenaren, zelfs die van de gemeenten,
worden zonder uitzondering door de Japanners benoemd.
De oorzaken, die de regeering ertoe hebben gebracht, blijk te geven
van zulk een absolutisme, zijn tweeledig: vooreerst de vijandigheid
der chineesche bevolking, die weigerde den afstand van het eiland
aan Japan te erkennen, in opstand kwam tegen haar nieuwe meesters
en eerst in 1902 ten onder werd gebracht na zeven jaren van strijd,
en ten tweede de strategische belangrijkheid van Formosa, waar
Japan vooral een militaire basis in ziet meer dan een terrein van
exploitatie of een afzetgebied voor zijn bewoners als kolonisten. Om
die laatste reden kan volgens de grondwet de gouverneur-generaal
nooit een burgerlijk ambtenaar wezen en moet hij worden gekozen uit
de officieren van hoogen rang in de legers te land of ter zee.
Wat den reiziger treft dadelijk bij zijn aankomst te Taïhokoe,
is de volkomen afscheiding, die er bestaat tusschen de chineesche
inboorlingen en de Japanners. De laatsten bewonen het midden der
stad of het eigenlijke Taïhokoe, waaruit ze de bewoners teruggedreven
hebben naar de volkrijke voorsteden Banka en Daïtotei. Geen grooter
onderscheid is denkbaar dan tusschen die buurten, die toch zoo dicht
bij elkaar liggen. Het deel der stad, waar de Japanners wonen, is
de juiste weergave van een stuk van Tokio. De gemacadamiseerde, goed
onderhouden straten zijn omzoomd door telegraafpalen en lage houten
huizen, door grijze pannen gedekt. Als men door de oude poort gaat,
die thans met steenen is gerestaureerd, bevindt men zich onmiddellijk
op chineesch terrein, tusschen smalle, vuile straatjes en een dooreen
woelende, vuile en in lompen gehulde menschenmassa.
Het resultaat is echter niet verkregen met goedvinden der bevolking, en
om Taïhokoe te veranderen in een japansche stad, hebben de autoriteiten
hun toevlucht moeten nemen tot willekeurige maatregelen, door onder
voorwendsel van zorg voor de hygiëne chineesche winkels te onteigenen,
zonder dat hun eenige schadeloosstelling werd toegekend. Deze
ongeneerdheid ten aanzien van den inboorling treft men trouwens overal
op het eiland aan en ten opzichte van de meest verschillende dingen.
Mijn eerste wensch was, dadelijk eenige dagen te Taïhokoe te blijven,
ten einde de politieke en administratieve inrichting te bestudeeren,
daarna de belangwekkendste provincies te bezoeken en vooral enkele
streken van het westelijke gedeelte, dat nog weinig geëxploreerd is en
waar alleen inboorlingen wonen van maleisch ras en met nog volkomen
primitieve zeden. Maar op het oogenblik, dat ik op Formosa aankwam,
had juist een vreeselijke aardbeving, die aan honderden personen het
leven had gekost, het district Kagi verwoest in het Zuiden van het
eiland, en ik besloot, mij daar zonder verwijl heen te begeven.
Kagi wordt doorsneden door de hoofdlijn van den spoorweg, die het
grootste deel van Formosa in de lengte doorsnijdt, van Keloeng in het
uiterste Noorden uitgaande, om te Takoe aan te komen, de zuidelijke
haven van het eiland. Meer spoorwegen zijn er niet, buiten dan
het lijntje, dat Tamsoeï met de hoofdstad verbindt. De aanleg van
spoorwegen op Formosa dateert al van vóór de japansche inbezitneming;
hij is in de eerste plaats te danken aan den chineeschen gouverneur
Liu-Ming-Tsjoean, die de troepen van China aanvoerde ten tijde van de
expeditie van admiraal Courbet. De chineesche autoriteiten hadden in
1895 de lijn Keloeng-Taïhokoe voltooid en waren ook al begonnen met de
voortzetting naar het Zuiden; maar de weg was zeer slecht aangelegd
en er werd onverschillig en slordig gewerkt, zoodat de Japanners,
toen ze zich van Formosa meester maakten, genoodzaakt waren, tot een
geheele vernieuwing over te gaan.
Om het werk, dat de vroegere regeering was begonnen, voort te zetten,
besloot de nieuwe het spoorwegwezen te ontwikkelen naar de beginselen,
die men had toegepast bij den aanleg der verschillende lijnen in
Japan, namelijk door bouw en exploitatie toe te vertrouwen aan
een particuliere maatschappij. Er werd in Japan met dit doel een
maatschappij opgericht; maar de datum van oprichting viel samen met
de eerste poging van japansche immigratie in de nieuwe kolonie, die
totaal mislukte ten gevolge van de ongezondheid van het klimaat en de
schrikwekkende sterfte onder de nieuw aangekomenen, die er het gevolg
van was. Op dat tijdstip scheen de toestand der kolonie hachelijk,
en de maatschappij kon de noodige fondsen niet bijeen krijgen.
Inziende, dat het in het leven roepen van een spoorweg het zekerste en
snelst werkend middel zou zijn om den opstand te onderdrukken en de
bevolking tot rust te brengen, en dat de exploitatie in het vervolg
een machtige hefboom zou worden voor de economische ontwikkeling
der streek, besloot de insulaire regeering de kosten van den aanleg
voor haar rekening te nemen. Ze vroeg en verkreeg de machtiging,
om een leening aan te gaan van 30 millioen jen, dat is ongeveer 37
millioen gulden, en ging met spoed over tot de uitvoering van het
plan, dat ontworpen was door den hoofdingenieur Hasegawa. Men begon
aan de groote lijn op twee punten, het Noorden en het Zuiden. Reeds
in 1900 kon de lijn Takoe-Taïnan in het Zuiden worden geopend; het
volgend jaar werd de tak Tamsoeï-Taïhokoe eveneens voor het verkeer
opengesteld. De werkzaamheden werden zonder stoornis voortgezet tot
1904, op welken tijd ze moesten worden gestaakt vanwege de uitgaven,
die de oorlog tegen Rusland noodig maakte. De weg was toen voltooid,
met uitzondering van een stuk van 40 kilometer tusschen de stations
Sanchako en Koroton in het midden; die beide plaatsen zijn nu verbonden
door een Décauvillespoor.
