EEN TOCHT OP DEN OGOBAÏ NAAR DE HEILIGE EILANDEN IN HET IONANGA-MEER.

In het jaar 1862 werden de opperhoofden aan kaap Lopez, door verdrag,

de onderdanen van Frankrijk. Genoemd voorgebergte ligt tusschen de

evenachtslijn en den eersten graad zuiderbreedte, in de delta, die door

de verbreeding en het uiteenwijken der mondingen van den Ogobaï gevormd

wordt. Die rivier was toenmaals nog slechts zeer weinig bekend. Haar

noordelijke delta-arm, Nazaré geheeten, werd toen geheel fransch. De

bevelvoerende admiraal wilde er alzoo de vlag van zijn land toonen, de

rivier laten onderzoeken, en zoo mogelijk nagaan of tusschen dezen

stroom en de nevenstroomen van den Gabon ook eene verbinding bestond.

De luitenant ter zee Serval ondernam dezen tocht met den „Pionier”, en

Griffon du Bellay vergezelde hem.

Op den 18den Juli, midden in het droge jaargetijde, bereikten zij de

Nazaré, die meer dan zes voet gevallen was en nog altijd lager werd;

den volgenden morgen zat de Pionier, ongeveer zestig mijlen van den

ingang, op een zandbank vast, hoewel reeds in den Ogobaï zelf. De in de

moerassige streken langs de oevers sterk voorttelende mangrove-struiken

waren hier verdwenen; en daarvoor in de plaats had men den pandarus en

de yuka’s, ook oliepalmen en enimbas, kortom den geheelen weelderigen

planten-wasdom, gelijk wij dien hierboven geschetst hebben. De rivier

was als het ware met eilanden en zandbanken bezaaid, en het gelukte

slechts na groote inspanning, den Pionier weder vlot te krijgen. Op

ongeveer zestien mijlen afstands lag het dorp Dambo, dat men met het

schip bereikte; maar verder kon men het met het vaartuig ook niet

brengen: het zou anders tot het volgende regensaizoen stil hebben

moeten blijven liggen.

Den reizigers schoot dus niets anders over dan een kano voor hunne

verdere tochten te bezigen. Het spreekt echter van zelf, dat zij op

deze wijze slechts langzaam vorderden en van de luimen der inboorlingen

afhankelijk waren.

Het opperhoofd in Dambo droeg den naam van Ngowa Akaga; hij scheen

welwillend gezind en bracht des avonds een bezoek op den „Watanga” d.i.

het groote schip der blanken. Zijne verbazing over al wat hij zag was

evenwel niet zeer groot, en in zijne loftuitingen was hij dan ook

slechts karig, hetgeen trouwens niet zoo kwaad was, omdat de zwarte

steeds naar het bezit haakt van wat hij prijst. Hij schonk den

reizigers eene zijner grootste prauwen benevens eenige matrozen.

Daarmede vingen deze den tocht aan, die drie volle weken duurde, en

waarop zij slechts zelden eenige rust genoten.

Gewoonlijk werd ’s morgens vroeg opgebroken, op het heetst van den dag

bij eenig dorp aangelegd, ’s avonds weder voortgeroeid en op de eerste

de beste plaats overnacht. Aan de oevers waren de bewoners rechts en

links in beweging; zij waren zeer nieuwsgierig, en niet minder begeerig

naar geschenken. Ieder opperhoofd maakte aanspraak op een bezoek der

blanken; veronachtzaming was beleediging. Zonder het te bemerken was

men op die wijze het groote dorp Arumbe voorbijgeroeid en rustte iets

verder stroomopwaarts uit, toen een half dozijn booten met gewapenden

de blanken naderde. Men verlangde van de Europeanen dat zij zouden

terugkeeren. Bijna gelijktijdig verscheen eene flotille uit een ander,

hoogerop gelegen dorp. In het eerst dreigde deze ontmoeting gevaarlijk

te worden; maar toen men den inboorlingen had getracht te beduiden, dat

de bezoekers niets vijandigs in den zin hadden, kwam men overeen dat al

de tusschenliggende eilanden zouden worden aangedaan, en dat elk dorp,

en dus ook Arumbe, de eer zou genieten van een bezoek.

