XIX.

De agent voor de landverhuizers wreef zich vergenoegd in de handen,

omdat hij zoo gemakkelijk aan eenen dokter gekomen was, en keek naar

een stoomboot, die uit het Westen was gekomen, waarvoor nu plaats

aan de kade was gemaakt vlak tegen het Engelsche vaartuig aan.

Zijn scherpe blik zag, overal zoekend naar landverhuizers rond en

weldra ontdekte hij Njaedel en den opperloods, die juist aan wal

gekomen waren. Door de menigte drong hij heen en voegde zich bij hen.

"Landverhuizers, naar ik zie," zeide hij, terwijl hij hen groette.

De opperloods beantwoordde zijnen groet maar toen de agent hem

den reiszak, dien hij in de hand droeg, wilde afnemen, wilde

hij volstrekt niet hebben, dat die netgekleede heer zich daarmede

belastte. Intusschen praatte de agent onophoudelijk door en hielp hen

uit het gedrang, want velen spoedden zich naar het pas aangekomen

vaartuig. Njaedel volgde hen op den voet, hij zag alles met groot

mistrouwen aan.

"Zie zoo..... daar ligt de boot op welke gij de reis zult maken, een

prachtig vaartuig.... first class altogether, hebt gij al biljetten?"

"Neen!" antwoordde de opperloods.

"Very well! De biljetten krijgt gij aan boord, wees zoo goed aan

boord te gaan!"

"Hoe laat vaart de boot af?" vroeg Njaedel.

"Morgen ochtend heel vroeg," antwoordde hij en met eenen woordenvloed,

die Njaedel bijna deed duizelen, begon hij al de voordeelen van

de onderneming, waarvoor hij passagiers werfde, op te sommen; hoe

gelukkig het voor hen was, dat zij dadelijk, toen zij aan land kwamen,

hem ontmoetten, en hoe gemakkelijk het was, dat zij van avond reeds aan

boord konden komen, dat zij op deze manier de kosten voor huisvesting

spaarden, enz.

Dit laatste betoog had de gewenschte kracht; zij volgden den agent

naar boord en in minder dan een kwartier hielp hij hun aan kooien op

de tweede klasse voordeks. Hij droeg zorg voor de biljetten, ontving

de vooruitbetaling, schreef de quitantie, en beëindigde de zaak,

door de handen vrij hard tegen elkaâr aan te slaan, herhalende:

"all right, first class altogether!"

Toen dit alles in orde was, gingen zij weer aan land. Njaedel

fluisterde den opperloods in 't oor: "Wanneer... die mooi gekleede

mijnheer maar geen schelm is, hij praatte zoo in eenen adem door."

De opperloods lachte medelijdend en zei, dat dit Amerikaansche manier

was. Hun bleef nog over zich omtrent "de zaak" op de hoogte te stellen

en Christine in het hospitaal te bezoeken.

Njaedel was van meening, dat zij regelrecht naar den koning moesten

gaan, maar de opperloods lachte weer medelijdend en begon aan allen,

die hij ontmoette, den weg naar het ministerie te vragen.

Hij had geen geluk; de meesten lachten of antwoordden met eene

geestigheid, anderen bleven staan om hen na te kijken. Zij zagen

er ook in het oog vallend uit: de kleine, roodwangige opperloods in

zijn geel zeemansbuis en pelsmuts en de reusachtige gestalte, naast

hem, met den gekromden rug, den dikken verwarden langen baard en de

buitengewoon heldere onschuldige kinderoogen.

Zij gevoelden, dat zij de opmerkzaamheid trokken, vooral toen zij

in de voorname stadswijken kwamen. De opperloods vroeg niet meer zoo

direct aan ieder den weg; aan den hoek van het postkantoor gekomen,

zeide hij moedeloos: "Het is waarachtig al tien uur."

Juist keken zij op den kerktoren, toen een net gekleed heer met

papieren onder den arm den hoek omkwam.

De opperloods vatte moed en zei: "Neem mij niet kwalijk.... maar kan

u ons ook zeggen, waar het ministerie is."

"Welk ministerie?"

"Is er meer dan één," vroeg de opperloods op moedeloozen toon.

"Och mijn beste man," antwoordde de heer, "hoe zou het oude Noorwegen

het met één Departement kunnen stellen! maar wat komt gij eigenlijk

in het Departement doen?"

"Naar "de zaak" vragen," antwoordde Njaedel.