De spoorweg op Formosa is gelijk aan die in Japan; dezelfde
spoorwijdte, dezelfde locomotieven, dezelfde waggons en ook dezelfde
wanhopigmakende langzaamheid. Om de weinige honderden kilometers af te
leggen, die Taïhokoe van Sanchako scheiden, was er meer dan een dag
noodig, wat mij noodzaakte, den nacht door te brengen in de slechte
herberg van het stadje Bioritsoe. Den volgenden dag kwam onze trein
vroeg aan het eindpunt van de normale lijn, waar het overstappen in
de Décauville terstond volgde. Reizigers en goederen worden geplaatst
op onderstellen op wielen, voorzien van een primitieve rem, en ieder
geschoven door twee inlandsche koelies. Op een drafje loopen die
mannen schuivend achter de trolley, duwen eenige meters en springen
dan op het toestel, waar ze blijven tot het vanzelf stilstaat, waarna
ze de bewerking van voren af aan beginnen.
Langs de hellingen wordt die trolley, zooals men de kleine wagentjes
noemt, door haar eigen zwaarte gesleept, dikwijls met verbazende
snelheid, die aan de reizigers hetzelfde gevoel geeft als het
zitten in de russische schommels van onze kermissen; het is een
prettige gewaarwording ondanks het wezenlijke gevaar, waaraan men is
blootgesteld en dat ook aan den dag komt in talrijke ontsporingen,
dikwijls vergezeld door ongelukken van gebroken ledematen en zelfs van
sterfgevallen. Bij het stijgen daarentegen is de tocht bezwaarlijk, te
meer daar men herhaaldelijk moet uitstappen en te voet de helling moet
bestijgen. Op de platte open wagens zitten de reizigers van de gewone
soort op eenvoudige, omgekeerde houtenkisten en gaan er twee aan twee
rug aan rug zitten. Voor de reizigers van eenigen rang zijn trolley's
bestemd met rieten leunstoelen, die door een afdakje voor de zon zijn
beschut. De koelies, die deze primitieve en zware vervoermiddelen
op gang moeten brengen, toonen een buitengewone behendigheid, vooral
bij het passeeren van een houten viaduct van verscheiden kilometers,
die men al dadelijk bij het begin der reis aantreft en die bestaat uit
dwarsbalken, die meer dan 50 centimeter van elkander verwijderd zijn;
een enkele misstap zou den koelie in de rivier doen storten, en toch
vertraagt hij zijn gang in het geheel niet. Het is geen zeldzaamheid,
dat jonge inlandsche meisjes de trolley's schuiven met dezelfde kracht
en behendigheid als de mannen.
Na twee uren van een reis per schuifwagentje met een snelheid, die in
het geheel niet onderdoet voor die van den trein, moest er weer worden
overgestapt in de spoorwaggons, die ons nog denzelfden dag naar Kagi
brachten. Zooals in alle steden van Formosa, wonen de Japanners er
in een afzonderlijke wijk, waar ook het hotel te vinden is. Ik had
het geluk, daar professor Takagi weer te zien, den directeur van den
gezondheidsdienst der kolonie, met wien ik te Taïhokoe had kennis
gemaakt. Die ambtenaar, die lang in Duitschland heeft gestudeerd en
met een europeesche vrouw is getrouwd, kwam te Kagi een onderzoek
instellen naar de werking der ondersteuning en naar de wijze, waarop
de plaatselijke gezaghebbers de hospitalen hadden ingericht, waar de
slachtoffers der aardbeving waren ondergebracht. Professor Takagi
maakte voor mij het bezoek van die inrichtingen gemakkelijk. Daar
de meeste der regeeringsgebouwen verwoest waren geworden of
dreigden in te storten, had men allerlei soort toevluchten moeten
oprichten. De militaire magazijnen leverden eenige groote tenten;
maar de meeste infirmerieën bestonden uit een soort van loodsen van
bamboes, met rijststroo bedekt. Ze waren precies van het model van de
veldambulances, die ik twee jaar geleden in Mandsjoerije had gezien
in het leger van generaal Okoe.
De materiëele inrichting van die hospitalen en de manier, waarop de
zieken werden verzorgd, schenen mij uitstekend. Er was overvloed
van plaats en een meer dan voldoende ventilatie. De verpleging
geschiedde door hospitaalzusters en broeders van het Roode Kruis,
zoowel japansche als inlandsche. Die vereeniging, ofschoon nog pas
onlangs op Formosa gesticht, telt er reeds 23000 leden, die even goed
de zaken behartigen als elders. Japansche chirurgen zijn naar Kagi
gezonden uit alle andere provinciën van het eiland, en met hen werken
veel leerlingen van de medische school voor inlanders te Taïhokoe,
vier jaar geleden gesticht door professor Takagi en onder zijn beheer
staande. Hij was er zeer nieuwsgierig naar, hoe zijn leerlingen den
vuurdoop hadden doorstaan, en hij kon met voldoening constateeren,
dat de jeugdige Chineezen met succes veel moeilijke operaties hadden
verricht en dat er zelfs amputaties bij waren geweest.
De japansche wijk, waar de hospitalen zijn, had betrekkelijk weinig
geleden door de ramp. Dat komt, doordien de huizen er alle van hout
zijn opgetrokken, terwijl de pannendaken nog al licht zijn en het
geheele gebouw zóó is gebouwd, dat het een vrij sterke schudding
om de centrale as kan verdragen. Ik heb mij daarvan dienzelfden dag
kunnen overtuigen, toen er des avonds een hevige schok werd gevoeld,
die de gasten van het hotel in den tuin deed vluchten, maar in het
geheel geen schade aanrichtte.
