II.

Er was zitting van het Thing (gerecht) in het huis van den Lensmand

[1]. Langs beide zijden van den straatweg zag men uitgespannen wagens

van allerlei vorm, meest boerenkarren; voor de deur van het huis,

waar de zitting was, stond de calèche waarmede de heeren van het

gerecht uit de stad waren gekomen.

De dorpsjeugd kon zich aan het mooie rijtuig niet moede kijken;

met open mond gaapten de kleine jongens het aan. De een achter den

ander, de kleinste echter voorop, en allen hielden zij de handen

in de broekzakken. De volwassenen stonden hier en daar op den weg

verspreid, de meesten hielden zich echter in de buurt van het huis

van den Lensmand, zij bekeken het mooie rijtuig ook van alle kanten,

doch zij gaapten er een weinig minder naar dan de jongens; dit echter

hadden zij met dezen gemeen, dat hunne handen ook in de broekzakken

waren verdwenen. Vrouwen zag men in het geheel niet op den weg.

Eenigen der boeren stonden in groepjes met elkaar te praten, anderen

gingen twee aan twee op de plaats achter het huis heen en weer, om meer

ongestoord te kunnen spreken, weder anderen zag men in onverschillige

houding tegen het hek leunen en naar de zee turen. Soms kon men echter

een gelaat ontdekken, waarop angst en spanning duidelijk te lezen

stonden; het was bij die lieden, die een' langen weg hadden afgelegd,

om te hooren, hoe het met hunne zaak stond.

Een kleine man, met zeer roode randen om zijne oogen stond op tamelijk

grooten afstand van de anderen. Den geheelen nacht had hij flink

moeten doorrijden, om vroeg genoeg voor de zitting te komen. Aan eenen

paardenopkooper had hij een Isabella-paard verkocht, maar toen het op

betalen aankwam, had deze hem leelijk gefopt. Ongeveer een jaar geleden

had hij zijne zaak den advokaat Bogesen in handen gegeven, en menigen

blanken rijksdaalder had hij reeds moeten betalen om de onkosten,

die de advokaat natuurlijk maken moest, goed te maken, maar kooper

en paard reden intusschen de wereld rond, de hemel mocht weten waar.

Vandaag, zoo had de advokaat hem ten minste beloofd, zou er een eind

aan de zaak gemaakt worden, en in zijne verbeelding hoorde hij reeds,

hoe het gerecht den paardenopkooper tot eene zware geldboete of eenige

andere straf zou veroordeelen, terwijl aan hem zijn geld zou worden

terugbetaald en, wie weet? ook de merrie hem weer zou toebehooren.

Zoo het hem maar mocht gelukken den advokaat Bogesen te ontdekken! Den

geheelen morgen had hij vóór het huis van den Lensmand op wacht

gestaan, maar zijn advokaat kon hij maar niet in het oog krijgen.

De menschen stroomden het huis in en uit, eenigen hadden aan den

ontvanger hunne belasting te betalen, anderen wilden den ambtman [2]

spreken, of wel het een of ander aan de klerken vragen. Het liep al

naar twaalf uur, en de boeren begonnen hongerig te worden; de van

huis meegebrachte teerkost werd voor den dag gehaald, en een zoo goed

mogelijk plaatsje werd opgezocht, dat echter niet zoo gemakkelijk was

te vinden. Sommigen zaten in eene rij langs de sloot aan den landweg,

terwijl eenigen met het gelaat naar de zee staande hun maal gebruikten.

Van tijd tot tijd verscheen er een klerk in de deur en hoorde men

een' naam luid roepen. Allen draaiden dan het hoofd om, de geroepene

daagde gewoonlijk uit den een of anderen hoek op en ging met afgepaste

schreden naar de deur, tot groote ergernis natuurlijk van den klerk,

wiens fraai gekamd haar door den wind groot gevaar liep geheel in

wanorde te komen, daar het hem vóór de oogen waaide.

Een weinig verder dan de anderen zat een man op eenen grooten steen

tegen den muur van een huis geleund. Hij scheen geheel in gedachten

verzonken, en onafgebroken tuurde hij naar de zee. Hij was zwaar

gebouwd en buitengewoon lang; het graven in den grond, en ook het wonen

in lage vertrekken, hadden zijnen rug gekromd. Zijne gelaatstrekken

waren grof, en dit gevoegd bij den zwaren vuurrooden baard en het dikke

lokkige hoofdhaar van dezelfde kleur, zou hem geheel het uiterlijk van

eenen wilde hebben gegeven, zoo niet de trouwhartige blauwe oogen met

den kinderlijken blik aan zijn gelaat eene gansch andere uitdrukking

hadden verleend. Den hoed had hij afgenomen en naast zich gelegd.

