Wij hebben te Oost-Souburg mede kermis gevierd en ons verlustigd aan
het vroolijke, jolige leven der dartele landjeugd. Nu is het dorp weder
tot zijne gewone stilte teruggekeerd; het kermisgeraas is verstomd,
en eenzaam en zwijgend ligt het dorp daar, te midden van zijne velden
en akkers. Wij wandelen voort langs den straatweg naar Middelburg.
Dat ge in eene druk bewoonde, welvarende streek zijt, dat getuigen die
buitenverblijven, die boerenwoningen, die optrekjes, ter wederzijde
van den weg. Ze lieten niet na de aandacht van mijn vriend te trekken,
die ouderwetsche buitentjes vooral, met hunne eigenaardige, somwijlen
platte en niets zeggende, somwijlen ook, dikwerf door hunne vreemdheid,
welsprekende opschriften, vaak een blik gunnende op het karakter of
den levensloop van hem, die zich deze woonstede stichtte of koos. Ziet
ge hem niet in uwe verbeelding, den gezeten, vermogenden koopman of
winkelier, die, zoo als men schilderachtig zegt, zijne schaapjes op het
droge had, en zich dus uit zijne zaken had teruggetrokken, om zijne
overige levensdagen stillekens te gaan slijten op zijn Ons Genoegen,
Nooit Gedacht, Buitenzorg, Vredelust, Rust na Vlijt? Verstaat ge niet,
hoe deze naam, aan zijn buitentje gegeven, de uitdrukking is van zijn
eigen gewaarwording, van de betamelijke voldaanheid met den uitslag
van eigen streven, nu hij het zoo ver heeft gebracht? Want, inderdaad:
dit wil iets zeggen. Immers, een buitentje of, zoo dit niet kon, dan
althans een tuin of optrekje, te bezitten, was, in den goeden ouden
tijd, het ideaal voor den fatsoenlijken, nijveren burger; een ideaal,
om hetwelk te verwezenlijken, hij jaren lang arbeidde en zich menig
levensgenot ontzeide. En niet altijd werd daarmede gewacht tot voor
goed van winkel of kantoor afscheid kon worden genomen, en de zoon
's vaders plaats had betrokken achter toonbank of lessenaar. Neen,
wanneer de zaken goed gingen, dan werd al vroeger zulk een buitentje,
optrekje of tuintje, maar steeds zoo dicht mogelijk bij de stad,
aangekocht. Derwaarts trok dan de familie des zondags of bij
feestelijke gelegenheden; ja, des zomers gebeurde het ook wel, dat
moeder de vrouw met de kinderen en eenige vriendinnen, na afloop
van het vroege middagmaal, naar buiten ging, van waar vader haar dan
des avonds kwam halen. Want wonen, in den eigenlijken zin, deed men,
althans in die optrekjes, doorgaans niet: ze waren daarvoor ook niet
ingericht, hoogstens voor een zeer kort verblijf van enkele dagen. Nog
vindt ge, in de onmiddellijke nabijheid van onze provinciesteden,
die klassieke optrekjes, waar onze grootouders op hunne manier de
natuur en het buitenleven genoten. Er was daar van beiden maar luttel
te genieten, meent ge: en ik zal het u niet tegenspreken. Zeker,
gemeten met den maatstaf onzer tegenwoordige denkbeelden, behoeften
en wenschen, bieden ze al zeer weinig aantrekkelijks, die bekrompen
plekjes grond, deels bloemtuin, deels boomgaard, deels moestuin,--want
ook hier moest zich het nuttige, in den vorm van het profijtelijke,
aan het aangename paren, en onze grootouders zouden maar half genot
van hun buitentje hebben gehad, indien niet de met groote zorg en
moeite gekweekte groenten en vruchten van eigen grond op hun tafel
verschenen waren,--met hun plompe steenen koepels, waarbij een
keukentje, een slaapvertrekje en een keldertje; die traditioneele
koepels, in den regel verrijzende aan den kant van een water, vliet,
gracht of moddersloot, en uitzicht hebbende op eindelooze weilanden,
wederom van slooten en greppels doorsneden, waarlangs knoestige
knotwilgen dienst doen als povere vertegenwoordigers van de vorsten
des wouds. Ongetwijfeld, wij zouden er ons doodelijk vervelen, en
niets zou ons schadeloos stellen voor de velerlei ongeriefelijkheden,
aan het verblijf op zulke optrekjes verbonden. Ze verdwijnen dan
ook bijna overal, en van den krans van zulke tuintjes en buitentjes,
die vroeger elke eenigszins aanzienlijke en welvarende stad omgaf,
is op verreweg de meeste plaatsen nauwelijks een spoor meer over. Ze
verdwijnen--te gelijk met het geslacht dat ze bouwde en bewoonde,
dat hier zijne eenvoudige genoegens smaakte en naar niets hoogers
verlangde, niet hunkerde naar het verre en vreemde, maar genoot wat
er, zij het ook in bescheiden mate, in de onmiddellijke nabijheid
te genieten viel:--het geslacht onzer degelijke, eerzame, nijvere
burgerij, wier type met den dag meer verloren raakt, en weldra nog
alleen in de herinnering zal voortleven.