De chineesche stad is niet meer dan een hoop ruïnen; alleen zeer
enkele huizen hebben weerstand geboden, en de bewoners daarvan hebben
den moed nog niet gehad, erin terug te keeren. De geheele bevolking
bivouakkeert in de open lucht of heeft een schuilplaats gezocht
in haastig opgerichte loodsen, die op de hospitalen gelijken. De
inboorlingen gaan intusschen maar voort met hun zaken, en het is
een zonderling schouwspel, al die winkeliers te zien, die in lange
rijen midden op de straat of op het land buiten de muren der stad
hun waren uitstallen.
Het totale aantal slachtoffers stijgt alleen in het district Kagi tot
meer dan 2000. Zooals altijd in chineesche landen zijn vooral vrouwen
onder de dooden; haar gebrekkig ontwikkelde voeten hebben haar belet,
zich gauw genoeg uit de huizen te verwijderen. Ofschoon de stad
Kagi zelf veel geleden heeft, zijn de schokken er veel minder hevig
geweest dan in eenige dorpen uit de omstreken, waarvan verscheiden
als weggevaagd zijn. Dichtbij een plaats, gelegen halfweg tusschen
de stad en de zee, moeten in het bijzonder allermerkwaardigste
natuurverschijnselen zich hebben vertoond, en men raadt mij aan,
erheen te gaan. De prefect heeft te mijnen behoeve voor den volgenden
dag een draagstoel met vier dragers besproken, het eenige beschikbare
vervoermiddel en dat trouwens het meest op Formosa wordt gebruikt,
waar rijdieren schaarsch zijn en waar men den meesten tijd geen
wagens kan bezigen, want er zijn weinig wegen, en de inwoners loopen
gewoonlijk over de smalle dijken, die de rivieren insluiten.
Mijn draagstoel wachtte mij bij den ingang der stad. Het was een
soort van vierkante doos, zeer laag van verdieping, en waarin men
niet kon zitten en evenmin kon liggen; men moest een neerhurkende
houding aannemen, wel eenigszins gelijkend op die van kardinaal de
la Balue in zijn ijzeren kooi. Zoodra de tocht was begonnen, kwam er
de schokkende beweging bij, die de koelies onder het loopen maakten,
en zoo werd de marteling grooter, die ik niet lang kon verdragen. Ik
besloot al gauw dat ongemakkelijk voertuig te verlaten en te voet
de twintig kilometers af te leggen, die ons van onze bestemming
scheidden. Ik was op dit uitstapje in gezelschap van een japanschen
politiebeambte. Onze nog al eentonige weg liep door rijstvelden en
suikerrietaanplantingen, de beide gewichtigste culturen uit het Zuiden
van Formosa. In dit deel van het land, dat volkomen vlak is, woont
een dichte bevolking, en we gingen door tal van dorpen, die meer of
minder onder de aardbeving hadden geleden. Dichtbij de meeste van die
plaatsjes verrijst naast de inlandsche hutten een beter gebouwd huis
te midden van een kleinen tuin, die afgesloten is met prikkeldraad
bovenop een hooge schutting; een diepe gracht geeft aan de woning
geheel het aanzien van een miniatuurvesting. Die gebouwen dienen tot
verblijf voor de agenten van politie, in grooten getale verspreid
over dit gedeelte van Formosa, de chineesche provincies. Die beambten
zijn met de inlandsche adjuncten en met de raden van notabelen de
voornaamste tusschenpersonen tusschen regeering en volk. Ze genieten
veel voorrechten en de meest uiteenloopende werkzaamheden zijn hun
opgedragen. Ze houden de registers van den burgerlijken stand bij,
zorgen voor orde en veiligheid, zien toe op het onderhoud van de
gemeenschapswegen, door de menschen voor heerendiensten op te roepen,
regelen den postdienst en innen belastingen. Men heeft hun zeer
onlangs nog belangrijker dingen opgedragen, door ze te machtigen
tot de berechting van alle gevallen van politie-overtredingen, waar
boeten op staan lager dan 30 jen. Zoo'n agent neemt ook de taak van
den vrederechter waar bij geschillen tusschen inboorlingen.
Zoo ziet men, dat de administratieve reglementen inderdaad aan de
politiebeambten een bijna onbeperkte macht geven over de inwoners op
de plaatsen, waar ze zijn gestationneerd. Ik heb tijdens mijn verblijf
op Formosa kunnen waarnemen, dat hun gezag vaak wordt uitgeoefend
met de grootste willekeur en ook wel met ruwe wreedheid. De japansche
agenten zijn bijna allen gerecruteerd uit de klasse der oude militaire
samoeraï, die zelfs in Japan zich altijd vol verachting heeft getoond
voor de overige klassen, vooral voor de boeren. Dus is het natuurlijk,
dat ze een nog grootere minachting aan den dag leggen voor chineesche
inboorlingen. Buitendien was in den langdurigen strijd tegen de benden
opstandelingen en roovers, die tot nu vier jaren geleden heeft voort
geduurd, aan de politie de onderdrukking van den opstand opgedragen,
en zij heeft in den loop van dien strijd zonder genade gewoonten
aangenomen, die tegenwoordig nog hun invloed doen gevoelen. Het
eenige gevoel, dat de bevolking voor haar heeft, is dan ook vrees
zonder eenige sympathie. Er zijn wetten van draconische strengheid
uitgevaardigd tegen diegenen, die de politie aanvallen, en men
moest dat wel doen in streken waar de agenten afgelegen buiten waren
gevestigd, om hun veiligheid te waarborgen. Wie een agent aanvalt,
wordt ter dood veroordeeld, en medeplichtigheid wordt even zwaar
gestraft als de misdaad.
Als de politieagenten van Formosa streng zijn voor de bevolking, ze
zijn voor de vreemdelingen uiterst gastvrij; het was mij onmogelijk,
een hunner posten voorbij te gaan, zonder te rusten, een sigaret
te rooken en het traditioneele kopje groene thee te drinken. Dat
herhaalde stilhouden vertraagde onzen tocht niet weinig, en we kwamen
eerst midden op den dag in het dorp onzer bestemming. Ik zag, dat men
ten zeerste de gevolgen der ramp had overdreven. De befaamde spleet,
die moest zijn ontstaan en waar men mij te Taïhokoe reeds over had
gesproken, bleek niet meer dan een geul van eenige centimeters diepte,
die ik niet zou hebben opgemerkt, als men, om haar mij te toonen,
niet het gras op zij had geschoven, dat aan beide kanten groeide.
