De ambtman zat aan het boveneinde van de tafel, rechts van hem de
officier van justitie, links de drost, vervolgens naar den ouderdom
de substituut-officieren, de advocaten, griffiers en klerken, ten
laatste eenige boeren, namelijk de president van den gemeenteraad en
een paar andere leden.
De Lensmand zat aan het benedeneinde der tafel.
"Voor vandaag heeft de Lensmand eene keukenmeid uit de stad laten
komen," zeide de oude advocaat Kahrs, en hij smakte dat het een aard
had; "het is heel wat anders dan vroeger, toen wij eene pruimensoep
van welke stroop en kaneel de voornaamste bestanddeelen uitmaakten,
naar binnen moesten werken."
Deze woorden zeide hij op half fluisterenden toon tot zijnen buurman,
want men was nog aan het eerste gerecht--eene soort vischpudding
met kreeftensaus--en de ambtman had tot dusver alleen het woord. De
roode wijn was heel zuur, maar, daar hij veel alcohol bevatte, was de
smaak zeer sterk. Brandewijn en bier waren in ruime mate voorhanden,
en daar de heeren zich dit goed lieten smaken, werd de stemming aan
tafel spoedig vroolijker.
De tegenwoordigheid van den ambtman veroorzaakte echter, dat alles
in den aanvang zeer deftig toeging.
Men fluisterde alleen met zijnen buurman; overigens zat men doodstil
en antwoordde alleen op de vragen, die het den ambtman behaagde aan
den een of ander te doen. Het was zijne gewoonte een paar woorden tot
een ieder te richten; bijzonder minzaam was hij jegens de aan tafel
zittende boeren, daar hij zeer gaarne voor een populair man wilde
doorgaan. Wanneer het gebraad opgediend werd, bracht hij altijd eenen
toast op den koning uit, en gewoonlijk volgde, wanneer de gelegenheid
er zich voor aanbood, een paar andere toasten. Vandaag zou die eer
ten deel vallen aan een zeer jong jurist, den heer Alfred Bennecken,
die als kandidaat in de rechtsgeleerdheid in den laatsten tijd was
werkzaam geweest [4], en binnenkort zou vertrekken.
"Het is mij eene behoefte, meneer Bennecken," zoo ving de ambtman aan,
"u een hartelijk vaarwel toe te roepen, nu gij op het punt zijt, deze
streek te verlaten, alwaar gij een paar jaar zoo nuttig werkzaam zijt
geweest. Onnoodig is het zeker u te zeggen, dat de tijd gedurende
welken gij met ons samen gewerkt hebt, bij ons steeds in aangename
herinnering zal blijven, doch daar gij nu eene baan gaat betreden,
waarop niet alleen meer van uwe krachten zal gevorderd worden, maar
waar tevens de verantwoordelijkheid ook zwaarder op uwe schouders zal
rusten, zoo kan ons dit niet anders dan vreugde geven. Al scheidt gij
van ons, toch blijft dezelfde werkzaamheid ons vereenigen. Ik maak mij
zeker niet aan indiscretie schuldig, zoo ik aan de heeren meedeel,
dat gij van plan zijt naar eene plaats bij een der Departementen te
solliciteeren... waarschijnlijk wel bij dat van uwen geachten vader,
nietwaar?"
Alfred Bennecken boog beleefd.
"Ik herhaal," dus ging de ambtman voort, "dat dezelfde band ons blijft
vereenen. Want mijne heeren, hebben wij bij onzen gemeenschappelijken
arbeid niet hetzelfde doel voor oogen? Is de ambtenaarsstand niet
gelijk aan een' ring die als een kracht aanbrengende gordel ons volk
omsluit? Terwijl gij nu, om zoo te zeggen, in dezen ring of ketting
van plaats gaat verwisselen, zoo nemen wij deze gelegenheid waar,
u te verzoeken, aan uwen geachten vader onze eerbiedige groeten over
te brengen, en hem uit onzen naam te vragen aan zijne Majesteit onzen
geëerbiedigden Koning mede te deelen, dat wij arbeiden,--want dit is
het eigenlijk, mijne heeren--dat wij arbeiden als zijne trouwe dienaars
voor het welzijn des volks. En u, meneer Bennecken, wenschen wij toe,
dat gij, met het voorbeeld van uwen vader voor oogen, evenals hij in
uwe loopbaan van trap tot trap in rang moogt stijgen, om ten laatste,
evenals hij zulks nu is, een sieraad van het land te worden, aan
welks voorspoed hij nu zijne beste krachten wijdt. God zij met u,
meneer Bennecken!"