De Europeanen bezochten achtereenvolgens Gamby, Atschanka en Iganeh,

wier bevolking van de kustbewoners afstamde, die langs den zuidelijken

rivierarm meer landwaarts waren opgevaren, terwijl die van Dambo en

Arumbe, blijkbaar met de Gabonezen verwant, langs den noordelijken arm,

den Nazaré, hunne tegenwoordige woonplaatsen bereikt hadden.

De reizigers bevonden zich thans te midden van den stem der Galos. Deze

stam is de voornaamste van den Ogobaï; hij schijnt aan de overige

stammen niet verwant te zijn, ofschoon allen nagenoeg dezelfde taal

spreken.

Met den landbouw bleek het hier eveneens gelegen als in Gabon, ofschoon

er enkele tabaksplanten groeiden, die uit Congo afkomstig waren, maar

van wier bladen de inboorlingen het gebruik niet kenden. Overigens is

het bebouwen van den grond er eene groote zeldzaamheid; slechts nu en

dan wordt hij een weinig omgewoeld en bezaaid. De bevolking kent geen

enkel metaal, zelfs het ijzer niet. Zij verkrijgt hare wapenen en

werktuigen door tusschenkomst van de kooplieden aan de kust, van de

schepen en faktorijen der Europeanen, of van de oostelijk wonende

Ascheba’s, die, even als de Fans, de kunst verstaan om het ijzer te

smelten en te bewerken.

Op de zandbanken in de nabijheid van den oever ontwaarde men het

eigenaardig verschijnsel, dat bijna al deze banken een aantal

regelmatige cirkelvormige uithollingen van ongeveer 4 voet middellijn

en 1½ voet diepte vertoonden. De meesten lagen boven water en bleken

gegraven te worden door den Cendo, een visch met een hoorn op den kop,

die hier in groote hoeveelheid gevonden wordt, en hare jongen in deze

uithollingen verbergt.

Serval wilde den Ogobaï opvaren tot het punt waar de Okanda zich met

den N’guniai vereenigt. Hij hoopte aldaar nieuwe stammen te vinden,

b.v. de Eninha’s, die met de rivieren van Gabon in verbinding schenen

te staan, en misschien ook de Oscheba’s, die veel overeenkomst met de

Fans hebben. De reis werd echter voortdurend moeielijker en het volk

steeds begeeriger naar de europeesche voorwerpen, die de kano bevatte.

Reeds in Arumbe hadden de negers gedurende den nacht ernstig

beraadslaagd, of zij niet met geweld het vaartuig zouden plunderen; zij

hadden echter besloten met de inwoners van het groote dorp Bombolie

gemeene zaak te maken en met dezen den buit te deelen.

Daardoor kon de tocht onmogelijk verder worden voortgezet; Serval

keerde terug, om het meer Eliva of Ionanga te bezoeken, waarvan, de

bewoners aan den Ogobaï, namelijk de Galos, zoo vele wonderen verhaald

hadden. Dáár in dit meer toch ligt, volgens het volksgeloof, het ware

heiligdom hunner godsdienst, en wordt het oog door de zonderlingste

verschijnselen getroffen. Door de wolken zeilen de groote vaartuigen

der blanken, die kaap Lopez voorbij varen. Daar wonen machtige,

beschermende geesten, en het vaartuig van den niet ingewijde, die de

heilige eilanden roekeloos wil naderen, slaat daar onvermijdelijk om,

terwijl de schepelingen hun graf in de golven vinden. Ook de blanke

reizigers ontkomen dat lot niet; integendeel, de kleur van hun huid

vergroot het gevaar voor hen. Dergelijke overleveringen, waaraan zich

tallooze verhalen van allerlei wondervolle ontmoetingen verbinden,

leven onverzwakt in de verbeelding der inboorlingen voort.