De bronnen en putten van vóór den schok waren alle uitgedroogd, en
kleine geisers van kokend water hadden zich gevormd op andere plaatsen;
een daarvan had in een woning den bodem van geslagen leem opgetild
en had de ruimte gevuld met zand en damp. Iets verder wees men mij
boomen, waarvan de stammen in tweeën waren gespleten en waarvan de
beide deelen nu door een tusschenruimte van verscheiden centimeters
waren gescheiden.
Wij brachten een uur door met wandelen in de omstreken van het
dorp, en na een sober ontbijt onder de tent, die den politiepost had
vervangen, sloegen we den weg naar Kagi weer in. In een der gehuchten,
waar we door gingen, had de bevolking zich vereenigd rondom eenige
agenten, en dezen verdeelden hetgeen tot hulp was gezonden na de
inschrijving, die in Japan en op het eiland was geopend ten behoeve
van de noodlijdenden en die een aardige som had opgebracht. De giften
waren vooral afkomstig van de inboorlingen; de agenten belastten zich
met de inzameling en volbrachten dat werk met de weinige consideratie,
die men van hen gewoon was, zoo werd mij verzekerd. Om inschrijvingen
te krijgen, gaan ze rond bij hun volkje en slaan de rijksten van hen
aan voor een zekere som, die dezen moeten storten, als ze zich niet
willen blootstellen aan een massa hinderlijke maatregelen, die de
almacht van de politie tegen hen in het werk kan stellen. Zoo worden
op Formosa de zoogenaamde vrijwillige bijdragen verzameld.
Na een laatsten nacht te Kagi, die telkens gestoord werd door
alarmgeruchten over hernieuwde uitbarstingen, keerde ik rechtstreeks
naar de hoofdstad terug, om mij zonder verwijl klaar te maken voor
een reis naar het land der inboorlingen.
Die waren in de Middeleeuwen de eenige bewoners van Formosa, en hun
stammen woonden tot bij de westkust. De chineesche landverhuizing,
die volgens chineesche geschiedschrijvers in de 15de eeuw begon,
bracht eerst Chineezen in de zeehavens tegenover China en won daarna
langzamerhand terrein in het binnenland. Die instrooming, die een
tijdlang vertraagd werd door de vestiging op Formosa van hollandsche
kantoren en spaansche handelshuizen, kreeg een groote versnelling,
toen het eiland bij het Hemelsche Rijk werd gevoegd op het einde van de
17de eeuw. De nieuw aangekomenen drongen geleidelijk de oorspronkelijke
bevolking naar het Oosten terug, en ten koste van aanhoudenden strijd
waren ze er in geslaagd, haar op het tijdstip van de verovering door
Japan geheel terug te doen wijken in het bergland van dat deel van
het eiland.
Alle pogingen, in het werk gesteld om zich van dat lastige terrein
meester te maken, hadden gefaald; de tegenwoordigheid van de
autochthone bevolking levert er te meer gevaar op, daar de bosschen
van kamferboomen, die de meest winstgevende industrie van Formosa
mogelijk maken, zich in haar onmiddellijke nabijheid bevinden.
De chineesche autoriteiten, die een belasting hieven van de
toestellen, die bij de bereiding van kamfer in gebruik waren, hadden
een bewaking ingesteld ter bescherming van de arbeiders, die echter
weinig uitwerking had. De Japanners hieven dadelijk na hun komst die
belasting op en tevens het wachtcorps; maar daar enkele jaren later
de regeering der kolonie voor zich het monopolie van den kamferverkoop
behield, was ze op haar beurt betrokken bij de veiligheid der arbeiders
en werd ertoe gebracht, om maatregelen te nemen, dat dezen beveiligd
werden tegen vijandelijkheden der inboorlingen.
Gedurende de eerste periode, toen alle toezicht was opgeheven,
trachtten de Japanners zich met de wilden te verzoenen, door hun
zeden en gewoonten te bestudeeren en in hun behoeften te voorzien,
door een politiek dus, gelijk aan die, welke de Amerikanen ten opzichte
van de Roodhuiden uit het Verre Westen volgen.
De ambtenaren, met die zending belast, schatten het aantal der
oorspronkelijke bewoners op ongeveer honderd duizend, verdeeld over
een groot aantal stammen. Men groepeerde die stammen in zeven groepen
naar hun taal en hun gewoonten, namelijk de Païwans, de Puyama's,
de Amissen, de Tsoe's, de Tsalisens, de Vonums en de Atayals. De
vier eerstgenoemde zijn onschadelijk. De Vonums en de Tsalisens,
ofschoon onderling dikwijls strijdend in de verschillende stammen,
vallen de gele bevolking nooit aan. De Atayals daarentegen, die in het
Noorden voor zich alleen de helft innemen van al het inboorlingenland,
gaan steeds voort, invallen te doen en aanvallen, gericht tegen de
chineesche bewoners.
De karakteristieke trek in de zeden der Atayals is het koppensnellen,
aan welk bedrijf ze zich met evenveel hartstocht overgeven als hun
stamgenooten van de Philippijnen en de Soenda-eilanden. Zoodra een
vijand in het gevecht is gevallen, wordt hij onthoofd; men laat den
schedel lang koken, om er de vleezige deelen van te kunnen wegnemen,
en dan, na hem te hebben laten bleeken in de zon, wordt hij op een
verhevenheid geplaatst aan den ingang van het dorp. Het hoofd van
den stam wordt gekozen uit de krijgers, die het grootste aandeel aan
de verrijking van de macabere verzameling hebben gehad. Geen enkele
jonge man mag hopen, tot een huwelijk te komen of zitting te krijgen
in den raad, als er niet minstens één van die trofeeën op zijn debet
kan worden geschreven. Wanneer twee Atayals twist hebben en er niet in
slagen, hun strijd te beslechten, verlaten ze gelijktijdig het dorp,
en de eerste, die terugkeert met een gesneld hoofd, krijgt gelijk in
de quaestie.