Ziet ge daar dien sierlijken wagen, ginds voor die boerenwoning? Ik
mocht natuurlijk niet verzuimen voor mijn vriend het opschrift op
den spiegel te vertalen:
Ik rij met vlijt
En ben bereid
Ten dienst van alle menschen;
Maar tot mijn leed
Dat ik niet weet
Doen naar ieders wenschen.
Wel waarschijnlijk is die kar het eigendom van een of anderen looper
of bode, en wil hij u vooruit waarschuwen, dat ge u niet al te zeer
ergeren moet, indien zijne bediening soms wat te wenschen mocht
overlaten. Ook deze gewoonte, om huizen, wagens, schuiten, huisraad
en allerlei voorwerpen van dagelijksch gebruik met opschriften,
liefst in rijm, te versieren, ze te doen spreken en alzoo mede als
op te nemen in den kring des bewusten levens;--ook deze, zoo echt
naïef-poëtische gewoonte van het voorgeslacht behoort tot het verleden.
Wij naderen Middelburg, en groeten reeds uit de verte den hoogen
Abdijtoren, bij het volk algemeen bekend onder den naam van de Lange
Jan, die het gansche eiland overschouwt, en op Walcheren zoowat
dezelfde reputatie geniet als de utrechtsche domtoren in het Sticht.
Middelburg is betrekkelijk eene vrij oude stad, die, voor zoover
wij kunnen nagaan, reeds in het begin der dertiende eeuw eene
zelfstandige gemeente, eene poorterije was, met hare keuren en
privilegiën. Trouw hield zij, ook trots beproeving en tegenspoed, de
zijde der Graven van Holland in hun strijd met Vlaanderen; en dezen
lieten zich niet onbetuigd aan de goede stad, die zich zoo kloek en
ijverig toonde in hunne dienst. Voor en na verwierven de poorters
van Middelburg belangrijke voorrechten, meest allen strekkende tot
bescherming en bevordering van hun handel, die zich snel uitbreidde
en ook der stede macht aanmerkelijk wassen deed. Met Zierikzee en
Arnemuiden maakte ook Middelburg deel uit van de machtige Hansa; zij
was in het bezit van het zoo kostbare stapelrecht, en hare burgers
genoten uitgebreiden vrijdom van tol in onderscheidene nederlandsche
gewesten. Ten jare 1559 gewerd haar de eere, dat zij tot bisschopszetel
verheven werd: haar abt Nicolaus de Castro (Van der Burcht) werd haar
eerste bisschop. Doch de bisschoppelijke troon zou niet lang binnen
hare wallen staan. De godsdienstige omwenteling der zestiende eeuw
drong ook tot Middelburg door, en had ook daar eene staatkundige
omkeering ten gevolge. Zware tijden waren voor de rijke, welvarende
koopstad aanstaande; bange dagen van lijden en kommer, vooral toen
zij, nadat Vlissingen de nationale partij had gekozen, bijna twee
jaren lang door de legermacht en de schepen van den Prins van Oranje
werd belegerd en benauwd, zoodat binnen de geperste veste de honger
welhaast ten top steeg. Vergeefs wendden Alva en na hem Requesens,
beseffende dat aan het bezit van Middelburg dat van geheel Zeeland
hing, bij herhaling pogingen aan, om de stad te ontzetten: wel mocht
het enkele malen gelukken, haar van leeftocht en versch krijgsvolk
te voorzien, zoodat zij haar weerstand nog eene poos rekken kon;
maar den onverzettelijken vijand, wiens greep haar hield omklemd,
tot wijken dwingen,--dat vermochten zij niet. In 't eind was dan ook
geen redding meer mogelijk: en den 18 Februari 1574 werd Middelburg,
door haar dapperen en ridderlijken verdediger Mondragon, aan den
Prins overgegeven. Sedert hield zij, met geheel Zeeland, trouw de
staatsche zijde, en deelde in het lijden, maar ook in de zegepraal
en den voorspoed der jonge republiek, waarbij zij zich aangesloten
had. Ja, ook in de zegepraal en den voorspoed: want de fel geteisterde
stad, wier bloei voor immer scheen geknakt, herleefde met jeugdige
kracht, breidde haar handel en haar veste uit, en verwierf zich eene
eerste plaats onder de koopsteden der Vereenigde Nederlanden. Binnen
hare wallen was eene kamer gevestigd van de machtige Oost-Indische
Compagnie; zij had hare scheepstimmerwerven en pakhuizen, haar
handelaars, die schepen uitzonden naar Oost en West. Bij herhaling
moest haar omwalling worden uitgelegd: haar bevolking bedroeg, naar
men zegt, in haar bloeiendsten tijd ongeveer 30.000 zielen; voorspoed
en welvaart was haar deel. Dit bleef zoo tot aan het einde der vorige
eeuw; de omwenteling en hetgeen daarop volgde heeft ook Middelburg
van aanzien en vermogen beroofd, en de stad gemaakt tot eene schaduw
van wat zij vroeger was. Haar handel was verloopen; de bronnen van
haar welvaart verdroogd; kwijnend en dof sleepte zij haar bestaan
voort, eene stille, vegeteerende provinciestad, nog terende van de
overblijfselen van vroegere welvaart. Haar bevolking slonk, en bedraagt
ook thans nog slechts omstreeks zestienduizend zielen. Toch is er,
nu zij is opgenomen in het groote net van het tegenwoordige verkeer,
nu haar haven is verbeterd, hoop op beter dagen, op een terugkeer van
de welvaart van vroeger, waarvan op dit oogenblik nog maar alleen de
herinnering over is. Moge die hoop niet worden beschaamd.
