Er was zitting van het Thing (gerecht) in het huis van den Lensmand
[1]. Langs beide zijden van den straatweg zag men uitgespannen wagens
van allerlei vorm, meest boerenkarren; voor de deur van het huis,
waar de zitting was, stond de calèche waarmede de heeren van het
gerecht uit de stad waren gekomen.
De dorpsjeugd kon zich aan het mooie rijtuig niet moede kijken;
met open mond gaapten de kleine jongens het aan. De een achter den
ander, de kleinste echter voorop, en allen hielden zij de handen
in de broekzakken. De volwassenen stonden hier en daar op den weg
verspreid, de meesten hielden zich echter in de buurt van het huis
van den Lensmand, zij bekeken het mooie rijtuig ook van alle kanten,
doch zij gaapten er een weinig minder naar dan de jongens; dit echter
hadden zij met dezen gemeen, dat hunne handen ook in de broekzakken
waren verdwenen. Vrouwen zag men in het geheel niet op den weg.
Eenigen der boeren stonden in groepjes met elkaar te praten, anderen
gingen twee aan twee op de plaats achter het huis heen en weer, om meer
ongestoord te kunnen spreken, weder anderen zag men in onverschillige
houding tegen het hek leunen en naar de zee turen. Soms kon men echter
een gelaat ontdekken, waarop angst en spanning duidelijk te lezen
stonden; het was bij die lieden, die een' langen weg hadden afgelegd,
om te hooren, hoe het met hunne zaak stond.
Een kleine man, met zeer roode randen om zijne oogen stond op tamelijk
grooten afstand van de anderen. Den geheelen nacht had hij flink
moeten doorrijden, om vroeg genoeg voor de zitting te komen. Aan eenen
paardenopkooper had hij een Isabella-paard verkocht, maar toen het op
betalen aankwam, had deze hem leelijk gefopt. Ongeveer een jaar geleden
had hij zijne zaak den advokaat Bogesen in handen gegeven, en menigen
blanken rijksdaalder had hij reeds moeten betalen om de onkosten,
die de advokaat natuurlijk maken moest, goed te maken, maar kooper
en paard reden intusschen de wereld rond, de hemel mocht weten waar.
Vandaag, zoo had de advokaat hem ten minste beloofd, zou er een eind
aan de zaak gemaakt worden, en in zijne verbeelding hoorde hij reeds,
hoe het gerecht den paardenopkooper tot eene zware geldboete of eenige
andere straf zou veroordeelen, terwijl aan hem zijn geld zou worden
terugbetaald en, wie weet? ook de merrie hem weer zou toebehooren.
Zoo het hem maar mocht gelukken den advokaat Bogesen te ontdekken! Den
geheelen morgen had hij vóór het huis van den Lensmand op wacht
gestaan, maar zijn advokaat kon hij maar niet in het oog krijgen.
De menschen stroomden het huis in en uit, eenigen hadden aan den
ontvanger hunne belasting te betalen, anderen wilden den ambtman [2]
spreken, of wel het een of ander aan de klerken vragen. Het liep al
naar twaalf uur, en de boeren begonnen hongerig te worden; de van
huis meegebrachte teerkost werd voor den dag gehaald, en een zoo goed
mogelijk plaatsje werd opgezocht, dat echter niet zoo gemakkelijk was
te vinden. Sommigen zaten in eene rij langs de sloot aan den landweg,
terwijl eenigen met het gelaat naar de zee staande hun maal gebruikten.
Van tijd tot tijd verscheen er een klerk in de deur en hoorde men
een' naam luid roepen. Allen draaiden dan het hoofd om, de geroepene
daagde gewoonlijk uit den een of anderen hoek op en ging met afgepaste
schreden naar de deur, tot groote ergernis natuurlijk van den klerk,
wiens fraai gekamd haar door den wind groot gevaar liep geheel in
wanorde te komen, daar het hem vóór de oogen waaide.
Een weinig verder dan de anderen zat een man op eenen grooten steen
tegen den muur van een huis geleund. Hij scheen geheel in gedachten
verzonken, en onafgebroken tuurde hij naar de zee. Hij was zwaar
gebouwd en buitengewoon lang; het graven in den grond, en ook het wonen
in lage vertrekken, hadden zijnen rug gekromd. Zijne gelaatstrekken
waren grof, en dit gevoegd bij den zwaren vuurrooden baard en het dikke
lokkige hoofdhaar van dezelfde kleur, zou hem geheel het uiterlijk van
eenen wilde hebben gegeven, zoo niet de trouwhartige blauwe oogen met
den kinderlijken blik aan zijn gelaat eene gansch andere uitdrukking
hadden verleend. Den hoed had hij afgenomen en naast zich gelegd.