Toen de Japanners in 1895 Formosa in bezit namen, ten gevolge van den
oorlog tusschen hun land en China, deden ze loffelijke pogingen om
de inboorlingen met zich te verzoenen en van hen gedaan te krijgen,
dat ze zich rustig zouden houden in hun bergen, zonder hun chineesche
buren te hinderen. De zuidelijke groepen zijn getrouw gebleven aan de
afspraken, die ze gesloten hebben met de nieuwe heeren van het eiland;
maar de Atayals bleken niet in staat, van hun barbaarsche gewoonten
afstand te doen. Dus hebben de Japanners de taak op zich genomen,
hen ten onder te brengen.
Ze zonden eerst tegen hen talrijke militaire expedities uit, die
altijd mislukten. De wilden boden in het begin van den tocht weinig
tegenstand en lokten de soldaten dus dieper het land in, en dan, als
de vijand zich op een zeer moeilijk terrein bevond, lokten ze hem in
hinderlagen en decimeerden de troepen. Heel weinig nipponsche soldaten
hebben hun uitgangspunt weer kunnen bereiken, en na herhaalde pogingen,
waarbij soms geheele bataljons tot den laatsten man vielen, besloten
de Japanners van tactiek te veranderen en een defensieve houding
aan te nemen. Ze hebben met dat doel rondom het land der Atayals een
cordon van blokhuizen opgetrokken, verdedigd door inlandsche politie
onder japansche officieren en onderofficieren. Die versterkte huizen,
die stevig van steen werden gebouwd, staan op de plaatsen, van waar
het terrein kan worden overzien, op ongelijke afstanden, maar niet
verder dan een kilometer van elkaar verwijderd, zoodat ze in geval
van een attaque elkander wederkeerig kunnen bijstaan. De omlijsting
met sterkten heeft de invallen van de Atayals zeer wezenlijk doen
verminderen, en het aantal moorden, door hen bedreven, vermindert
met ieder jaar. In 1905 bedroeg het echter nog een aantal van 493.
De regeering is voornemens, die bewakingslijn geleidelijk meer
landwaarts in te verleggen, om op die manier het gebied der Atayals
in te krimpen, waardoor ze op den duur wel moeten verdwijnen of met de
vreedzame bewoners samensmelten. Deze operaties maken het noodig, dat
er een mobiel corps wordt onderhouden, dat bij de blijvende garnizoenen
komt, welke in de blokhuizen zijn gevestigd, en voor gevallen van
nood levert het leger aan de politie bergkanonnen en mitrailleuses.
Ik wenschte mij bij het mobiele corps te voegen, om het een poosje
bij zijn werkzaamheid te vergezellen, of ten minste wou ik eenige der
posten van het cordon bezoeken en dan de werkplaatsen, waar kamfer
wordt bereid en die zich in de nabijheid der posten bevinden. Ik stiet
op een formeele weigering van de regeering, en na tal van pogingen
kon ik enkel de toestemming erlangen, mij onder geleide naar een
der vijf posten te begeven, waar ruilhandel wordt gedreven en die
op verschillende punten van de grens zijn gevestigd. Daar komen de
Atayals de voortbrengselen van hun land verkoopen en kruit koopen,
messen inslaan en glazen kralen zich aanschaffen. Men noemde mij
de markt van Kutsjakoe, slechts een twintigtal kilometers van de
hoofdstad verwijderd.
Vroeg in den morgen vertrok ik met mijn gids in een jinriksja tot het
dorp Sjinten, dat halfweg is gelegen; daar werd mij een draagstoel
aangeboden, waar ik vriendelijk voor bedankte, en wij vervolgden
onzen weg te voet. Het land is zeer bergachtig in deze streek en wordt
doorsneden door tal van rivieren, die men moet oversteken met ponten of
in eenvoudige bootjes. Alle heuvels zijn bedekt met thee-aanplantingen,
want thee wordt zeer veel verbouwd in de provinciën van het Noorden
van Formosa.
Koetsoe-Tsjakoe is een chineesch dorpje met vuile en slikkerige
straten, dat we met genoegen den rug toe keerden, om langs de rivier
van Tamsoeï verder te gaan, die even buiten de grens ontspringt. Aan
haar oevers verrijst boven het dorp de electrische installatie,
die aan Taïhokoe licht verschaft. Men heeft er ook over gedacht,
om met de electriciteit de sterkte van het cordon te vergrooten. Een
ijzerdraad, verborgen in de struiken, loopt vóór de blokhuizen langs
over een lengte van verscheiden kilometers. Men laat er een sterken
stroom doorgaan, zoodat telkens als een koppensneller over de lijn wil
gaan, hij stuit op dat beletsel en een lading krijgt in het lichaam,
waardoor hij op de plaats blijft of ten minste moet afzien van alle
wenschen, om nog verder door te dringen. Ongelukkig zijn een zeker
aantal japansche of inlandsche politieagenten, die de juiste ligging
van den draad niet kenden, er zelf het slachtoffer van geworden,
en er is dan ook reeds sprake van de opheffing van dit gevaarlijke
verdedigingsmiddel.
Bij de electriciteitsfabriek voegden zich bij ons een tiental mannen
van de grenswacht. Ofschoon ze deel uitmaken van een speciaal corps,
dat geheel is afgescheiden van het corps der politie op chineesch
terrein, dragen ze dezelfde uniform als de gewone agenten, maar
behalve met een sabel zijn ze gewapend met een muratageweer. Zoodra
we ons weer op weg begaven, nam het geleide een volkomen overbodige
gevechtstelling aan; twee mannen liepen vooruit, terwijl flankeurs
door de boschjes aan weerszijden van den weg liepen. We vervolgden
het pad langs de rivier ongeveer een mijl ver tot een houten brug;
op den tegenoverliggenden oever stond op een open plaats een kleine,
leemen hut, waarvoor een twintigtal wilden waren gezeten, die op onze
aankomst wachtten.
