Wie den vollen indruk wil krijgen van de buitengewone vruchtbaarheid
van Walcheren, moet, zoo als wij deden, op een mooien, helderen, warmen
zomermorgen, te voet uit Middelburg vertrekken, om eene wandeling
in den omtrek te doen. De wegen, met wilgen en jonge olmen omzoomd,
zijn allerbekoorlijkst. Dikwijls genoeg ontmoet ge op den weg een
grooten wagen, met een witte of gele huif overspannen, volgeladen
met vrouwen en meisjes in hare fraaiste kleederen, oude mannen met de
onmisbare pijp in den mond, en jongelieden, die, den nieuweren tijd
huldigende, een bruin glazen of zilveren sigarenpijpje tusschen de
tanden hebben: allen vroolijk en luidruchtig. Deze lieden gaan uit
rijden: van ouds eene zeer geliefkoosde uitspanning onzer burgerij en
landlieden, vooral der eerste. De boeren plegen doorgaans niet dan
bij feestelijke gelegenheden uit spelerijden te gaan. Onze eerzame,
nijvere burgers daarentegen, het gansche jaar door in winkel of kantoor
bezig, opgesloten binnen de muren der steden, die juist niet altijd
op bekoorlijke omstreken konden roemen; onze eenvoudige burgers hadden
er behoefte aan, zich nu en dan eens in de vrije natuur te vertreden,
en daartoe boden die speelreisjes eene welkome gelegenheid. Nevens
het genot van de vrije lucht had men nog dat van het rijden zelf--ook
geen alledaagsch pleizier;--van het prettige gezelschap, van een
maaltijd in een boerenherberg of, beter nog, op het open veld; en
bovenal het zalig bewustzijn, eens een ganschen dag uit de "zaken" en
geheel vrij te zijn. Le Francq van Berkhey meende dat de "gezellige en
vriendschapvoedende aard onzer natie" nergens duidelijker in uitkwam
dan in hare "geneigdheid tot speelevaren en rijden"; vooral in Zeeland
had hij dit "op een ongemeen gezellige wijze" gezien. "Een gezelschap,"
zoo verhaalt hij, "dat aldaar spelemeijen gaat, neemt in 't rijtuig
brood en kaas, of eenig gebak en gebraad en wijn mede; men rijdt door
de goudgeele koornlanden, en vrugtbare akkers; men kiest eindelijk eene
digte of aangenaam belommerde dreef of groene laan, in welke men van
den wagen klimt. Hier zet zig het gezelschap op de groene zooden neder;
de tafel word op den grond gedekt, en men eet en drinkt met zulk een
genoegen, dat iemand, die eenig gevoel heeft van 't zoet vermaak,
dat een gepaste vreugde, ware vrijheid en vriendelijke gezelligheid,
onbedwongen verleent, hetzelve niet bijwonen kan zonder het edelmoedig
vaderlandsch karakter der Zeeuwen daarin te erkennen." Wat stijl! en
wat onzin, in het eten en drinken op het groene gras een bewijs
te willen zien van edelmoedigheid en vaderlandsliefde! Maar dat
daargelaten:--het spelenrijden is nog een vrij algemeen geliefde
uitspanning, niet alleen in Zeeland maar ook elders, al heeft het
ook tegenwoordig iets van zijn vroeger karakter verloren.
Wij zijn op weg naar Koudekerke, een zeer fraai en schilderachtig
dorp. De kerk, die uit de veertiende eeuw dagteekent, verrijst
te midden van een tuin--het oude kerkhof--door een bloeiende haag
omringd, die door witgeverfde paaltjes en traliewerk tegen schending
is beveiligd. Op het plein rondom de kerk staan de fraaiste huizen,
netjes beschilderd, die zelfs in de stad een goede vertooning zouden
maken. Statige linden, somwijlen ook geschoren en langs latten geleid,
beschaduwen de meer eenvoudige woningen. Het geheele dorp draagt het
voorkomen van welvarendheid en kalme rust, dat den stedeling doorgaans
bij den eersten aanblik zoo zeer bekoort, maar toch doorgaans spoedig
verveelt en naar afwisseling doet haken. Wij wandelen het dorp eens
door, toeven een poos in de voornaamste herberg, en vervolgen onze
voetreis.