"Dat is te zeggen," verklaarde de opperloods nader, "het is over het

wier aan het strand en een groot afvoerkanaal of sloot."

"Ja, groote afvoerkanalen vindt men in alle departementen meer dan

genoeg," zeide de zoo goedig uitziende heer, "maar met het wier is

het eene andere zaak."

"Het is aan dat departement, waar een minister is," verklaarde de

opperloods verder.

"Och mijn beste buitenman, waar is geen minister! Wij hebben er elf

van dat soort."

Nu zonk den opperloods de moed geheel in de schoenen, en hij zag

zijnen vriend radeloos aan.

"Daar heb ik een broer," zeide Njaedel.

"Ah zoo! en hoe heet hij?"

"Hij heet Anders--Anders Mo."

"Ah, Mo! o dien ken ik heel goed; zoo zoo, is hij uw broer, gaat dan

beiden maar met mij mee, ik ga denzelfden kant uit." Hij ging vooruit

en de beide anderen volgden hem.

"Hij hoort tot de echt voorname lui," fluisterde Njaedel, "want hij

schaamt zich naast ons te loopen."

"Ik vertrouw hem nog niet recht," antwoordde de opperloods voorzichtig.

"Hier breng ik u twee echte exemplaren van het uitstervend dierenras

"Volk" zeide George Delphin tot Mortensen, toen hij met den opperloods

en Njaedel de kamer, waarin deze zat, binnen kwam; "en hier mijne

heeren," en hij wendde zich tot de twee reizigers, "ben ik zoo vrij

u den waren "vriend des Volks," den heer Mortensen voor te stellen."

De redacteur stond op en boog deftig, ofschoon hij nooit recht op zijn

gemak was, wanneer de hoofdcommies schertste. In eenige hoogdravende

bewoordingen zeide hij, welk een genoegen het hem deed, zoo van

aangezicht tot aangezicht te staan tegenover hen, die de eigenlijke

kern van het volk uitmaakten. Noorwegens eerlijke, vrije mannen, enz.

Deze kleine comedie lokte Oerseth en drie of vier andere heeren uit de

aangrenzende kamers; de opperloods had echter het bolle bleeke gelaat

van Mortensen nauwkeurig beschouwd en voelde, dat hij op het punt

stond in drift uit te barsten; toch gelukte het hem zich te bedwingen.

"Deze heeren," zeide de bureau-chef, terwijl hij zich gereed

maakte heen te gaan, "beveel ik uwe bijzondere zorg aan, mijnheer

Mortensen! en ik betwijfel volstrekt niet of gij zult met vreugde van

de gelegenheid gebruik maken, u den waren Vriend des Volks te toonen."

"Pardon, mijnheer Delphin," antwoordde Mortensen een weinig knorrig,

"maar van daag hebben wij wezenlijk geen tijd gekheid te maken."

"Gekheid," zeide Delphin, "gekheid? Hoorde wellicht een der heeren

of de commies Mortensen van "gekheid" sprak?--Ik kan mij zulks niet

voorstellen"--vervolgde hij, terwijl de schampere glimlach, die de

schrik zijner vijanden was, zich om zijne lippen plooide, "ik kan mij

de mogelijkheid niet voorstellen, dat de commies Mortensen een bevel,

dat ik hem geef, als "gekheid" zou opvatten. Deze twee heeren komen

hooren naar eene zaak over strandwier en over een groot afvoerkanaal,

die bij ons Departement is ingediend. Wees zoo goed mijnheer Mortensen

oogenblikkelijk naar alle papieren, die zaak betreffende, te zoeken

en de heeren de noodige inlichting te geven."

De Redacteur zag vuurrood van kwaadheid en de anderen, bemerkende

welke wending de comedie nam, slopen naar hunne plaatsen en bogen

zich over hun werk.

Nu nam de opperloods Sechus het woord:

"Neem mij niet kwalijk mijnheer, maar--maar wij willen liever den

minister zelven spreken--ik wil niets met dien mijnheer te doen

hebben."

"Ja, daarin heb je gelijk," antwoordde de bureau-chef, en bracht

de twee boeren door al de vertrekken tot in de wachtkamer van den

minister. Hier verzocht hij hen te wachten, omdat deze nog niet op

het bureau was.

Het duurde bijna een uur vóór hij verscheen--en bitter slecht geluimd.

