VII.

Christine zat in de gezellige voorkamer en schreef een' brief aan

haren vader,--dat wil zeggen aan den opperloods, want Njaedel kon

geen geschreven schrift lezen.

Oom Anders had het portier van het rijtuig, waarmede de staatsraad

naar het bal zou rijden dichtgeslagen en was toen, zooals 's avonds

zijne gewoonte was, uitgegaan: hij had altijd zoo veel te doen.

Terwijl zij zat en in de lamp tuurde om te bedenken wat zij eigenlijk

zou schrijven, werd er aan de deur geklopt en Dokter Bennecken trad

de kamer binnen.

"Neem mij niet kwalijk.... is Papa al naar het bal gereden," vroeg hij.

"Ja, juist," antwoordde Christine.

"O, dat treft al heel slecht, ik wou met hem meegereden zijn."

Eigenlijk maakte de dokter zich hier aan eene groote onwaarheid

schuldig, want hij had op den hoek der straat op het wegrijden van

zijn' vader staan wachten. Nu hij echter het doel van zijn streven

bereikt had: een oogenblik ongestoord met haar te kunnen spreken,

scheen hem de moed daartoe te ontzinken, en hij zou zeker de deur

weer zijn uitgegaan, zonder een woord meer te zeggen, zoo Christine

niet had gezegd: "misschien komt het rijtuig wel terug."

"Ja dat is best mogelijk.... ja, dat zal het zeker," zeide hij.

Beiden lieten het voorkomen, alsof zij zulks geloofden, ofschoon zij

heel goed wisten, dat de minister met een huurrijtuig was uitgereden;

's avonds gebruikte hij nooit zijne eigene équipage.

"Wil u niet zoo lang gaan zitten," zeide Christine; Oom had haar

gezegd, dat zij de menschen met u moest aanspreken [7].

De dokter bedankte haar vriendelijk en deed de deur dicht. Johan

Bennecken had eenige trekken met zijnen vader gemeen; dat imponeerende,

evenwel, wat dezen eigen was, ontbrak hem geheel; integendeel zag hij

er uit als een eerlijke vent met een goedhartig gezicht, die niet al

te hoog timmerde; daarenboven was hij kreupel.

De dokter begon nu met het jonge meisje te praten, hij ging echter niet

zitten maar bleef tusschen de deur en de tafel staan. Hij was gewend

met menschen uit allerlei stand om te gaan, zoodat Christine hem zeer

goed begreep; het gesprek werd ook meer en meer levendig en liep over

het verschil, dat er bestond in de manier van leven in de stad en op

de plaats, waar zij van daan kwam, en over dergelijke onderwerpen.

Wanneer hij iets zeide, dat hare vroolijkheid wekte, en dit gebeurde

meer dan eens, lachte zij hartelijk en boog het hoofd wat op zijde,

zoodat het schijnsel van de lamp juist op haar fraai lokkig rood haar

viel, dat zij van haren vader had. Ook zijn gezond bloed scheen zij

geërfd te hebben, want zij was sterk gebouwd, en wanneer zij zich in

hare volle lengte oprichtte, had zij eene manslengte.

Buiten loeide de wind; het was een echt gure herfstavond, maar

hierbinnen zag het er werkelijk gezellig uit; de lamp brandde zoo

helder, het vloerkleed was juist gelegd, en aan een vroolijk vuurtje

ontbrak het niet.

De dokter was gekleed in zwarten rok; zijne overjas had hij

aangehouden; nu werd die hem echter te warm, en hij knoopte haar een

weinig los; eindelijk zette hij zich half op den kant van de tafel

met zijnen rug tegen den muur.

Telkens wanneer zij een rijtuig hoorden aanrollen, zeiden zij:

"daar is het nu" en wanneer het voorbij reed, zeiden zij: "neen,

het was het niet!"

Er werd aan de deur geklopt; deze ging open, Alfred kwam de kamer

binnen en riep op vroolijken toon: "Goeden avond!" Eerst stond hij

geheel uit het veld geslagen, toen hij zijnen broeder zag; spoedig

herstelde hij zich echter en zei op boosaardigen toon:

"Ei.... ei.... een tête-à-tête!.... of is juffrouw Christine misschien

ziek?"

Christine, die dit als scherts opnam, wilde antwoorden, maar toen

zij zag, hoe ernstig de dokter eensklaps was geworden, kon zij van

verwondering geen woord uitbrengen.

