III.

Tusschen Vlissingen en Middelburg reden vroeger een soort van wagens,

zeer veel overeenkomende met de in Holland welbekende snorwagens,

maar die hier den eigenaardigen naam droegen van pietjeswagens,

of ook wel bij verkorting pieten. Zij ontleenden dien naam aan de

bijzonderheid, dat de vracht voor vier personen niet meer dan een

pietje, zes-en-een-halve stuiver, bedroeg. Zeker goedkoop genoeg. Nu,

de wagens maakten ook geen aanspraak op bijzondere sierlijkheid; vrees

voor op hol gaan, behoefden de passagiers ook niet te koesteren, want

de eerwaardige paarden, voor deze pietjeswagens gespannen, waren hun

laatste stadium van bruikbaarheid sinds lang ingetreden. De pietjes

en de pietjeswagens zijn beiden verdwenen; de eersten zijn opgeruimd

bij de hervorming van het muntstelsel; de anderen hebben moeten wijken

voor meer moderne vervoermiddelen, omnibussen en spoorwegen.

Gij zult het wel begrijpelijk vinden, dat wij, op dien fraaien

zomerdag, de voorkeur gaven aan eene wandeling boven welk antiek of

modern vervoermiddel ook. Alzoo, de reistasch omgehangen, den trouwen

stok ter hand genomen, en dan op weg.

De trouwe stok? Wel zeker; verwondert u dat epitheton? Hebt ge nimmer

een voetreis gedaan, en voeldet ge dan niet eene zekere gehechtheid,

die met den dag toenam, voor het valies, dat uw sobere bagage bevatte,

voor den stok, die u schraagde en steunde, en bij het beklimmen van

steile bergpaden van zoo groote dienst was? Was het u niet, terwijl ge

eenzaam, in een onbekende streek, uwen weg vervolgdet, of dat valies,

die stok, oude bekenden, vrienden waren, die voor u het zoet te-huis,

met al zijne herinneringen vertegenwoordigden, en in het vreemde

land u de eenzaamheid minder eenzaam maakten? En wanneer die stok,

ten gevolge van veelvuldige diensten, eindelijk onbruikbaar begon te

worden, zaagt ge dan niet met smart het oogenblik naderen, waarop ge

hem door een anderen zoudt moeten vervangen; en wanneer dan eindelijk,

na lang uitstel, dat oogenblik gekomen was, als ge volstrektelijk

van hem scheiden moest,--wel, is het u dan nooit overkomen, dat

ge in de struiken ergens een plekje zocht, waar ge dien makker,

dien ge hadt leeren waardeeren, ter ruste legdet, liever dan hem

eenvoudig op den openbaren weg weg te werpen? Begrijpt ge daar niets

van; niets van de liefde van den werkman voor zijn gereedschap, van

den soldaat voor zijn wapen, van den jager voor zijn geweer; niets

van de liefde voor huisraad, kleedingstukken of versierselen... ja,

dan zal ik maar niet beproeven, mijn epitheton van trouw, aan mijn

stok toegekend, te verdedigen.--Overigens, ik moet het erkennen,

is dat gevoel, waarvan ik sprak, zeer bepaald ouderwetsch, en der

verdwijning nabij. In trouwe, hoe zal men zich ook, in deze eeuw

van stoom en fabriekmatige voortbrenging op groote schaal, aan eenig

voorwerp kunnen hechten? Vooreerst zijn die voorwerpen niet bestemd

om te duren: zij zijn op niets anders aangelegd dan op de behoefte,

den smaak, de gril van 't oogenblik: wijzigen zich die--en zij doen

dat telkens--dan verliezen ook de voorwerpen zelven hunne waarde,

en worden, voor een korte poos, door anderen vervangen, die weer even

snel verdwijnen. Kleedingstukken, die van vader op zoon, van moeder

op dochter, overgaan, dikwerf drie of vier geslachten achtereen;