Uit een der groepjes in zijne nabijheid kwam een man naar den zoo

in gepeins verzonkene toe. "Goeden dag Njaedel!" Njaedel draaide het

hoofd even om, en groette terug.

"Dat treft al heel goed, dat ik je vandaag hier zie," zeide de

eerstgenoemde, "wij hebben nu een oogenblik tijd om over het wier

aan het strand te spreken, en kunnen misschien ook te weten komen,

wat de anderen er van denken."

"Het kan mij geen zier schelen, wat de anderen er van denken,"

antwoordde Njaedel, "en hadt gij andere lui ook met vreê gelaten,

zoo was ik nu niet hier op het Thing tot spot van allen."

"Wij moeten er ons in schikken, dat onze slechte daden aan 't licht

worden gebracht, wanneer zij ergernis in de gemeente wekken."

"Och wat... ergernis; wanneer een ieder maar voor zijne eigene deur

veegde, kwam er geene ergernis in de wereld."

"Het is noodzakelijk dat er ergernis kome, maar wee dengene..."

Njaedel stond op, en in zijne volle lengte stond hij nu voor den

andere, en vroeg kortaf: "wat hebt gij mij over het wier te zeggen?"

Sören Börevigs' uiterlijk was geheel verschillend van dat van

Njaedel. Wel was hij lang, maar hij ging zeer voorover, terwijl het

gele stroeve haar en de witte oogharen iets onaangenaams aan zijn

gelaat gaven. Wanneer hij sprak, keek hij den persoon, tot wien

hij het woord richtte, altijd van ter zijde aan, en had daarbij de

gewoonte zich in de handen te wrijven.

"Je graaft eene diepe sloot naar den kant van het zeestrand, Njaedel."

"Ja, daar ben ik aan bezig."

"Het zal dan niet meer zoo gemakkelijk zijn, aan het strand te komen,

om er wier te halen."

"Ik rijd maar langs mijnen akker over mijn eigen grond."

"Ja, dat kan ik zoo denken," zeide Sören, en hij zag den weg op, "maar

ge zoudt er zeker op tegen hebben, dat anderen over je land reden?"

"Ja, ik raad ze maar, dat niet te doen."

"Ja, maar.... zie je.... Njaedel, hoe kan ik, wanneer gij die sloot

graaft, naar het strand komen, om er wier te halen.... hebt ge

daaraan gedacht?"

"Gij.... maar wat zoudt gij aan het strand doen.... Sören.... gij

hebt daar niets te maken."

"Hum.... hum," antwoordde Sören half glimlachend, "ge neemt een'

hoogen toon aan Njaedel, maar...."

"Niet hooger, dan mij past."

"Heb ik misschien niet zoolang ik de Börevigshoeve gepacht heb,

daar mijn wier gehaald?"

"Ja, Sören, dat hebt gij gedaan," antwoordde Njaedel bedaard, "en ik

geloof zelfs, dat gij vele dingen hebt gedaan, die gij liever niet

hadt moeten doen."

"Denkt gij misschien, dat het maar zoo gaat, oude steeds gebruikte

wegen af te sluiten," vroeg Sören hem op zachtmoedigen toon, "dat

kunt gij niet meenen Njaedel?"

"Ik heb mijn eigendomsbewijs.... en een dat echt is, ik heb het land

van de kerk gekocht en ik betaal er belasting voor aan den Bisschop te

Kristiansand. Geen woord staat er in te lezen, hoor, dat de eigenaars

van Börevig verlof hebben, over mijn land te rijden, en zoo vind ik,

dat het mij vrij staat, slooten te graven waar ik wil."

Na deze woorden gezegd te hebben, sloeg hij den weg naar den

huizenkant in.

"Ja, maar het wier.... het wier!" riep Sören uit, en hij wreef zich

harder dan gewoonlijk in de handen.

"Het erts is in de bergen, en het wier in de zee, hebt ge geene bergen,

zoo hebt ge geen erts, hebt ge geen strand, zoo hebt ge geen wier. Ik

vind, dat ge dit moest begrijpen Sören, gij, die zoo buitengewoon

schrander zijt."