"Ik wou hier op het rijtuig wachten,.... ik meende dat het terug zou

komen," zeide Johan op eenen toon, die onverschillig moest heeten,

doch verlegen klonk.

"Welk een goed bedacht voorwendsel! Wat Amor toch vindingrijk maakt,"

riep Alfred, en hij zette zijn lorgnet op, "ah zoo.... ge stondt hier

op het rijtuig te wachten? Aardig van je bedacht, hoor!"

"Ik verzoek van uwe verdere opmerkingen verschoond te

blijven,--Alfred!"

"Wel, wel.... gij verzoekt er van verschoond te blijven.... misschien

mag ik verzoeken, om in denzelfden verheven stijl ons gesprek voort

te zetten.... mij eene meer geldige verklaring te geven van uwe

tegenwoordigheid hier op dit uur."

"Wat raakt je dat?"

"Ah zoo, de stijl wordt wat minder hoogdravend. Van mijnen kant vraag

ik er ook niet naar, want verdere inlichtingen heb ik niet noodig;

de verhouding is mij duidelijk.... volkomen duidelijk," en hij zag

hen beurtelings aan, "maar mama zal er zeker veel belang in stellen

te hooren hoe haar oudste zoon hier aan huis, wanneer allen uit zijn,

op den loer ligt."

"Neem je in acht Alfred, en zeg geen woord meer," riep Johan en hij

trad eene schrede naar hem toe.

"Laat ons deze wanden niet met broederbloed bezoedelen," antwoordde

Alfred en een valsche glimlach speelde om zijnen mond, terwijl hij

zich achter eenen stoel verschanste. Christine ging wat dichter naar

den dokter om te trachten, hem tot kalmte te brengen, doch juist

wendde hij zich naar haar en zij zag, dat hij doodsbleek was.

"Wees niet bang" zeide hij, "en neem het mij niet kwalijk, dat zulk

een tooneel hier voorgevallen is.... het is geheel buiten mijne

schuld. Goeden nacht. Kom Alfred.... het wordt nu tijd voor ons."

"Voor ons," vroeg Alfred op hoogen toon, en hij maakte zich gereed,

zijnen hoed op den stoel, die naast hem stond, te leggen. Doch vóór

hij nog recht tot bezinning kon komen over hetgeen eigenlijk met

hem gebeurde, stond hij op de straat. Met een forschen ruk had zijn

broeder hem uit de portierswoning geworpen en zoo kort en goed een

einde aan de zaak gemaakt.

Christine stond als versteend; zij hoorde de broeders de ramen

voorbijgaan, een paar woorden ving zij nog op, maar eindelijk hoorde

zij niets meer. Zij zelf zag er ook bleek uit, en aan haren linker

slaap vertoonde zich eene roode vlek; het was het litteeken van de

wonde, die zij aan het hoofd op dien vreeselijken nacht had gekregen,

toen het huis was ingestort en hare moeder met de twee andere kinderen

onder het puin bedolven waren geraakt. Eene heftige woordenwisseling

had er tusschen de broeders plaats; toen zij aan den hoek der straat

waren gekomen, sloegen zij ieder eenen anderen kant in, natuurlijk

zonder elkaar goeden nacht te zeggen. Johan had geen lust meer het

bal te gaan bijwonen. Hij ging dadelijk naar zijne woning. Eenigen

tijd geleden had hij een paar kamers gehuurd, wijl de vrouw van den

staatsraad het zeer onaangenaam vond, telkens op de trap met zijne

arme patiënten in aanraking te komen. Juist zou het souper beginnen,

toen Alfred weer in de balzaal verscheen.

"Waar ben jij al dien tijd geweest," vroeg Hiorth.

Alfred maakte een zeer geheimzinnig gebaar, hetwelk zijnen vriend

aanleiding gaf hem vriendschappelijk een paar stompen in de zijde te

geven en te beknorren. Zij gingen samen naar het buffet, want Hiorth

beweerde, dat zijn vriend eene hartversterking noodig had. In de kleine

zaal en in de daar naast gelegen kamers stonden de tafels gedekt

[8]. Eerst bedienden zich de oudere dames, en heeren, daarna lieten

de jongere dames zich van hare cavaliers bedienen, maar vóór dat deze

nog half klaar waren, begonnen de heeren voor eigene rekening om de

tafel heen te dringen. Als een dikke zwarte vliegenzwerm plaatsten zij

zich om de eerste tafel, dan vloog een troepje weêr naar eene andere

tafel en zoo ging het steeds door, geen wonder dat men onwillekeurig

aan de plaag der sprinkhanen in Egypte begon te denken. Zij vielen op

alle schotels en borden neer, en geheel vervuld van het gewicht van

het oogenblik, stonden zij zwijgend, alles nauwkeurig onderzoekende;