"Nu, die toast heeft hem heel wat zweetdroppels gekost," fluisterde
de advocaat Kahrs zijnen buurman in, want het was eene bekende zaak,
dat de toasten van den ambtman niet altijd even vlot van stapel liepen.
De rechter, bij wien Alfred Bennecken werkzaam was geweest, bracht
nu ook een' toast op hem uit, die door humoristische zetten zeer in
den smaak viel.
Alfred Bennecken beantwoordde beide, zoodat er aan toasten dien dag
geen gebrek was.
De stemming werd meer en meer levendig aan tafel, totdat eene geweldige
hoestbui van een der klerken, het was die van den drost, aller aandacht
trok. De man was het stikken nabij, toen zijn buurman hem zulk een
geduchten stomp in den rug gaf, dat het brokje vleesch, hetwelk hem
in de keel zat, losraakte, maar helaas op de tafel terecht kwam.
De ambtman hield zijn servet voor den mond, en de drost bracht
verontschuldigingen voor zijnen klerk uit, de advocaat Kahrs bekeek
echter het stuk nauwkeurig, en beweerde, dat het wel een half pond
zwaar was.
Deze gebeurtenis veroorzaakte, dat de tongen meer en meer los raakten,
en men de tegenwoordigheid van den ambtman wat begon te vergeten. De
jonge advocaten begonnen luid met elkaar over tafel te spreken, anders
iets ongehoords wanneer de ambtman aanwezig was. Deze was zelf een
weinig uit zijn humeur geraakt; wanneer de een of ander begon te
hoesten, zag hij verschrikt op, schoof zijnen bril heen en weer,
en gaf door allerlei bewegingen zijne ontevredenheid te kennen;
hij verzocht dan ook een paar maal aan den klerk, wien het ongeluk
overkomen was, vooral zijn vleesch toch aan kleine stukjes te snijden
en niet te gulzig te eten.
"Blijft ons nog veel werk te doen?" vroeg de ambtman eindelijk aan
den officier van justitie, wijl het hem ergerde, dat niemand zich
meer aan zijne tegenwoordigheid scheen te storen.
"Ja, eigenlijk weet ik het niet," antwoordde deze, en hij zette zijn
glas neer, "staan er nog vele zaken ter behandeling op de lijst,
Bennecken?"
"O, ja.... heel wat, en eene heel interessante zaak is er onder." Hij
boog zich voorover en fluisterde den rechter iets in.
"Welke zaak," vroeg de ambtman.
"Eene concubinaire zaak, ambtman, niets minder," antwoordde de rechter
en hij kneep even zijne kleine grijze oogen toe. Hij was klein en
gezet, droeg eene pruik en was zeer roodwangig.
"Zou u wellicht de zaak vandaag zelf niet willen in handen
nemen?" vroeg de kandidaat Bennecken aan den officier van justitie, bij
wien hij werkzaam was, "de zaak krijgt dan spoediger haar beslag, en
buitendien kan niemand beter dan gij zulk soort van zaken behandelen."
"Och ja.... doe het vriend, dan krijgen wij nog eens gelegenheid te
lachen," zeide de drost onvoorzichtig genoeg.
De ambtman kuchte, schraapte zich de keel, streek met de hand
over den grijsachtigen baard, zette den gouden bril te recht, maar
niemand sloeg er acht op. Het ging volstrekt niet aan, zulke dingen in
tegenwoordigheid der boeren te zeggen; hij begon dus met den president
van den Gemeenteraad een gesprek aan te knoopen en vroeg verlof met
hem te klinken.