Inmiddels zijn wij aan de stad gekomen. "Wat is er? wat zoekt
ge?" vraagt mijn vriend, wien mijne verbazing en teleurstelling niet
ontgaan kon. Wat ik zocht? Och, iets van zeer weinig belang: iets,
waaraan het tegenwoordig geslacht althans zeer weinig waarde toont
te hechten. Ik zocht een oud, fraai gebouw, een historisch monument:
de schoone, statige Vlissingsche poort, in den stijl der renaissance
opgetrokken, met haar toren en klokkenspel: de Vlissingsche poort,
die zelfs in den franschen tijd aan de slooping was ontkomen. Nu is
zij gevallen; en waar zij gestaan heeft, loopt thans het kanaal, dat
de stad met Vlissingen verbindt. Was dat werkelijk niet te vermijden,
en moest de poort inderdaad plaats maken voor het kanaal? Ik mag het
niet tegenspreken; maar dan heb ik eene andere vraag. Waarom dan de
poort niet zorgvuldig afgebroken, en elders, op eene geschikte plaats,
weder opgebouwd? Of was ook dat onmogelijk? Meer dan waarschijnlijk,
heeft men daaraan zelfs niet gedacht. Geen treffender bewijs van
het gebrek aan waarachtigen, ernstigen zin voor kunst en historie,
ons volk en onzen tijd eigen, dan dit gedachteloos omverhalen van
oude gebouwen, van monumenten van den voortijd, zoodra ze, wat men
noemt, in den weg staan. Zoo is het gegaan met de meeste poorten
onzer oude steden; worden de wallen, als onnoodige belemmeringen
voor de uitbreiding der stad, gesloopt, dan verdwijnen in den regel
ook de poorten. Behooren ze toch ook niet bij de wallen, en maken ze
daarvan niet een deel uit? Verliezen zij niet alle beteekenis, zoodra
de toegang tot de stad aan alle kanten open on vrij ligt? Dat ze ook
op zich zelven, als gebouwen, als monumenten, eene hetzij historische,
hetzij artistieke waarde konden hebben, dat zij wel degelijk behoorden
tot de physionomie der stad:--wie dacht daaraan, of, deed men het al,
wie bekommerde er zich om? Wie stelt er prijs op het bewaren der oude
physionomie eener stad? En daarbij, wat geeft men ons in de plaats? De
oude, dikwijls zoo karakteristieke, zoo teekenachtige poort wordt
vervangen door een ijzeren hek, zoo volmaakt karakterloos, dat het
even goed tot toegang voor een buitenplaats als voor eene stad zou
kunnen dienen. Een fraaie vooruitgang!
Wij zijn de stad binnengetreden. Zij is zeer ruim gebouwd: des te
meer treft u de stilte op hare straten en pleinen; ach, zij is te
groot voor hare tegenwoordige bevolking. Alleen op de groote ruime
markt heerscht, althans eenmaal des weeks, wanneer de landlieden uit
den omtrek hierheen komen, tamelijk veel drukte en beweging; en zoo
ge des avonds den Langedelft doorwandelt, zou het daar heerschende
gewoel u lichtelijk kunnen misleiden omtrent de talrijkheid der
bevolking van Zeelands hoofdstad, indien ge niet wist, dat op zulke
ure, haar leven, haar openbaar leven althans, genoegzaam op dit eene
punt is saamgetrokken.
Aan het verleden van Middelburg zijn wij het verschuldigd, dat wij
allereerst onze schreden richten naar de plek, waar dat verleden nog
de duidelijkste herinneringen heeft achtergelaten: naar de Abdij.
Wij bevinden ons op een klein pleintje, aan alle zijden door gebouwen
omringd, en met boomen beplant. Wij zetten ons neder op de bank op
het beschulpte voetpad, en zien rond. Vlak tegenover ons bevindt zich
het hotel van den gouverneur der provincie: in zijne tegenwoordige
gestalte een vrij smakeloos modern gebouw. Ter linkerhand, aan gene
zijde van het plein, verheft zich de Abdijtoren, de ons reeds bekende
Lange-Jan, tusschen de Nieuwe- en de Koorkerk, welke beiden te zamen
weleer de Abdijkerk uitmaakten. Op het plein zelf ziet ge voorts,
ter linkerhand, het gouvernementsgebouw en de vergaderzaal der Staten
van Zeeland. Merk op de schilderachtige poort in renaissance-stijl,
die tot dit gedeelte van het gebouw toegang geeft. Rechts en links
bespeurt ge nog twee gewelfde doorgangen: de eene voert naar de
Koorkerk, de andere naar de Balans, een plein, dat, ik weet niet
waarom, dezen zonderlingen naam draagt.