meubelen, die eeuwen lang de huiskamer versieren: waar zijn ze nog

te vinden? En hoe wilt ge, dat de mensch zich hechten zal aan deze

vluchtige dingen, die hij heden in gebruik neemt, om ze morgen

als onbruikbaar of uit de mode weer ter zijde te zetten? Maar er

is voor deze onverschilligheid omtrent de onbezielde voorwerpen

onzer omgeving nog een dieper liggende oorzaak. Vroeger droeg

ieder voorwerp, ieder meubel, elk stuk huisraad of gereedschap,

een eigenaardigen stempel, had eene eigene geschiedenis; elk daarvan

was het gewrocht van een denkend hoofd, van eene kunstvaardige hand,

die niet hadden kunnen nalaten, het merk der oorspronkelijkheid in

hare schepping af te drukken, aan elk voorwerp, ook aan het minst

beteekenende, eene eigene physionomie te geven. Daar leefde een

ziel in al deze schijnbaar ziellooze dingen: en deze ziel was het,

die den bezitter of gebruiker aantrok, die, onbewust, in zijn eigen

gemoed diep verborgen snaren trillen deed, en hem het voorwerp zelf

lief deed krijgen. Zie, dat alles is verloren, en reddeloos verloren

gegaan, sedert de fabrikage den handenarbeid heeft vervangen, sedert de

machine--de inderdaad geest- en ziellooze--den mensch, den kunstenaar,

heeft verdrongen. Gezwegen nog van de wezenlijke kunstwaarde, die toch

onafscheidelijk is van vinding en inspiratie, van individualiteit in

één woord;--welk, ja, laat ik zeggen geestelijk, karakter kunnen zij

nog hebben, die voorzeker onberispelijk afgewerkte voorwerpen, die,

onderling allen volmaakt gelijk, door eene met de regelmatigheid

van het noodlot werkende machine, met volslagen onverschilligheid,

bij duizenden tegelijk worden voortgebracht? Hoe zullen zij tot ons

gemoed kunnen spreken, zij, aan wier vervaardiging geest noch gemoed

het allergeringste aandeel had? Ziet ge, dat is mede een van de vele

manieren, waarop de moderne industrie de poëzie des levens ondermijnt

en vernietigt; naar ik vreeze, niet zonder groote schade voor ons

zelven en die na ons komen zullen. Is het onmiskenbare comfort,

dat ze ons in ruil geeft, voldoende vergoeding voor dit groote gemis?

Maar ik zou vergeten, dat wij op weg zijn van Vlissingen naar

Oost-Souburg; en dat het u waarschijnlijk verdrieten zou, op dezen

heerlijken, zonnigen, geurigen Meimorgen, terwijl alles rondom ons

leven en lust en vroolijkheid ademt, naar zulke sombere overdenkingen

te luisteren. Vergeef mijne zwakheid: de oude tijd trekt mij machtig

aan.--Doch nu, laat uw blikken dwalen over deze welige weiden en

velden, in de verte door de blinkend witte toppen der duinen begrensd;

adem de frissche lucht in, die u hier van alle kanten tegenstroomt,

nog doortrokken van de krachtige geuren der zee. Langs den breeden,

met fraaie boomen beplanten straatweg, ziet ge meest nieuwerwetsche

buitenhuizen, villa's en cottages, in allerlei bouwstijl, en door

sierlijk aangelegde tuinen omringd. Ginds, op het veld, arbeiden

mannen en vrouwen: krachtige, kloeke figuren, waarop ge uw oog met

welgevallen laat rusten. Beklaag hen niet, al is nu, vooral in dezen

tijd, hun dagtaak zwaar; al moeten zij, in den meest letterlijken zin

des woords, in het zweet huns aanschijns hun brood eten. O, duizendmaal

beter deze arbeid in de vrije natuur, onder Gods wijden hemel, op

het spijze voortbrengende veld, dan die in de dompige fabriek, met

honderden soms opgesloten te midden van een half verpesten dampkring,

van helsch geraas, veroordeeld de onzelfstandige dienaars te zijn

van stoom en machines. Beklaag ze niet: de veldarbeid, die het brood

uit de aarde doet ontspruiten, is de oudste en eerwaardigste, is nog

altijd, voor lichaam en ziel, in menig opzicht de gezondste.