Uit een der groepjes in zijne nabijheid kwam een man naar den zoo
in gepeins verzonkene toe. "Goeden dag Njaedel!" Njaedel draaide het
hoofd even om, en groette terug.
"Dat treft al heel goed, dat ik je vandaag hier zie," zeide de
eerstgenoemde, "wij hebben nu een oogenblik tijd om over het wier
aan het strand te spreken, en kunnen misschien ook te weten komen,
wat de anderen er van denken."
"Het kan mij geen zier schelen, wat de anderen er van denken,"
antwoordde Njaedel, "en hadt gij andere lui ook met vreê gelaten,
zoo was ik nu niet hier op het Thing tot spot van allen."
"Wij moeten er ons in schikken, dat onze slechte daden aan 't licht
worden gebracht, wanneer zij ergernis in de gemeente wekken."
"Och wat... ergernis; wanneer een ieder maar voor zijne eigene deur
veegde, kwam er geene ergernis in de wereld."
"Het is noodzakelijk dat er ergernis kome, maar wee dengene..."
Njaedel stond op, en in zijne volle lengte stond hij nu voor den
andere, en vroeg kortaf: "wat hebt gij mij over het wier te zeggen?"
Sören Börevigs' uiterlijk was geheel verschillend van dat van
Njaedel. Wel was hij lang, maar hij ging zeer voorover, terwijl het
gele stroeve haar en de witte oogharen iets onaangenaams aan zijn
gelaat gaven. Wanneer hij sprak, keek hij den persoon, tot wien
hij het woord richtte, altijd van ter zijde aan, en had daarbij de
gewoonte zich in de handen te wrijven.
"Je graaft eene diepe sloot naar den kant van het zeestrand, Njaedel."
"Ja, daar ben ik aan bezig."
"Het zal dan niet meer zoo gemakkelijk zijn, aan het strand te komen,
om er wier te halen."
"Ik rijd maar langs mijnen akker over mijn eigen grond."
"Ja, dat kan ik zoo denken," zeide Sören, en hij zag den weg op, "maar
ge zoudt er zeker op tegen hebben, dat anderen over je land reden?"
"Ja, ik raad ze maar, dat niet te doen."
"Ja, maar.... zie je.... Njaedel, hoe kan ik, wanneer gij die sloot
graaft, naar het strand komen, om er wier te halen.... hebt ge
daaraan gedacht?"
"Gij.... maar wat zoudt gij aan het strand doen.... Sören.... gij
hebt daar niets te maken."
"Hum.... hum," antwoordde Sören half glimlachend, "ge neemt een'
hoogen toon aan Njaedel, maar...."
"Niet hooger, dan mij past."
"Heb ik misschien niet zoolang ik de Börevigshoeve gepacht heb,
daar mijn wier gehaald?"
"Ja, Sören, dat hebt gij gedaan," antwoordde Njaedel bedaard, "en ik
geloof zelfs, dat gij vele dingen hebt gedaan, die gij liever niet
hadt moeten doen."
"Denkt gij misschien, dat het maar zoo gaat, oude steeds gebruikte
wegen af te sluiten," vroeg Sören hem op zachtmoedigen toon, "dat
kunt gij niet meenen Njaedel?"
"Ik heb mijn eigendomsbewijs.... en een dat echt is, ik heb het land
van de kerk gekocht en ik betaal er belasting voor aan den Bisschop te
Kristiansand. Geen woord staat er in te lezen, hoor, dat de eigenaars
van Börevig verlof hebben, over mijn land te rijden, en zoo vind ik,
dat het mij vrij staat, slooten te graven waar ik wil."
Na deze woorden gezegd te hebben, sloeg hij den weg naar den
huizenkant in.
"Ja, maar het wier.... het wier!" riep Sören uit, en hij wreef zich
harder dan gewoonlijk in de handen.