Gedurende zijn ministerieele loopbaan had de heer Bennecken geleerd,

om, hoe slechter hij gehumeurd was, een des te opgeruimder gezicht te

zetten. Vandaag had hem zulks echter ontzettend veel moeite gekost,

want de verdrietelijkheden waren al vroeg begonnen, en hadden hem

geen oogenblik met rust gelaten.

Na de ongelukkige scène met Johan had hij een langdurig onaangenaam

tête-à-tête met zijne vrouw gehad: Het had hem veel moeite gekost

de energieke dame aan het verstand te brengen, dat dwangmiddelen en

opsluiting geene afdoende middelen waren om een schandaal te voorkomen

en waren dus tot de conclusie gekomen, dat het het beste zou zijn de

zaak te laten zooals zij was en haar op hunne eigenaardige manier

aan de wereld mee te deelen: Johan had lust een tocht naar Amerika

te maken en Hilda zou hem voor pleizier vergezellen.

"Ach God! geen mensch zal het gelooven," jammerde Mevrouw!

"Dat hangt geheel af van de wijze, waarop wij het vertellen,"

antwoordde haar man.

Ter nauwernood was deze zaak beklonken, of onze candidaat Alfred kwam,

heel zuinig kijkende, binnen. Hij was gedwongen geweest eenen wissel

te accepteeren en die verviel vandaag en.... en.... De minister

werd woedend en Alfred kreeg eenen duchtigen uitbrander; mevrouw

schoof hem zachtjes de kamer uit en beloofde hem bij te springen

met het huishoudgeld. En al deze verdrietelijkheden moesten juist

plaats hebben op den gewichtigen dag, waarop men zijne majesteit den

koning na eene lange afwezigheid verwachtte, op eenen tijd, waarin

het van het grootste gewicht was voor het bezoek des Konings alles

zoo feestelijk mogelijk in orde te hebben.

Toen de minister dan ook door de deur, waarvan hij alleen den sleutel

bezat, op zijn bureau kwam, kostte het hem op het gezicht van de

twee zonderlinge gestalten, die er zaten, groote moeite eenen vloek

te weerhouden.

De opperloods stond dadelijk op en begon de zaak zóó voor te dragen,

alsof hij een van buiten geleerd lesje opzegde. Tot Njaedels

ongeveinsde bewondering sprak hij den minister telkens met "Uwe

Hoogheid" aan.

De minister staarde hem een oogenblik aan, opende daarna de deur van

het vertrek van den secretaris, die voor de verzending van de ingekomen

stukken naar de verschillende afdeelingen zorg moest dragen, en vroeg:

"Wat zijn dat voor lieden, die daar binnen zitten?"

"Ik weet het niet.... neen werkelijk ik weet het niet, Excellentie,"

antwoordde de secretaris, een klein mager man met grijs haar;

"de bureau-chef Delphin heeft hen hier gebracht, ik weet er niets

van.... volstrekt niets."

"Dat is juist iets voor u," mompelde de minister, "ga den bureau-chef

zeggen, dat ik hem verzoek dadelijk hier te komen."

"Oogenblikkelijk.... oogenblikkelijk... Excellentie!" en met eenen

sprong was hij van den kantoorstoel, liep een paar maal geheel ontdaan

rond om zijnen hoed te zoeken, doch zich bij tijds herinnerende, dat

hij de straat niet op behoefde, liep hij eindelijk naar Delphin's

kamer, om deze de boodschap van den minister over te brengen. De

minister liep terwijl hij op Delphin wachtte, de kamer op en neer;

de opperloods was stom van verbazing en begon de geheele affaire vrij

dwaas te vinden. De minister had er gedeeltelijk zelf toe bijgedragen,

dat Delphin zoo snel eene schitterende carrière had gemaakt. In

den laatsten tijd echter was hij niet al te zeer over hem voldaan;

hij begon hem een weinig te wantrouwen, en had zich voorgenomen,

om hem, zoodra zich een gepaste gelegenheid voordeed, aan te raden,

naar eenen post in eene der kleine steden te solliciteeren.

Ondertusschen was George Delphin met zijne scherpe tong en zijne

goede relatiën altijd een man, met wien het maar best was op goeden

voet te staan, vooral wanneer er een schandaal te duchten was.

"Beste kamerheer," begon hij, toen deze binnenkwam, "gij kunt mij

een groot pleizier doen. Zijne majesteit de koning komt, zooals gij

weet, tegen vier uur. Dientengevolge zal een groot gedeelte van de

notabelen der stad bij mij een déjeuner à la fourchette gebruiken,

vóór den feestelijken intocht.... ik hoop, dat gij, Delphin, mij de

eer zult bewijzen, ons met...."

