Christine zat in de gezellige voorkamer en schreef een' brief aan
haren vader,--dat wil zeggen aan den opperloods, want Njaedel kon
geen geschreven schrift lezen.
Oom Anders had het portier van het rijtuig, waarmede de staatsraad
naar het bal zou rijden dichtgeslagen en was toen, zooals 's avonds
zijne gewoonte was, uitgegaan: hij had altijd zoo veel te doen.
Terwijl zij zat en in de lamp tuurde om te bedenken wat zij eigenlijk
zou schrijven, werd er aan de deur geklopt en Dokter Bennecken trad
de kamer binnen.
"Neem mij niet kwalijk.... is Papa al naar het bal gereden," vroeg hij.
"Ja, juist," antwoordde Christine.
"O, dat treft al heel slecht, ik wou met hem meegereden zijn."
Eigenlijk maakte de dokter zich hier aan eene groote onwaarheid
schuldig, want hij had op den hoek der straat op het wegrijden van
zijn' vader staan wachten. Nu hij echter het doel van zijn streven
bereikt had: een oogenblik ongestoord met haar te kunnen spreken,
scheen hem de moed daartoe te ontzinken, en hij zou zeker de deur
weer zijn uitgegaan, zonder een woord meer te zeggen, zoo Christine
niet had gezegd: "misschien komt het rijtuig wel terug."
"Ja dat is best mogelijk.... ja, dat zal het zeker," zeide hij.
Beiden lieten het voorkomen, alsof zij zulks geloofden, ofschoon zij
heel goed wisten, dat de minister met een huurrijtuig was uitgereden;
's avonds gebruikte hij nooit zijne eigene équipage.
"Wil u niet zoo lang gaan zitten," zeide Christine; Oom had haar
gezegd, dat zij de menschen met u moest aanspreken [7].
De dokter bedankte haar vriendelijk en deed de deur dicht. Johan
Bennecken had eenige trekken met zijnen vader gemeen; dat imponeerende,
evenwel, wat dezen eigen was, ontbrak hem geheel; integendeel zag hij
er uit als een eerlijke vent met een goedhartig gezicht, die niet al
te hoog timmerde; daarenboven was hij kreupel.
De dokter begon nu met het jonge meisje te praten, hij ging echter niet
zitten maar bleef tusschen de deur en de tafel staan. Hij was gewend
met menschen uit allerlei stand om te gaan, zoodat Christine hem zeer
goed begreep; het gesprek werd ook meer en meer levendig en liep over
het verschil, dat er bestond in de manier van leven in de stad en op
de plaats, waar zij van daan kwam, en over dergelijke onderwerpen.
Wanneer hij iets zeide, dat hare vroolijkheid wekte, en dit gebeurde
meer dan eens, lachte zij hartelijk en boog het hoofd wat op zijde,
zoodat het schijnsel van de lamp juist op haar fraai lokkig rood haar
viel, dat zij van haren vader had. Ook zijn gezond bloed scheen zij
geërfd te hebben, want zij was sterk gebouwd, en wanneer zij zich in
hare volle lengte oprichtte, had zij eene manslengte.
Buiten loeide de wind; het was een echt gure herfstavond, maar
hierbinnen zag het er werkelijk gezellig uit; de lamp brandde zoo
helder, het vloerkleed was juist gelegd, en aan een vroolijk vuurtje
ontbrak het niet.
De dokter was gekleed in zwarten rok; zijne overjas had hij
aangehouden; nu werd die hem echter te warm, en hij knoopte haar een
weinig los; eindelijk zette hij zich half op den kant van de tafel
met zijnen rug tegen den muur.
Telkens wanneer zij een rijtuig hoorden aanrollen, zeiden zij:
"daar is het nu" en wanneer het voorbij reed, zeiden zij: "neen,
het was het niet!"
Er werd aan de deur geklopt; deze ging open, Alfred kwam de kamer
binnen en riep op vroolijken toon: "Goeden avond!" Eerst stond hij
geheel uit het veld geslagen, toen hij zijnen broeder zag; spoedig
herstelde hij zich echter en zei op boosaardigen toon:
"Ei.... ei.... een tête-à-tête!.... of is juffrouw Christine misschien
ziek?"
Christine, die dit als scherts opnam, wilde antwoorden, maar toen
zij zag, hoe ernstig de dokter eensklaps was geworden, kon zij van
verwondering geen woord uitbrengen.