Ge hebt er toch niet tegen dat wij een praatje aanknoopen met dien
eerzamen man, die daar voor ons uitwandelt en dien wij spoedig hebben
ingehaald. Hij blijkt de schoolmeester van het naburig dorp te zijn:
een man van jaren, eenvoudig, eenigszins beschroomd, die, in het land
geboren, zijn leven op het land gesleten heeft. Misschien zou hij,
zoo hij nog zijn examen moest doen, worden afgewezen: want wij mogen
veilig aannemen, dat hij nooit zijne hersenen heeft volgepropt met een
massa onsamenhangende brokken van onbegrepen, fragmentarische kennis,
gelijk zoo velen zijner hedendaagsche collega's wel verplicht zijn
te doen;--en dit heeft althans dit zeer groote voordeel, dat hij ook
de aan zijn leiding toevertrouwde kinderen niet voor hun volgend
leven bederven zal door hun allerlei halfslachtige geleerdheid,
waarmede zij verder niets weten aan te vangen en die ook inderdaad
volstrekt onbruikbaar is, in te pompen. Maar de brave man, die weinig
met fraai klinkende theoriën opheeft, omdat hij de werkelijkheid des
levens kent, is daarentegen ten volle vertrouwd met het volk, in welks
midden hij leeft, met zijne denkbeelden en gebruiken, zijne zeden en
eigenaardige gewoonten. Wij zijn met hem aan het praten geraakt over
veel en velerlei, en willen het een en ander mededeelen van wat wij,
zoo van hem als van anderen, omtrent de volksgebruiken in Zeeland
vernamen. Men houde daarbij in het oog, dat hier hoofdzakelijk van
het platte land sprake is: want in de steden is alle eigenaardigheid
reeds verdwenen of althans der verdwijning nabij, en ook op het platte
land zelf beginnen de oude gewoonten te wijken.
Laat ons eens zien hoe een zeeuwsche jonkman het aanlegt, om
kennis te maken met de jonge dochter, die hij zich tot vrouw heeft
uitverkoren. Dit kan natuurlijk op verschillende manieren geschieden;
bijvoorbeeld op deze. De jonkman begeeft zich op het uur, als
hij weet dat zijne beminde in het land is om de koeien te melken,
naar het hek van de wei, en gaat daar voorover op het gras liggen,
natuurlijk zijne blikken onafgewend op zijne Galathea houdende. Zijn de
blinkende emmers vol, dan staat hij op en gaat naar haar toe, met de
vraag of hij voor haar de zware emmers mag dragen. Vergunt zij dit,
dan is het een bewijs, dat zijn aanzoek haar niet ongevallig is;
weigert zij, dan kan hij gerust heengaan.
Maar niet alle vrijages beginnen op deze echt arkadische wijze. Vooral
op marktdagen, om van de kermissen te zwijgen, zoeken en vinden de
jongelieden gelegenheid om met elkander in aanraking te komen. Als
de markt is afgeloopen en de wagens straks zullen worden ingespannen,
dan worden de meisjes in de herberg op likeur onthaald. Allen drinken
uit hetzelfde glas, dat van mond tot mond gaat, en telkens op nieuw
wordt gevuld; natuurlijk maakt dit de tongen los en wordt menig zoet
woordje gewisseld. Hoe gelukkig is de jonkman, als hij des avonds
het meisje, dat hem aangetrokken heeft, naar huis mag geleiden.