Als alle bergbewoners zijn de Atayals groot en forsch en sterk van
gestel. De mannen trekken zich twee voortanden uit in de bovenkaak
en dragen op het voorhoofd drie horizontale getatoeëerde strepen;
de vrouwen voegen daar nog twee andere strepen bij, die van de ooren
naar den mondhoek gaan in een cirkelboog van drie centimeter breed,
bestaande uit smalle lijnen, die elkaar diagonaal kruisen. Het costuum
van de beide seksen bestaat uit een kleed zonder mouwen van beestenvel
of van een vezelstof, reikend tot aan de knieën; de mannen bedekken
zich bovendien het hoofd met bontmutsen of met hoeden van allerlei
vorm, van plantenvezels gevlochten. Ik liet aan de wilden een flesch
alcohol aanbieden; het was rijstbrandewijn, waar ze zeer veel van
houden. Ze drinken nooit alleen; twee van hen gaan naast elkander
staan en naderen met hun lippen denzelfden kant van den schotel of
beker, waarna ze in die ongemakkelijke positie drinken, zonder een
druppel te morsen. De japansche tolk, die bij mij was, had langen tijd
dichtbij de grens gewoond en sprak uitstekend de taal der Atayals;
hij vertelde mij enkele wetenswaardige dingen omtrent hun gebruiken.
De Atayals wonen in bamboehutten met zeer lage daken, die maar even
boven den grond uitkomen en waaronder ze den grond tot op een diepte
van wel twee meter uitgraven. De depôts van levensmiddelen daarentegen
zijn gebouwd op palen, om de oogsten te bewaren tegen ratten en ander
knagend gedierte, die in de buurt veel voorkomen. Een bijzondere
hut wordt altijd bestemd voor de vergaderingen van den raad van
den stam. Daar komen de krijgers bijeen, eer ze op hun jacht- en
oorlogsexpedities uittrekken.
Tot die ondernemingen bepaalt zich de werkzaamheid der Atayals, die
zeer groote minachting hebben voor arbeid en aan de vrouwen de zorg
overlaten voor het verbouwen van gerst en pataten, die het hoofdvoedsel
van allen uitmaken, en ook van de rameh, de vezelstof, waarvan de
kleeren worden gemaakt. De godsdienst van deze volken is eigenlijk
niet anders dan een dienst der voorvaderen, aan wie bij elke volle
maan offers worden gebracht van koeken en honig; alle stammen bezitten
een toovenaarster, die de zieken moet onttooveren en die door gebeden
en tooverkunsten de tegenwoordigheid der booze geesten moet voorkomen.
Terwijl de Atayals mij levendig belang inboezemden, was ik voor hen
ook een voorwerp van nieuwsgierigheid. Nooit hadden ze een blank
mensch gezien; ze vroegen den tolk, hoe ver het land was verwijderd,
waar ik vandaan kwam, en hun werd geantwoord, dat men twee jaren moest
loopen, om er te komen. Het hoofd wendde zich toen tot mij en sprak:
"Gij hebt ons geschenken gegeven, daar danken we u voor, we zullen
de herinnering aan u ook twee jaren bewaren."
Onze terugweg leidde langs een andere route, altijd langs heuvels,
met theetuinen beplant.
De handel in de thee, die tegenwoordig het voornaamste uitvoerartikel
is van het eiland, dateert nog niet van lang en klimt in den tijd
niet hooger op dan tot het midden der vorige eeuw. Het waren vreemde
kooplieden, die, getroffen door de goede hoedanigheid van de producten
van enkele door de Chineezen op het eiland geacclimatiseerde struiken,
groote sommen voorschoten aan de landbouwers uit de omstreken
van Taïhokoe en zich verbonden, den geheelen oogst te koopen. De
proeven gaven uitmuntende resultaten al sedert de eerste jaren van de
productie, en weldra volgden alle inboorlingen uit de streek diegenen
na, die aan de proeven hadden deelgenomen. De verkoopprijzen waren zoo
hoog, vooral in het begin, dat men landbouwers de oogsten van rijst,
suiker en indigo die bijna rijp waren, zag opofferen, om zonder verwijl
de kostbare struiken te kunnen planten. Met de snelle uitbreiding der
cultuur ging de hoedanigheid achteruit, en aanzienlijke hoeveelheden
thee vonden geen koopers; toen liet men de nieuwe cultuur weer in
den steek met dezelfde haast, waarmee men haar eerst had ingehaald,
en later hervatte men haar voor de tweede maal. Al die schommelingen
hebben natuurlijk een terugslag gehad op den verkoop van het product
en hebben er een der meest speculatieve handelstakken van gemaakt,
die, al heeft hij veel kooplieden rijk gemaakt, een nog grooter aantal
naar den ondergang heeft gevoerd.
Toch is de uitvoer van thee voortdurend toegenomen tot op het oogenblik
van de bezetting door Japan. Toen zijn de voortbrengselen bezwaard
geworden met een dubbele belasting van fabricage en uitvoer, die
ze in ongunstige positie heeft gebracht tegenover de producten uit
meer begunstigde vreemde landen. De handel is sinds dien stationnair
gebleven.
De op Formosa gewonnen thee is van tweeërlei soort; de "oolong"
of natuurlijke thee, die naar de Vereenigde Staten wordt uitgevoerd
en waarvan de prijs thans de hoogste is van alle gelijke producten
over de geheele wereld, en de "poesjong", die met jasmijn of gardenia
wordt geparfumeerd en enkel door Chineezen wordt gebruikt.
Ik bleef slechts weinige dagen in de hoofdstad, die ik weldra
verliet, om van daar een veel grooteren tocht te ondernemen dan den
eersten. Ik wilde een rondreis maken rondom het geheele eiland op
een der vrachtbooten van de maatschappij Osaka Sjosen Kaïsja, die
door de regeering gesubsidiëerd wordt.