Terwijl eenige advocaten aan het benedeneinde der tafel over eene
zaak in heet dispuut waren, werd het gesprek aan het boveneinde op
gedempten toon gevoerd.
"Zijn de aangeklaagden jonge menschen?" vroeg de rechter.
"Neen, de man is niet jong meer, hij is weduwnaar, het was zijne
dienstmeid, maar de dochter, ziet gij...."
"Ah zoo.... gij meent als getuige...."
"Wat de dienstmeid betreft," viel de advocaat Tofte in, "zij is,
naar ik hoor, met haar kind naar Amerika getrokken."
"Och dat is hetzelfde, het verhoor met de getuige is juist het
interessante van de zaak," zeide de advocaat Kahrs lachend, "ik ken
Christine Vatuemo, zij is een van de knapste meisjes uit de streek."
"Zoo de zaak spoediger van de hand gaat, zoo u die zelf leidt, verzoek
ik zulks te doen," zeide de ambtman, en hij deed, of hij het laatste
gedeelte van het gesprek niet had gehoord.
"Gaarne ben ik hiertoe bereid, wanneer de ambtman mij zulks
beveelt...." antwoordde de officier van justitie.
"Neen, neen.... van bevelen kan geen sprake zijn.... ik meende alleen,
dat het zeer aangenaam zou zijn, wanneer wij, het is zoo'n hondeweer,
wat vroeg naar de stad konden terugkeeren."
De rechter kneep weer even zijne oogen toe, en er werd besloten,
dat hij de zitting van den namiddag zou presideeren.
Onder het dessert, dat uit een echt nationaal gerecht bestond, eene
soort vla van vruchtensap, werd er sherry geschonken: de gezichten
der meeste heeren begonnen er uit te zien, alsof zij in het schijnsel
van de ondergaande zon zaten.
De advocaat Kahrs beweerde, dat de klerk van den drost werkelijk een
onbeschaamde kerel was, wijl hij het waagde, na zulk een ernstig
"memento mori" als het brokje vleesch, drie groote porties van
het dessert te verorberen. Er werd tot het laatst toe luid gepraat,
gelachen en gedronken, de boeren alleen volhardden in hun stilzwijgen,
en eenigszins wantrouwend zetten zij nu en dan het glas aan den mond.
Juist toen het leven aan tafel het grootst was, tikte de ambtman met
zijn mes tegen zijn glas, tot teeken dat de maaltijd als geëindigd
was te beschouwen. De boeren op straat bemerkten, dat het maal was
afgeloopen, aan de vele roode gezichten, die zich voor de ramen en
in de deur vertoonden: in dat vervl..... regenweer, kon men geen
voet buiten zetten. De eetzaal werd, nadat de heeren koffie hadden
gedronken, weer tot gerechtszaal ingericht, en met alle plechtigheid
hervatte men den arbeid. De officier van justitie, die zou presideeren,
zag er in de rechtszaal op zijn best uit. Het welgevormde hoofd,
voorzien van eene witte pruik, gaf hem iets, dat eerbied inboezemde,
en zijne scherpe licht-grijze oogen wierpen die doorborende blikken
op aangeklaagden en getuigen, waardoor niemand beter dan hij het
verstond tot bekentenissen uit te lokken, welke, zoo een ander
rechter had ondervraagd, misschien aan den mond niet ontglipt zouden
zijn. Hij stond dan ook als een knap rechter bekend. Hij toch wist
zoo de beteekenis van een woord te draaien of wel te verklaren, dat
het hem, volgens zijne eigene bewering, altijd gelukte, de waarheid
uit de lui te halen.