"Het erts is in de bergen, en het wier in de zee, hebt ge geene bergen,
zoo hebt ge geen erts, hebt ge geen strand, zoo hebt ge geen wier. Ik
vind, dat ge dit moest begrijpen Sören, gij, die zoo buitengewoon
schrander zijt."
"Ja maar, ja maar," begon Sören opnieuw, "maar alle Godsgaven moeten
wij toch met elkander deelen, zijn wij niet allen broeders?
"Ik wil je broêr niet zijn, Sören Börevig.... voor geen tweehonderd
groote lasten zeewier," antwoordde Njaedel, en er lag iets sombers
in den blik, waarmede hij hem aanzag.
"Nu ja.... Njaedel, dan schiet er wel niet anders over, dan de zaak
voor het gerecht te brengen," zeide Sören bedaard, "de advocaat
Tofte is nu juist hier, dat komt al heel goed uit, ik zal hem er
over raadplegen."
"Ga je gang, Sören, ik heb mijn koopcontract," antwoordde Njaedel,
en hij ging verder.
Midden op den weg, tusschen de huizen in, stond eene menigte mannen
om een voertuig, dat zoo even was aangekomen. Een klein gezet man,
met een zeer rood gelaat een' grijzen baard en eene pelsmuts op het
hoofd, stapte uit den wagen.
"Is hier iemand," sprak hij, de omstanders aanziende, "die mij kan
vertellen wien het stuk van den weg toebehoort, dat van het hek van
Börevig tot aan het Zwarte Moeras loopt, dien kerel zou ik gaarne
een hartig woordje willen zeggen."
Niemand kon hem er bescheid op geven, doch eindelijk antwoordde een
oud man: "ja, daar heeft de opperloods gelijk in, de geheele kust
langs is de weg niet zoo slecht als juist daar."
"Een weg!" riep de opperloods uit, "noem je dat een weg? neen, ik
noem het een moeras, waarin hier en daar eenige steenen zijn gegooid,
kijk maar eens, hoe mooi wij eruitzien," en hij wees met de hand naar
het paard en den wagen, die er vreeselijk beslijkt uitzagen.
"Het best zou maar zijn, bij den Lensmand eene klacht in te dienen,"
riep één uit de menigte.
"Ja, zoo het wat hielp," luidde het antwoord van den opperloods,
en hij krabde zich het hoofd.
Njaedel Vatuemo stond niet ver van den opperloods af, en toen deze
hem bemerkte, knipoogde hij hem vertrouwelijk toe.
Eén der loodsen begon het paard nu uit te spannen, en de opperloods
ging tot Njaedel en zeide tot hem op fluisterenden toon: "zij is
welbehouden aan boord geraakt."
"Kreeg zij eene goede plaats aan boord?" vroeg Njaedel.
"Eene beste hoor.... men zou bijna zeggen, dat het eene van de
groote booten op Amerika was, en toch was het maar eene plaats op
het voordek. Morgen avond komt zij te Christiania aan."
"Morgen avond; dat treft ze niet goed, dat de boot 's avonds aankomt,
zoo zij Anders nu maar in de duisternis vinden kan."
"Daar heb ik voor gezorgd, Njaedel, ik heb voor jou aan je broer
laten telegrafeeren, dat hij Christina aan de aanlegplaats moet
gaan afhalen."
"Wel heb ik van mijn leven, dat ge er op kwaamt dat te doen," zeide
Njaedel, "dat kostte heel wat geld, hé?"
"Precies eene kroon."
"Kon-je het niet wat goedkooper gedaan krijgen?"
"Neen.... buurman, daar staat een vaste prijs voor."
"Ja, ja, dat kan ik wel denken; ik ben maar in mijn schik, dat je
er voor hebt gezorgd," zeide Njaedel, en hij grabbelde in zijnen zak
naar eene kroon.... "wel bedankt, hoor!"
"Kom, niet te danken.... Ben je al vóór geweest, Njaedel?"
"Neen, en men zegt, dat ik eerst laat aan de beurt zal komen."
"Heb je wat teerkost meegenomen?"
"Neen!" en het antwoord werd eenigszins kortaf gegeven.... "er was
nu niemand t'huis om wat voor mij klaar te maken."
"Hm.... dat is waar ook," mompelde de opperloods, "weet je wat,
wij zullen nu maar zien, wat eten bij den loods Tobias op te loopen."
De boeren gingen een weinig op zij om plaats voor den opperloods
te maken en allen groetten hem; den langen Njaedel, die achter hem
aanging, scheen niemand te willen bemerken.