Treden wij even die hoeve daar binnen, wier groen en rood geschilderde

luiken zoo scherp afsteken tegen den witten muur, waarop de zorgvuldig

besnoeide, langs latten geleide linden hun schaduw werpen. Een aardige,

vriendelijke groep, niet waar, die oude man aandachtig in den Bijbel

lezende; die jonge vrouw, met het kind op haar schoot; terwijl de

echtgenoot en vader, ook hij in de eerste kracht des levens, met zijn

eerstgeboorne speelt. Door de boomen heen dringen de zonnestralen

in het stille rustige vertrek, en spreiden een warmen gloed over de

eenvoudige bruin-houten meubelen, over den wit gepleisterden muur,

waartegen de welbekende friesche klok hangt, wier eentonig getik zoo

uitnemend bij dit kalme binnenhuis-tafreeltje past.

Wij toeven even op den drempel: mijn vriend had schik in dit tooneel,

in dit hollandsch binnenhuisje, dus op 't leven betrapt. Zoodra men

ons gewaar werd, en althans een onzer als landgenoot was erkend,

werd ons aanstonds een stoel aangeboden, waarvan wij gebruik maakten

om met deze goede menschen--welgestelde landlieden--een poosje te

praten. Van hen vernamen wij ook, waarom het op den straatweg zoo

bijzonder druk was: het was kermis te Oost-Souburg.

Het duurde niet lang, of wij werden dit ook aan andere teekenen

gewaar. Uit de verte klonk ons dat eigenaardig dof gerucht tegen,

waaraan eene groote woelige menigte reeds van verre kenbaar is; en

daar boven uit vernamen wij gezang en geschreeuw, tromgeroffel en

trompetgeschal, een onharmonische mengeling van allerlei verwarde

geluiden.... Nog eenige schreden, en wij staan midden op de kermis.

Wij bevinden ons op een ruim plein met statige lindeboomen beplant,

en uitloopende in eene lange, vrij breede straat, ter wederzijde

omzoomd door kleine steenen huizen, met groen geverfde deuren en witte

kozijnen, netjes en welvarend van voorkomen. Trouwens Oost-Souburg

is een vrij aanzienlijk dorp, dat nog tegenwoordig zijn rang ophoudt,

al heeft het heugenis van oude dagen. Was het niet, in vroeger eeuw,

beroemd om het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, in een nis

van den toren geplaatst, en waarheen de bedevaartgangers uit het

geheele land van Walcheren opgingen om van hunne kwalen genezen te

worden? De beeldenstorm wierp het beeld ter aarde, en liet alleen de

ledige nis; Oost-Souburg is geen heilige plaats meer, maar het heeft

nog veel van zijn oude welvaart, van zijn oud aanzien behouden.

Een aardig tafreel. Ter wederzijde van het ruime plein staan

breedgetakte, bloeiende linden, die de lucht met de geuren hunner

welriekende bloesems vervullen; on daaronder staan een aantal karren

en wagens, opzichtig rood en groen geschilderd, en met witte huiven

overdekt. Langs den rand zijn, bij wijze van slingers, kleurige

zijden doeken opgehangen. In de wagens, onder de witte huiven, zitten

jongelieden van beiderlei kunne. De jonkmans dragen ronde hoeden,

deels met zeer smalle, deels met zeer breede omgeslagen randen;

de laatsten, waaraan ge de boeren uit het Nieuwland herkennen

kunt, prijken meestal met een breed fluweelen lint met bloemen

gestikt. Om den hals dragen zij een doek van sterksprekende kleur;

aan hun hemdsboord prijken twee groote gouden of althans vergulde,

opengewerkte knoopen. Voorts bestaat hunne kleeding uit een buis,

rok of kortrok genaamd, met een opstaand kraagje van pluis, en een

korten broek van zwart fluweel, waarvan de band met twee of ook wel

vier groote opengewerkte zilveren platen, broekstikken geheeten, is

versierd. De hemd- of borstrok is doorgaans scharlakenrood, met groote

blauwe, gele of paarse bloemen bewerkt, en voorzien met eene menigte

zilveren knoopen, wel twintig in getal. De plompe, van voren zeer

breed uitloopende schoenen behoeven slechts groote strikken, om u aan

het schoeisel van voor twee- of driehonderd jaren te herinneren. Uit

den rechter broekzak steekt vaak het zilveren of hartshoornen heft van

een groot mes, dat gebruikt wordt om vleesch of brood mede te snijden,

maar ook somwijlen een gevaarlijk wapen wordt. Zelfs kleine jongens,

wier kleeding overigens geheel op die hunner ouders gelijkt, dragen

zulke messen, natuurlijk van geringer afmetingen en eenvoudiger vorm,

bij zich.