Het uitgangspunt van dien dienst is Keloeng, een haven, die vroeger
eens vele maanden lang door onze troepen is bezet geweest, en thans
geworden tot de voornaamste militaire vestiging op Formosa. Alle bergen
in de omgeving staan vol kanonnen en forten. Zeer belangrijke werken
zijn ondernomen, om de baai van Keloeng te veranderen in een ruime
haven; maar het grootste deel der baai is zeer ondiep en zoo moest er
een aanzienlijke oppervlakte worden uitgebaggerd. Dat deel van het
werk heeft niet minder dan twee millioen yen gekost. Ook heeft men
kaden aangelegd, die bediend worden door een takje van den spoorweg
van Taïhokoe.
De haven is intusschen nog niet genoeg beschut tegen de noordenwinden,
die in den winter bijna onafgebroken waaien. Om haar daarvoor
te beschutten, zou men een reusachtigen golfbreker moeten bouwen,
waardoor de toegang tot de haven bijna geheel zou zijn afgesloten en
er slechts een kanaal van 3000 meter zou overblijven.
II.--Reis rondom het eiland.--Ondragelijk wantrouwen van
mijn gidsen.--De Kada-Maatschappij.--De Kamferindustrie.--De
opium.--Exploitatie, handel en monopolie.--De opium eerst
verboden, daarna begunstigd.--Inlandsche scholen.--De
suiker.--Laatste aanlegplaats op de Pescadores.--Het werk
der Japanners op Formosa.
We hadden een heelen nacht noodig om de 25 mijlen af te leggen,
die Keloeng van Swao, onze eerste aanlegplaats scheiden. Swao is met
Keloeng een der natuurlijke havens, die het eiland bezit; het is een
ruime, diepe en vrij goed beschutte haven, behalve in de richting
van het Zuidoosten. Dit punt is de aangewezen uitvoerhaven voor de
provincie Giran en de rijke vlakte van Kapsoelan; ofschoon de streek
zeer vruchtbaar is, is de handel niet voldoende, om de groote uitgaven
goed te maken, die de instandhouding van een flinke haven noodig
maken. Tegenwoordig heeft het laden met bootjes plaats. Maar men heeft
gemeend, ten minste voor het vervoer der goederen en de vervanging
der militaire posten, een Décauvillespoor te moeten aanleggen, die
de haven met de hoofdstad van het district verbindt en aan den voet
der bergen loopt, waar nog stammen van Atayals wonen.
Ik heb hier opnieuw het verzoek ingediend, een der blokhuizen te
mogen bezoeken van het politiecordon, maar de toestemming werd mij
niet verstrekt, eerst onder voorwendsel van den korten duur van
mijn verblijf en dan ook omdat men mij het uitstapje als gevaarlijk
afschilderde, daar de koppensnellers dikwijls strooptochten in die
streken deden. Toch kreeg ik vergunning, mij met de Décauville te
begeven naar een punt, van waar men op een kilometer afstands een
der politieposten kon zien.
Ook daar kreeg ik weer een weigering, toen ik verder wilde
doordringen. Het was duidelijk, dat geen enkel gevaar ons kon
dreigen tijdens het korte traject, dat we moesten afleggen van
mijn waarnemingspunt tot den post. Vreedzame boeren werkten op
hun velden in het dal. In wanhoop nam ik plotseling een besluit en
begon de helling te beklimmen, zonder acht te slaan op het geroep
en de smeekingen van mijn gidsen. Een minuut later ging ik met mijn
kleeren aan te water in de rivier, kwam er druipend uit en bereikte
al dravend het blokhuis. Hoe groot was niet mijn verbazing, toen ik
op den drempel twee vrouwen ontmoette, japansche dames, echtgenooten
van de onderinspecteurs van den post, die mij hadden zien aankomen
en mij thee aanboden, om mij te verkwikken na het koude bad, dat
ik juist had genomen. Zoo waagde men het aan een oud-militair, die
drie oorlogscampagnes had meegemaakt, den toegang te weigeren daar,
waar moesme's in alle kalmte woonden! Dit te hebben vastgesteld,
wees er mij nog eens op, tot welken graad alle japansche ambtenaren,
welke hun rang ook zij, de meest argelooze vreemdelingen wantrouwen
en er op uit zijn, zooveel mogelijk verstoppertje te spelen.
En hoe meer ik van het blokhuis te zien kreeg, des te minder kon ik
mij verklaren, waarom men er zoo geducht geheimzinnig mee was. Het
was een eenvoudig steenen huis, nog al lang en voorzien van stevige
poorten. De eenige voorzorgsmaatregel, dien men had genomen bij
den bouw, was geweest, dat men de bovenverdieping had voorzien van
enkele kleine venstertjes, die de verdedigers konden bezigen als
kijkgaten en als openingen, om op de aanvallers te schieten. Mijn
bezoek duurde overigens maar kort, en een uur later was ik aan boord
van onze paketboot Taïto Naroe.
Het schip lag den volgenden morgen stil bij Karenko, de tweede
aanlegplaats. Dat punt is gelegen aan het noordelijk uiteinde van
een langgerekt dal, dat een kustketen scheidt van den ruggegraat van
Formosa, het gebergte, dat er in de lengte doorheen loopt. Het dal
wordt gevormd door den loop van twee rivieren, die in tegengestelde
richting vloeien en evenwijdig met de zee. Dit land, ofschoon
natuurlijk wel vruchtbaar, is bijna onbewoond; de bevolking bestaat er
uit enkele inboorlingenstammen, die tot de groep der Amissen behooren
en uit een kleine kern van kolonisten van chineeschen oorsprong,
uit het Westen van Formosa gekomen kort vóór de verovering door Japan.
Daar deze streek volkomen afgezonderd ligt van de rest van het eiland,
vormt ze een land apart. De japansche regeering was eerst voornemens
geweest, het tot ontwikkeling te brengen, door het te laten besturen
rechtstreeks door haar ambtenaren, maar ze heeft er zich spoedig
rekenschap van gegeven, dat die onderneming een uitgave zou vereischen,
die ver de grenzen van haar budget voor het eiland zou te boven
gaan. Daarom is dan ook besloten, de ontginning der rijkdommen van de
streek te gunnen aan een maatschappij, een gecharterde compagnie, wier
privilege herinnert aan dat der engelsche maatschappijen in Afrika,
vooral aan die van Rhodesia. De promotor en voornaamste aandeelhouder
van die maatschappij is een zekere Kada, die een even snel verworven
als groot fortuin heeft gewonnen door leveranties aan het japansche
leger tijdens den russisch-japanschen oorlog.