De gebouwen om ons heen vertoonen veelvuldige sporen van mishandeling
en verwoesting: de beeldenstorm heeft ook de middelburgsche abdij
niet gespaard; maar toch maakt het geheel een zeer eigenaardigen,
ik zou bijna zeggen eerwaardigen indruk. Op deze stille plek, onder
de lommer dier boomen, te midden dier oude gebouwen, zoo teekenachtig
door het zonnelicht getint, is het alsof ge eensklaps in een anderen
tijd, in eene ondergegane wereld verplaatst wordt. Wel, laat dan voor
een oogenblik de stem van het verleden tot ons spreken.
De abdij van Middelburg is zeer oud. Meer dan waarschijnlijk werd het
oorspronkelijke klooster, even als de latere abdij der Heilige Maagd
gewijd, reeds in het begin der twaalfde eeuw gebouwd. Ik vermoed,
dat dit klooster wel een der middelpunten zal zijn geweest, waarom de
stad Middelburg zich gaandeweg heeft gevormd en ontwikkeld: dit was
immers meestal het geval? Hoe menig klooster toch, hier en elders, is
een brand- en middelpunt van ontwikkeling, in allerlei zin, geweest;
een vruchtbare kern, waaromheen zich mettertijd eene krachtige,
levensvolle gemeente vormde, die, eeuwen lang, wat zij het best
en hoogst had aan dat klooster ontleende. Ongetwijfeld is het hier
ook zoo gegaan. Bisschop Gondebald, de vier-en-twintigste kerkvoogd
van Utrecht, bevolkte het nieuwe, door hem gestichte klooster met
premonstratenser monniken uit de abdij van Sint-Michiel te Antwerpen;
ook zijne verheffing tot abdij had het klooster waarschijnlijk aan
hem te danken. Deze abdij kwam allengs in het bezit van uitgestrekte
goederen en zeer belangrijke privilegiën: vooral Graaf Willem II,
de Roomsch-Koning, begunstigde haar zeer. Dat hij der abdij genegen
was, blijkt wel uit het feit dat zoowel zijn broeder Floris de Voogd
als zijne gemalin Isabella in de abdijkerk ter aarde werden besteld,
werwaarts ook het stoffelijk overschot van den zoo vroegtijdig gevallen
Vorst, eenige jaren na zijn droevig sneuvelen, door zijn zoon Floris
V werd overgebracht. De abdij werd op den 24 October 1492 bijna geheel
door brand vernield, maar herrees prachtiger en luisterrijker uit haar
asch. Zij was een der aanzienlijkste en rijkste gestichten van geheel
de Nederlanden, en bergde binnen hare wanden niet alleen een kostbaren
boekenschat, maar ook menig kunstgewrocht van beitel of penseel,
menig meesterstuk van goudsmids-, wevers- en borduurkunst. Haar abt
bekleedde de eerste plaats in de vergadering der Staten van Zeeland; in
zijne handen zwoer de Graaf den eed bij de aanvaarding der regeering.
Maar de zestiende eeuw brak aan met hare geweldige beweging der
geesten: en ook de eerwaardige, schitterende abdij van Middelburg zou
in dien storm ondergaan. Het baatte haar luttel, dat haar laatste abt
tot bisschop verheven werd, en zij zelve, met hare rijke inkomsten, den
bisschop als prebende toebedeeld: de ruwe beeldstormers ontzagen haar
deswege niet, maar sloegen ook aan dit heiligdom de schendende hand,
waarvan de treurige sporen nog zoo duidelijk zichtbaar zijn. Na de
inneming der stad, en nadat ook in Middelburg en geheel Zeeland de
omwenteling getriomfeerd had, werd de abdij door hare geestelijken
verlaten en met al hare goederen en inkomsten tot domein verklaard. De
gebouwen werden nu, met uitzondering der kerk, deels gaandeweg
verkocht en afgebroken, deels tot andere doeleinden ingericht. Het
tegenwoordige hotel van den gouverneur was reeds vroeger, toen de
abdij nog in vollen luister bloeide, ingericht tot ontvangst van hooge
gasten, die het klooster kwamen bezoeken. Met name vertoefden daar de
Graven van Holland en Zeeland, als zij de vermaarde abdij met hunne
tegenwoordigheid vereerden en met hun gevolg goeden sier maakten
van de welvoorziene keuken en kelders van het rijke gesticht. En
dit was gansch geene zeldzaamheid. Menigmalen verschenen de Vorsten,
op wier hoofd de oude zeeuwsche gravenkroon rustte, in hunne goede
stad Middelburg; en wel zelden zal men dan verzuimd hebben zijn
intrek te nemen in de abdij, voor 't minst haar met een bezoek
te vereeren. Maar niet dikwijls was er zoo schitterend gezelschap
binnen hare muren vergaderd, als op den 17 December 1505, toen Filips
de Schoone, voor zijn vertrek naar Spanje, waar hij de koningskroon
ging aanvaarden, in de abdij een kapittel hield van het Gulden Vlies,
en bij die gelegenheid tien nieuwe ridders benoemde. Den 10 Januari
van het volgende jaar vertrok de schitterende jonge Vorst met zijne
gemalin naar Spanje; hij zou zijn vaderland nimmer wederzien.