Al de jonge dochters, uitgezonderd die in den rouw zijn, dragen een

witten strooien hoed, die een weinig naar voren staat; van achteren is

de rand van dien hoed versierd met een strook van blauw geplooid lint;

lange linten van dezelfde kleur hangen op den rug; onder de kin wordt

de hoed vastgestrikt met veelkleurige linten, die door een gouden

haak worden saamgehouden. Van het haar ziet ge weinig of niets. Maar

wat natuurlijk in de eerste plaats de aandacht van mijn vriend trok,

was het hoofdtooisel dezer vrouwen en meisjes, want zoo iets ziet

men, geloof ik, buiten Nederland bijna nergens. Op de zeeuwsche

eilanden is, althans op het platteland, het dragen van oorijzers

nog vrij algemeen in zwang. Die oorijzers zijn hier, op Walcheren,

van zilver, en van voren ter wederzijde voorzien van kleine gouden

spilvormige krulletjes, waarin groote gouden spelden met vrij zware

knoppen steken. Bovendien is zeer dikwijls aan het oorijzer nog een

zoogenaamde hoofd- of voornaald van geciseleerd goud bevestigd, die

dwars over het voorhoofd loopt: bij de jonge meisjes van rechts naar

links, bij de getrouwde vrouwen van links naar rechts. Voeg daar nu

bij een paar groote gouden oorbellen, en een bloedkoralen ketting van

drie of vier snoeren met een groot gouden of juweelen slot: en ge zult

mij toegeven dat zulk een hoofdtooisel, gezwegen nog van de soms zeer

fraaie kanten muts, voor 't minst kostbaar genoeg is, al mag het ook,

naar mijn smaak, geen aanspraak op bevalligheid maken. Gelukkig dat er

onder deze walcherensche boerinnetjes velen zijn, wier fijn besneden

gezichtjes, blozende van gezondheid en levenslust, u met ieder kapsel

kunnen verzoenen, dat zoo lief gelaat omlijst.

Het jak of dusgenaamde manteltje, van glanzend blauwe, zwarte of bruine

zijde, met fluweel omboord en met korte mouwen, is van voren zeer laag

uitgesneden. De borst is bedekt met een kanten doek, over een blauwe of

rooskleurige stof geplooid, en versierd met twee of drie strikken van

veelkleurig lint. Tusschen dezen borstlap, waarvan de technische naam

mij ontschoten is, en den zoom van het manteltje, prijkt een zijden

doek met breede plooien en van zeer schitterende kleur. De gegoede

vrouwen en meisjes dragen tot zes en zeven rokken over elkander;

de bovenste rok is altijd donkerkleurig en van onderen met fluweel

omboord. Over dien rok wordt de schorte of boezelaar gedragen, die

dikwijls van blauwe zijde is en met violette linten wordt vastgestrikt.

Bij feestelijke gelegenheden als deze, dragen nog enkele vermogende

vrouwen en meisjes den antieken beugeltasch van zwart fluweel met

massief zilveren slot, doorgaans aan een ketting van hetzelfde metaal

hangende. In dien tasch hebben zij fraai bewerkte zilveren reuk-

en pepermuntdoosjes, en verder eenig geld. Ook hangt nog dikwijls,

onder de schorte, mede aan een zilveren ketting, een groote zilveren

schaar. De vingers der rechterhand zijn, bij de meisjes, overladen

met gouden ringen, waaronder enkelen, die met groote kostbare steenen

prijken en zeer fijn bewerkt zijn. De getrouwde vrouwen dragen alleen

haar trouwring. De schoenen zijn voorzien van gespen, wier vorm en

grootte niet alleen op de verschillende eilanden, maar zelfs op de

verschillende dorpen, anders is.