"Ja maar, ja maar," begon Sören opnieuw, "maar alle Godsgaven moeten

wij toch met elkander deelen, zijn wij niet allen broeders?

"Ik wil je broêr niet zijn, Sören Börevig.... voor geen tweehonderd

groote lasten zeewier," antwoordde Njaedel, en er lag iets sombers

in den blik, waarmede hij hem aanzag.

"Nu ja.... Njaedel, dan schiet er wel niet anders over, dan de zaak

voor het gerecht te brengen," zeide Sören bedaard, "de advocaat

Tofte is nu juist hier, dat komt al heel goed uit, ik zal hem er

over raadplegen."

"Ga je gang, Sören, ik heb mijn koopcontract," antwoordde Njaedel,

en hij ging verder.

Midden op den weg, tusschen de huizen in, stond eene menigte mannen

om een voertuig, dat zoo even was aangekomen. Een klein gezet man,

met een zeer rood gelaat een' grijzen baard en eene pelsmuts op het

hoofd, stapte uit den wagen.

"Is hier iemand," sprak hij, de omstanders aanziende, "die mij kan

vertellen wien het stuk van den weg toebehoort, dat van het hek van

Börevig tot aan het Zwarte Moeras loopt, dien kerel zou ik gaarne

een hartig woordje willen zeggen."

Niemand kon hem er bescheid op geven, doch eindelijk antwoordde een

oud man: "ja, daar heeft de opperloods gelijk in, de geheele kust

langs is de weg niet zoo slecht als juist daar."

"Een weg!" riep de opperloods uit, "noem je dat een weg? neen, ik

noem het een moeras, waarin hier en daar eenige steenen zijn gegooid,

kijk maar eens, hoe mooi wij eruitzien," en hij wees met de hand naar

het paard en den wagen, die er vreeselijk beslijkt uitzagen.

"Het best zou maar zijn, bij den Lensmand eene klacht in te dienen,"

riep één uit de menigte.

"Ja, zoo het wat hielp," luidde het antwoord van den opperloods,

en hij krabde zich het hoofd.

Njaedel Vatuemo stond niet ver van den opperloods af, en toen deze

hem bemerkte, knipoogde hij hem vertrouwelijk toe.

Eén der loodsen begon het paard nu uit te spannen, en de opperloods

ging tot Njaedel en zeide tot hem op fluisterenden toon: "zij is

welbehouden aan boord geraakt."

"Kreeg zij eene goede plaats aan boord?" vroeg Njaedel.

"Eene beste hoor.... men zou bijna zeggen, dat het eene van de

groote booten op Amerika was, en toch was het maar eene plaats op

het voordek. Morgen avond komt zij te Christiania aan."

"Morgen avond; dat treft ze niet goed, dat de boot 's avonds aankomt,

zoo zij Anders nu maar in de duisternis vinden kan."

"Daar heb ik voor gezorgd, Njaedel, ik heb voor jou aan je broer

laten telegrafeeren, dat hij Christina aan de aanlegplaats moet

gaan afhalen."

"Wel heb ik van mijn leven, dat ge er op kwaamt dat te doen," zeide

Njaedel, "dat kostte heel wat geld, hé?"

"Precies eene kroon."

"Kon-je het niet wat goedkooper gedaan krijgen?"

"Neen.... buurman, daar staat een vaste prijs voor."

"Ja, ja, dat kan ik wel denken; ik ben maar in mijn schik, dat je

er voor hebt gezorgd," zeide Njaedel, en hij grabbelde in zijnen zak

naar eene kroon.... "wel bedankt, hoor!"

"Kom, niet te danken.... Ben je al vóór geweest, Njaedel?"

"Neen, en men zegt, dat ik eerst laat aan de beurt zal komen."

"Heb je wat teerkost meegenomen?"

"Neen!" en het antwoord werd eenigszins kortaf gegeven.... "er was

nu niemand t'huis om wat voor mij klaar te maken."

"Hm.... dat is waar ook," mompelde de opperloods, "weet je wat,

wij zullen nu maar zien, wat eten bij den loods Tobias op te loopen."

De boeren gingen een weinig op zij om plaats voor den opperloods

te maken en allen groetten hem; den langen Njaedel, die achter hem

aanging, scheen niemand te willen bemerken.