"Ik wou hier op het rijtuig wachten,.... ik meende dat het terug zou
komen," zeide Johan op eenen toon, die onverschillig moest heeten,
doch verlegen klonk.
"Welk een goed bedacht voorwendsel! Wat Amor toch vindingrijk maakt,"
riep Alfred, en hij zette zijn lorgnet op, "ah zoo.... ge stondt hier
op het rijtuig te wachten? Aardig van je bedacht, hoor!"
"Ik verzoek van uwe verdere opmerkingen verschoond te
blijven,--Alfred!"
"Wel, wel.... gij verzoekt er van verschoond te blijven.... misschien
mag ik verzoeken, om in denzelfden verheven stijl ons gesprek voort
te zetten.... mij eene meer geldige verklaring te geven van uwe
tegenwoordigheid hier op dit uur."
"Wat raakt je dat?"
"Ah zoo, de stijl wordt wat minder hoogdravend. Van mijnen kant vraag
ik er ook niet naar, want verdere inlichtingen heb ik niet noodig;
de verhouding is mij duidelijk.... volkomen duidelijk," en hij zag
hen beurtelings aan, "maar mama zal er zeker veel belang in stellen
te hooren hoe haar oudste zoon hier aan huis, wanneer allen uit zijn,
op den loer ligt."
"Neem je in acht Alfred, en zeg geen woord meer," riep Johan en hij
trad eene schrede naar hem toe.
"Laat ons deze wanden niet met broederbloed bezoedelen," antwoordde
Alfred en een valsche glimlach speelde om zijnen mond, terwijl hij
zich achter eenen stoel verschanste. Christine ging wat dichter naar
den dokter om te trachten, hem tot kalmte te brengen, doch juist
wendde hij zich naar haar en zij zag, dat hij doodsbleek was.
"Wees niet bang" zeide hij, "en neem het mij niet kwalijk, dat zulk
een tooneel hier voorgevallen is.... het is geheel buiten mijne
schuld. Goeden nacht. Kom Alfred.... het wordt nu tijd voor ons."
"Voor ons," vroeg Alfred op hoogen toon, en hij maakte zich gereed,
zijnen hoed op den stoel, die naast hem stond, te leggen. Doch vóór
hij nog recht tot bezinning kon komen over hetgeen eigenlijk met
hem gebeurde, stond hij op de straat. Met een forschen ruk had zijn
broeder hem uit de portierswoning geworpen en zoo kort en goed een
einde aan de zaak gemaakt.
Christine stond als versteend; zij hoorde de broeders de ramen
voorbijgaan, een paar woorden ving zij nog op, maar eindelijk hoorde
zij niets meer. Zij zelf zag er ook bleek uit, en aan haren linker
slaap vertoonde zich eene roode vlek; het was het litteeken van de
wonde, die zij aan het hoofd op dien vreeselijken nacht had gekregen,
toen het huis was ingestort en hare moeder met de twee andere kinderen
onder het puin bedolven waren geraakt. Eene heftige woordenwisseling
had er tusschen de broeders plaats; toen zij aan den hoek der straat
waren gekomen, sloegen zij ieder eenen anderen kant in, natuurlijk
zonder elkaar goeden nacht te zeggen. Johan had geen lust meer het
bal te gaan bijwonen. Hij ging dadelijk naar zijne woning. Eenigen
tijd geleden had hij een paar kamers gehuurd, wijl de vrouw van den
staatsraad het zeer onaangenaam vond, telkens op de trap met zijne
arme patiënten in aanraking te komen. Juist zou het souper beginnen,
toen Alfred weer in de balzaal verscheen.
"Waar ben jij al dien tijd geweest," vroeg Hiorth.
