Den zuidwester vast onder de kin gebonden--het was stormweêr--kwam
op een der laatste Novemberdagen de opperloods onder het neuriën van
zijn lievelingswijsje "mijn liefste Katrijn, je ziet mijn hartepijn"
de hoogte af.
Er was een brief van Anders gekomen, en de opperloods wist, hoe
ongeduldig Njaedel naar bericht, de zaak betreffende, uitzag.
Daar in de vlakte lag Njaedels lage huis, tusschen de akkers,
die hij zelf had ontgonnen; verderop zag hij in het zand de sloot,
die half klaar was. Juist reden een paar karren vol wier, naar de
hoogte. "Sören wist wel, wat hij deed, toen hij Njaedel overhaalde,
zijne zaak voor den koning te brengen;" mompelde hij bij zich zelf.
Uit het Zuidwesten blies de felle wind over het lage strand. Het was
een zware herfststorm en ofschoon het nog niet laat op den middag
was, begon de duisternis reeds te vallen. De opperloods bleef een
oogenblik staan; met den blik van een' zeeman zag hij naar alle
zijden over de zee, vóór hij van de hoogte naar beneden ging. Naar
het Zuiden eindigde de zandvlakte in naakte klippen, van welke eenige
ver in zee uitstaken; de golven stieten er met geweld tegen aan, soms
stonden zij zoo hoog in de lucht, dat zij voor een oogenblik als eene
witte kolom zich tegen de loodkleurige lucht afteekenden, om daarna
in woest schuimende vaart over de steenen zich eenen weg te banen.
Naar het Noorden kon zijn oog in eene lange kromming de schuimende
streep van de branding volgen; zij was zoo breed, dat volgens de
berekening van den opperloods de branding reeds op tien vadem water
begon. Recht voor hem uit naar het Noorden, kon hij soms tusschen de
schuimende golven door het zoo even aangestoken licht van Bratvolds'
vuurtoren te zien krijgen.
Geen enkel zeil was in het gezicht; de zwartachtige wolken scheurden
wel vaneen, doch zonder echter van plaats te verwisselen--zwaar,
lang aanhoudend stormweer was te verwachten. Een onafgebroken
golfgeklots!--Het geraas der zee was vreeselijk, nu en dan hoorde men
een geknal, als van kanongebulder op grooten afstand. De wind joeg
over de heide en piepte langs de telegraafdraden langs den straatweg;
de meeuwen, die over de zee naar land kwamen, vlogen met uitgespannen
vleugels in schuine richting tegen den storm in.
Toen de opperloods aan het gedeelte van den weg was gekomen, dat van
het hek van Brevig tot het Zwarte Moeras liep, was het gedaan met
neuriën; integendeel mompelde hij iets dat op een vloek geleek.
Groote ronde steenen lagen midden op den weg, het regenwater, dat
van de hoogte naar beneden dwars over den weg was gestroomd, had daar
eene diepe gleuf achtergelaten vol kleine steenen.
"Het zou toch maar het best zijn, dien Anders, die zoo bl.... knap
moet zijn, er over te schrijven," bromde hij bij zich zelf; de
ergernis welke dit gedeelte van den weg hem altijd veroorzaakte,
was een nagel aan zijne doodkist.
Njaedel zat midden op zijnen akker dwars over eenen grooten steen,
waarin hij bezig was een groot gat te houwen. Met forsche slagen kwam
zijn werktuig telkens neer. Van tijd tot tijd hield hij even op, en
droppelde in het gat wat water uit eenen natten lap, die in eene oude
blikken doos lag, welke door lieden uit de stad, die een dag buiten
hadden doorgebracht, vergeten was. Door zijn rood kroes haar blies
de wind zóó, dat het naar alle kanten uitstond, en hij was met zulk
een' ijver voor zijn werk bezield, dat de opperloods reeds naast hem
stond, vóór hij zijne komst had bemerkt. "Goeden dag buurman!" zeide
Njaedel. Hij hield met kloppen op en haalde zijnen maatstok voor den
dag om te zien, hoe diep het gat al was; toen hij hoorde, dat er een
brief van Anders was gekomen, gooide hij alles weg, en sprong van den
steen op. Zij gingen naar binnen en staken eene kaars aan. Het vertrek
zag er zeer wanordelijk uit, de vloer was ondenkbaar morsig en het bed
lag nog onafgehaald. Njaedel ging vlak voor den opperloods zitten en
volgde nauwkeurig al zijne bewegingen. Hij was zeer mager geworden;
zijne handen bewogen zich zenuwachtig heen en weer.
Zijn buurman had ook wel wat vlugger te werk kunnen gaan, maar brieven
lezen is geene kleinigheid en eischt tijd. De brillenglazen moeten
naar behooren gepoetst worden, de enveloppe moet bekeken en eindelijk
voorzichtig aan den bovensten kant worden geopend. Het was een breed
grijs omslag van het Departement en met lak verzegeld. "Den Hoog edelen
Heer, den Opperloods Lauritz Boldemann Sechus" zoo luidde het adres.
"Bl......, wat een omhaal!" mompelde de opperloods.