dan begon het opscheppen, kauwen, en doorslikken met vollen ijver;

het leven, dat men met de vorken en messen maakte, verbrak alleen

de stilte, en het had er veel van of er eene groote eetmachine aan

het werk was. De jonge verlegen student Hansen had--de hemel weet

waar--eene flesch Sherry te pakken gekregen. Zoodra de sprinkhanen

hier lucht van kregen, reikten zij hem hunne glazen toe.

Goedhartig, als hij van natuur was, schonk hij de glazen telkens weer

vol, totdat hij eindelijk met een leeg glas in de eene en eene leege

flesch in de andere hand stond.

Dit wekte natuurlijk algemeen den lachlust op, doch lang duurde dit

niet--er viel geen tijd te verliezen.

Vleeschpasteien, coteletten, ragoûts, wildbraad, kippen, heerlijk

gestoofde groenten, pikante sausen, kleine gebakken aardappelen,

alles verdween in een oogwenk; men zou hebben kunnen gelooven, dat er

valluiken in den vloer waren verborgen. Neef Hans stond vlak voor een

vleeschpastei met aspersies, en hij verroerde zich niet van de plaats,

ofschoon zijne buren hem vrij gevoelig in den rug stompten. Naast

hem stond de candidaat Smith, die goeden eetlust op zijne voetreis

naar de Jotunheim scheen opgedaan te hebben; hij at filet de boeuf

met eenen lepel, graag zou hij eene vork hebben gaan halen, doch

zoolang als er nog champignons op den schotel voorhanden waren,

had hij niet veel zin, zijn goed plaatsje er aan te geven.

Hiorth en Bennecken hadden het slimmer aangelegd; zij hadden zich

bij de deur van de keuken geplaatst, en wanneer de bedienden met de

gerechten aankwamen, maakten zij zich veelal van eenige meester. Eene

tafel met sigaren en andere rookbenoodigdheden werd leeg gemaakt en

in eenen hoek getrokken; daar aten zij nu op hun gemak; ook was het

hun gelukt eenige flesschen achter eene portière te verbergen.

De voornaamsten onder de heeren zaten in het particulier vertrek van

den gastheer, waar eene tafel voor hen gedekt was. Delphin had aan

het gezelschap der dames de voorkeur gegeven en soupeerde met haar;

in de balzaal wandelden eenige jonge dames heen en weer, die de

grootste verachting voor eten en eters koesterden. Het meerendeel

der dames had nu een zeer verzadigd gevoel, doch de sprinkhanen

strekten hunnen tocht tot aan de kleine zaal zelfs uit, waar de dames

gesoupeerd hadden. Uitgenomen een paar oudere dames, die nog naar

eenige aspersiekopjes of malsche kippeboutjes snuffelden, was daar

niemand meer.

De gastvrouw was er zeker van, dat zij genoeg had laten gereed

maken; toen zij evenwel zag hoe de heeren de eene portie na de

andere verorberden, begon zij min of meer ongerust te worden, en

een der gasten die in hare nabijheid stond, hoorde haar mompelen:

"goede hemel, het is alsof hunne maag een zak zonder bodem is."

Mevrouw Falck-Olsen verviel soms in de vulgaire uitdrukkingen

van vroegere dagen, vooral wanneer zij in zenuwachtigen toestand

verkeerde. Wanneer de bediende even de deur der kamer, waar de

staatsraad en eenige andere heeren zaten, open liet staan, konden

Hiorth en Bennecken, die in de nabijheid zaten, nu en dan een of

ander woord opvangen, waaruit zij begrepen, dat er eene politieke

discussie gevoerd werd.

"Die Falck-Olsen is eigenlijk toch een groote ezel, en goede manieren

zal men hem zeker nooit kunnen leeren," zeide Bennecken, en hij hield

even met eten op, "hij begrijpt nooit, welke menschen hij eigenlijk

moet inviteeren."

"Wat?" antwoordde Hiorth, "de heele stad is hier bijna."