Nu wordt de kennismaking voortgezet. Iederen Zondag gaat de minnaar
trouw ter kerk, voornamelijk om te zien, of zijne uitverkorene met
hare ouders daar tegenwoordig is, dan wel of zij alleen is te huis
gebleven. Is dit laatste eens het geval, dan spoedt hij zich naar
de welbekende woning en klopt aan de achterdeur, want de voordeur
is onder kerktijd gesloten. Beschroomd en verlegen, meldt hij zich
aan met de vraag: "Meiske, mag ik mijn pijpje aansteken?" Het meisje
begrijpt volkomen de bedoeling van die schijnbaar zoo eenvoudige vraag,
en naarmate zij zelve de nadere kennismaking met den jonkman al of
niet wenscht, willigt zij het verzoek in of slaat het af. Vergunt
zij hem binnen te komen, dan steekt hij ook inderdaad zijn pijp aan;
maar hoe zal hij het nu aanleggen, om te zeggen wat hem eigenlijk op
het hart ligt? Belangrijke mededeelingen, zoo als dat de koe gekalfd
of de zeug gebigd heeft, kunnen wel voor een poos helpen, maar om dat
te zeggen, is hij toch eigenlijk niet gekomen. Het meisje hoort hem
geduldig aan en gaat haar gang: zij weet zeer goed waarom hij komt,
en dat hij haar zal vragen om met hem kermis te houden; maar zij wacht
op de dingen die komen zullen. Eindelijk is het groote woord er uit. En
zie--het wordt niet slecht opgenomen: trouwens de toestemming was reeds
meer dan half gegeven, toen vergund werd de pijp te komen aansteken.
Voorloopig blijven de ouders, althans officiëel, nog buiten spel,
ook al weten zij wat er voorvalt. Die zondagsche bezoeken worden nu
vrij geregeld herhaald. Het meiske verzelt hare ouders niet naar de
middagkerk, maar maakt de thee gereed, en bakt een zeker soort van
suikerkoekjes, suikerblokjes, spekjes of babbelaars genoemd, waarop
zij haar minnaar onthaalt. Deze verschijnt trouw op het bepaalde uur,
en blijft met zijn liefje zitten keuvelen, tot de kerktijd voorbij is.
Natuurlijk blijven deze bezoeken niet onopgemerkt; de buren, de
buurmeisjes vooral, spreken er van, en waarschuwen de ouders; maar
van eene verloving in den vorm is nog geen sprake. Bij de aanstaande
kermis echter wordt de zaak ruchtbaar; de beide gelieven vertoonen
zich te zamen in het openbaar, drinken en dansen te zamen, en maken
verder geen geheim van hunne wederzijdsche verbintenis. Doorgaans
volgt dan spoedig het huwelijk.
Het gebeurt echter ook wel, dat de vrijage wordt afgebroken. Heeft zich
het meisje evenwel bij ongeluk vergeten, dan is aan geen afbreken der
betrekking meer te denken. De jonkman, die zich in zulk een geval
terugtrok, zou de algemeene verachting op zich laden, en stellig
niet in zijn dorp of ook in den omtrek kunnen blijven. Overal zou hij
als een eerlooze worden beschouwd en behandeld. Intusschen doen zich
zulke gevallen hoogst zeldzaam voor.
In sommige dorpen van Walcheren en vooral op Zuid-Beveland is nog
eene andere manier van vrijen in zwang. In den omtrek van Goes is
het de gewoonte, dat het jonge meisje vooraf aan hare ouders verlof
vraagt om zich het hof te laten maken, zonder nog den naam van haar
minnaar te noemen, of althans zonder daartoe verplicht te zijn. Geven
de ouders de gevraagde toestemming, dan gaat de jonkman des avonds naar
de bakkeet of den bakoven: in den regel een groot vertrek, donkergroen
geschilderd en van de eigenlijke woning afgescheiden. Hij heeft een
zoete koek in de hand, en vraagt of het meisje daarvan met hem eten
wil. Neemt zij dit aan, dan is dit een goed teeken; weigert zij, dan
mag hij, na gedurende vier zaterdagen de proef herhaald te hebben,
niet meer terugkomen. Dan heet het, dat hij met de koek op het hoofd
te huis is gekomen.