Alfred maakte een zeer geheimzinnig gebaar, hetwelk zijnen vriend
aanleiding gaf hem vriendschappelijk een paar stompen in de zijde te
geven en te beknorren. Zij gingen samen naar het buffet, want Hiorth
beweerde, dat zijn vriend eene hartversterking noodig had. In de kleine
zaal en in de daar naast gelegen kamers stonden de tafels gedekt
[8]. Eerst bedienden zich de oudere dames, en heeren, daarna lieten
de jongere dames zich van hare cavaliers bedienen, maar vóór dat deze
nog half klaar waren, begonnen de heeren voor eigene rekening om de
tafel heen te dringen. Als een dikke zwarte vliegenzwerm plaatsten zij
zich om de eerste tafel, dan vloog een troepje weêr naar eene andere
tafel en zoo ging het steeds door, geen wonder dat men onwillekeurig
aan de plaag der sprinkhanen in Egypte begon te denken. Zij vielen op
alle schotels en borden neer, en geheel vervuld van het gewicht van
het oogenblik, stonden zij zwijgend, alles nauwkeurig onderzoekende;
dan begon het opscheppen, kauwen, en doorslikken met vollen ijver;
het leven, dat men met de vorken en messen maakte, verbrak alleen
de stilte, en het had er veel van of er eene groote eetmachine aan
het werk was. De jonge verlegen student Hansen had--de hemel weet
waar--eene flesch Sherry te pakken gekregen. Zoodra de sprinkhanen
hier lucht van kregen, reikten zij hem hunne glazen toe.
Goedhartig, als hij van natuur was, schonk hij de glazen telkens weer
vol, totdat hij eindelijk met een leeg glas in de eene en eene leege
flesch in de andere hand stond.
Dit wekte natuurlijk algemeen den lachlust op, doch lang duurde dit
niet--er viel geen tijd te verliezen.
Vleeschpasteien, coteletten, ragoûts, wildbraad, kippen, heerlijk
gestoofde groenten, pikante sausen, kleine gebakken aardappelen,
alles verdween in een oogwenk; men zou hebben kunnen gelooven, dat er
valluiken in den vloer waren verborgen. Neef Hans stond vlak voor een
vleeschpastei met aspersies, en hij verroerde zich niet van de plaats,
ofschoon zijne buren hem vrij gevoelig in den rug stompten. Naast
hem stond de candidaat Smith, die goeden eetlust op zijne voetreis
naar de Jotunheim scheen opgedaan te hebben; hij at filet de boeuf
met eenen lepel, graag zou hij eene vork hebben gaan halen, doch
zoolang als er nog champignons op den schotel voorhanden waren,
had hij niet veel zin, zijn goed plaatsje er aan te geven.
Hiorth en Bennecken hadden het slimmer aangelegd; zij hadden zich
bij de deur van de keuken geplaatst, en wanneer de bedienden met de
gerechten aankwamen, maakten zij zich veelal van eenige meester. Eene
tafel met sigaren en andere rookbenoodigdheden werd leeg gemaakt en
in eenen hoek getrokken; daar aten zij nu op hun gemak; ook was het
hun gelukt eenige flesschen achter eene portière te verbergen.
De voornaamsten onder de heeren zaten in het particulier vertrek van
den gastheer, waar eene tafel voor hen gedekt was. Delphin had aan
het gezelschap der dames de voorkeur gegeven en soupeerde met haar;
in de balzaal wandelden eenige jonge dames heen en weer, die de
grootste verachting voor eten en eters koesterden. Het meerendeel
der dames had nu een zeer verzadigd gevoel, doch de sprinkhanen
strekten hunnen tocht tot aan de kleine zaal zelfs uit, waar de dames
gesoupeerd hadden. Uitgenomen een paar oudere dames, die nog naar
eenige aspersiekopjes of malsche kippeboutjes snuffelden, was daar
niemand meer.
De gastvrouw was er zeker van, dat zij genoeg had laten gereed
maken; toen zij evenwel zag hoe de heeren de eene portie na de
andere verorberden, begon zij min of meer ongerust te worden, en
een der gasten die in hare nabijheid stond, hoorde haar mompelen:
"goede hemel, het is alsof hunne maag een zak zonder bodem is."
Mevrouw Falck-Olsen verviel soms in de vulgaire uitdrukkingen
van vroegere dagen, vooral wanneer zij in zenuwachtigen toestand
verkeerde. Wanneer de bediende even de deur der kamer, waar de
staatsraad en eenige andere heeren zaten, open liet staan, konden
Hiorth en Bennecken, die in de nabijheid zaten, nu en dan een of
ander woord opvangen, waaruit zij begrepen, dat er eene politieke
discussie gevoerd werd.
"Die Falck-Olsen is eigenlijk toch een groote ezel, en goede manieren
zal men hem zeker nooit kunnen leeren," zeide Bennecken, en hij hield
even met eten op, "hij begrijpt nooit, welke menschen hij eigenlijk
moet inviteeren."