De zaal, waar de Staten van Zeeland hunne zittingen houden, was
vroeger waarschijnlijk de bibliotheek of wellicht de eetzaal, de
reefter, van de abdij. Haar gewelf verdient nog zeer de aandacht;
evenzeer als de oude tapijten langs de wanden, tusschen de jaren 1591
en 1599 door zekeren Jan De Maecht vervaardigd, en episoden uit den
onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje voorstellende. Ook prijkt deze
zaal met een zeer fraai portret van De Ruyter. Voorts vindt men nog
op verscheidene plaatsen in de abdij, vooral in de oudste gedeelten,
fraaie details, overblijfselen van vroegere bouw- en beeldhouwkunst,
die u des te meer treffen, naarmate ze scherper tegenstelling vormen
hetzij met de verwoestingen, door de beeldstormers aangericht,
hetzij met de smaak- en karakterlooze bijbouwsels en veranderingen
van later tijd.
Met deze vluchtige beschrijving willen wij ons tevredenstellen:
de oude abdij heeft niet veel van haar oorspronkelijk karakter meer
behouden. Toch, is ze ook van bestemming veranderd, is ze niet langer
een huis des gebeds en van vrome overpeinzingen. Beter dat zij ten
zetel strekt van de hoogste gewestelijke overheid, dan dat zij, als
zoo menig ander oud klooster, tot fabriek ware ingericht. Deze smaad
is althans niet over haar gekomen.--Alvorens het pleintje te verlaten,
werpen wij een laatsten blik op haar, en nemen het beeld van den ouden
tijd, dien zij voor onze verbeelding terugroept, in ons hart mede.
Wij gaan door de overwelfde poort en staan voor de Koorkerk,
eigenlijk het koor van de oude abdijkerk, doch sedert 1577 daarvan
afgescheiden. Vraagt ge waarom? Eenvoudig omdat de ruimte der oude
kerk voor de nieuwe eeredienst te groot was. Men brak dus een deel
der kerk af en maakte daarvan twee gebouwen: het eene, thans de
Nieuwekerk genaamd, werd door de Hervormden in gebruik genomen;
het andere, na tot verschillende einden gediend te hebben, in 1759
mede tot kerk ingericht. Dat door deze splitsing het karakter van het
geheel verloren ging en beide gebouwen bedorven werden, was eene zaak
van ondergeschikt belang.
In haar tegenwoordigen toestand onderscheidt de Koorkerk zich door
niets bijzonders. Alleen vertoeft ge eenige oogenblikken voor den
gedenksteen ter nagedachtenis van den als geleerde en dichter beroemden
Hadrianus Junius, die in deze kerk begraven ligt.--Het was mede een
graftombe, die ons bewoog ook een bezoek te brengen aan de aangrenzende
Nieuwekerk, weleer de Abdijkerk, waarin ook de Roomsch-Koning Willem
II begraven werd. Toch was het niet om een bezoek te brengen aan zijn
graf, dat wij onze schreden richtten naar dit kerkgebouw, dat mede
op zich zelve weinig bezienswaardigs heeft. Ik mocht Middelburg niet
verlaten zonder mijn vriend te hebben geleid naar de graftombe van
twee mannen, wier namen door ieder Nederlander met billijken trots
worden uitgesproken, en die ook voor hun deel--en voorwaar voor geen
gering deel!--hebben bijgedragen om de door grondgebied en bevolking
zoo weinig beteekenende republiek te verheffen tot den rang van een
der eerste mogendheden van Europa. Deze Nieuwekerk bevat namelijk het
praalgraf der gebroeders Jan en Cornelis Evertsen, uit de in het jaar
1834 gesloopte Oude- of Sint-Pieterskerk herwaarts overgebracht.
Hier nadert Evertsen! in 's Lands vergaderzaal,
Alom behangen met der Britten wapenpraal,
Spreekt hij: "O, laat mij de eer, de onschatbre eer verwerven,
"Om voor de vrijheid van mijn vaderland te sterven;
"Vier mijner broederen, en mijn vader, met mijn zoon,
"Zijn, strijdend voor 's Lands regt, gesneuveld! Ook dat loon
"Zij aan mijn dienst vergund, na veertig jaren strijden!
"'k Wil het overschot mijns bloeds aan 't heil van Neerland wijden!"
Hij gaat; beklimt de vloot; knot Englands dwinglandij:--
En als zijn broedren, zoon en vader, sneuvelt hij.