De lucht betrok meer en meer. De zee zag er onstuimig uit en dreigende

regenwolken vertoonden zich in de verte. Eene ferme bries uit het

zuidwesten zweepte de schuimende golven over en tusschen de groote

ronde steenen aan het strand, en lange slijmachtige zeeplanten voerden

zij in hun vaart met zich.

Verder op het strand, waar dit iets hooger gelegen was, hadden de

bewoners hunne huizen gebouwd.

Nauwe wegen vol mest en vuilnishoopen bevonden zich tusschen de huizen,

overal lagen hier en daar gebroken mestgaffels, roestige ploegijzers,

halve wielen en wrakken van vaartuigen van allerlei soort, die in

den loop des tijds door de zee aangespoeld waren.

Vóór elke woning bevond zich meestal echter een plekje, dat netjes

in orde werd gehouden, waar de bewoners gaarne vertoefden, wanneer

het 's avonds mooi weer was, gezeten op den steenen drempel van de

buitendeur of op de bank tegen den muur.

Hoewel het zomerdag was, lag er nu toch iets sombers over

alles. Donkere regenwolken hingen laag neer en de zee zag grauw. De

met donkerroode teer bestreken huizen hadden niets aantrekkelijks voor

het oog. Dit was niet altijd het geval: wanneer de zon helder scheen,

konden zij er met hunne heldere, van witte gordijnen voorziene

vensters, waarvoor meestal eenige bloempotten stonden, recht

vriendelijk uitzien; zelfs het witgeverfde huis van den Lensmand zag

er vandaag ook niet op zijn voordeeligst uit.

De dichte drommen van boeren, die hier vandaag verzameld waren,

pasten volkomen bij het geheel; allen droegen dikke wambuizen van

donkerblauwe stof, en dit costuum scheen ook iets gedrukts aan het

landschap te geven. Levendig ging het volstrekt niet toe, het gesprek

scheen nergens te willen vlotten ; men groette elkander even in het

voorbijgaan, maar men zag elkaar nauwelijks aan; soms gebeurde het, dat

eenige boeren hunne groote, klamme handen tot eenen groet uitstaken,

maar geen hartelijke handdruk werd er gewisseld, wat trouwens ook niet

bij de boeren gebruikelijk is: stijf als stokken strekken ze de vingers

uit. Luid gepraat of geschreeuw werd niet gehoord, veel minder nog

een hartelijk gelach, ook was hier die eigenaardige lucht te bemerken,

welke aan duffel eigen is, wanneer het in iets wordt geverfd, dat men

"potteblaat" noemt,--een woord waarvan men maar niet al te nauwkeurig

de beteekenis moet uitvorschen.

Klokke één uur werd de morgenzitting opgeheven.

In het vertrek, waar de zitting plaats had, werd nu de tafel voor de

heeren gedekt, en dezen gingen zoolang wat op en neer vóór het huis.

Eenige boeren, die wat meer moed dan de overige bezaten, beproefden

een gesprek met hunnen advocaat aan te knoopen, om hem toch vooral

hunne zaak op het hart te drukken; de man met de leepoogen kon den

zijne maar niet in het oog krijgen. De ambtman Hiorth, die altijd

gaarne voor zeer humaan werd aangezien, mengde zich meer dan de

anderen onder het volk en gaf er nauwlettend acht op, welke boeren

hem groetten. Wanneer hij een bekend gezicht meende te zien, bleef

hij een oogenblik staan, en sprak eenige vriendelijke woorden. Zijne

handen hield hij op den rug onder zijne rokspanden: op handdrukken

was hij niet bijzonder gesteld. Juist nu werd een gevangene door een

paar veldwachters over de plaats gevoerd. Voor alle zekerheid had men

hem in boeien geklonken, want uit het hok, waarheen hij gevoerd werd,

was het gemakkelijk te ontvluchten, en buitendien was het voor hem,

die er op wacht moest staan, het gemakkelijkst.

"Kent iemand hier dezen man?" vroeg de ambtman.

"Ja.... meneer de ambtman, hij hoort te Krydsvig t'huis," antwoordde

de opperloods, die juist uit een der huizen naar buiten kwam.

"Goeden dag, opperloods Sechus," zeide de ambtman, en als een

bewijs van de hooge gunst, waarin deze bij hem stond, reikte hij

hem de twee vingers zijner rechterhand... "gij kent den arrestant

dus...? Diefstal.... is het niet zoo?"