Het meer Eliva heeft dan ook iets eerbiedwekkends en sombers, en biedt

een onbeschrijfelijk schouwspel aan. Aan den omtrek worden, door ver

vooruitspringende landtongen, groote bochten gevormd, terwijl elke

bocht aanhoudend van de daaraangelegen bergen een stroom water

ontvangt. Deze bergstroomen zijn allen vrij beduidend. In het droge

saizoen zelfs heeft het meer van 12 tot 18 voet diepte en is het water

zuiver en doorschijnend als kristal. Aan de oostzijde van het meer is

de oever vlak; de grond rijst echter spoedig, en het oog stuit weldra

tegen de Aschankolo-bergen, wier reeks zich alleen een oogenblik splijt

om aan de trotsche rivier den Ogobaï een doortocht te verleenen.

Het geboomte aan de oevers is buitengewoon prachtig. De obasboomen zijn

voortreffelijk en de caoutchouc-lianen worden hier in groote menigte

aangetroffen; de palm is echter eene zeldzaamheid. De zoom van het meer

is met gras begroeid; dicht aan het water staat de nederige

hemerocallis met hare witte bloemen. Riet, biezen of andere

waterplanten, die een stilstaand water of een drassigen bodem

kenmerken, vindt men hier niet.

De landstreek waarin het meer gelegen is, is waarschijnlijk zeer

gezond. Zij is echter slechts voor een klein gedeelte bewoond, en wel

door de Galos, terwijl aan gene zijde van de Aschankolo-bergen de

Aschira’s wonen. Onze reizigers ontmoetten op hunnen tocht twee

inboorlingen tot dien stam behoorende; hun voorhoofd was smal en sterk

achterwaarts gebogen, en hun gelaat, met vooruitstekende wangbeenderen,

miste ten eenemale alle verstandige uitdrukking. De voornaamste

bezigheid dezer lieden bestaat in het vervaardigen der fijne, zachte

matten, die in den handel onder den naam van matten van Loango of

Loanda bekend zijn.

In de bosschen op de hellingen der Aschankolo-bergen wonen de reeds

vroeger vermelde Bakalaïs. Deze stam is zeer oorlogzuchtig, verschaft

aan de slavenhandelaars vele Aschira’s, en laat de bewoners van de

rivieroevers slechts met vrede, omdat hij hen als tusschenpersonen voor

het verkeer met de kust noodig heeft. Hij is over twee dorpen

verspreid.

Op Asinghibuiri, dat door de Galos bewoond wordt, werden de Europeanen

zeer goed ontvangen. Zelfs had de koning zich zoo fraai mogelijk

opgeschikt. Hij droeg een voorschoot van boomwol, dat alles behalve

zindelijk kon genoemd worden, en een overouden, versleten witten hoed

van europeeschen oorsprong.

Het eiland Arumbe is het middenpunt van de godsdienst der Galos en met

een bijzonder voorrecht bedeeld. Op dat eiland worden namelijk de

fetisch-priesters voor het geheele volk opgevoed en gevormd, en bevindt

zich het seminarium, waar de geestelijken worden voorbereid.

Niettegenstaande de heilige afzondering, die hier in acht wordt

genomen, werden onze reizigers onmiddellijk nadat zij geland waren door

een tiental knapen van het seminarium ontvangen. Deze knapen hadden een

intelligent uiterlijk, maar waren op vreemdsoortige wijze opgeschikt.

Zij droegen een voorschoot, dat veel overeenkomst had met dat der

Bakalaïs, en dat boven de heupen door middel van een gordel van witte

paarlen bevestigd was. Ook droegen zij versierselen van paarlen en

roode chenille, en van den omgeslagen bovenrand hingen trossen blauwe

glaspaarlen af; aan de armen en beenen hadden zij zich opgeschikt met

ringen van geel koper. Deze kleeding wordt door den jeugdigen

fetisch-leviet tot zijn zeventiende of achttiende jaar gedragen; op

dien leeftijd wordt bij in de geheimen van de godsdienst ingewijd en

„ziet hij den Fetisch”. Tot dien tijd is het plicht, zich van allen

omgang met vrouwen te onthouden, maar zoodra hij priester is geworden,

verlaat hij het heilige eiland en verkeert hij in de wereld, zoo als

ieder ander.