Neen, ik zal niet verder gaan. Ik zie reeds den glimlach, die om
de lippen van den lezer speelt, als hij zich de welbekende regels
herinnert, die nu volgen. Bombast, niet waar? Welnu, ik zal het u niet
tegenspreken; ik zal u zelfs niet betwisten, dat ook in de bovenstaande
regels, hoewel buiten alle vergelijking beter, wel het een en ander
valt af te keuren, dat ook hier meer soberheid geen schade zou doen;
maar toegeven moet ge toch, dat Helmers, toen hij deze verzen schreef,
iets in zijne ziel voelde tintelen van dat echte vuur, dat den dichter
maakt; dat het feit, door hem bezongen, hem aangreep met eene macht,
waarvan wij ons te nauwernood rekenschap kunnen geven. Zou het niet
mogelijk zijn, dat het sterke en overdrevene in zijne uitdrukkingen
ons juist daarom zoo zeer treft, zoo komisch op ons werkt, omdat wij
zooveel armer aan geestdrift zijn geworden, omdat wat hem bezielde
en geheel medesleepte, ons tamelijk koel laat? Toch, zoo ergens
geestdrift geoorloofd is, dan is het wel bij dit monument, dat ons
de herinnering voor den geest roept aan een geslacht van helden, dat
maar voor weinigen behoeft te wijken; een dier kloeke geslachten, uit
den schoot des volks gesproten, die met lijf en bloed de republiek
hielpen grondvesten en voor hare vrijheid, hare eer, haar macht,
alles overhadden; een dier geslachten, wier kortstondige, maar
schitterende bloei, een beeld en type is van de geschiedenis dezer
republiek zelve. Bij de tombe dezer helden staande, mocht ik mijn
vriend verhalen van hunne daden, van de grootsche herinneringen uit
dit schitterende tijdperk onzer geschiedenis, dat zoo luide getuigt
van hetgeen de kracht eens volks, gedragen en bezield door een hooger
beginsel, ook ondanks de ongunst der omstandigheden, vermag.
In weemoedige gedachten--want het vertoeven in dat verleden stemt,
bij vergelijking met het heden, wel tot weemoed--in weemoedige
gedachten wandelen wij verder, en werpen in het voorbijgaan een blik
op de Oost- of Koepelkerk, een inderdaad statig en indrukwekkend
gebouw uit de tweede helft der zeventiende eeuw, in italiaanschen
renaissance-stijl opgetrokken. Doch van kerkbezoek hebben wij nu
voorloopig genoeg; bovendien, er is hier geen enkele, die bijzonder
de aandacht verdient. Vooral voor den vreemdeling, die zoo pas uit
België komt, moeten wij Noord-Nederlanders voorzichtig zijn in het
laten zien onzer kerken. Oude kerken, die inderdaad door hare bouworde
uitmunten, monumenten van kunst zijn, hebben wij maar zeer weinigen:
en die weinigen zijn dan nog in den regel, door hare inrichting
voor eene eeredienst, waarvoor zij volstrekt niet geschikt zijn,
totaal bedorven: het zijn naakte, karakterlooze ruimten geworden,
waarvan ge de bedoeling niet meer begrijpt en waarin ge u niet meer
tehuis gevoelt.
Daarom richten wij liever onze schreden naar de markt, om onze oogen
te verkwikken aan het Stadhuis, een sierlijk en smaakvol gebouw uit
het begin der zestiende eeuw, uit het tijdperk van de flamboyante
gothiek en de renaissance. Ge spaart mij eene uitvoerige beschrijving;
zoo ge het gebouw niet uit eigen aanschouwing kent, zal de afbeelding
op bladz. 16 u een duidelijker en vollediger denkbeeld geven van
het voorkomen van dit stadhuis, dan mijne beschrijving zou kunnen
doen. Daarom slechts enkele opmerkingen. De beelden in de nissen,
vijf-en-twintig in getal, stellen de Graven van Holland en Zeeland
voor, beginnende met Dirk V en eindigende met Karel V. Naar men zegt,
zijn deze beelden vervaardigd door een beeldhouwer uit Mechelen,
die daarvoor f18,-- per stuk ontving. Oorspronkelijk waren zij
gekleurd volgens hun min of meer traditioneel kostuum; doch sedert
is de eeuw van de witkwast aangebroken, en ook deze beelden zijn met
kalk bestreken geworden. Bijzondere kunstwaarde mogen zij wel niet
hebben, maar dit neemt niet weg, dat zij als dekoratie een zeer goed
effect doen in hunne rijk bewerkte nissen en bij al den weelderigen
tooi van dezen sierlijken gevel, die u aan de stadhuizen in sommige
belgische steden denken doet. De hooge spitse gevel ter linkerhand is
de Vleeschhal, waartoe een groote poort toegang geeft. De zonnewijzer
in dien gevel roept u, vermanend en waarschuwend, sprekend naar oud
vaderlijke wijze, toe: "Transeunt et imputantur. Zij (de uren) gaan
voorbij en worden ons toegerekend." De toren prijkt met een uurwerk en
wijzerplaat: onder deze laatste ziet ge twee vergulde, geheel gewapende
en geharnaste ridders te paard, die telkens als het uur slaat, elkander
aanvallen, en elkaar met de lans doorsteken, om dan weer rustig af
te wachten tot een volgend uur het gevecht doet hervatten. Boven de
wijzerplaat bevinden zich twee vergulde voetknechten, die bij het
slaan van ieder half uur, hetzelfde spel vertoonen.