"Wat ben je onnoozel, Jonas. Nu, je gezondheid!" en hij leegde

zijn glas. "Daar zit hem de knoop, zie je, dat hij Jan en alleman

uitnoodigt. Je kunt wel begrijpen hoe onaangenaam het voor mijn vader

is, hier met allerlei politieke tinnegieters samen te zijn."

"Daar heb ik waarachtig nog nooit aan gedacht," zeide Hiorth, en hij

zag heel diepzinnig.

"Eenige dagen geleden hoorde ik mijnen vader tot Falck-Olsen zeggen:

"wanneer gij niet partij kunt kiezen...."

"Zoo.... zoo.... nu verder," zeide Hiorth heel nieuwsgierig, en hij

boog zich dichter naar zijnen vriend.

"Wat ben je een uilskuiken, Jonas, hij zei niets meer, maar je kunt

begrijpen, wat het zeggen wil."

"Ja natuurlijk.... hm.... bl.... zei je vader dat werkelijk." Hiorth

lachte en knipoogde zijnen vriend geheimzinnig toe.

Vóór de Française na het souper speelde het orkest, melodieën uit

"le petit Duc." Het ging nu zeer geanimeerd toe; alle dansers, die

in het begin van den avond hun werk zoo ernstig hadden opgenomen,

zagen er werkelijk uit alsof zij zich amuseerden. De vroolijke muziek

jaagde het bloed, dat door het lekkere souper en de fijne wijnen wat

verhit was geraakt, sneller door de aderen.

De candidaat Smith neuriede onophoudelijk eene Fransche melodie,

uit eene operette, hem door een' oud vriend, die in Parijs geweest

was, geleerd.

Caroline Hjelm, met wie hij danste, wilde o zoo gaarne weten, welke

woorden hij eigenlijk zong; maar hoe zij hem ook verzocht ja zelfs

plaagde, ze mede te deelen, haar cavalier weigerde hardnekkig. Hij

beweerde dat men ze niet goed in 't Noorsch kon vertalen.

Caroline, die zich nooit zoo gauw uit het veld liet slaan, verzekerde

hem, dat hij het gerust kon wagen ze te zeggen; zij was niet voor

zoo'n beetje vervaard; en kon heel wat verdragen; hij neuriede maar

steeds dezelfde melodie tot antwoord, totdat zij zeide, dat zij den

inhoud er bijna van begreep.

Dit nu was de dans, voor welken Delphin Hilda Bennecken had

geëngageerd; waarom hij zulks had gedaan, was hij bijna vergeten. In

de eerste toeren nam hij ook bijna geene notitie van zijne dame maar

voerde een levendig gesprek met mevrouw Hjelm, die bij de deur vlak

achter de dansende paren zat.

Hilda Bennecken merkte dit natuurlijk dadelijk, en vond het

allesbehalve aangenaam. Den geheelen avond had zij er zich deels over

verheugd, deels over beangstigd den kamerheer Delphin tot cavalier

te krijgen.

Wel was hij altijd, wanneer hij bij hare ouders aan huis kwam, heel

vriendelijk tegen haar, maar meer op een wijze, alsof hij haar nog

voor een kind aanzag; hij had haar trouwens ook gekend, lang vóór

zij hare belijdenis had afgelegd.

Dikwijls had zij bij zich zelf gedacht, hoe prettig zij het zou

vinden, zoo hij haar eens voor een' dans engageerde, en nu het er

eindelijk toegekomen was, voelde zij zich zeer teleurgesteld in hare

verwachtingen; al de pikante woorden, welke zij den geheelen avond

van hare vriendinnen over de onderscheiding, die haar ten deel was

gevallen, had moeten aanhooren, schoten haar nu te binnen, en zij

wenschte maar, dat hij haar de eer van met haar te willen dansen,

niet had aangedaan.

Toen de derde toer zou beginnen, vroeg hij haar het een en ander,

om toch ten minste wat aan zijne dame gezegd te hebben. Zij keek

hem aan, en Delphin zei bij zich zelf: "zij heeft werkelijk een paar

mooie oogen!"

Na deze ontdekking, zette hij zijn gesprek met wat meer belangstelling

voort, om haar te dwingen, hem aan te zien. De goedhartige bruine oogen

bezaten eenen glans, waarom velen haar zouden hebben kunnen benijden,

en toen zij langzamerhand door den vroolijken toon, dien hij aansloeg,

den moed kreeg hem op dezelfde wijze te antwoorden, had het leelijke

gezichtje eene uitdrukking, die men er al te zelden op lezen kon.