Denk u nu deze bonte, kleurige groepen, schilderachtig omlijst door

de witte huiven der wagens, en nu en dan plotseling verlicht door een

dartelen zonnestraal, die door het gebladerte der linde heenschiet,

en weerspiegelt in de hoofdnaalden, in de gouden en zilveren knoopen

en gespen, die over de zijde en het fluweel een glanzigen weerschijn

doet spelen, en der kleurenmengeling warmer tinten geeft; denk u

de frissche blozende gezichten en krachtige slanke gestalten dezer

jonge lieden, typen vaak van mannelijke kracht en vrouwelijk schoon,

met hunne fijn besneden sprekende trekken, hunne donker bruine of

helder blauwe oogen, stralende van gezondheid en levenslust:--en ge

zult u wel kunnen begrijpen, dat wij met welgevallen dit levendig,

schilderachtig tooneel beschouwden, waar telkens nieuwe beelden onze

aandacht vorderden, nieuwe schakeeringen, nieuwe tegenstellingen van

licht en bruin, onze bewondering opwekten.

Welk een drukte en gewoel om ons heen! Caroussels, koek- en

wafelkramen, uitstallingen van allerlei aard, enkele kleine spellen,

waar koorddansers of goochelaars hunne kunsten vertoonen, of vreemde

zonderling misvormde schepsels zijn te zien, of wel panorama's van

verre landen en steden worden vertoond. Een bijna oorverdoovend

gerucht van trommels en trompetten, van fluitjes en draaiorgels,

van joelende, zingende, schreeuwende stemmen. En dat alles loopt en

warrelt en krioelt door elkander, in verbijsterende kleurenmengeling,

tusschen de tenten en kramen, onder de kalme, lommerrijke boomen,

over het ruime, zonnige plein. Onophoudelijk rijden de karren en

wagens af en aan, want niet altijd stappen de bezoekers af om

op de kermis te vertoeven. Velen, vooral die van elders komen,

blijven in hun wagen zitten en vergenoegen zich met een kijkje te

nemen. Anderen gaan de druk bezochte herbergen binnen, waaruit een

verward gerucht van muziek en gezang en door elkander pratende stemmen

ons tegenklinkt. Wij treden even een dier herbergen binnen. Op een

kleine verhevenheid--waarschijnlijk een plank over een paar vaten

gelegd,--zitten drie muziekanten, waarvan twee op half ontstemde violen

krassen, en een derde aan een aamborstige fluit melankolieke tonen

ontlokt. Eenige jeugdige paren dansen op deze muziek,--in de stampvolle

gelagkamer, in een bijkans verstikkende atmospheer van tabaksrook,

jenever en likeur, op een warmen zomerdag! Maar zie, daar voor op de

bank: wat aardige groep. Een krachtig gebouwde, welgemaakte jonkman,

in zijn fraaiste pak uitgedost, biedt, half knielend, zijn meisje een

glas wijn aan. De manier, waarop hij dit doet, is zeer bijzonder. Hij

houdt den voet van het ten boorde gevulde glas in den mond, en zij

drinkt er zoo uit, zonder van den wijn te storten. Zij is mede eene

mooie, flinke, blonde boerendeern, met heldere oogen, blozende wangen

en een schalk lachenden mond. De groep is geestig en teekenachtig

genoeg, om in het schetsboek van mijn reisgenoot te worden bewaard.

Welk eene treurige figuur maakten, te midden van deze vroolijke,

krachtige, levenslustige landelijke bevolking, in haar bonte, kleurige,

schilderachtige kleederdracht, eenige eerzame burgerluidjes van

Middelburg, met hunne lange, ouderwetsche jassen, hunne vaal-bleeke

melankolieke gezichten, waarop de verveling en bekrompenheid van het

klein-steedsche leven staan afgeteekend; met hunne doffe, glanslooze

oogen en linksche bewegingen. Blijkbaar gevoelen zij zich hier,

te midden van dit frissche, overvloeiende leven, niet op hun gemak,

en trekt hun hart weder naar de stad, naar hun dompig kantoor of hun

muffen winkel, waarin zij tot dusver hun leven verdroomden, tot ze

zelven suf werden.