"Door dezen wordt u de ontvangst meegedeeld van twee brieven gedateerd
den eersten September en den twintigsten October laatstleden. Daar
Gij de volmacht mijns broeders in zekere zaken schijnt te bezitten,
zoo wend ik mij tot u met mijn schrijven, om u te verzoeken,
mijnen evengenoemden broeder den inhoud er van mede te deelen. Uit
het hierboven reeds geciteerde schrijven van den twintigsten
October schijnt te blijken, dat mijn broeder de niet zeer gegronde
meening schijnt te koesteren, dat de twist, die tusschen hem en den
pachter Sören Börevig aangaande het recht op zeewier ontstaan is,
reeds onmiddellijk ter behandeling zou zijn voorgekomen. Zulks is
intusschen niet het geval. Ten gevolge van andere rechtszaken, die
eerst afgehandeld moeten worden, hebben wij ons met de genoemde zaak
nog niet bezig kunnen houden."
Sechus hield even met voorlezen op.
"Lees dat nog eens," zeide Njaedel.
De opperloods las het begin van den brief nog eenmaal langzaam voor.
Njaedel schudde het hoofd; op eens sprong hij heftig van zijnen stoel
en sloeg met de vuist zoo hard op de tafel, dat het brillenhuis van
zijnen vriend hoog in de lucht sprong.
"Nu, nu Njaedel, maak je niet zoo driftig.... de brief is nog niet uit,
misschien komt het beste op het eind."
Vooral wordt de opperloods verzocht het mijnen broeder duidelijk te
maken, dat eene zaak van zulk eenen grooten omvang als de bovengenoemde
niet zonder veel extra werk, waarop groote kosten zullen komen,
zoo spoedig ten einde kan worden gebracht. Intusschen valt hier aan
te merken, dat de som van twee honderd kronen, indien dit geld per
ommegaande werd gezonden, van eenige uitwerking zou kunnen zijn om
de genoemde zaak wat schielijker afgemaakt te krijgen en verklaar ik
mij bereid voor de uitbetaling van dit geld zorg te dragen, zonder
daarvoor de partijen op grootere onkosten te willen jagen.--
"Begrijpt gij, wat hij meent buurman?"
"Neen," antwoordde Sechus, en hij las het nog eens over; op eens riep
hij uit: "nu ben ik er achter--hij meent, dat wij moeten smeren!"
"Wat moeten wij doen?"
"Ja, zie je, dat kan ik beter begrijpen dan jij; ik ben op de hoogte
van zulke zaken," zeide Sechus op loozen toon, "want toen ik in der
tijd met "De Hoop der Familie," voor den consul Garman te Sandsgaard
voer, zei de consul altijd, wanneer ik in de lente met haring naar de
Oost-zee reisde: "hoor Sechus, wanneer je nu in Riga ankert, moet je,
zooveel als je maar kunt, de tolbeambten, de sjouwers en allen met
wie je te doen mocht krijgen, smeren. Het is niet goed spaarzaam te
zijn, waar het noodig is geld uit te geven," zei de consul. En heel
wat roebels, en heel wat sterken drank kostte dat, dat kunt ge wel
denken. Het is zeker wel zoo iets, dat je broeder meent."
"Geloof je dan, dat de koning er betaling voor wil nemen?"
"De koning," antwoordde Sechus, en hij zag Njaedel met eenen
meêlijdenden glimlach aan; "neen zeker niet, buurman. De blanke
daaldertjes zijn wel versmolten, eer zij zoover gekomen zijn. Het is
zeker een van die voorname heeren met goudgalon op de jas, aan wien
hij het geld moet geven; die gaat dan naar den koning en vraagt hoe
het met je zaak gelegen is. In Petersburg heb ik eenmaal zulk een
snuiter gezien; hij reed in eigen rijtuig met twee paarden er voor en
het tuig was van echt zilver; toch was hij geen enkelen roebel van
zich zelf rijk; hij leefde enkel van fooien, vertelde mij de klerk
van den makelaar."
"Ja, dan geloof ik, dat zóó de vork in den steel zit," zei Njaedel.
"In allen geval verlangt hij, dat ge hem dadelijk twee honderd kronen
zendt.... misschien wil hij voor zijne moeite betaald worden."
"O, zou Anders geld van mij willen hebben," antwoordde Njaedel,
eenigszins beleedigd door deze woorden.
Sechus las verder:
"Wat nu de tegemoetkoming betreft voor het verblijf van de dochter
van mijnen eigenen broeder in mijn huis, waarover in bovengemelden
brief ook gesproken werd, zoo zal hier van mijne zijde nooit aan
gedacht worden."
"Nu, zei ik het niet," riep Njaedel trotsch uit.
"Mocht het verblijf onder mijn nederig dak slechts tot een waren
zegen voor haar worden. Het jonge gemoed wordt helaas al te licht
medegesleept door de ijdelheden dezer wereld, en is zoo geneigd
de vermaningen en waarschuwingen van oudere menschen in den wind
te slaan. En aan veel gevaar is een jong meisje in eene groote
stad blootgesteld, zoodat wij wel voor haar mogen bidden en haar
toewenschen, dat zij geen gewillig oor aan de stem der verleiding
en der vleierij moge leenen, maar integendeel, dat zij luisteren
moge naar hen, die haar met hunne ervaring willen voorlichten. Ja,
mogen wij allen een geopend oor hebben voor de stem der waarheid zoo
lang het nog dag voor ons is.
Met bijzondere hoogachting,