Vandaag ging alles bijzonder vlug toe, toch zorgde hij er voor,
dat de waardigheid der rechters er niet onder leed. Eene menigte
civiele zaken werden spoedig afgedaan, want alle advocaten wisten,
dat het er om te doen was, zoo spoedig mogelijk aan de "cause célèbre"
te komen. In stilte verheugde men er zich reeds over, men stootte
elkander aan, en wierp elkander geheimzinnige blikken toe. Van
lange pleitredenen kon er dus ook geen sprake zijn, de eene zaak na
de andere werd tot latere beslissing verschoven. Alleen de advocaat
Kruse, die niet zeer hoog timmerde, scheen maar geen haast te hebben:
hij dicteerde het eene protocol na het andere. De advocaat Kahrs trok
hem bij zijn jas, en Alfred Bennecken, die de protocollen schreef,
gaf hem door allerlei teekenen te kennen, dat hij korter moest zijn,
niets hielp; zelfs liet hij zich in zijn werk niet storen, toen de
president-rechter door luid den neus te snuiten, en ongeduldig op
zijnen stoel heen en weer te schuiven, hem wilde te kennen geven,
dat het tijd was met het dicteeren op te houden. Eindelijk was
Kruse klaar, en kwam de concubinaire zaak aan de beurt. De voor-
en achterdeur van het huis stonden beide wijd open, in de gang was
het even vol als in de gerechtszaal, waar het publiek zeer dicht op
elkaar gepakt stond. Eenigen moesten er zich dus mee vergenoegen op
straat een heenkomen te zoeken.
De doornatte baaien wambuizen begonnen nu in de warme lucht een
onaangenamen geur te verspreiden; in de zaal was het benauwd warm,
en de regendruppels kletterden eentonig tegen de ruiten. In de gang
stond in het dichtste gedrang de man met de leepoogen. Van hetgeen in
de zaal plaats had, kon hij, daar hij klein van gestalte was, niets
zien; met gespannen oplettendheid luisterde hij naar elk woord dat
gezegd werd, en begreep er geen zier van. Toen de president-rechter
den naam van den aangeklaagde vernam, zeide hij: "Njaedel.... wat is
dat voor een barbaarsche naam."
"Het is hetzelfde als Nils," verklaarde Tofte, die altijd heel
dienstvaardig was, "daar verder op in de bergen, zegt het volk Njaedel,
in plaats van Nils."
"Zoo.... maar wij zijn nu niet daar, maar hier, aldus heet de man
Nils,--hoe meer?"
"Vatuemo."
"Vatuemo," vroeg de president-rechter ongeduldig.
"Op de kaart van het district staat "Vandmo," viel Tofte weer in.
"Natuurlijk, aldus heet hij, slechtweg Nils Vandmo; provincialismen
kunnen wij in de protocollen niet neêrschrijven."
Toen hij deze woorden had gezegd, zag hij met gestrengen blik de
zaal rond, eerst naar de zijde waar het volk stond, dan naar die,
waar de ambtman zich bevond, en deze knikte hem goedkeurend toe.
Njaedel was intusschen voor de balie gekomen. In voorovergebogen
houding stond hij daar; nu en dan wreef hij met de mouw van zijn
wambuis langs het voorhoofd om de dikke zweetdruppels, die er op
parelden, af te wisschen en krampachtig bewoog hij den mond.
De rechter zag hem doordringend aan, om te zien welke methode van
ondervraging hij zou gebruiken. Op snijdenden toon, zoodat de woorden
schielijk op elkander volgden, zeide hij: "O, gij zijt dus de man,
die door je schandelijken levenswandel met je dienstmeid in de gemeente
zulk een ergernis wekt... wie is de aanklager?"
"De pachter Sören Börevig."
"Hoort gij dat?... de pachter... schaam jij je niet... En zoo heb
je de meid en het kind naar Amerika gezonden hé.... je ziet dat we
met je knepen bekend zijn. Je dacht wel van de heele zaak af te zijn,
maar neen, zoo gemakkelijk gaat dit niet--of misschien loochen je wel,
dat het zoo is, hé?"
Njaedel trachtte eenige woorden uit te brengen, maar het was hem
onmogelijk; eindelijk gelukte het hem, en hij zeide: "ik loochen
het niet."
Op dit antwoord had de rechter zich niet voorbereid, doch, daar hij
aan verrassingen gewoon was, herstelde hij zich spoedig en zeide:
"Dat is ook maar het beste, maar het is niet genoeg. De zaak moet
nauwkeurig onderzocht, en getuigen moeten gehoord worden. Waar is
je dochter?"
"Zij is vertrokken," antwoordde Njaedel.