Wat de boeren en boerinnen betreft, zij zijn inderdaad een schoon

en krachtig menschenras. Slank, welgebouwd, mager, gespierd, kalm

en rustig, hebben zij over het algemeen iets gedistingeerds in hun

voorkomen, dat ge bij hunne standgenooten in andere streken van ons

vaderland vaak te vergeefs zoeken zoudt. Hun type herinnert zeer

duidelijk aan hun oorsprong uit friesch of saksisch bloed, vooral het

meestal smalle, scherp geteekende gelaat, met den sterk uitkomenden

neus, de groote oogen en den fijn besneden mond. Menigmaal zoudt ge

meenen Engelschen voor u te zien. Ook de vrouwen hebben dien fijnen

blanken tint, die heldere, sprekende blauwe oogen, harer britsche

zusters eigen. Zij zijn vroolijk en opgeruimd van aard, en ontzien

zich niet, hardop te lachen. Misschien weten zij ook wel, dat zulk een

lach haar fraaie witte tanden op het voordeeligst doet uitkomen. Deze

vroolijke, levenslustige zin doet overigens harer degelijkheid geen

afbreuk, de zeeuwsche boerin, huisvrouw en moeder geworden, zal geen

harer plichten verzuimen, of in ijver en werkzaamheid onderdoen voor

hare misschien ietwat stijver en stemmiger zusteren in de noordelijke

provinciën. Overigens staat het met deze stemmigheid en deftigheid,

dezen onverstoorbaren flegmatischen ernst, die zoo vaak ons volk als

een verwijt voor de voeten wordt geworpen, inderdaad toch niet zoo

erg geschapen, als men somtijds wel meent. Onze vaderen wisten zeer

goed vroolijk te zijn en het leven te genieten: ge behoeft slechts

hunne portretten op onze regentenstukken en schuttersmaaltijden aan

te zien, om ten volle overtuigd te worden, zoo ge het niet reeds van

elders wist, dat deze kloeke mannen in het minst geen asceten waren,

en de dooding des vleesches juist niet het hoofddoel van hun streven

was. Ongetwijfeld heeft het strenge Calvinisme over ons volksleven

een zekeren tint van stroeven ernst en afgekeerdheid van de wereld

verspreid, aan de uiterlijke vormen van ons dagelijksch verkeer zekere

stijfheid en afgemetenheid gegeven: maar, op den keper beschouwd,

gold dit toch altijd maar van zekere kringen, en op verre na niet

van het algemeen. De voortdurende klachten en beschuldigingen der

predikanten over zedeloosheid en losbandigheid, behoeft men zeker

niet naar de letter op te vatten: maar zooveel blijkt er toch uit, dat

ook zij, die zoo vaak als oppermachtige toongevers worden beschouwd,

hun ideaal schier in geen enkel opzicht verwezenlijkt vonden; en dat

hunne klachten en beschuldigingen, hunne vermaningen en bedreigingen

weinig baatten, weten wij niet alleen uit hunne eigene getuigenis,

maar ook uit die van anderen. Het hapert ons volk niet zoo zeer aan

vroolijkheid en levenslust, maar wel aan dien fijneren takt, aan dat

ingeschapen gevoel voor het betamelijke, het welstaande en schoone, dat

ook te midden van vroolijkheid en lust de rechte maat weet te houden,

en de grenzen van het welvoegelijke niet overschrijdt. En zou het niet

juist het instinktmatig bewustzijn van dat gemis zijn, het gevoel

dat men, toegevende aan de natuurlijke aandrift tot vroolijkheid,

aanstonds gevaar loopt de perken te buiten te gaan en tot woeste

losbandigheid over te slaan;--zou het niet juist die overtuiging zijn,

die zoo menigmaal een onnatuurlijk zelfbedwang in het leven roept, eene

stroeve terughouding, eene linksche stijfheid, welke zoo dikwijls voor