Toen de dans geëindigd was, zei hij: "neen, maar is de dans werkelijk

uit, lieve juffrouw Bennecken!... daar begrijp ik niets van. Wij

hebben niet meer dan vier toeren gedanst.... op zijn hoogst nog wel!"

Zij zag hem eerst een weinig wantrouwend aan, maar antwoordde toen

glimlachend: "het komt omdat u de twee eerste toeren met mevrouw

Hjelm hebt gedanst." George Delphin wist een goed antwoord altijd

zeer op prijs te stellen. Hij was er door verrast en juist wilde hij

haar antwoorden, toen zij door een paar werden aangesproken, dat weer

door andere gevolgd werd. Eer de kamerheer zijne dame echter verliet,

vroeg hij haar, hem de eer aan te doen, op al de bals gedurende dezen

winter de eerste Française na het souper met hem te willen dansen.

De stemming in de balzaal werd meer en meer vroolijk: "men was onder

stoom." Onmogelijk was het bijna in de paren, die daar op de tonen

der muziek zoo luchtig heen zweefden, de "daglooners" van het begin

van den avond te herkennen, en toen na middernacht het dessert en de

champagne rondgediend werden, had de vroolijkheid haar toppunt bereikt.

De staatsraad was altijd gewoon, wanneer het feest zoo ver gekomen was,

eenen toast uit te brengen op den gastheer en zijne familie--eene korte

speech, zooals het eenen staatsman betaamt; bloemrijke uitdrukkingen

gebruikte hij nimmer. Op zulke kleine redevoeringen, waarin hij echter

met de grootste omzichtigheid zijne woorden woog, was hij zeer gesteld;

in gewone gesprekken beperkten zijne antwoorden zich veelal tot eenige

wel aangebrachte handbewegingen, soms vergezeld van een bescheiden

glimlachje, doch van het laatste maakte hij zeer matig gebruik.

De toast op de dames werd door een jong dichter uitgebracht. Niet lang

geleden had hij een bundel gedichten uitgegeven onder den titel "Losse

pennetrekken." Natuurlijk sprak hij nu ook in poëzie en grooten bijval

viel hem ten deel; de dames vonden echter den inhoud zeer droefgeestig.

Daarna begeerde tot grooten schrik zijner vrienden, de candidaat Smith

het woord. Hij vergastte het gezelschap met eene gloeiende schildering

van den Jotunheim. Nooit is het volkomen opgehelderd geworden of het de

wijn dan wel de liefde was, die hem zoo opwond. Als de gasten hem op

zijnen verren tocht volgden, den hoogsten berg met hem bestegen--hij

vertelde hun zelfs hoeveel honderd voet--tusschen afgronden en over

gletschers met hem doolden, kwam daar op eens in zijne rede eene

beschrijving van een paar oogen en eene feeëngestalte, die, zooals

later eenigen beweerden, Caroline Hjelm had moeten voorstellen. Wat

hiervan moge zijn, zeker zou het met zijnen toast gegaan zijn, zooals

in zeker sprookje staat: "is het niet uit, dan duurt het nog voort,"

indien de jonge, bloode student Hansen niet plotseling als een raket

de rede afgebroken had, met den uitroep: "Leve Jotunheim!"

Onder het gelach, dat hierdoor ontstond, werden op den toast tot

groote ergernis van den spreker de glazen geledigd.

Voor den student Hansen hadden de zaken eene zeer treurige wending

genomen. Toen het hem na het souper was gelukt, eene flesch portwijn

machtig te worden, besloot hij zich er nu alleen aan te goed te

doen, en zich niet weer zoo door de anderen voor den gek te laten

houden. Hij school dus achter eene étagère weg; om zich te wreken,

ledigde hij het eene glas na het andere; maar ongelukkigerwijze bleek

de wijn machtiger dan de student Hansen, en toen hij met opgerichten

hoofde en strak voor zich uitstarende oogen door de balzaal schreed

om midden in eene Française iemand voor een dans te engageeren,

sleepte een zijner vrienden hem bij den arm mede, terwijl hij zeide:

"Maar Hansen, wat is het nu met je, je bent zoo stomdronken, dat je

bijna niet op je beenen kunt staan, kerel!"