"Vertrokken... zij ook... en waar naar toe?" riep de president-rechter
uit, en hij spalkte zijne oogen zoo wijd mogelijk open; de kandidaat
was niet minder verwonderd, de pen viel hem zelfs uit de hand, en
al de advocaten spitsten evenals dashonden hunne ooren; de ambtman
zelfs, die op de sofa naast den haard zat, zag uit het wetboek op,
waarin hij schijnbaar had zitten te studeeren.
"Naar Christiania.... gisteren is zij vertrokken' zeide Njaedel.
"Het is alsof de duivel er de hand.... hm...." en vuurrood van toorn
sprong de rechter van zijnen stoel op en zag hij Njaedel aan. Zelden
gebeurde het hem, dat hij zich zoo vergat, en bij eene zitting vloekte,
in het eerste oogenblik was hij zijne drift evenwel niet langer meester
geweest. In de heftigste bewoordingen, (doch niet geheel vergetende
waar hij zich bevond), sprak hij Njaedel aan, en gaf hem duidelijk
te kennen, dat hij op een streng vonnis kon rekenen. De rechters
legden onverholen hun misnoegen aan den dag, en toen Njaedel zich
gereed maakte de zaal te verlaten, gingen al de toehoorders zooveel
mogelijk voor hem uit den weg, alsof hij een pestzieke was.
Het was dus werkelijk eene groote misrekening. De vroolijke stemming,
waarin de maaltijd de heeren gebracht had, was hun bijgebleven,
wijl zij het vooruitzicht hadden gehad, dat eene pikante zaak vóór
zou komen, maar nu was alle opgeruimdheid op eens verdwenen. Het
was bijna onmogelijk langer in dat bedompte schemerachtig verlichte
vertrek te blijven, welks vloer van al de vuile laarzen vreeselijk
glibberig was en waar de regen voortdurend tegen de ruiten kletterde.
De ambtman zag op zijn horloge, stond op, en na aan een der klerken
een wenk te hebben gegeven, verdween hij met deze in de kamer naast de
zaal. Men hoorde er een hevig gestommel met koffers, een bewijs dus,
dat hij aan vertrekken dacht.
De president-rechter was zijnen toorn nog niet meester en ieder,
vriend en vijand, moest het dus ontgelden. Alle andere zaken werden
met den stormpas afgehandeld, en wee dengene, die het waagde hem op
te houden. Zijn horloge legde hij voor zich op de tafel en telkens
hield hij zich op de hoogte van de klok.
De advocaat Kruse, die voor geene verbetering vatbaar scheen, begon
weer het protocol te dicteeren.
Ongeduldig schoof de president echter heen en weer op zijnen stoel. "Ik
ben zoo vrij u opmerkzaam te maken, meneer Kruse, dat er ook voor
het opmaken van een protocol eene grens bestaat."
Kruse trok heel bedaard zijn horloge uit zijn vestzakje en zeide:
"ik heb den daartoe bestemden tijd nog niet overschreden."
"Mogelijk, maar het is niet meer dan passend, dat men ook eenigermate
denkt aan de belangen...."
"Ik heb alleen op de belangen van mijn cliënt acht te geven,"
antwoordde Kruse, en hij ging voort met dicteeren.
"De volgende zaak," riep de rechter, toen Kruse eindelijk klaar was.
De man met de leepoogen, die nog altijd op dezelfde plaats in den
gang stond, sprong verschrikt op.
Zijne zaak zou voorkomen, hij had zijnen naam hooren noemen.
"Nu," riep de rechter op boozen toon uit. "Wie heeft de zaak in
handen?"
"Advocaat Bogesen," luidde het antwoord.
"Maar Bogesen woont het Thing niet bij.... wie is zijn
plaatsvervanger.... wie?"
De advocaat Kahrs, die volstrekt geen acht had geslagen op hetgeen
er voorviel en die met een vriend aan het raam had staan praten,
liep nu ijlings naar de tafel.
"Welke zaak is voor, Kruse?" fluisterde hij dezen toe.
"Ik zal het even op de lijst nazien," antwoordde deze zeer luid.