Nog rijker dan Vlissingen, is Middelburg aan schilderachtige huizen
en karakteristieke gevels uit de zeventiende eeuw: modellen van de
eigenaardige burgerlijke architectuur onzer voorouders, die, wat
ze aan klassieke schoonheid ontberen mocht, eenigermate vergoedde
door oorspronkelijkheid. Als een der fraaiste monumenten van dezen
bouwstijl, die zich aan de renaissance aansloot, maar deze wijzigde
naar eigen behoefte en eigen smaak, herinner ik mij eene deftige
woning aan eene der grachten, die vooral om de inwendige decoratie
opmerkelijk is. Als ge de straatdeur open doet, ziet ge voor u een
langen gang, met witte en zwarte marmersteenen bevloerd, en door drie
rijk bewerkte deuren of portieken in vakken verdeeld. Vooral de eerste
portiek, die het ruime voorhuis van den eigenlijken gang afscheidt,
is smaakvol en prachtig, met haar gegroefde zuilen, haar kroonlijst
en rijk beeldhouwwerk van vruchten, bloemen en wapenschilden. De twee
volgende portieken zijn eenvoudiger en minder hoog; vrij doorloopt
de blik den langen gang en dringt door tot in de keuken, waar het
glanzend geschuurde koperwerk tegen den donker geverwden wand u
tegenblinkt. Vooral wanneer uit de diepte van die keuken een warme
zonnestraal in den gang valt, maakt deze woning op den bezoeker geheel
den indruk van een oud-hollandsch binnenhuis, zoo als hij dat zoo
menigmalen op de schilderijen onzer meesters uit de zeventiende eeuw
bewonderd heeft. Ge zoudt u niet verbazen, indien een dezer antieke
deuren zich opende, en daaruit eene deftige matrone te voorschijn
trad in het kostuum uit den tijd van Frederik Hendrik of Willem III:
zoo volkomen heeft deze woning haar oorspronkelijk karakter bewaard.
Tot vroeger tijdperk behoort een ander huis, de Steenrots genaamd,
op de Dwarskade. Dit huis vertoont den zuiveren stijl der vlaamsche
renaissance, en dagteekent uit de laatste jaren der zestiende eeuw:
althans twee schilden in den gevel vertoonen het jaartal 1590. De
benedenverdieping heeft vier hooge boogvensters, die gedeeltelijk
gemoderniseerd zijn. Boven de deur prijken twee geniën van wit
marmer, die blijkbaar door de hand eens echten kunstenaars zijn
vervaardigd. Boven en beneden de kruisramen der eerste verdieping
bevinden zich zeer goed bewaarde bas-reliefs, tafereelen uit de
bijbelsche geschiedenis voorstellende. Ook de versiering van de
bovenste verdieping en van de kroonlijst is zeer opmerkelijk. Geheel
het huis, op bladz. 24 afgebeeld, maakt een zeer eigenaardigen indruk,
en getuigt van den smaak des bouwmeesters.
Onder de eigenaardigheden eener oud-hollandsche stad, die nooit nalaten
de aandacht van den vreemdeling te trekken, behooren natuurlijk ook
de zoogenaamde pothuizen, waarin een schoenlapper, die tevens in den
regel het beroep van kruier uitoefent, over dag zijn verblijf heeft
gevestigd. "Wat moet die man het in dat hokje benauwd hebben", zeide
mijn vriend, toen ik hem beduid had, wat de geheimzinnige kastjes
waren en waartoe ze dienden.--"Toch niet. Zie slechts: het pothuis is
van voren open: de man heeft dus lucht in overvloed, veel meer dan
wanneer hij in eene bedompte kamer zat te werken. Daarbij heeft hij
al wat hij voor zijn handwerk behoeft, vlak bij de hand, en is hij te
ieder stond gereed, wanneer iemand, in zijne dubbele betrekking van
schoenlapper of kruier en boodschaplooper, zijne dienst behoeft. Ja,
neem hem maar eens goed op, want weet: zijn ras sterft uit; er zijn nog
wel enkele pothuizen in onze oude steden, maar hun getal vermindert
voortdurend, en met hen verdwijnen de oude klassieke kruiers en
schoenlappers, die ze bewoonden. De kruiers worden vervangen door de
hedendaagsche bestellers of commissionnairs, die niet in pothuizen
zitten en, als zij geen boodschappen te verrichten hebben, schoenen
lappen, maar den ganschen dag op den hoek eener straat heen en weer
drentelen en het grootste gedeelte van den dag niets uitvoeren. Zoo'n
ouderwetsche kruier in zijn pothuis was de populairste man uit de
geheele buurt, wien zelfs heeren en dames hun vertrouwen schonken,
en wiens nederig pothuis voor de dienstboden uit den omtrek en voor
de straatjeugd een soort van beurs, een vereenigingspunt was, waar
de nieuwtjes van den dag werden uitgewisseld en bepraat, en allerlei
zaken afgehandeld. Geloof mij: voor menige huiselijke revolutie,
voor menige demonstratie in de dienstbodenkamer, werd de grond in het
pothuis gelegd, het ontwerp in het pothuis gesmeed. Ook menige vrijerij
ontkiemde in het pothuis. De pothuizen behooren tot de physionomie
eener oud-hollandsche stad, zoo als rondslenterende policie-agenten en
tegen de hoekhuizen leunende bestellers tot die eener moderne. Daarom,
bezie dat pothuis goed, en bewaar de herinnering in uw geheugen".