De lucht betrok meer en meer. De zee zag er onstuimig uit en dreigende
regenwolken vertoonden zich in de verte. Eene ferme bries uit het
zuidwesten zweepte de schuimende golven over en tusschen de groote
ronde steenen aan het strand, en lange slijmachtige zeeplanten voerden
zij in hun vaart met zich.
Verder op het strand, waar dit iets hooger gelegen was, hadden de
bewoners hunne huizen gebouwd.
Nauwe wegen vol mest en vuilnishoopen bevonden zich tusschen de huizen,
overal lagen hier en daar gebroken mestgaffels, roestige ploegijzers,
halve wielen en wrakken van vaartuigen van allerlei soort, die in
den loop des tijds door de zee aangespoeld waren.
Vóór elke woning bevond zich meestal echter een plekje, dat netjes
in orde werd gehouden, waar de bewoners gaarne vertoefden, wanneer
het 's avonds mooi weer was, gezeten op den steenen drempel van de
buitendeur of op de bank tegen den muur.
Hoewel het zomerdag was, lag er nu toch iets sombers over
alles. Donkere regenwolken hingen laag neer en de zee zag grauw. De
met donkerroode teer bestreken huizen hadden niets aantrekkelijks voor
het oog. Dit was niet altijd het geval: wanneer de zon helder scheen,
konden zij er met hunne heldere, van witte gordijnen voorziene
vensters, waarvoor meestal eenige bloempotten stonden, recht
vriendelijk uitzien; zelfs het witgeverfde huis van den Lensmand zag
er vandaag ook niet op zijn voordeeligst uit.
De dichte drommen van boeren, die hier vandaag verzameld waren,
pasten volkomen bij het geheel; allen droegen dikke wambuizen van
donkerblauwe stof, en dit costuum scheen ook iets gedrukts aan het
landschap te geven. Levendig ging het volstrekt niet toe, het gesprek
scheen nergens te willen vlotten ; men groette elkander even in het
voorbijgaan, maar men zag elkaar nauwelijks aan; soms gebeurde het, dat
eenige boeren hunne groote, klamme handen tot eenen groet uitstaken,
maar geen hartelijke handdruk werd er gewisseld, wat trouwens ook niet
bij de boeren gebruikelijk is: stijf als stokken strekken ze de vingers
uit. Luid gepraat of geschreeuw werd niet gehoord, veel minder nog
een hartelijk gelach, ook was hier die eigenaardige lucht te bemerken,
welke aan duffel eigen is, wanneer het in iets wordt geverfd, dat men
"potteblaat" noemt,--een woord waarvan men maar niet al te nauwkeurig
de beteekenis moet uitvorschen.
Klokke één uur werd de morgenzitting opgeheven.
In het vertrek, waar de zitting plaats had, werd nu de tafel voor de
heeren gedekt, en dezen gingen zoolang wat op en neer vóór het huis.
Eenige boeren, die wat meer moed dan de overige bezaten, beproefden
een gesprek met hunnen advocaat aan te knoopen, om hem toch vooral
hunne zaak op het hart te drukken; de man met de leepoogen kon den
zijne maar niet in het oog krijgen. De ambtman Hiorth, die altijd
gaarne voor zeer humaan werd aangezien, mengde zich meer dan de
anderen onder het volk en gaf er nauwlettend acht op, welke boeren
hem groetten. Wanneer hij een bekend gezicht meende te zien, bleef
hij een oogenblik staan, en sprak eenige vriendelijke woorden. Zijne
handen hield hij op den rug onder zijne rokspanden: op handdrukken
was hij niet bijzonder gesteld. Juist nu werd een gevangene door een
paar veldwachters over de plaats gevoerd. Voor alle zekerheid had men
hem in boeien geklonken, want uit het hok, waarheen hij gevoerd werd,
was het gemakkelijk te ontvluchten, en buitendien was het voor hem,
die er op wacht moest staan, het gemakkelijkst.
"Kent iemand hier dezen man?" vroeg de ambtman.
"Ja.... meneer de ambtman, hij hoort te Krydsvig t'huis," antwoordde
de opperloods, die juist uit een der huizen naar buiten kwam.
