De minister zette zijn gouden lorgnet op, verbrak het omslag, en een
klein stofwolkje vloog in de hoogte.
"Hier staat het volgnummer.... uw eigen schrift," zeide de minister
tot den secretaris en hij voegde er bij, "collationeer het volgnummer."
De kleine man liep zoo haastig weg alsof het volgnummer hem in de
beenen was geslagen, maar vóór hij nog tijd had gehad de protocollen
voor den dag te halen, werd hij door den minister op een toon, die
weinig goeds voorspelde, teruggeroepen. Deze had ter nauwernood een
paar regels van het verzoekschrift gelezen, of riep uit: "maar hoe
zijn die stukken in ons Departement gekomen?"
Toen de secretaris terugkwam, zette de minister den langen, blanken
wijsvinger zoo stijf onder een woord van den inhoud, dat zijn nagel
een diep spoor achterliet: "Wat staat hier? Hier staat: Eigendommen
tot de kerk behoorende."
"Bisdom Kristiansand," zeide Njaedel, die met gespannen aandacht
toehoorde.
"Aldus behoort deze zaak in het Departement van Eeredienst te huis
en niet hier," hervatte de minister op hoogen toon.
"Ja maar, ja maar," begon de secretaris: "ik herinner mij nu niet meer,
neen werkelijk ik herinner het mij niet meer, maar misschien heb ik
destijds gevonden, dat het onderwerp van den twist van zoodanigen
aard was, dat....."
"Het onderwerp van den twist," viel de minister met strengen toon in,
"hier is geen sprake van het onderwerp van den twist, maar wel van eene
goede Departementale orde, en volgens deze, behooren alle zaken, die
betrekking op vroegere geestelijke goederen hebben in het Departement
van Eeredienst te huis. Dit is een oude bekende regel, met welken,
naar het mij voorkomt, de secretaris bekend moest zijn. Mo.... ga
dadelijk met deze stukken naar het Departement van Eeredienst."
De minister overhandigde in zijne meest eerbiedwekkende houding aan Mo
de stukken. Alle ambtenaars, die getuige van de zaak waren geweest,
verdwenen weder in hunne afdeelingen, en de secretaris zette zich
geheel en al vernietigd op zijne plaats en tuurde op de volgnummers.
Njaedel had geen oogenblik de stukken uit het oog verloren, en toen
zijn broeder er mede verdween, riep hij uit: "Wie had gelijk?"
"Ja, mijn goede man," antwoordde de minister, "dat kan ik u niet
zeggen, doch men zal u, zoo gij na eenigen tijd bij dat Departement
er naar vraagt, zeker de noodige inlichtingen dienaangaande
geven. Vaartwel heeren--vaartwel, het was mij een groot genoegen u
van dienst te zijn."
Hierop schoof hij hen beleefd de deur uit en draaide den sleutel om.
Alles schemerde Njaedel voor de oogen; nu begreep hij er niets meer
van; de opperloods kookte meer en meer van woede. Nu maakte Mortensen,
toen de twee vrienden zijn kamer passeerden een deftige buiging,
waarop de opperloods die anders zoo goedhartig van karakter was,
zijne drift, die bijna tot razernij was gestegen, niet langer meester
bleef. Hij greep een flesch met inkt, die in een vensterbank stond,
en wierp haar met alle kracht naar het hoofd van Mortensen.
De Redacteur boog schielijk op zijde, waardoor de flesch tegen den
muur achter zijnen lessenaar te recht kwam en in duizend stukjes
brak. Weer ontstond er groote verwarring in de aangrenzende kamers,
waarin de opperloods en Njaedel zich haastten de trappen af te komen.
De schrik over deze ongehoorde handelwijze was zoo groot, dat niemand
er aan dacht de misdadigers te vervolgen. Terwijl zich al meer en
meer heeren van het departement om de groote inktvlek verzamelden,
waaruit zwarte stralen naar alle richtingen schoten, voerde Hiorth met
zich zelf een inwendigen strijd: zou hij, hetgeen hij op de tong had,
zeggen of niet? Hij was er niet geheel zeker van of de opmerking,
die hij wilde maken, als eene geestigheid, of wel als eene groote
flauwiteit zou beschouwd worden, want in zake geestigheid had hij
bittere teleurstellingen ondervonden. Eindelijk verzamelde hij al
zijnen moed en zeide half luid: "Wartburg!" Het was werkelijk eene
geestigheid, en het gemoed van den jongen commies Hiorth zwol van
trots. Toen het bekend werd, dat hij die uitdrukking had gebezigd,
waren zijn vrienden zoo verbaasd, dat velen hunner het van dien dag
af in twijfel trokken of hij werkelijk wel zoo dom was, als algemeen
aangenomen werd.
Eenstemmig werd besloten, dat de plaats van Mortensen "den Wartburg"
zou worden genoemd, en dat de inktvlek, waaraan zoovele herinneringen
verbonden waren, nooit uitgewischt of oververfd mocht worden. Lang
nadat Mortensen zijn plaats tegen eene betere had verwisseld,
werd zijn vorige zitplaats nog bij dien naam genoemd en 't is niet
onmogelijk, dat deze inktvlek en Hiorth's geestigheid zullen blijven
voortleven, zoolang het Departement zal blijven; dat wil naar alle
waarschijnlijkheid zeggen: tot zeer kort vóór den dag van het laatste
oordeel.