De bruiloften worden op de gewone wijze met maaltijden en
drinkgelagen, met zang en dans en rijtoertjes gevierd, hoewel de
vroegere luidruchtigheid meer en meer wijkt. Bij het huwelijk was,
en is het nog wel de gewoonte, dat de jonge man van zijne ouders
een nieuw pak krijgt, hetzij van zwart laken, hetzij van bombazijn,
naar de geldmiddelen dit veroorloven. Dit pak bestaat uit een buis,
een vest, een broek en een overjas, kappe genaamd, die hem tot op
de hielen hangt en in vorm en snede geheel overeenkomt met de jas
van zijn grootvader. Deze kleederen bewaart hij zijn geheele leven;
zij worden slechts bij buitengewoon plechtige gelegenheden gedragen:
bij den doop van zijne kinderen, bij de viering van het Avondmaal,
bij de begrafenis van een zijner bloedverwanten.
Op het platte land van Zeeland zijn nog, bij begrafenissen, eenige oude
en eigenaardige gebruiken in zwang gebleven. Is er een doode in huis,
dan verschijnen de zoogenaamde afleggers, die het lijk ontkleeden en
soms ook wasschen; voorts het steeds ongebruikte doodhemd aantrekken,
het lijk in het doodlaken spelden en op stroo leggen; verder de "wete"
doen aan vrienden en bekenden, en eindelijk zorgen dat er ook stroo
voor de deur wordt gelegd. De afleggers verrichten alzoo hetzelfde
wat elders ten platten lande door de buren geschiedt; het eenige
onderscheid is, dat zij voor hun werk betaald worden, en wel met een
som, gelijk aan de kosten der doodkist: dat betalen is echter meer
dan waarschijnlijk een moderne nieuwigheid. Het eigenaardige in deze
zeeuwsche gebruiken is het leggen van stroo voor de deur: een gebruik
dat, voor zoo ver ik weet, tegenwoordig nergens in ons vaderland meer
voorkomt. Dit lijkstroo bestaat voor volwassenen doorgaans uit tien,
somtijds ook uit zeven bossen, regelmatig opgestapeld; is er een kind
gestorven, dan wordt slechts een klein bosje voor de deur nedergelegd,
met een takje palm voor een jongske, en een takje thym voor een
meisje. Wij hebben hier met een overoud gebruik te doen: reeds in de
vroegste middeleeuwen werd het lijk op stroo gelegd, en werden bossen
stroo voor de deur gestapeld of rondom het sterfhuis uitgelegd, of wel,
men maakte kruisen van stroo en hing die aan deur en vensters. Werd de
lijkkist op een wagen naar het kerkhof gevoerd, dan werden wederom aan
wederzijde bossen stroo gelegd; en bij de terugkomst van de begrafenis,
werd dit stroo aan een kruisweg op de vier hoeken nedergezet. Ook
nu nog wordt de kist op bosjes stroo in den wagen gezet, en worden
die bosjes, na afloop der begrafenis, als van ouds aan de vier
hoeken van een kruisweg nedergelegd of in de sloot geworpen. Wat
beteekent dit? Tegenwoordig is voor verreweg de meesten de eigenlijke
beteekenis van deze en zoo vele andere gebruiken verloren gegaan:
wij weten evenwel, dat het stroo in vroeger tijd een zeer krachtig
voorbehoedmiddel werd geacht tot afwering van booze geesten: waar stroo
lag, kon geen booze geest genaken, kon geen heks binnensluipen. Nu
is het bekend, dat de duivelen en booze geesten er steeds op uit
waren, zich van de gestorvenen meester te maken: daartegen moest dus
gewaakt worden, en om dit gevaar te keeren, diende zoowel het stroo
voor de deur als het luiden der klok, waardoor de booze geesten in
de lucht op de vlucht werden gedreven. Het voor de deur opgestapelde
stroo werd oudtijds verbrand: een voorzichtigsheidsmaatregel, want
het was mogelijk dat zich daarin "duivelen, coubouten, ofte maren"
verscholen hadden. Tegenwoordig wordt het aanstonds nadat het lijk
uit het sterfhuis gedragen is verwijderd en weggeworpen.