Mijn vriend had met aandacht naar mijn vertoog geluisterd, en beloofde,
dat hij het pothuis en zijn bewoner niet vergeten zou. Ik daarentegen
beloofde hem dat, zoo hij met mij naar Amsterdam wilde gaan, zich daar,
ook op dit gebied, een nieuw veld van waarneming voor hem zou opdoen.
Een nog vreemder verschijning voor mijn reismakker was onze hollandsche
aanspreker of bidder, hier nog geheel in zijn eigenaardig kostuum
gedost, met wijden mantel, steek, lamfer en bef. Wij ontmoetten een
paar zulke bidders in de straten van Middelburg; en ik moest mijn
vriend nauwkeurig verslag geven van hunne roeping en den eigenlijken
aard hunner werkzaamheden. De hollandsche lezer schenkt mij die
uitlegging. Op de eigenaardige gebruiken, nog hier en daar op het
platte land in Zeeland, bij gelegenheid van begrafenissen in gebruik,
kom ik later terug.
In ons logement en ook elders hadden wij meermalen hooren spreken van
een der bewoners der stad, die in het vorige jaar zijn honderdsten
verjaardag had gevierd, en nog in het bezit van zijne vermogens en van
een goede gezondheid was. Door tusschenkomst van een mijner bekenden
werd het ons vergund, bij dien ouden heer een bezoek af te leggen,
dat zeker tot mijne aangenaamste herinneringen behoort. De oude heer,
die den 12den April 1772 te Oost-Kapelle geboren was, leefde nu bij
eene dochter in huis, na vijf-en-vijftig jaar lang het beroep van
bakker te hebben uitgeoefend. Op zijn zeventigste jaar of daaromtrent
was hij begonnen te teekenen: vooral kopiëerde hij gaarne zeegezichten
en vrouwenportretten; en hij deed dit, zijn leeftijd in aanmerking
genomen, niet zonder talent. Hij gaf ons zijn portret ten geschenke,
dat ter gelegenheid van zijn honderdsten verjaardag was gemaakt, en
waaronder hij nog met vaste hand zijn naam geteekend had. Toen hij
de kamer binnentrad, waar wij werden ontvangen, beefde hij over zijn
geheele lichaam, maar hij liep nog tamelijk rechtop, en zijn gelaat
zag er nog tamelijk frisch uit, al stonden zijne oogen ook dof. Wij
onderhielden ons een poosje met hem en zijn kleinzoon, die ons zijne
teekeningen liet zien, waarmede de oude man blijkbaar zeer ingenomen
was. Honderd jaar! welk een leeftijd, en wat heeft die man al niet
bijgewoond! Hij heeft eene wereld zien ondergaan, en eene nieuwe
verrijzen: wat mag hij zelf bij al deze aangrijpende gebeurtenissen
der laatste honderd jaren hebben gevoeld en gedacht! Uit den aard der
zaak konden wij niet daarover uitweiden; toch deed het ons goed, toen
wij de zachte weeke hand van den ouden man in de onze drukten, dezen
stillen getuige der vervlogen dagen te hebben gezien.--Naar ik vernomen
heb is hij in April 1874, na eene zeer kortstondige ongesteldheid,
kalm overleden. Wij bieden onzen lezers zijn portret aan.
Na een paar dagen door Middelburg te hebben rondgewandeld, hadden wij
zoo wat alles gezien, wat in de stille deftige hoofdstad van Zeeland
de aandacht van vreemdelingen trekken kan. Ook zij is bezig gaandeweg
haar eigenaardig karakter te verliezen, en te dalen tot den rang eener
kopie op kleine schaal van eene groote stad. De alles nivelleerende,
alles gelijk makende, alles afslijpende eenvormigheidsmanie onzer dagen
is voor kleine steden, als voor kleine volken, bijzonder noodlottig;
zij werpen haar eigenaardig, historisch karakter weg ten einde zoo veel
mogelijk gelijk te worden aan groote metropolen:--met geen ander gevolg
dan dat zij verliezen wat haar bekoorlijk en eerbiedwaardig maakt,
zonder te verwerven wat haar, uit een ander oogpunt, belangwekkend
zou kunnen maken. Zoo worden de steden van den tweeden en lageren
rang eenvoudig kopieën, miniatuur-uitgaven der groote hoofdsteden:
kopieën, waar niemand naar omziet, en die alle aantrekkelijkheid
verloren hebben voor wie het origineel kent. Middelburg heeft dat
stadium van averechtsche ontwikkeling nog niet ten volle bereikt,
maar bevindt zich toch onmiskenbaar op den weg, die daarheen voert:
en het staat te voorzien, dat de versnelde en verbeterde middelen
van gemeenschap, die thans te harer beschikking zijn gesteld, en die
de stad uit hare betrekkelijke afzondering zullen helpen om haar op
te nemen in den kring van het algemeen verkeer, er ruimschoots toe
zullen bijdragen om den voortgang op dien weg te bevorderen. Ook van
haar moet de vreemdeling de herinnering medenemen, want als hij haar
weerziet, zal hij ze veranderd vinden.