De reizigers kregen twee aanstaande fetisch-priesters als geleiders

naar het dorp Arumbe mede, waar de koning het bezoek der vreemdelingen

reeds met ongeduld verwachtte. Z.M. pronkte met zijne fraaiste

galakleeding, die op onze plaat getrouw is teruggegeven. De hemel weet,

van waar hij de uniformstukken bekomen had, die hem als lappen om het

lijf gesmeten waren. Epauletten van gele wol met spinazie-groene

randen; koperen knoopen prijkende met drie over elkander gekruiste

kanonnen met het omschrift: Ubigne, waren de schitterende versierselen

van eene reeds vóór verscheidene jaren afgedankte korporaalsuniform,

die het bovenste gedeelte van het lichaam des konings bedekte.

Dergelijke potsierlijke kleeding wordt des te ergerlijker, wanneer men

bedenkt, dat Yondogowiro niet alleen koning, maar tevens een soort van

paus of minstens aartsbisschop in die landen is. Hij is dus niet alleen

het burgerlijk, maar ook het geestelijk hoofd. Een tweede

opperpriester, die op het gebied van de godsdienst het gezag met den

koning deelt, woont in een dorp aan den Ogobaï en komt slechts zelden

te Arumbe. Beiden behooren tot de voornaamste priesterfamiliën. Zij

verdragen elkander zeer vreedzaam; want Yondogowiro heeft eene bijzit

van den opperfetischpriester tot vrouw genomen, terwijl deze laatste

eene dochter van den koning tot zijne voornaamste vrouw nam. De positie

van deze beide aanzienlijke dames is echter zeer nauwkeurig afgebakend.

Hare eigenaardige hoofdtooisels, waardoor zij zich van de Gabonezinnen

geheel en al onderscheiden, maken hare bijzondere merkwaardigheid uit.

De koning en de koningin waren zoo beleefd om de Europeanen naar de

heilige eilanden te vergezellen, en in weerwil van de booze

voorspellingen die wij zoo straks vermeldden, liep alles zonder ongeluk

af. De vaart was zoo aangenaam als bij 39 tot 40 graden en met een

bewolkten hemel slechts mogelijk is.

De beide heilige eilanden prijkten met het weelderigste groen en werden

op schilderachtige wijze in het kristalzuivere water weerkaatst. Zij

bleken een waar paradijs voor de tallooze vogels, die daar ongestoord

kunnen nestelen. Op de rots bleef de groote ibis rustig staan, terwijl

de kano slechts op een afstand van een paar ellen voorbij hem

henengleed. De geelachtig witte gier, de duiker en de pelikaan

bekommerden zich evenmin om de menschen. Alles had iets

onbeschrijfelijks rustigs, en van de geheimzinnige geesten was geen

enkel spoor te ontdekken. Sommige inboorlingen hadden het nochtans

geraden geoordeeld, liever te Arumbe achter te blijven; anderen evenwel

hadden hunne vrees voor gevaar overwonnen, want Yondogowiro, de groote

fetisch-priester vergezelde de reizigers—en deze toch bezat de macht om

de geesten te bezweren en hen binnen de grenzen te houden.

De kleine oude man met zijne kanonniersuniform, wier hooge kraag hem

boven de ooren uitstak en waarvan de mouwen hem veel te kort waren,

stond dan ook, toen men de eilanden naderde, gebiedend op en strekte

zijne beide armen naar de pelikanen uit, die op deze wijze eene

godsdienstige hulde ontvingen. In zijne linkerhand hield hij de schel,

het symbool zijner priesterlijke macht en waardigheid, terwijl hij met

de andere een stuk brood verkruimelde en onder het aanspreken van de

geesten de kleine stukjes in het water wierp:—„Hier zijn blanken; zij

komen tot u, om u te zien. Maakt hen niet ziek, want zij brengen u

geschenken. Laat hen niet sterven, maar gezond naar Gabon terugkeeren!”

Dit eenvoudige gebed scheen oprecht gemeend te zijn, en had zelfs iets

innig hartelijks. Nadat voorts de broodkruimels verstrooid waren, vulde

Yondogowiro zijn mond met atugu, d.i. met brandewijn, en spoot dien na

verloop van eenige oogenblikken weder den mond uit. Deze plechtigheid

werd verscheiden malen herhaald, terwijl de koningin op den bodem van

het vaartuig gemoedelijk een pijp zat te rooken.