Het schijnt evenwel, dat de financiëele toestand der Compagnie niet
al te schitterend is, daar de eerste kosten van voorbereiding en
installatie reeds het grootste deel van het kapitaal hebben verslonden.
De grootste moeilijkheden, die de Kada-maatschappij zal hebben
te overwinnen, vloeien voort uit het ontbreken van middelen van
gemeenschap met het binnenland en vooral uit de onmogelijkheid,
daar een haven te krijgen, waar men zal kunnen binnenvaren en waar
men zonder gevaar de voortbrengselen zal kunnen inschepen. Langs de
geheele oostkust, van Karenko tot Taïto, de uiterste punten van de
concessie, stelt een zeer gevaarlijke zandbank de grootste bezwaren
in den weg aan de overlading der goederen, juist als aan de kust van
Guinea. De Japanners kunnen er niet als te Kotonoe of te Grand Bassam
een havenhoofd aanleggen, omdat de zee daar te diep voor is, zelfs
reeds op slechts eenige meters afstands van het strand. Ook schijnt de
landbouw zich niet te kunnen ontwikkelen, omdat hij altijd bedreigd
wordt met een verlies van de opbrengst bij de inscheping. Alleen de
ontdekking van goudhoudende lagen als in de omstreken van Keloeng zich
heeft voorgedaan, zou in staat zijn, het succes van de onderneming
te waarborgen.
Toch is men iets begonnen, namelijk de kamferboomen te exploiteeren
in de onmiddellijke nabijheid van Karenko. Ze zijn er in vrij grooten
overvloed en hebben Formosa wel den naam van het kamfereiland bezorgd.
In de rijkste bosschen van Formosa staan de kamferboomen ver uiteen
te midden van andere houtsoorten, soms wel op afstanden van 300 en 400
meter. Die verdeeling van de kamferboomen maakt de taak der arbeiders
zeer moeilijk en noodzaakt hen, telkens hun werktuigen te verplaatsen
van het eene punt naar het andere, daar de omgeving van de plek, waar
ze hun stookplaatsen hebben ingericht al spoedig is uitgeput. Twee
andere bezwaren werken ertoe mee, de fabricatie te bemoeilijken, de
ongezondheid van het klimaat en vooral het aanhoudende gevaar, dat
de nabijheid der koppensnellers meebrengt, die niet ver uit de buurt
wonen van alle bosschen, waar tegenwoordig nog kamferboomen worden
aangetroffen. Duizenden arbeiders zijn vermoord door de Atayals,
en een amerikaansch reiziger heeft kunnen zeggen, zonder te groote
overdrijving, dat de kamfer op Formosa alleen kan worden verkregen
tegen een gelijk gewicht aan menschenbloed.
De wijze van winning der stof is de volgende, die zoowel door de
Japanners als door de inboorlingen wordt gevolgd. De werkman,
voorzien van een mand en een bijl, slaat van den tak van een
volwassen boom takjes af, die hij overbrengt naar de plek, waar
de stookinrichting staat. Deze bestaat uit een steenen vuurhaard,
waarboven een metalen schaal wordt geplaatst vol water. Daar overheen
wordt een kegelvormige houten kast gezet, bestemd, om de takjes te
ontvangen en van onderen van een rooster voorzien. Van het bovendeel
der kist gaat een bamboekoker uit, die in gemeenschap staat met een
andere houten kist, den verkoeler, die weer door een andere buis in
gemeenschap staat met een doos, door afscheidingen in verschillende
compartimenten verdeeld. Die laatste is de cristallisatiekist.
Een goed onderhouden houtvuur brandt in den haard en houdt het
water in de metalen schaal steeds aan de kook, dat aanhoudend wordt
vernieuwd. De stoom van het water, die eruit opstijgt, gaat door den
rooster en door de takjes, waar ze verzadigd wordt met kamferdampen,
ondergaat daarna een eerste afkoeling in den verkoeler en condenseert
tegen de wanden van de afdeelingen van de kist der cristallisatie in
den vorm van kleine kristallen, die wit zijn en op zout gelijken. De
hoeveelheid kamfer, die aldus wordt verkregen, verschilt zeer veel al
naarmate van de hoedanigheid van het hout, dat de takjes heeft geleverd
en de handigheid, aan den dag gelegd door den werkman, toen hij zijn
vuur op de gewenschte kracht hield; men moet gemiddeld rekenen op 4
tot 5 kilo's per dag, dat wil zeggen, twee of drie procent kristallen
met betrekking tot het gewicht der gebruikte takjes.
Kamfer is ten allen tijde een der voornaamste artikelen van uitvoer op
Formosa geweest, zoowel toen de bereiding vrij was, als toen ze het
voorwerp was van een regeeringsmonopolie. Ofschoon er kamferboomen
worden aangetroffen in verscheiden andere landen van het Uiterste
Oosten, vindt men ze alleen op Formosa en op de zuidelijke eilanden
van den japanschen archipel in voldoend aantal, om de exploitatie
winstgevend te maken. De aanhechting van deze nieuwe kolonie bij het
japansche keizerrijk heeft dat laatste ten minste voor het oogenblik
buiten het bereik gesteld van alle vreemde concurrentie als producent
van kamfer. Eenige jaren vóór de annexatie ontdekte men in Europa
de stabiliseerende eigenschappen van deze stof ten opzichte van die
ontplofbare stoffen, waarvan nitro-cellulose den grondslag uitmaakt. Om
die reden wordt ook de kamfer gebruikt voor de samenstelling van het
celluloïd, waarvan het gebruik zoo snel zich heeft uitgebreid en dat
de waarde van de kamfer niet weinig heeft verhoogd. Die omstandigheden
hebben de japansche regeering ertoe gebracht, het monopolie van de
kamferbereiding te herstellen, gereglementeerd door een wet, waarvan
ik u de voornaamste bepalingen hier even wil meedeelen.