"Wat?" antwoordde Hiorth, "de heele stad is hier bijna."
"Wat ben je onnoozel, Jonas. Nu, je gezondheid!" en hij leegde
zijn glas. "Daar zit hem de knoop, zie je, dat hij Jan en alleman
uitnoodigt. Je kunt wel begrijpen hoe onaangenaam het voor mijn vader
is, hier met allerlei politieke tinnegieters samen te zijn."
"Daar heb ik waarachtig nog nooit aan gedacht," zeide Hiorth, en hij
zag heel diepzinnig.
"Eenige dagen geleden hoorde ik mijnen vader tot Falck-Olsen zeggen:
"wanneer gij niet partij kunt kiezen...."
"Zoo.... zoo.... nu verder," zeide Hiorth heel nieuwsgierig, en hij
boog zich dichter naar zijnen vriend.
"Wat ben je een uilskuiken, Jonas, hij zei niets meer, maar je kunt
begrijpen, wat het zeggen wil."
"Ja natuurlijk.... hm.... bl.... zei je vader dat werkelijk." Hiorth
lachte en knipoogde zijnen vriend geheimzinnig toe.
Vóór de Française na het souper speelde het orkest, melodieën uit
"le petit Duc." Het ging nu zeer geanimeerd toe; alle dansers, die
in het begin van den avond hun werk zoo ernstig hadden opgenomen,
zagen er werkelijk uit alsof zij zich amuseerden. De vroolijke muziek
jaagde het bloed, dat door het lekkere souper en de fijne wijnen wat
verhit was geraakt, sneller door de aderen.
De candidaat Smith neuriede onophoudelijk eene Fransche melodie,
uit eene operette, hem door een' oud vriend, die in Parijs geweest
was, geleerd.
Caroline Hjelm, met wie hij danste, wilde o zoo gaarne weten, welke
woorden hij eigenlijk zong; maar hoe zij hem ook verzocht ja zelfs
plaagde, ze mede te deelen, haar cavalier weigerde hardnekkig. Hij
beweerde dat men ze niet goed in 't Noorsch kon vertalen.
Caroline, die zich nooit zoo gauw uit het veld liet slaan, verzekerde
hem, dat hij het gerust kon wagen ze te zeggen; zij was niet voor
zoo'n beetje vervaard; en kon heel wat verdragen; hij neuriede maar
steeds dezelfde melodie tot antwoord, totdat zij zeide, dat zij den
inhoud er bijna van begreep.
Dit nu was de dans, voor welken Delphin Hilda Bennecken had
geëngageerd; waarom hij zulks had gedaan, was hij bijna vergeten. In
de eerste toeren nam hij ook bijna geene notitie van zijne dame maar
voerde een levendig gesprek met mevrouw Hjelm, die bij de deur vlak
achter de dansende paren zat.
Hilda Bennecken merkte dit natuurlijk dadelijk, en vond het
allesbehalve aangenaam. Den geheelen avond had zij er zich deels over
verheugd, deels over beangstigd den kamerheer Delphin tot cavalier
te krijgen.
Wel was hij altijd, wanneer hij bij hare ouders aan huis kwam, heel
vriendelijk tegen haar, maar meer op een wijze, alsof hij haar nog
voor een kind aanzag; hij had haar trouwens ook gekend, lang vóór
zij hare belijdenis had afgelegd.
Dikwijls had zij bij zich zelf gedacht, hoe prettig zij het zou
vinden, zoo hij haar eens voor een' dans engageerde, en nu het er
eindelijk toegekomen was, voelde zij zich zeer teleurgesteld in hare
verwachtingen; al de pikante woorden, welke zij den geheelen avond
van hare vriendinnen over de onderscheiding, die haar ten deel was
gevallen, had moeten aanhooren, schoten haar nu te binnen, en zij
wenschte maar, dat hij haar de eer van met haar te willen dansen,
niet had aangedaan.
Toen de derde toer zou beginnen, vroeg hij haar het een en ander,
om toch ten minste wat aan zijne dame gezegd te hebben. Zij keek
hem aan, en Delphin zei bij zich zelf: "zij heeft werkelijk een paar
mooie oogen!"