deftigen ernst doorgaat en daar ook wel voor wil aangezien worden? Wie

zich de vormen der fijne beschaving niet eigen weet te maken, zoekt

wel meermalen zijn toevlucht in opzettelijke lompheid, die dan voor

onafhankelijkheid van karakter gelden moet. Waaraan nu dat gebrek

in ons volkskarakter is toe te schrijven? Ja, waarschijnlijk aan

zeer verschillende oorzaken. Ik wil er slechts twee noemen, die,

naar mijn inzien, daartoe krachtig hebben medegewerkt. Vooreerst,

de heerschappij eener kerk, die bijna alle uitspanning en vermaak

veroordeelde, althans zich ganschelijk daar buiten hield, en juist

daardoor allen veredelenden invloed op deze uiting van het volksleven

verloor. En ten andere, het gemis van eene echte aristokratie, van een

schitterend hof, die een leerschool van beschaafde vormen en hoogere

esthetische ontwikkeling konden zijn en dit elders ook inderdaad waren.

Maar wij dwalen af, en zouden wederom vergeten dat wij ons nog steeds

te Oost-Souburg op de kermis bevinden. Trouwens, hetgeen wij om

ons zien, is niet zoo geheel vreemd aan deze overdenkingen.--Ik heb

daareven gepoogd, u de kleederdracht der feestvierende landlieden te

beschrijven, en te doen gevoelen hoezeer juist die bonte, veelkleurige

kostumen, hoe onbevallig zo soms ook mogen zijn, aan geheel het tooneel

een eigenaardig schilderachtig karakter geven; hoe ge juist daaraan

dat betooverend spel van kleuren en tinten, van licht en bruin dankt,

dat het oog van den kunstenaar verrukt. Maar ik had daarbij moeten

voegen, dat ook hier in Zeeland, dit nationale kostuum een harden kamp

te voeren heeft met de steeds verder en verder doordringende mode,

wier hoogste ideaal de algemeene eenvormigheid is. Voorzeker zal het

nog een geruime tijd duren, eer de zeeuwsche boer zijne trouwens reeds

eenigermate gewijzigde, voorvaderlijke kleeding verwisselt voor die

van den stedeling; eer de boerin haar oorijzer en hoofdnaald, haar

kanten muts en strooien hoed, haar laag uitgesneden jak en kanten

borstlap aflegt, om de uitzinnigheden van het moderne dames-toilet

na te volgen. Maar toch, de strijd is begonnen: en in de grootere

steden, onder de aanzienlijke en gegoede standen, is het nationaal

kostuum reeds vergeten; ja ook op het land is eene zekere zucht tot

afwijking van de traditioneele kleeding merkbaar, vooral in de gehalte

en keuze der stoffen. En wanneer deze beweging eenmaal begonnen is,

kan ze sneller om zich grijpen, dan men vermoedt; vooral nu Zeeland

in meer rechtstreeksche gemeenschap is gebracht met andere gewesten

en landen, nu de bevolking meer in aanraking met vreemden zal komen,

en de stijgende welvaart ook hier in de zeden en denk- en levenswijze

eene verandering zal te weeg brengen, die het vasthouden aan oude

vormen en overgeleverde gebruiken weldra onmogelijk zal maken. Zoo zal

waarschijnlijk ook hier, na korter of langer tijd, de lokale kleur,

de individualiteit en oorspronkelijkheid, verdwijnen en opgelost

worden in het eenvormige eenerlei, dat wel de vloek van onze moderne

beschaving mag heeten. Gelukkig daarom, dat het ons nog gegund is,

dit nationale leven in zijne oorspronkelijke vormen en uitingen te

bespieden en te waardeeren; wie weet hoe spoedig dit alles, als

zooveel schoons en voortreffelijks, tot de herinneringen van een

onherroepelijk verleden zal behooren!