Delphin boog.

"Nu was er nog iets, wat ik u vragen wilde, beste Delphin. Mijne

vrouw zou het zeer aangenaam vinden, wanneer gij haar een weinig

bij het arrangeeren behulpzaam wildet zijn,--dat behoort eenmaal

tot eene van uwe vele talenten,--want Adelaïde is vandaag een weinig

geëchauffeerd... verschillende omstandigheden... hm..." de minister

beproefde even te glimlachen.... "zooals gij ongetwijfeld hebt

gehoord, heeft Johan er lang over gedacht een tocht naar Amerika te

maken..." Delphin was beleefd genoeg een bevestigend antwoord te geven.

"Dit is weer zoo'n inval van hem," zeide de minister schertsend,

"en nu presenteert zich juist eene goede gelegenheid: een plaats

als dokter op een landverhuizersvaartuig is hem aangeboden, maar

't mooiste van de grap is dat Hilda voor pleizier met hem meegaat."

"Hilda!" riep Delphin en viel geheel uit zijne rol.

"Ja, ja," zeide de minister lachend, "een zonderling denkbeeld, niet

waar? Adelaïde wilde eerst volstrekt hare toestemming niet geven, maar

ik zeide: laat haar meereizen; eene reis naar Amerika is tegenwoordig

eene kleinigheid, een tochtje dat men voor zijn pleizier doet, en

daar dokter Rhode van meening was, dat de zeelucht.... hm!...."

Delphin mompelde eenige beleefde volzinnen, en de minister was zeer

over zich zelf te vreden; toen Delphin op het punt stond het vertrek te

verlaten, vroeg hij fluisterende: "Wat zijn dat voor vreemde Chinezen,

die gij mij op den hals hebt geschoven?"

"Boeren van de Westkust, die naar eene zaak komen informeeren, welke

aan ons Departement ingediend is. Ik trok mij hun lot een weinig aan,

daar Mortensen hen wat onaangenaam behandelde. Ik meende dat het

beter was geene aanleiding te geven dat...."

"Volkomen juist geoordeeld, waarde kamerheer, ik zal hen eens

aanspreken. Ja Mortensen is, onder ons gezegd, soms wel wat ruw."

De bureau-chef ging weg en de minister zei vriendelijk tot de twee, die

te wachten zaten: "Nu, luidjes, nu ben ik geheel tot uwen dienst. Het

was dus eene zaak aangaande...."

"Aangaande het recht op een deel van het strandwier," zeide de

opperloods.

"Het recht op een deel van het strandwier," de minister schelde--"gaat

zoo lang zitten, die zaak zullen wij eens spoedig in orde maken,"--hij

schelde weer,--"is de zaak kort geleden bij ons ingediend?"

"Aanstaanden herfst wordt het twee jaar," zeide Njaedel.

De minister sprong verschrikt van zijnen stoel op, toen hij die

grove stem hoorde, daarna opende hij de deur van het vertrek met den

afzonderlijken ingang en riep: "Mo!" Mo was er niet; de minister liep

naar de andere deur en joeg den secretaris een' doodelijken schrik

aan, toen hij, duchtig met zijne sleutels rammelende--dit was altijd

een teeken van slecht humeur--hem naar eene zaak over "wier" vroeg.

De secretaris begon ijverig in de protocollen te zoeken; hij bladerde

van voren naar achteren en van achteren naar voren, maar niets, wat

op deze verd.... zaak de minste betrekking had, kon hij vinden, en zij

was toch, zooals de minister zeide, reeds twee jaar geleden ingediend.

Daar al dit zoeken vruchteloos was ging de minister door de andere

vertrekken en kwam eindelijk in Mortensen's kamer, waarin hij nooit

van zijn leven den voet had gezet, overal schrik en angst met zijne

rammelende sleutels en zijne vraag naar eene zaak over "wier" te

weeg brengende, want niemand kon zich herinneren van die zaak te

hebben gehoord.

Mortensen waagde eenigszins boosaardig aan te merken: "de bureau-chef

is reeds vertrokken, misschien wist hij er iets van."