De blanken mochten echter de heilige eilanden zelve niet betreden; dit

voorrecht komt uitsluitend den fetischpriester toe. Zij voeren er in de

kano slechts om heen en bereikten daarna den ingang van een kanaal,

waardoor de Ionanga met het meertje Eliva Uidanga in verbinding staat.

Zoodra zij evenwel dit kanaal waren binnengevaren, ontdekten zij

werkelijk iets van de aangekondigde wonderteekens, die trouwens volgens

het beweren van de inboorlingen zich slechts in den regentijd

vertoonen. De sage bleek dus niet geheel en al uit de lucht gegrepen.

Wanneer men, namelijk, zich gedurende den regentijd, kort na

zonsopgang, aan den ingang van het kanaal met het gelaat naar het

westen plaatst, bespeurt men in de wolken witte gedaanten. Deze

verschijnselen worden door de inboorlingen voor schepen gehouden, die

kaap Lopez voorbij zeilen. Het volksgeloof beweert dan duidelijk te

kunnen onderscheiden, hoe die vaartuigen manœuvreeren, hunne zeilen

losmaken en hun geschut afvuren. Het geheele verschijnsel verdwijnt

echter spoedig, en wordt misschien alleen veroorzaakt door eene

eigenaardige luchtspiegeling. Maar in elk geval is het een gezicht, dat

de bewoners met onverzwakten eerbied blijft vervullen.

Het uitstapje naar de heilige eilanden loonde de moeite in alle

opzichten. Na hun terugkeer namen de reizigers afscheid van hunne

gastvrije vrienden, zakten den Ogobaï weder af en bezochten nog een

meertje, Nioge genaamd, waarvan het dorp Aranga Uiri niet ver

verwijderd is. Tot daar wonen de Galos, maar worden vervolgens

vervangen door verschillende stammen, die allen met de kust in

onmiddellijke verbinding staan. Langzamerhand vertoonde zich ook het

riet weder langs de oevers en werd de rivier ondieper.

De inwoners van Arumbe schenen, niettegenstaande hunne schijnbare

vriendelijkheid, overeengekomen te zijn de blanken zooveel mogelijk af

te zetten, en namen op den terugtocht zelfs een dreigend aanzien aan.

De reizigers oordeelden het daarom meer geraden des nachts Arumbe

voorbij te varen, zoodat zij bij zonsopgang reeds den Banda of Bango

bereikten. Deze rivierarm voert als linker zijtak het water van den

Ogobaï naar zee, en vormt de zuidelijke grens van de daardoor gevormde

delta.

Eenige uren later legde de boot voor het dorp van den vriendschappelijk

gezinden koning van Dambo, N’Gawa Akaga, aan. Deze ontving de blanken

met ongeveinsde vreugde, en had de reizigers gaarne gastvrijheid

betoond. Maar de tijd gedoogde niet van deze beleefdheid gebruik te

maken, en de Europeanen vervolgden dus hun weg, voeren den Asin Tongo,

eene nevenrivier van den Ogobaï, op, en bereikten door een nauw kanaal

weder den Bango. Zij hadden vernomen, dat deze stroom verscheidene

verbindingen met het Anengua-meer heeft, en inderdaad ontdekten zij ook

een dezer verbindingskanalen in het riviertje Guaibuiri.

In den Bango wemelde het van nijlpaarden, die ook in den Ogobaï, hoewel

in kleiner aantal, gevonden worden. Op den oever bemerkte men overal

hunne sporen. Tot dusver hadden de reizigers deze gedrochten slechts

bij enkele paren aangetroffen, maar hier staken hunne ruggen en koppen

bij geheele massa’s boven het water uit. Bij het minste gedruisch doken

zij echter geheel onder. Bij elk schot stoven zij uit elkander, om even

spoedig weder te verschijnen.

Van Guaibuiri uit wilde men beproeven met de boot het Anengua-meer te

bereiken, maar daar het kanaal in een modderpoel uitliep, zagen de

reizigers zich genoodzaakt terug te keeren. Den volgenden dag

beproefden zij nogmaals hetzelfde met een lichten kano. Zoodra zij het

roeien moesten staken, stapten zij aan den oever en waren zij verplicht

drie uren door den modder te waden en den kano achter zich te sleepen.