"Ja... arme kerel.... hij heeft bij den kruidenier aldaar ingebroken

en er eenen zak meel en eene kan stroop gestolen."

"Het is inderdaad treurig," zeide de ambtman, en hij zag de omstanders

met gestrengen blik aan, "dat de diefstallen zoo toenemen. Het komt

natuurlijk hierdoor, dat ons volk tegenwoordig ongelukkigerwijze

maar al te geneigd is een gewillig oor te leenen aan de woorden

van hen, die schijnbaar hun welzijn bedoelen.... Verkeert hij in

behoeftige omstandigheden.... heeft hij eene talrijke familie te

verzorgen.... zijn er veel kinderen?"

"Vele en kleine als Komlene [3] te Njàa," antwoordde de opperloods.

"Komlene, Kumle?" vroeg de ambtman en zag om zich heen. De advocaat

Tofte, die altijd zoo dicht mogelijk bij den ambtman bleef, om dadelijk

van dienst te kunnen zijn, zeide op zijnen innemenden toon en half

glimlachend: "O, het is eene soort pannekoeken van aardappelenmeel."

"Ah zoo.... pannekoeken...." mompelde deze, en hij ging verder.

De lieden zagen elkaar even van ter zijde aan, en toen de ambtman

hun den rug had toegekeerd, konden eenigen zich niet weerhouden,

even te lachen. Altijd bewonderde men den opperloods zeer, dat hij

op zoo familiaren toon met de groote lui durfde spreken; hij stond

zoo tusschen de beide klassen in, daar hij noch tot den eenen, noch

tot den anderen stand behoorde.

Lauritz Boldemann Sechus was de zoon van eenen tolbeambte, een'

dronkaard van de eerste soort. In zijne jeugd had hij ter zee

gevaren; toen hij echter wat ouder werd, kocht hij een stukje van den

gemeente-grond te Krydsvig, bouwde er een huisje, waaruit hij van alle

kanten de zee kon zien, en kreeg toen het postje van opperloods. Sechus

was nu zoo wat om en bij de zestig, was ongetrouwd, en zag er half als

een schipper, half als een boer uit. Bij hen, die over hem gesteld

waren, stond hij niet al te goed aangeschreven. De ambtman Hiorth

beschouwde hem dan ook min of meer als iemand, die gevaarlijk voor

de maatschappij was.

Hij bekleedde eene rijksbetrekking en ontzag zich niet, gemeenzaam met

de boeren om te gaan, en dit kon de ambtman volstrekt niet goedkeuren;

zoo licht kon zulks toch oorzaak worden, dat dit soort van menschen

minder ontzag voor den ambtenaarsstand begon te koesteren..... eene

zaak welke zeer te betreuren zou zijn, wijl dit ontzag toch eene van

de vaderen geërfde deugd was!

Daar Sechus ondertusschen zijn dienstwerk nauwgezet verrichtte,

bestond er weinig vooruitzicht van hem af te komen, vooral ook

wijl de boeren zeer met hem ingenomen waren. Zelf had hij er in

het minst geen vermoeden van, dat zijne superieuren niet hoog met

hem wegliepen. Zijne openhartige wijze van spreken was hem van het

zeemansleven bijgebleven, en wanneer de ambtman hem nu en dan de groote

eer aandeed, twee vingers tot begroeting toe te steken, vond Sechus,

dat de ambtman een kerel was, die wist wat een mensch toekomt.

Zijn naaste buurman was Njaedel Vatuemo. Eigenlijk behoorde deze niet

aan de kust thuis.

In de bergen was hij geboren. Vele jaren reeds had de hofstede, die

hij daar bewoonde, gevaar geloopen door eene bergverzakking bedolven

te worden, doch steeds was het nog bij kleine schade gebleven.

Op zekeren nacht echter, het was in de lente, gebeurde wat Njaedel

reeds lang had gevreesd. Eene vreeselijke verzakking had plaats; de

hoeve werd geheel verwoest, en Njaedel, die zich half gekleed, nog

met moeite op een vooruitstekend rotsblok had kunnen redden, stond

eenzaam en verlaten. Des morgens haalde men van onder het puin de

lijken zijner vrouw en twee kinderen voor den dag; de oudste dochter

was in het leven gespaard gebleven.