Aan het hoofd van den lijkstoet, die uit de bloedverwanten en vrienden
bestaat,--de vrouwen gaan zeer zelden mede naar het kerkhof--gaat
de grafdelver of doodgraver, die geen bijzonder kostuum heeft, maar
slechts een lamfer aan zijn hoed draagt. Zoodra de kist in de groeve is
nedergelaten en met aarde bedekt, houdt de predikant eene toespraak;
is deze niet tegenwoordig, dan worden de vrienden en buren door den
grafdelver bedankt voor de eer, aan den overledene bewezen. Over
het algemeen vervult hier de grafdelver bij eene begrafenis dezelfde
functiën, die elders aan den aanspreker of bidder zijn opgedragen. Als
de bloedverwanten en vrienden in het sterfhuis terugkomen, vinden zij
daar water en handdoeken gereed, om zich de handen te wasschen, wat
dan ook niemand verzuimt. Ook dit gebruik is zeer oud: de aanraking
met den doode en het doodenrijk verontreinigde: van daar de behoefte
aan reiniging na de terugkomst van den lijkweg. Zelfs dat water
en die doeken moesten op eigenaardige wijze behandeld worden: het
was volstrekt niet onverschillig waar het water werd uitgegoten;
en de doeken moesten aanstonds in het water worden gezet en een poos
achteraf staan. Deze gebruiken gaan echter verloren, en zijn reeds
voor een deel vergeten, met uitzondering van het handenwasschen, dat,
naar ik meen, nog steeds geschiedt.
Natuurlijk wordt er ook in Zeeland, na afloop der begrafenis, gegeten
en gedronken. Het aloude doodbier, nog uit de germaansche tijden
afkomstig, behoort sedert lang tot de geschiedenis. Ja, wat daarvoor
later in de plaats gekomen is,--rijst met krenten en rozijnen--is mede
reeds in onbruik geraakt. Tegenwoordig eten de vrienden en geburen
koffie met brood en ham, nadat de predikant, of bij zijne afwezigheid
iemand anders, een hoofdstuk uit den Bijbel gelezen en een gebed gedaan
heeft. Ook dit eten en drinken na de terugkomst van het graf, is een
overoud gebruik: bij de heidensche Germanen duurde dit doodsmaal drie
dagen achtereen, en diende tot verheerlijking van den overledene. Het
maal werd toen bij den grafheuvel gehouden: en daarbij dronk de zoon
zijns vaders minne: een bewijs dat hiermede eene soort van offerande
of godsdienstige handeling word bedoeld. Het germaansche doodmaal,
dat elders nog duidelijker kenbare sporen heeft nagelaten, is hier
ingekrompen tot een boterham met ham en een kop koffie.
Men vindt in Zeeland geen grafheuvelen uit den germaanschen
tijd. Daaruit en uit eene zeer oude legende, volgens welke de zielen
der gestorvenen van de hollandsche en zeeuwsche kusten des nachts
naar Engeland werden gevoerd, hebben sommigen afgeleid, dat de oude
bewoners van Zeeland hunne dooden in zee begroeven. Met zekerheid
is dit niet te zeggen: doch onwaarschijnlijk is het niet, daar
ongetwijfeld voor de bewoners dezer eilanden, die hun leven op het
water sleten, de zee een voorwerp van godsdienstige vereering, een
godheid was, al weten wij niet onder welken naam zij haar vereerden.