Op deze wijze gelukte het hun het Anengua-meer te bereiken, dat

eigenlijk niets anders is dan een zeer uitgestrekte poel vol visch, en

een paradijs voor de krokodillen. Het land, dat zuidwaarts van het meer

gelegen is, is over het algemeen bergachtig. Aan den voet dier bergen

liggen eenige weinige dorpen, waarvan de inwoners reeds sedert geruimen

tijd met de faktorijen te Fernand Vaz betrekkingen hebben aangeknoopt,

en aan wie zij olifantstanden, palmolie en caoutchouc verkoopen.

De tocht naar dit meer was bij de drukkende hitte en volkomen

windstilte buitengewoon vermoeiend. De reizigers verlieten dan ook

zonder morren het naargeestige moeras, dat weldra ondoordringbaar zijn

zal, indien de mensch dit uitgestrekte waterveld aan den

allesoverheerschenden plantengroei overlaat. De verbeeldingskracht van

du Chaillu ging wel wat verre toen hij voorspelde, dat het Anengua-meer

eenmaal kolossale hoeveelheden riet in den handel brengen en door

stoombooten bevaren zou worden!

Hiermede nam de reis van Griffon du Bellay en Serval een einde. Eenige

maanden later deden zij echter nog een uitstapje, waarvan wij nog met

een enkel woord willen gewagen. Zij wilden namelijk de waterwegen

nasporen, die de rivier Ramboe met den boven-Ogobaï in verbinding

stellen. Hun weg leidde door prachtige wouden, waarin meer gorillas en

olifanten dan menschen wonen. Hij was vijf-en-twintig mijlen lang en

bracht hen op allerlei moeielijke paden, maar de hutten, die zij hier

en daar ontmoetten, bewezen hun, dat hier toch een onafgebroken

handelsverkeer tusschen beide rivieren plaats had; en ongetwijfeld zou

die stroom dus de gemeenschap tusschen het etablissement te Gabon

kunnen bevorderen. Griffon du Bellay, die nog aan de gevolgen eener

ziekte leed, werd wederom door de koorts aangetast en derhalve belet

tot den Ogobaï door te dringen. Serval was echter gelukkiger, daar hij,

den stroom op, een punt bereikte, dat niet ver verwijderd was van de

plaats, die de reizigers op hun bovenvermelden tocht hadden aangedaan.

De rivier heeft daar eene breedte van meer dan 3000 voet; onbekend is

het echter waar zij ontspringt.

Een blik op de nieuwste kaarten van Afrika toont ons aan, dat in het

westelijk gedeelte tusschen 7° NB en 4° ZB een geheel onbekend

binnenland ligt. Naar welke zijde voeren de genoemde rivieren haar

water af? Niet naar den Tsad, want wij weten uit de berichten van Barth

en Vogel, dat deze boven 7° NB geene nevenrivieren heeft. Misschien

zuidwaarts naar Congo. Maar ook voor deze onderstelling ontbreken ons

de bewijzen. Griffon du Bellay houdt het voor waarschijnlijk, dat ook

in West-Afrika, even als op het oostelijk gedeelte van den aardbol,

groote binnenmeren gelegen zijn. Is de Ogobaï nu de eenige groote

stroom, die als afvoerkanaal van deze meren dient? Het valt moeielijk

dit te weten te komen. Hoe het ook zij, het zou voorzeker de moeite

beloonen, daaromtrent nieuwe nasporingen te doen, te meer, daar van

geheel het binnenland nog zoo uiterst weinig bekend is.

Met betrekking tot het landschap Gabon vraagt onze berichtgever: „Wat

zou Frankrijk, of eenige andere mogendheid die hier een kolonie zou

willen vestigen, aan een land hebben, dat geen enkel degelijk

handelsartikel oplevert? Het weinige ebbenhout, elpenbeen en

kleurstofhout is voorzeker van luttel belang, en meer wordt er niet

gevonden. Van het bouwen van boomwol kan hier evenmin sprake zijn,

omdat de neger niet arbeiden wil en de Europeaan in zulk een klimaat

niet arbeiden kan. Misschien zou het aanplanten van oliegevende boomen

goede vruchten opleveren, en mogelijk zouden de inboorlingen daarvan

eenige kennis bezitten. Maar de neger heeft slechts één wensch: d.i.

alle jaren te oogsten, zonder gezaaid of gepoot te hebben!”