Het was hem niet langer mogelijk op zijne geboorteplaats te

blijven. Hij verkocht, wat hem was overgebleven en zette zich aan de

kust neder.

Njaedel volgde niet het gewone gebruik der boeren, zich te noemen naar

de plaats, die hij nu bezat. Hij had een stuk land gekocht, waarvan

de opperloods ook een gedeelte had. Het goed Krydsvig, met al de

landerijen er om heen, had vroeger het bisdom Kristiansand toebehoord.

Dáár in de bergen had Njaedel de eenzaamheid lief gekregen, een groot

deel van zijn leven had hij er ook gesleten. Bij den aankoop had hij

dan ook dat gedeelte gekozen, hetwelk onmiddellijk aan het strand

grensde; eene groote onontgonnen zandvlakte behoorde bij den koop.

Vele jaren had hij nu reeds hier met zijne dochter Christina en een

dienstmeisje gewoond.

Hij bebouwde zijn land en het gelukte hem zelfs iets te sparen. Met

niemand had hij omgang dan met den opperloods; deze had groote

genegenheid opgevat voor dien reusachtigen kerel, die er tevens

zoo goedmoedig uitzag, en wiens knappe dochter het een lust was aan

te kijken vooral daar opgeruimdheid van gemoed haar in de oogen te

lezen stond.

De bewoners van de streek waren niet zeer met Njaedel ingenomen,

wijl hij een vreemdeling was. Buitendien vonden zij, dat hij iets

stroefs in zijn wezen had, zoodat zij liefst zoo weinig mogelijk met

hem te doen wilden hebben. Wanneer hij daar zoo diep in den grond met

graven bezig was, had hij werkelijk iets, dat schrik kon inboezemen;

daar hij altijd blootshoofds liep, uitgezonderd op feestdagen, maakte

de dikke rosachtige haarbos een vreemd effect, wanneer men die van

uit den grond zag opkomen, en alle reizigers, die den landweg kwamen

langs rijden, konden niet nalaten, wanneer zij Njaedel zagen, aan den

koetsier te vragen, wat dat voor een man was. Njaedel, die altijd zeer

in zijn werk verdiept was, bemerkte nooit, dat hij zoo de aandacht

trok. Met op elkaar geklemde tanden en gefronste wenkbrauwen groef

en wroette hij met. spade en houweel in den grond, zoodat de klompen

aarde wijd en zijd heenvlogen, en kwam er een steen in zijnen weg,

die onbeweeglijk scheen, zoo scheen zijn ijver te verdubbelen: hij

rustte niet, vóórdat het hem gelukt was dezen te verwijderen en hij

bromde intusschen bij zich zelf als een beer.

Tegen het schaftuur, of wanneer het te donker werd om verder te

arbeiden, kwam hij uit den grond te voorschijn, en stiet het slijk

van zijne klompen. De spade werd in den grond gestoken en het werk

met aandacht bekeken. Wanneer het gedane werk hem beviel, streek hij

gewoonlijk met de knuisten door zijn haar, zoodat dit naar alle kanten

uitstond en een tevreden glimlach lag er om zijnen mond.

Binnenshuis, vooral in gezelschap van vrouwen, was hij zoo zacht

als een lam; hij liep altijd zoo voorzichtig door de kamers, alsof

hij vreesde, in geval hij zich in zijne geheele lengte uitrekte,

het dak van het huis te zullen aanraken.

Terwijl de heeren in het huis van den Lensmand aan het middagmaal

waren, begon het te regenen, en de droppels vielen zoo gelijkmatig

neer, dat men er zeker van kon zijn, dat de regen lang zou aanhouden.

Eenige boeren zochten eene schuilplaats in de omliggende huizen of

schuren, het meerendeel bleef echter in den regen staan. Soms bogen

zij zich een weinig voorover om het water van hunnen hoed te laten

afdruipen, maar eigenlijk waren zij er zoo aan gewoon nat te worden,

dat het hun niet veel kon schelen.

De regen sijpelde door het baai heen, en droop in licht blauw gekleurde

droppels van hunne wambuizen. Sporen van ongeduld vertoonden zich

over het lange wachten niet onder de menigte; allen wisten, dat een

maaltijd op den dag dat er zitting was, iets was, waar de noodige

tijd voor genomen moest worden.

Arbeiders: Roman · 第 5 / 34 题