"Uilskuiken!" mompelde Kahrs bij zich zelf, hij draaide zich echter
dadelijk eerbiedig naar den president toe, en dicteerde: "voor den
aanklager treedt de advocaat Bogesen op, die door den advocaat Kahrs
vervangen wordt, welke verzoekt de zaak tot het volgende Thing te
mogen uitstellen."
"En waarom?" vroeg de president op eenigszins scherpen toon.
"Wegens een getuigenverhoor," dicteerde Kahrs verder.
"Waar zal dat getuigenverhoor plaats hebben," vroeg hij op boosaardigen
toon, want hij begreep heel goed, dat Kahrs volstrekt niet wist,
waarover de zaak handelde
"In het Röedal," antwoordde Kahrs zonder een oogenblik te aarzelen op
onverstoorbaar ernstigen toon. De welluidende stem en de ernstige,
waardige houding van den advocaat Kahrs hadden altijd eene goede
uitwerking.
De president kon niet nalaten even vertrouwelijk tegen hem te knipoogen
en een paar der klerken hadden groote moeite hunnen lachlust te
bedwingen, doch Kahrs, die met het gezicht naar de menigte toe stond,
behield dezelfde ernstige plooi in zijn gelaat, totdat uitstel van de
zaak toegestaan werd. De advocaat Tofte, die voor de belangen van den
paardenopkooper zou pleiten, had er toch genoegen mee genomen. Kahrs
boog zeer eerbiedig voor den rechter en verdween in de menigte.
"De volgende zaak," riep de president.
"Er zijn er geen meer."
"Goddank!" Het horloge werd nu in het vestzakje gestoken en hij zei
tot een der klerken: "vraag den ambtman of wij kunnen laten inspannen."
De zitting werd opgeheven, de protocollen geteekend, en voor dat de
toehoorders recht hadden begrepen, dat het gedaan was, stonden alle
rechtsgeleerden, die het Thing gehouden hadden reeds klaar, om weg
te gaan.
De advocaten stoven naar buiten, terwijl de klerken voor de dikke
protocollen zorg droegen om ze zoo spoedig mogelijk ingepakt te
krijgen.
De man met de leepoogen volgde den stroom van menschen, die door
de achterdeur naar buiten gingen; hij begreep volstrekt niet, hoe
het eigenlijk met zijne zaak stond. Eindelijk ontfermde zich een
der omstanders over hem door hem mede te deelen, dat zijne zaak
verdaagd was.
"Verdaagd," mompelde hij, en nog begreep hij niet recht, hoe het
was. Tusschen de karren door baande hij zich een weg, hoe wist hij
zelf niet; het kwam hem voor alsof alles donker om hem heen was,
eindelijk bereikte hij zijn karretje, klom er in en werktuigelijk
sloeg hij den weg naar huis in.
De groote calèche stond vóór de deur van den Lensmand. De meeste
heeren zaten reeds in de kleine boerenkarren, die in lange rijen er
achter stonden. Tofte alleen was nog druk bezig met afscheid nemen;
wanneer hij een paar boeren zag, met wie hij de kennis wenschte aan
te houden, was hij bijzonder vriendelijk en hartelijk en had een
schertsend woord ten beste.
Vóór het karretje, waar Kahrs in zat, was een vrij wild paard
gespannen, en het kostte hem heel wat moeite het dier stil te doen
staan. Hij vloekte dan ook, dat de ambtman zoo lang op zich liet
wachten. Weg te rijden, neen, dat waagde hij niet, want hij wist dat
de ambtman hem dit hoogst kwalijk zou nemen.
Ondertusschen praatte deze dood op zijn gemak met de vrouw van den
Lensmand, en hij keek nu en dan eens door het raam, om te zien,
hoe ver men met de toebereidselen voor de reis was gekomen. Hij had
als regel aangenomen nooit buiten te komen, vóór alles klaar was,
en hij hield er van, een weinig op zich te laten wachten.
Eindelijk stapte hij in, de wagen rolde weg en de boerenkarren volgden.