En toch is er misschien geen land rijker aan niet geëxploiteerde

olieachtige voortbrengselen. Van de kraak-amandel des oba’s, een fraaie

inlandsche mangoboom, verkrijgt men den dika, waarvan zoowel de smaak

als de geur aan den chocolade herinneren. Dit is een

alleropmerkenswaardigst voortbrengsel, door den heer Aubry le Comte het

eerst bekend gemaakt. Twee boomen van het geslacht der sapotacaeën, de

djave en de noungari, leveren, de eerste een min of meer dikke olie, de

andere een zeer stevig en volmaakt blank vet op. Een zeer hoog

opschietende boom, de m’pôga, brengt uitmuntende olie voort, maar deze

is niet gemakkelijk te verkrijgen wegens de harde vrucht waar zij in

schuilt. De owala, een peulvruchtdragende struik, geeft geweldig

groote zaden, die vol olie en eetbaar zijn. Voegt men bij deze tamelijk

onvolledige lijst den oliepalmboom, die niet zeer overvloedig voorkomt,

en de arachis, waarvan reeds vroeger is gewaagd,—dan ziet men hoe rijk

dit land aan vetstof bevattende planten is, en welke hulpbronnen de

inwoners er zouden kunnen vinden, indien zij zich de moeite wilden

geven, niet om ze aan te kweeken, dat is bijna overbodig, maar alleen

de nuttige soorten te vermenigvuldigen en te groepeeren.

Wij willen hier nog gewagen van een aantal op Gabon voortgebrachte en

elders weinig gebezigde planten, die allerfijnst van smaak zijn. In de

eerste plaats komt de maketa, een goudgele gember van uitmuntende

kwaliteit in aanmerking; vervolgens de yangue-bere, de enone en

verscheidene andere tot deze cardamomsoort behoorende planten, wier

specerijachtige zaden in den handel onder den naam van guinesche peper,

paradijszaad enz. bekend zijn, en vaak in Europa voor keuken- of

geneeskundig gebruik gebezigd worden. Een boom van het geslacht der

anonacaeën, de ogama, brengt peulen voort, die vrij grof van smaak

zijn.

De muskaatnootboom bestaat, geloof ik, in dit land niet; toch vindt men

er twee soorten, den combo en de niohue, wier noot zeer olierijk maar

zonder geur is. De vanilleplant is er zeer overvloedig, maar de vanille

niet. Dikwijls, zoo zegt onze berichtgever, heb ik deze orchidaeën

aangetroffen, zonder ooit de vrucht gezien te hebben.

De vrouwen, die de bladeren als toiletartikel gebruiken, kennen de peul

noch den geur dezer plant. Het is dus waarschijnlijk, dat de

natuurlijke vruchtbaarheid en de ontwikkeling van de bloem en vrucht

dezer plant hier nog zeldzamer zijn dan de in Amerika voorkomende

soorten. Al deze voortbrengselen worden den Gabonees door de bosschen

geleverd, in wier midden zijn gronden gelegen zijn. Ook zijn zijne

bosschen rijk aan hout, dat voor den scheepsbouw geschikt is.

Allerbekoorlijkst is het rijke groen, waarmede dit land onophoudelijk

is bedekt. De weinig buitengewone dierenwereld is voor den onderzoeker

lang zoo bevredigend niet. De menschen zelven hebben weinig dat de

belangstelling van den vreemdeling boeit; bij nauwkeuriger kennismaking

wekken zij bijna niets anders dan onverschilligheid. Alleen de natuur,

zoo geheel van de europeesche en bij iederen tred van zich zelve

verschillend, levert een inderdaad indrukwekkend schouwspel op voor de

oogen, die zoowel het stille als het trotsche, de wildernis als den

plantenrijkdom weten te waardeeren, en die ook daarin willen lezen de

majesteit van Hem, die in alle oorden der wereld de pracht en de weelde

strooit zijner onuitputtelijke volheid.

Gabon: schetsen uit West-Afrika De Aarde en haar volken, 1868 · 第 9 / 9 题