Met deze eeredienst der zee stond zeker ook in verband een
vreemdsoortig spel, dat vroeger in Holland en Zeeland zeer in
zwang was, en in de laatste provincie eerst in de vorige eeuw werd
afgeschaft. In de Meimaand togen de jongelieden van beiderlei kunne uit
de dorpen on steden langs de hollandsche en zeeuwsche kusten naar het
strand; daar gekomen, werden de meisjes onverwachts door de jonkmans
aangegrepen, opgenomen, en een eind ver in zee gedragen; vervolgens
weder naar de duinen gebracht en van den top naar beneden gerold. Dit
ruwe spel, waarbij niet zelden ongelukken voorkwamen, was ongetwijfeld
een overblijfsel van eene vroegere godsdienstige plechtigheid, waarvan
natuurlijk de beteekenis sinds lang in vergetelheid is geraakt. De
zeeuwsche dichter Bellamy heeft dezen zeedoop in verband gebracht met
een ander spel, meer bepaald aan Walcheren eigen: het zoogenaamde
smeltvangen. De smelt is een kleine smalle visch, die zich veelal
in het zand aan den oever ophoudt. Bij het omwoelen van het zand,
komen deze visschen te voorschijn, doch weten zich zoo behendig te
onttrekken aan de hand, die hen vatten wil, dat er eene groote mate van
behendigheid toe behoort om de vlugge prooi te grijpen. Dit spel, thans
mede in onbruik geraakt, is voor goed aan de vergetelheid ontrukt door
Bellamy's romance, Roosje: een van de beste voortbrengselen van dit
genre, waarop de nederlandsche letterkunde, overigens in dit opzicht
niet zeer rijk bedeeld, roemen kan. Roosje is algemeen bekend, toch
misschien meer bij naam en broksgewijze, dan in zijn geheel: daarom,
nu wij door Zeeland wandelen en onze schreden richten naar Walcherens
stranden, moge deze schoone, door haar eenvoud roerende vertelling
hier eene plaats vinden. Ook wie dit gedicht kent, zal het niet dan
met genoegen herlezen.
Er was in Zeeland eens een man,
Hij had een aardig kind,
Een meisje, dat van iedereen
Om 't zeerste werd bemind.
De man, gelijk men denken kan,
Was grootsch op zulk een schat;
Te meer--daar hij zijn lieve vrouw
Daarbij verloren had.
Wat nam hij Roosje menigmaal,
Al zuchtende, in zijn arm,
En kuste met een tranend oog
Heur roode kaakjes warm!
Dan zei die teedre, goede man:
"Gij hebt geen moeder meer!"--
"Ja wel", zei dan het zoete kind,
"Bij Onzen lieven Heer!
"Dat hebt gij immers zelf gezegd.
"Maar waarom ging zij heen?
"Zij had mij niet zoo lief als gij,
"Want zij liet ons alleen!"
De vader sprak geen enkel woord,
Maar kuste 't kleine wicht;
En, onder 't kussen, dekte een stroom
Van tranen zijn gezicht.
Dit meisje werd wel schielijk groot;
Zij was de roem der stad;
Geen vader, die haar voor zijn zoon
Niet reeds gekozen had.
Wat was dat lieve meisje schoon;
Wat had ze een nette leest!
Wat was zij aardig en beleefd:
Zoo deugdzaam, zoo vol geest!
Zoo vriendlijk als de schoone maan,
Als ze opkomt uit de zee
En op de blanke duinen schijnt--
Zoo vriendlijk was ze meê.
Heur lieflijke oogen waren bruin,
Niet vurig--kwijnend, zacht;
Heur lachje was als 't morgenrood,
Dat aan de kimmen lacht.
Wanneer zij met de zeeuwsche jeugd
Een luchtje schepte aan 't strand,
Dan las ze op elken tred haar naam,
Geschreven in het zand.
Geen jongeling, die niet voor haar
Met eerbied was bezield,
Haar niet voor de allerschoonste bloem
Der zeeuwsche meisjes hield.
Daar leeft in Zeeland, in het strand,
Een kleine, ronde visch,
Die voor der Zeeuwen kieschen smaak
Een lekker voedsel is.