"Goeden dag, opperloods Sechus," zeide de ambtman, en als een
bewijs van de hooge gunst, waarin deze bij hem stond, reikte hij
hem de twee vingers zijner rechterhand... "gij kent den arrestant
dus...? Diefstal.... is het niet zoo?"
"Ja... arme kerel.... hij heeft bij den kruidenier aldaar ingebroken
en er eenen zak meel en eene kan stroop gestolen."
"Het is inderdaad treurig," zeide de ambtman, en hij zag de omstanders
met gestrengen blik aan, "dat de diefstallen zoo toenemen. Het komt
natuurlijk hierdoor, dat ons volk tegenwoordig ongelukkigerwijze
maar al te geneigd is een gewillig oor te leenen aan de woorden
van hen, die schijnbaar hun welzijn bedoelen.... Verkeert hij in
behoeftige omstandigheden.... heeft hij eene talrijke familie te
verzorgen.... zijn er veel kinderen?"
"Vele en kleine als Komlene [3] te Njàa," antwoordde de opperloods.
"Komlene, Kumle?" vroeg de ambtman en zag om zich heen. De advocaat
Tofte, die altijd zoo dicht mogelijk bij den ambtman bleef, om dadelijk
van dienst te kunnen zijn, zeide op zijnen innemenden toon en half
glimlachend: "O, het is eene soort pannekoeken van aardappelenmeel."
"Ah zoo.... pannekoeken...." mompelde deze, en hij ging verder.
De lieden zagen elkaar even van ter zijde aan, en toen de ambtman
hun den rug had toegekeerd, konden eenigen zich niet weerhouden,
even te lachen. Altijd bewonderde men den opperloods zeer, dat hij
op zoo familiaren toon met de groote lui durfde spreken; hij stond
zoo tusschen de beide klassen in, daar hij noch tot den eenen, noch
tot den anderen stand behoorde.
Lauritz Boldemann Sechus was de zoon van eenen tolbeambte, een'
dronkaard van de eerste soort. In zijne jeugd had hij ter zee
gevaren; toen hij echter wat ouder werd, kocht hij een stukje van den
gemeente-grond te Krydsvig, bouwde er een huisje, waaruit hij van alle
kanten de zee kon zien, en kreeg toen het postje van opperloods. Sechus
was nu zoo wat om en bij de zestig, was ongetrouwd, en zag er half als
een schipper, half als een boer uit. Bij hen, die over hem gesteld
waren, stond hij niet al te goed aangeschreven. De ambtman Hiorth
beschouwde hem dan ook min of meer als iemand, die gevaarlijk voor
de maatschappij was.
Hij bekleedde eene rijksbetrekking en ontzag zich niet, gemeenzaam met
de boeren om te gaan, en dit kon de ambtman volstrekt niet goedkeuren;
zoo licht kon zulks toch oorzaak worden, dat dit soort van menschen
minder ontzag voor den ambtenaarsstand begon te koesteren..... eene
zaak welke zeer te betreuren zou zijn, wijl dit ontzag toch eene van
de vaderen geërfde deugd was!
Daar Sechus ondertusschen zijn dienstwerk nauwgezet verrichtte,
bestond er weinig vooruitzicht van hem af te komen, vooral ook
wijl de boeren zeer met hem ingenomen waren. Zelf had hij er in
het minst geen vermoeden van, dat zijne superieuren niet hoog met
hem wegliepen. Zijne openhartige wijze van spreken was hem van het
zeemansleven bijgebleven, en wanneer de ambtman hem nu en dan de groote
eer aandeed, twee vingers tot begroeting toe te steken, vond Sechus,
dat de ambtman een kerel was, die wist wat een mensch toekomt.
Zijn naaste buurman was Njaedel Vatuemo. Eigenlijk behoorde deze niet
aan de kust thuis.
In de bergen was hij geboren. Vele jaren reeds had de hofstede, die
hij daar bewoonde, gevaar geloopen door eene bergverzakking bedolven
te worden, doch steeds was het nog bij kleine schade gebleven.
Op zekeren nacht echter, het was in de lente, gebeurde wat Njaedel
reeds lang had gevreesd. Eene vreeselijke verzakking had plaats; de
hoeve werd geheel verwoest, en Njaedel, die zich half gekleed, nog
met moeite op een vooruitstekend rotsblok had kunnen redden, stond
eenzaam en verlaten. Des morgens haalde men van onder het puin de
lijken zijner vrouw en twee kinderen voor den dag; de oudste dochter
was in het leven gespaard gebleven.