Deze onvriendelijke woorden maakten zulk een pijnlijken indruk op

den student Hansen, dat zijn trots er voor goed door gebroken was en

hij in bange vertwijfeling verviel. Uit dezen toestand ontwaakte hij

juist vroeg genoeg om door eenen uitroep een eind aan den toast van den

candidaat Smith te maken. De cotillon ging wild toe. Verscheidene paren

belastten zich te gelijk met het arrangeeren der verschillende toeren

om dan later in een woesten galop door de ruime zaal te dansen. De

saaie Hans had den geheelen nacht met zijnen donkeren blik overal

zijn meisje gevolgd en toen Louise eindelijk, door Caroline half

voortgeduwd, naar hem toekwam om wat met hem te praten, draaide hij

haar den rug toe en ging naar huis.

"Och stoor je niet aan hem," zeide Caroline om haar te troosten,

"hij is zoo in vervelend, zoo...."

Louise stond een oogenblik geheel vernietigd, maar toen zij haren

cavalier, met wien zij juist zou dansen, zag aankomen, fluisterde zij

hare vriendin in: "Ik heb van avond zoo'n pleizier, dat ik er morgen

wel wat knorren voor wil verdragen."

Na deze lichtzinnige woorden, zweefde zij weer de zaal door. Het was

vier uur in den morgen. Dicht in hare mantels gewikkeld stonden de

moeders doodmoede in de vestibule en de aangrenzende kamers op hare

dochters te wachten, die nog eventjes een enkelen toer wilden dansen;

de vaders stonden ook reeds met de overjas aan en de sigaar in den mond

gereed om heen te gaan en ledigden nog staande een glas. Maar in de

zaal danste men nog steeds alsof het om het leven te doen was. De paren

vlogen als waanzinnigen van het eene einde der zaal naar het andere,

de lichten in de kronen flikkerden en walmden in de van stof opgevulde

zaal. Onder en naast de stoelen en sofa's lagen verwelkte bouquetten,

afgescheurde garneersels van baljaponnen, dansprogramma's en zakdoeken,

die veel van vodden hadden, terwijl de reukzenuwen zeer onaangenaam

werden aangedaan door de vieze geuren van pommade en andere odeurs

waarmede de lucht bezwangerd was. Toch stormden de heeren er maar

moedig op los; hun fraai gefriseerd kapsel was in wanorde geraakt,

en viel hun telkens in de oogen, terwijl de das scheef zat; met de

dames was het niet beter gesteld; de baljaponnen waren niet veel

meer dan flarden van tulle en tarlatan, die zich om de beenen van

hare cavaliers heenslingerden.

Wie zich nog het best van allen gehouden had, was Sophie

Falck-Olsen. Haar kapsel, hare handschoenen, haar japon zagen er uit,

alsof zij zich juist voor het bal had gekleed, en geen oogenblik

was de vriendelijke glimlach van haar gelaat verdwenen. Toch was

zij niet over den avond tevreden. Delphin had zich zeer weinig aan

haar gelegen laten liggen, Alfred Bennecken was onuitstaanbaar,

Jonas Hiorth afschuwelijk geweest. Eindelijk waren de gasten gereed

afscheid te nemen, en het laatste rijtuig rolde over de straat.

Meneer Falck-Olsen stak eene versche sigaar aan en vlijde zich toen

zoo gemakkelijk mogelijk in eenen leuningstoel. Mevrouw Falck-Olsen,

die vreeselijk warm was, maakte hare japon los en deed zich te goed

aan de overblijfsels van het dessert, want, zeide zij tot haren man,

zij had honger als een wolf.

Sophie beknorde, terwijl zij zich ontkleedde Louise een weinig en

deze snikte zich eindelijk in slaap.

Bennecken had nog geen lust naar huis te gaan en zat nu bij Hiorth

op de kamer nog een glas punch te drinken. Beide vrienden waren in

eene bewogen stemming en onder het storten van heete tranen zwoeren

zij elkander eeuwige vriendschap--neen niet eens zou de liefde,

die zij beiden voor Sophie koesterden, dien band kunnen verbreken;

daarna kwam het gesprek op den kinderdoop, en hierover geraakten zij

hevig in eenen twist, die niet eindigde, vóór dat eindelijk Alfred

zijne eigene kamer opzocht.

Arbeiders: Roman · 第 10 / 34 题