Des zomers, als de zuidenwind
Langs kleine golfjes speelt,
En vriendlijk 't gloeiende gelaat
Des nijvren landmans streelt;
Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,
Naar 't breede, vlakke strand,
En ploegt dan, vol van vroolijkheid,
Het dorre, natte zand.
Dan grijpt in de opgeploegde voor
Een rappe hand den visch;
En dikwijls is de vlugste hand
Te traag voor dezen visch.
Intusschen speelt en stoeit de jeugd,
En fladdert door het nat,
Dat schuimend, met een groot gedruisch,
In mond en oogen spat.
De jongling grijpt een meisjen op
En draagt haar mede in zee;
Het meisje roept en wringt,--vergeefs:
Hij draagt haar mede in zee.
't Was eens een schoone zomerdag;
En 't puikje van de jeugd
Ging naar het strand met spade en ploeg,
En voelde niets dan vreugd.
Het lieve Roosje was er bij;
En ieder jongeling
Vergat den ploeg, vergat den visch,
Als ze aan zijn zijde ging.
Een jongling, die haar 't meest beviel,
Bleef immer aan haar zij;
Hij zeide aan Roosje menigmaal
De zoetste kozerij.
Nu drukt hij eens heur zachte hand,
Daar hij een kusje steelt,
En met de lokjes om haar hals,
Heur bruine lokjes, speelt.
Het meisje wringt zich los, en zegt:
"Gij stoutert, daar gij zijt!
"Plaag nu ook de andre meisjes wat;
"Gij plaagt ook mij altijd!
"Ei, ga naar de andre meisjes heen,
"En laat mij nu met vreê!"--
"Zoo gij mij nu geen kusje geeft,
"Dan draag ik u in zee!"
Zoo spreekt de jongling, en zij vlucht,
Zij vlucht al lachend heen;
Hij volgt haar na, en slaat zijn arm
Al lachende om haar heen.
Nu roept en schatert al de jeugd:
"Draag Roosje nu in zee!"
Hij tilt haar ijlings van den grond,
En loopt met haar in zee.
De sterke jongling kust den last,
Dien hij zoo gretig torscht,
En klemt het allerliefste kind
Nog vaster aan zijn borst.
Het meisje roept en bidt vergeefs;
Hij gaat al fladdrend voort!
Het water spat, en klotst, en bruist,
Dat hij haar nauwlijks hoort.
In 't eind was hij zoo ver gegaan,
Dat iedereen aan 't strand,
Vol vreeze en schrik, gedurig riep:
"Genoeg! keer weer naar 't strand!"
Op eens, daar hij teruggekeert,
Staat hij vertwijfeld stil:
"Help Roosje!" roept hij, "groote God!"
En Roosje geeft een gil.
"Mijn vrienden! helpt mij! ach, ik zink
"Hier in een draaikolk neer!"
Het meisje grijpt hem om den hals.
En zinkt met hem ter neêr.
Zij zinkt, en wendt voor 't laatst heur hoofd
Stilzwijgend naar het strand;
Doch was in 't eigen oogenblik
Verzwolgen in het zand!
Daar stond de jeugd gelijk versteend;
Geen mensch, die zuchtte of sprak;
Tot eindlijk uit eens ieders oog
Een stroom van tranen brak.
"Mijn God! is 't waar? is Roosje dood?
"Ligt Roosje daar in zee?"--
Zoo gilt en klaagt een iedereen:
De duinen gillen meê.
Wel schielijk werd dit droef geval
Verkondigd in de stad;
Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,
Die niet verslagen zat.
De jeugd ging zwijgend van het strand,
En zag gedurig om,
Een ieders hart was vol gevoel--
Maar ieders tong was stom.
De maan klom stil en statig op,
En scheen op 't aaklig graf,
Waarin het lieve jonge paar
Het laatste zuchtje gaf.
De wind stak hevig op uit zee;
De golven beukten 't strand;
En schielijk was de droeve maar
Verspreid door 't gansche land.