"Och ja," zeide de ambtman, en hij dook zoo gemakkelijk mogelijk weg
in het hoekje van den wagen, "wanneer ik het volk, zooals b.v. vandaag
ook het geval weer was, zoo eerbiedig voor zijne overheidspersonen
zie staan, denk ik altijd: och, zij kunnen schreeuwen, zoo luid als
zij willen die socialisten van den tegenwoordigen tijd, het zal hun
toch niet gelukken dat oude overgeërfde ontzag, dat het volk voor de
overheid koestert, weg te nemen; ons volk is hiervoor te loyaal.... te
godsdienstig."
"En te traag," voegde de officier van justitie er bij.
"Nu ja.... gedeeltelijk kunt gij hierin gelijk hebben," antwoordde de
ambtman, en hij leunde nog wat meer naar achteren, om een middagslaapje
te kunnen houden.
De wagens waren reeds lang uit het gezicht verdwenen, toen de menigte
nog op den weg verzameld stond, en allen hadden veel te vragen. De
rechters waren zoo hals over kop weggereisd en waren zoo moeielijk
te genaken geweest, dat velen onverrichter zake naar huis moesten
terugkeeren. Door geen enkel woord gaf men echter zijn misnoegen te
kennen; hier en daar ontmoette men een knorrig gezicht, of zag men den
een of ander ontevreden het hoofd schudden; misschien was het maar
goed voor den ambtman, dat hij onbekend bleef met de gedachten der
lieden--hij zou misschien zijn middagslaapje dan niet zoo ongestoord
hebben kunnen genieten.
De avond was nu gevallen, een koude regenachtige avond. In het westen
vertoonde zich aan den horizon eene smalle roodachtige streep. Voor
de stoep van het huis, waar de Lensmand woonde, stond de keukenmeid
met hare helpsters om de heeren te zien wegrijden. Rood en warm
zagen zij er uit; na al de drukte van den geheelen dag was het niet
te verwonderen, dat zij naar het vertrek des rechters hadden gesnakt
om gelegenheid te hebben wat frissche lucht te scheppen.
Men verstrooide zich nu naar alle richtingen, sommigen alleen, anderen
in gezelschap van een paar makkers, allen echter met de handen in
de broekzakken. Nat en moede van zoo den geheelen dag in den regen
te hebben moeten drentelen en wachten, sleepten zij zich op den weg
voort naar huis.
De opperloods reed in zuidelijke richting, en daar hij een flink
paard had, haalde hij de meesten in. Na een poosje zag hij Njaedel
te voet naar huis gaan.
"Klim achter op, Njaedel!" Het aanbod werd aangenomen, en men reed
verder.
Een oogenblik later haalden zij een karretje in, dat zeer langzaam
voortrolde.
"Haal uit!" schreeuwde de opperloods.
Het duurde vrij lang, eer het karretje wat op zij was en de andere
wagen voorbij kon komen.
De leepoogige man zat in het karretje. Hij had geen haast, een lange
weg lag vóór hem en hij bracht geen vroolijk bericht naar huis. De oude
bruine merrie, die vóór de kar was gespannen ging op een sukkeldrafje;
bruinvaal was zij van ouderdom en ruigharig als eene geit. De man zag
zijn bruintje aan, en dacht aan zijn Isabella; hoe dichter hij bij
huis kwam, des te beklemder werd zijn gemoed. Hij wist toch te goed,
hoe zijne vrouw en kinderen in de zekere verwachting leefden, dat hij
van avond het beest meê naar huis zou brengen. Zijn oudste jongen had
reeds bij voorbaat eenen halster in de kar gelegd om er het paard meê
achteraan te binden. Hij zag ze reeds allen daar op de hoogte vóór
zijn huisje op den uitkijk staan. Zij zouden dan in allen geval reeds
op verren afstand zien, dat hij het verloren paard niet terugbracht,
maar natuurlijk zouden zij dan meenen, dat hij de zakken vol geld had.
Hij keek in de kar.... ja, daar lag de halster. Hoe zou hij ze aan het
verstand kunnen brengen, dat de zaak "verdaagd" was. Het oude bruine
paard was zoo nat als een kat, en hij dacht maar voortdurend aan de
mooie manen van de Isabella en hoe rond en fijn van leden die was.