Na deze ontdekking, zette hij zijn gesprek met wat meer belangstelling
voort, om haar te dwingen, hem aan te zien. De goedhartige bruine oogen
bezaten eenen glans, waarom velen haar zouden hebben kunnen benijden,
en toen zij langzamerhand door den vroolijken toon, dien hij aansloeg,
den moed kreeg hem op dezelfde wijze te antwoorden, had het leelijke
gezichtje eene uitdrukking, die men er al te zelden op lezen kon.
Toen de dans geëindigd was, zei hij: "neen, maar is de dans werkelijk
uit, lieve juffrouw Bennecken!... daar begrijp ik niets van. Wij
hebben niet meer dan vier toeren gedanst.... op zijn hoogst nog wel!"
Zij zag hem eerst een weinig wantrouwend aan, maar antwoordde toen
glimlachend: "het komt omdat u de twee eerste toeren met mevrouw
Hjelm hebt gedanst." George Delphin wist een goed antwoord altijd
zeer op prijs te stellen. Hij was er door verrast en juist wilde hij
haar antwoorden, toen zij door een paar werden aangesproken, dat weer
door andere gevolgd werd. Eer de kamerheer zijne dame echter verliet,
vroeg hij haar, hem de eer aan te doen, op al de bals gedurende dezen
winter de eerste Française na het souper met hem te willen dansen.
De stemming in de balzaal werd meer en meer vroolijk: "men was onder
stoom." Onmogelijk was het bijna in de paren, die daar op de tonen
der muziek zoo luchtig heen zweefden, de "daglooners" van het begin
van den avond te herkennen, en toen na middernacht het dessert en de
champagne rondgediend werden, had de vroolijkheid haar toppunt bereikt.
De staatsraad was altijd gewoon, wanneer het feest zoo ver gekomen was,
eenen toast uit te brengen op den gastheer en zijne familie--eene korte
speech, zooals het eenen staatsman betaamt; bloemrijke uitdrukkingen
gebruikte hij nimmer. Op zulke kleine redevoeringen, waarin hij echter
met de grootste omzichtigheid zijne woorden woog, was hij zeer gesteld;
in gewone gesprekken beperkten zijne antwoorden zich veelal tot eenige
wel aangebrachte handbewegingen, soms vergezeld van een bescheiden
glimlachje, doch van het laatste maakte hij zeer matig gebruik.
De toast op de dames werd door een jong dichter uitgebracht. Niet lang
geleden had hij een bundel gedichten uitgegeven onder den titel "Losse
pennetrekken." Natuurlijk sprak hij nu ook in poëzie en grooten bijval
viel hem ten deel; de dames vonden echter den inhoud zeer droefgeestig.
Daarna begeerde tot grooten schrik zijner vrienden, de candidaat Smith
het woord. Hij vergastte het gezelschap met eene gloeiende schildering
van den Jotunheim. Nooit is het volkomen opgehelderd geworden of het de
wijn dan wel de liefde was, die hem zoo opwond. Als de gasten hem op
zijnen verren tocht volgden, den hoogsten berg met hem bestegen--hij
vertelde hun zelfs hoeveel honderd voet--tusschen afgronden en over
gletschers met hem doolden, kwam daar op eens in zijne rede eene
beschrijving van een paar oogen en eene feeëngestalte, die, zooals
later eenigen beweerden, Caroline Hjelm had moeten voorstellen. Wat
hiervan moge zijn, zeker zou het met zijnen toast gegaan zijn, zooals
in zeker sprookje staat: "is het niet uit, dan duurt het nog voort,"
indien de jonge, bloode student Hansen niet plotseling als een raket
de rede afgebroken had, met den uitroep: "Leve Jotunheim!"
Onder het gelach, dat hierdoor ontstond, werden op den toast tot
groote ergernis van den spreker de glazen geledigd.
Voor den student Hansen hadden de zaken eene zeer treurige wending
genomen. Toen het hem na het souper was gelukt, eene flesch portwijn
machtig te worden, besloot hij zich er nu alleen aan te goed te
doen, en zich niet weer zoo door de anderen voor den gek te laten
houden. Hij school dus achter eene étagère weg; om zich te wreken,
ledigde hij het eene glas na het andere; maar ongelukkigerwijze bleek
de wijn machtiger dan de student Hansen, en toen hij met opgerichten
hoofde en strak voor zich uitstarende oogen door de balzaal schreed
om midden in eene Française iemand voor een dans te engageeren,
sleepte een zijner vrienden hem bij den arm mede, terwijl hij zeide:
"Maar Hansen, wat is het nu met je, je bent zoo stomdronken, dat je
bijna niet op je beenen kunt staan, kerel!"