Oost-Souburg, halverwege tusschen Middelburg en Vlissingen gelegen,

behoorde vroeger met het dorp West-Souburg tot de aloude heerlijkheid

van Souburg, waarvan reeds in de registers der utrechtsche kerk

melding wordt gemaakt, en die haar naam schonk aan een eigen geslacht

van edellieden, de Heeren van Souburch, wier naam een en andermaal

in de zeeuwsche geschiedenis wordt genoemd. Later in handen gekomen

van het aanzienlijke, wijdvertakte geslacht der Van Borsselens, ging

de heerlijkheid, in het laatst der vijftiende eeuw, over in handen

van de Heeren van Bourgondië, afstammelingen van een natuurlijken

zoon van Hertog Filips van Bourgondië. Het kasteel van Souburg

herbergde toen meermaals vorstelijke bezoekers binnen zijne wanden. De

jeugdige Aartshertog Karel van Oostenrijk vertoefde er in 1515; en

een-en-veertig jaren later verscheen er nogmaals dezelfde Karel, de

wijdberoemde, geduchte Keizer, der wereld en des levens moede, zijne

kroon afleggende, om in een klooster althans eenigermate de rust te

vinden, die hij in zijn woelig leven zoo weinig had gekend. Den 6den

September 1556 teekende hij, op den huize Souburg, zijne laatste

"Ordonnantie op 't poinct van de Religie", en den volgenden dag,

nadat hij de hoop om ook de keizerlijke kroon op het hoofd van

zijn zoon Filips te plaatsen, had moeten opgeven, bekrachtigde hij

de acte, waarbij hij de waardigheid van duitsch Keizer overdroeg

aan zijn broeder Ferdinand, den Roomsch-Koning. De Souburg was des

Keizers laatste herberg op nederlandschen bodem. Eenige jaren later,

in 1575, ging de heerlijkheid over in handen van Filips van Marnix,

Heer van Sint-Aldegonde, die aan het kasteel een nieuwen luister

schonk. Zijn naam is het, die nog steeds in de herinnering voortleeft,

waar van den Souburg wordt gesproken. Op de oud-adellijke huizinge

woonde hij, als een vader onder zijne kinderen, nadat de val van

Antwerpen hem de zoo lang genoten populariteit en zijne plaats in de

regeering, voor een tijd althans, verliezen deed. Hier arbeidde hij

aan zijne verklaringen van den Bijbel, aan zijne voortreffelijke,

te zeer miskende psalmberijming; hier sleet hij eenige jaren in

rust en vreedzame studiën, tot hij straks wederom geroepen werd het

staatstooneel te betreden. En de oude man, schoon door tegenwerking en

miskenning en velerlei ondank gekrenkt, door huiselijk leed gebogen,

weigerde niet, de welverdiende rust te verlaten om te gaan, werwaarts

zijn plicht hem riep. Voor hem was ze eene ernstige waarheid, die

verheffende en wederom zoo weemoedige spreuk: Repos ailleurs.

Het oude kasteel overleefde nog bijkans twee eeuwen zijn beroemden

eigenaar, den vriend en medestrijder van Oranje, den dichter van

't Wilhelmuslied, den innig vromen Christen, wiens naam in onze

dagen zoo vaak, als eene krijgsleuze, wordt misbruikt door mannen,

wier beginselen lijnrecht tegen de zijne overstaan, en van wie de edele

held zelf, had hij ze gekend, zich ongetwijfeld met zekeren weemoed zou

hebben afgewend. Maar het is, of met zijn dood ook de belangrijkheid

van den ouden ridderburcht zelf verdwijnt; het kasteel gaat over van

de eene hand in de andere, tot het eindelijk in 1781 werd afgebroken

en tot den grond gesloopt. Thans is er van deze edele huizinge niets

meer over; en ook het weleer zoo aanzienlijke dorp West-Souburg, aan de

andere zijde van het kanaal naar Middelburg gelegen, is thans weinig

meer dan een armzalig gehucht. De weleer zoo schoone kerk, met vele

altaren en praalgraven en gedenksteenen versierd, door Marnix hersteld

en waarin zijn lijk ter ruste werd gelegd, werd in 1833 voor afbraak

verkocht. Zoo is ook deze grootheid van het verleden ondergegaan:

het adellijk kasteel, waar eenmaal Keizer Karel toefde, de kerk,

waar de edele heeren van Souburg bij hunne vaderen werden bijgezet,

ze zijn beiden verdwenen.

Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 4 / 16 题