"De hoofdcommies moest voor zaken uitgaan, en buitendien moet die

zaak reeds lang geleden door hem overgedragen zijn," antwoordde

de minister op strengen toon, "ik begeer, dat deze geschiedenis

dadelijk in orde wordt gebracht. De stukken moeten gevonden worden,

hebt gij mij begrepen mijneheeren, zij moeten voor den dag komen

en oogenblikkelijk!"

De minister keerde naar zijn bureau terug en het gansche

Departementsgebouw kreeg op eens het uiterlijk--een buitengewoon

iets--van een mierennest. Deuren werden opengeworpen en toegeslagen;

angstige gezichten vertoonden zich en verdwenen; planken en loketten

werden nagezien, pakketten nauwkeurig onderzocht; de schrijvers

draafden door de lange gangen heen en weer, gingen trappen op en

trappen af, kwamen zelfs tot op den zolder en zochten in blinde

vertwijfeling tusschen stof en papier. De angst steeg elke minuut;

van tijd tot tijd opende de minister de deur van zijn bureau en

vroeg tot grooten schrik van den secretaris, die als een drijftol

ronddraaide wanneer hij het gelaat van den minister maar zag: "Nu,

zijn de stukken nog niet gevonden?"

Doch in de verwarring werd eene vraag gedaan, die van mond tot mond

ging, totdat zij eindelijk als een diepe zucht door het geheele

gebouw werd geslaakt: "Waar blijft Mo toch? Waarom komt Mo.... Mo de

almachtige niet?" Eindelijk kwam hij. Behoedzaam, bleek, glimlachend

sloop hij in de kamer van den minister, juist toen daar een groot

aantal verschrikte ambtenaars bijeen waren, die allen hun best deden

te bewijzen, dat die zaak onmogelijk door hunne handen had kunnen gaan.

Allen ademden ruimer, toen de kleine man binnentrad, en de minister

hem gejaagd vroeg of hij iets aangaande die zaak in quaestie wist.

"Ja," antwoordde Mo, "die ligt in den chaos."

"In wat?" vroeg de minister.

"In den chaos van Mortensen," antwoordde Mo glimlachende.

"Daar gij weet, waar de stukken zich bevinden, zoo breng ze hier,"

beval de minister.

Anders Mo verliet het vertrek; achter hem ging Mortensen, die buiten

zich zelf van woede was, en Mortensen volgden de anderen.

"Was dat je broeder?" vroeg de minister.

"Ik meende hem aan zijne stem te herkennen," antwoordde Njaedel

eenigszins op weifelenden toon, "maar hij was niet zoo groot als mijn

broer, vond ik, en hij zag er zoo oud uit."

De minister bedacht, dat deze scène mogelijk een minder goeden indruk

op de twee boeren kon maken en dat wilde hij liefst niet. Daarom zei

hij vriendelijk tot den opperloods: "Hoe heet ge vriendschap?"

"Lauritz Boldemann Sechus."

De minister was een en al verwondering op het hooren van dien

welluidenden naam, en toen Sechus hem vertelde, dat hij den post van

opperloods had bekleed, nam hij eenen stoel en ging naast hem zitten,

begon een gesprek en klopte hem nu en dan vertrouwelijk op de knie.

"Vertel mij eens, opperloods, is het leven aan de kust niet dikwijls

moeielijk en gevaarlijk?"

"Och ja, Uwe Hoogheid; wanneer de zeelui zich bij stormweer ver in

zee wagen, bekomt het hun soms slecht."

"Ja, ja," antwoordde de minister, en hij maakte eene beweging met de

hand. "Ik denk zoo dikwijls met trotschheid aan deze wereldberoemde,

onverschrokken loodsen, die langs onze gevaarlijke kusten wonen,

en het verheugt mij zeer in de gelegenheid te zijn met één van hen

persoonlijk kennis te maken."

"Hé?" vroeg Sechus, "ja, ziet u, eigenlijk ben ik nu juist niet zoo'n

loods en Njaedel ook niet."

"Hm!" zeide de minister en brak dit gesprek af; "de groote

haringvisscherij op de Westkust is wel een bron van groote verdienste

in de streek waar gij woont."

"O ja, voor hen die er wat van meekrijgen," antwoordde Sechus, die

vond, dat de minister een echte spotvogel was.

"Een bont, afwisselend leven moet het zijn in den tijd waarop de

visscherij het levendigst is," ging de minister voort; "zulk een

toeloop van bewoners uit de verschillende deelen van het land moet

gewis voordeelig op de ontwikkeling van het volk werken."