Deze onvriendelijke woorden maakten zulk een pijnlijken indruk op
den student Hansen, dat zijn trots er voor goed door gebroken was en
hij in bange vertwijfeling verviel. Uit dezen toestand ontwaakte hij
juist vroeg genoeg om door eenen uitroep een eind aan den toast van den
candidaat Smith te maken. De cotillon ging wild toe. Verscheidene paren
belastten zich te gelijk met het arrangeeren der verschillende toeren
om dan later in een woesten galop door de ruime zaal te dansen. De
saaie Hans had den geheelen nacht met zijnen donkeren blik overal
zijn meisje gevolgd en toen Louise eindelijk, door Caroline half
voortgeduwd, naar hem toekwam om wat met hem te praten, draaide hij
haar den rug toe en ging naar huis.
"Och stoor je niet aan hem," zeide Caroline om haar te troosten,
"hij is zoo in vervelend, zoo...."
Louise stond een oogenblik geheel vernietigd, maar toen zij haren
cavalier, met wien zij juist zou dansen, zag aankomen, fluisterde zij
hare vriendin in: "Ik heb van avond zoo'n pleizier, dat ik er morgen
wel wat knorren voor wil verdragen."
Na deze lichtzinnige woorden, zweefde zij weer de zaal door. Het was
vier uur in den morgen. Dicht in hare mantels gewikkeld stonden de
moeders doodmoede in de vestibule en de aangrenzende kamers op hare
dochters te wachten, die nog eventjes een enkelen toer wilden dansen;
de vaders stonden ook reeds met de overjas aan en de sigaar in den mond
gereed om heen te gaan en ledigden nog staande een glas. Maar in de
zaal danste men nog steeds alsof het om het leven te doen was. De paren
vlogen als waanzinnigen van het eene einde der zaal naar het andere,
de lichten in de kronen flikkerden en walmden in de van stof opgevulde
zaal. Onder en naast de stoelen en sofa's lagen verwelkte bouquetten,
afgescheurde garneersels van baljaponnen, dansprogramma's en zakdoeken,
die veel van vodden hadden, terwijl de reukzenuwen zeer onaangenaam
werden aangedaan door de vieze geuren van pommade en andere odeurs
waarmede de lucht bezwangerd was. Toch stormden de heeren er maar
moedig op los; hun fraai gefriseerd kapsel was in wanorde geraakt,
en viel hun telkens in de oogen, terwijl de das scheef zat; met de
dames was het niet beter gesteld; de baljaponnen waren niet veel
meer dan flarden van tulle en tarlatan, die zich om de beenen van
hare cavaliers heenslingerden.
Wie zich nog het best van allen gehouden had, was Sophie
Falck-Olsen. Haar kapsel, hare handschoenen, haar japon zagen er uit,
alsof zij zich juist voor het bal had gekleed, en geen oogenblik
was de vriendelijke glimlach van haar gelaat verdwenen. Toch was
zij niet over den avond tevreden. Delphin had zich zeer weinig aan
haar gelegen laten liggen, Alfred Bennecken was onuitstaanbaar,
Jonas Hiorth afschuwelijk geweest. Eindelijk waren de gasten gereed
afscheid te nemen, en het laatste rijtuig rolde over de straat.
Meneer Falck-Olsen stak eene versche sigaar aan en vlijde zich toen
zoo gemakkelijk mogelijk in eenen leuningstoel. Mevrouw Falck-Olsen,
die vreeselijk warm was, maakte hare japon los en deed zich te goed
aan de overblijfsels van het dessert, want, zeide zij tot haren man,
zij had honger als een wolf.
Sophie beknorde, terwijl zij zich ontkleedde Louise een weinig en
deze snikte zich eindelijk in slaap.
Bennecken had nog geen lust naar huis te gaan en zat nu bij Hiorth
op de kamer nog een glas punch te drinken. Beide vrienden waren in
eene bewogen stemming en onder het storten van heete tranen zwoeren
zij elkander eeuwige vriendschap--neen niet eens zou de liefde,
die zij beiden voor Sophie koesterden, dien band kunnen verbreken;
daarna kwam het gesprek op den kinderdoop, en hierover geraakten zij
hevig in eenen twist, die niet eindigde, vóór dat eindelijk Alfred
zijne eigene kamer opzocht.