Het was hem niet langer mogelijk op zijne geboorteplaats te
blijven. Hij verkocht, wat hem was overgebleven en zette zich aan de
kust neder.
Njaedel volgde niet het gewone gebruik der boeren, zich te noemen naar
de plaats, die hij nu bezat. Hij had een stuk land gekocht, waarvan
de opperloods ook een gedeelte had. Het goed Krydsvig, met al de
landerijen er om heen, had vroeger het bisdom Kristiansand toebehoord.
Dáár in de bergen had Njaedel de eenzaamheid lief gekregen, een groot
deel van zijn leven had hij er ook gesleten. Bij den aankoop had hij
dan ook dat gedeelte gekozen, hetwelk onmiddellijk aan het strand
grensde; eene groote onontgonnen zandvlakte behoorde bij den koop.
Vele jaren had hij nu reeds hier met zijne dochter Christina en een
dienstmeisje gewoond.
Hij bebouwde zijn land en het gelukte hem zelfs iets te sparen. Met
niemand had hij omgang dan met den opperloods; deze had groote
genegenheid opgevat voor dien reusachtigen kerel, die er tevens
zoo goedmoedig uitzag, en wiens knappe dochter het een lust was aan
te kijken vooral daar opgeruimdheid van gemoed haar in de oogen te
lezen stond.
De bewoners van de streek waren niet zeer met Njaedel ingenomen,
wijl hij een vreemdeling was. Buitendien vonden zij, dat hij iets
stroefs in zijn wezen had, zoodat zij liefst zoo weinig mogelijk met
hem te doen wilden hebben. Wanneer hij daar zoo diep in den grond met
graven bezig was, had hij werkelijk iets, dat schrik kon inboezemen;
daar hij altijd blootshoofds liep, uitgezonderd op feestdagen, maakte
de dikke rosachtige haarbos een vreemd effect, wanneer men die van
uit den grond zag opkomen, en alle reizigers, die den landweg kwamen
langs rijden, konden niet nalaten, wanneer zij Njaedel zagen, aan den
koetsier te vragen, wat dat voor een man was. Njaedel, die altijd zeer
in zijn werk verdiept was, bemerkte nooit, dat hij zoo de aandacht
trok. Met op elkaar geklemde tanden en gefronste wenkbrauwen groef
en wroette hij met. spade en houweel in den grond, zoodat de klompen
aarde wijd en zijd heenvlogen, en kwam er een steen in zijnen weg,
die onbeweeglijk scheen, zoo scheen zijn ijver te verdubbelen: hij
rustte niet, vóórdat het hem gelukt was dezen te verwijderen en hij
bromde intusschen bij zich zelf als een beer.
Tegen het schaftuur, of wanneer het te donker werd om verder te
arbeiden, kwam hij uit den grond te voorschijn, en stiet het slijk
van zijne klompen. De spade werd in den grond gestoken en het werk
met aandacht bekeken. Wanneer het gedane werk hem beviel, streek hij
gewoonlijk met de knuisten door zijn haar, zoodat dit naar alle kanten
uitstond en een tevreden glimlach lag er om zijnen mond.
Binnenshuis, vooral in gezelschap van vrouwen, was hij zoo zacht
als een lam; hij liep altijd zoo voorzichtig door de kamers, alsof
hij vreesde, in geval hij zich in zijne geheele lengte uitrekte,
het dak van het huis te zullen aanraken.
Terwijl de heeren in het huis van den Lensmand aan het middagmaal
waren, begon het te regenen, en de droppels vielen zoo gelijkmatig
neer, dat men er zeker van kon zijn, dat de regen lang zou aanhouden.
Eenige boeren zochten eene schuilplaats in de omliggende huizen of
schuren, het meerendeel bleef echter in den regen staan. Soms bogen
zij zich een weinig voorover om het water van hunnen hoed te laten
afdruipen, maar eigenlijk waren zij er zoo aan gewoon nat te worden,
dat het hun niet veel kon schelen.
De regen sijpelde door het baai heen, en droop in licht blauw gekleurde
droppels van hunne wambuizen. Sporen van ongeduld vertoonden zich
over het lange wachten niet onder de menigte; allen wisten, dat een
maaltijd op den dag dat er zitting was, iets was, waar de noodige
tijd voor genomen moest worden.