"Ja, Uwe Hoogheid, groote vechtpartijen hebben er dan plaats."

"Hm.... zeker, zeker! kleine schermutselingen, maar zeg mij nu

eens,"--de minister veranderde weer van onderwerp,--"wanneer zoo vele

lieden samenstroomen, waar krijgen dan allen nachtverblijf?"

"Och!.... Uwe Hoogheid," antwoordde Sechus, "met slapen nemen zij het

niet zoo nauw. De meesten leggen zich op den buik en dekken zich zoo

goed als zij kunnen met den rug toe."

Bum.... Bum.... Bum, neuriede de minister, terwijl hij al rammelende

met zijne sleutels het vertrek op en neer liep.

De opperloods, die zich volstrekt niet bewust was, iets gezegd te

hebben dat niet te pas kwam, maar integendeel vond, zooals reeds gezegd

is, dat de minister heel familiaar met hen omging, trok Njaedel even

bij het buis en fluisterde: "ik geloof, dat ik met hem eens over den

weg spreek."

Njaedel knikte toestemmend en Sechus stond weer van den stoel op.

"Neem mij niet kwalijk.... Uwe Hoogheid.... maar er is nog iets,

waar ik heel gaarne alles van wist."

"Tot uwen dienst, opperloods."

"Staat Uwe Hoogheid niet boven alle lensmands, rotmeesters en

ingenieurs van de openbare wegen?"

"Ja, ja, vriend."

Het oog van den opperloods glansde van vreugde. Eindelijk had hij

dan den rechte te pakken; nu zou hij alles, wat hem aangaande dien

weg zoo lang op het hart had gelegen, den minister zeggen, en zijne

lang verkropte woede gaf zich dan ook lucht in eenen woordenvloed,

waarvan zijn toehoorder de helft niet begreep.

"Van welk stuk van den weg is er sprake," vroeg deze, terwijl hij op

eene groote landkaart wees.

Sechus, die daar hij op zee gevaren had, gewoon was met kaarten om

te gaan, had dit spoedig gevonden.

De minister zette zijn gouden lorgnet op, nam eenen passer uit

eene étui, die op de tafel lag, en mat het stukje met de grootste

nauwkeurigheid.

Daarna zeide hij op zijne kalme, vloeiende manier "zie, opperloods,

dit is alleen eene kaart van onze wegen. Zoo gij u al deze roode,

gele en blauwe lijnen, als eene lijn kondt voorstellen, zou die zeer,

zeer lang zijn, nietwaar?"

Ja, dit stemde de opperloods gaaf toe, ofschoon hij niet begreep,

waar de minister heen wilde.

"En wees nu zoo goed, de ruimte te beschouwen, die zich bevindt

tusschen de beenen van den passer,... gij ziet, dat die niet veel

grooter is dan de dikte van een stuk karton."

De opperloods staarde beurtelings den minister en den passer aan.

"Zie nu, opperloods Sechus, zoo klein is het stukje van den weg,

waarover gij u beklaagt, in verhouding tot het overige deel van

onze wegen, en zijt gij nu niet overtuigd, dat het misschien ja,

wat zal ik zeggen--een weinig te veel is verlangd, dat hij, die dit

zoo samengestelde net van dijken en wegen in zijn hoofd moet hebben,

dat hij, herhaal ik, zijne bijzondere zorg.... zijne bijzondere zorg

zeg ik, over zulk een onbeduidend stuk van het geheel zou moeten

uitstrekken"--en de minister hield den opperloods den geopenden passer

voor den neus. Deze stond met den mond vol tanden. Heel duidelijk was

hem de zaak niet geworden, maar hij voelde, instinktmatig, dat men hem

om den tuin leidde en hetzelfde gevoel dat hem eenige oogenblikken te

voren bezielde, alsof er iets in hem kookte,--overviel hem. Gelukkig

werd de deur geopend, en trad Anders Mo binnen, gevolgd door Mortensen,

den secretaris en eenige anderen, die in het zijvertrek bleven staan

om te hooren hoe die merkwaardige zaak zou afloopen.

Mo had, niettegenstaande alle tegenstribbelingen van Mortensen,

den geheelen chaos doorwoeld, en achter in het loket vond hij een

verkreukeld pakket in een geel omslag, dat hij heel bedaard voor den

dag haalde.

Allen waren het eens, dat Anders die documenten met het een of ander

boosaardig plan daar had verstopt.

Arbeiders: Roman · 第 27 / 34 题