Wij hebben in deze beide opstellen het land aan den Gabon, en de aan de
kust en in de nabijheid daarvan wonende volken geschetst. Thans zullen
wij onzen arbeid voltooien en onze lezers voeren in het gebied der Fans
of Pahuins, die, sedert zij door Paul du Chaillu eenigszins bekend zijn
geworden, de algemeene aandacht trekken.
Daarna zullen wij met doctor Griffon du Bellay een tocht op den Ogobaï
doen, en hem vergezellen naar het volk der Aschira’s en tot het
Ionanga-meer, waarin de heilige eilanden gelegen zijn.
De dorpen der Bakalaïs en die der Pahuins liggen niet ver van elkander.
Toen onze reiziger in het jaar 1862 voor het eerst een dorp der
laatsten bezocht, hadden de Pahuins eerst sedert korten tijd hunne
woonplaats aan een zeer kromme nevenrivier van den Como opgeslagen. Op
een heuvel stond, als een voorpost, een eenzame hut; het dorp zelf lag
achter geboomte verscholen. De Pahuins zijn zeer oorlogzuchtig, altijd
op hunne hoede, en op iederen onverwachten aanval voorbereid. Toen zij
den blanken doctor en de beide hem vergezellende zeeofficieren in het
oog kregen, trad plotseling een geheele schaar krijgers te voorschijn;
zelfs de knapen zwaaiden hunne werpspiesen, en het opperhoofd was met
een geheel wapenarsenaal bedekt, dat wil zeggen met assagaaien en lange
messen. Deze stevig gebouwde man zal ongeveer een veertig jaren oud
geweest zijn; hij had een beenderig gelaat, vooruitstekend voorhoofd,
afgeplatte slapen, zeer lange, schrale armen, en was op de borst met
allerlei leelijke figuren getatoueerd. Van kleeding geen spoor,
uitgenomen een dierenhuid, die het benedenlijf bedekte.
De blanken werden zeer koel ontvangen. De zaak nam echter eene andere
wending, nadat de tolk zijne toespraak gehouden had, en er allerlei
geschenken werden uitgepakt. Deze Pahuins hadden nooit te voren een
Europeaan gezien: maar zij wisten dat er zulke lieden aan de kust
woonden, en derhalve was hunne verbazing niet al te groot. Toen er
tabak werd uitgedeeld geraakten allen in de beste luim. Terwijl zij
grinnikend lachten, kwamen hunne puntig gevijlde tanden te voorschijn,
en wie deze wilden op dat oogenblik zag, twijfelde er geen oogenblik
aan dat zij kannibalen waren. Het dorp geleek een soort van vesting; de
hutten, ongeveer drie honderd in getal, vormden twee gelijkloopende
rijen; deze lange straat had aan beide uiteinden versperringen, die
goed bewaakt werden. Op het eerste gezicht is men er van overtuigd, dat
men met een eigenaardig slag van volk te doen heeft.
De kinderen buitelen vroolijk in het rond en maken allerlei fratsen;
zij zien er flink uit op het oog, en schijnen niet onverstandig. Dat
verandert zoodra zij den mannelijken leeftijd bereiken, en met het
vijftiende jaar komt de type van het ras sterker voor den dag; de
molligheid verdwijnt, de jukbeenderen beginnen sterk naar voren te
komen, de slapen vallen in, het voorhoofd krijgt dien vooruitstekenden
vorm, die alleen bij de Pahuins wordt aangetroffen. Men onderscheidt
hen aanstonds van den Mpongwe of eenigen anderen stam aan den Gabon.
Ook het hoofd der vrouwen is zeer lang, terwijl het voorhoofd
vooruitsteekt; zij zitten goed in het vleesch, maar zwaarlijvigheid
wordt bij haar niet aangetroffen, iets dat trouwens bij de zwarte
bevolking ook slechts zelden voorkomt. Haar gelaat is niet zoo knokig
en mager als dat der mannen, hare hand soms verwonderlijk fijn en
zacht; zij behangen zich met glazen kralen, en versieren er ook het
hoofd mede, zoodat deze haar voor de oogen bengelen; armen en beenen
zijn met ringen van gepolijst ijzer en koper getooid. Jonge moeders
zetten zich daardoor schoonheid bij, dat zij zich van top tot teen met
een zekere roode verf besmeren. Het kind wordt in een met kaurischelpen
versierd hangmatje gedragen. Met kleederen bemoeien deze zwarte dames
zich niet, want bezwaarlijk kunnen wij de ito daarvoor laten gelden. De
ito toch is niet anders dan een stuk ineengevlochten roode bast, dat
onder den gordel wordt doorgetrokken en welks einde zich van achteren
waaiersgewijs verbreidt, min of meer als de staart van een kalkoenschen
haan. Dit bekleedsel is aan den vijgenboom, den emvien, ontleend, welks
bladeren ook voor andere huiselijke doeleinden gebezigd worden.
Hoe dichter de Pahuins de europeesche faktorijen naderen, des te meer
verliezen zij reeds nu, en wel zeer spoedig, een groot deel van hunne
eigenaardigheden. Van nature als geschapen tot jagers en krijgers,
hebben zij van de blanken eerst vuurwapenen en daarna katoenen goederen
en voorts allerlei snuisterijen aangenomen, waarop alle zwarte volken
zoo zeer gesteld zijn.
Wij voegen bij dit opstel eenige photographisch-getrouwe afbeeldingen
der Pahuins, die als type van dezen volksstam kunnen aangemerkt worden.
Hunne wapens zijn karakteristiek. De Pahuin kent de bewerking van het
ijzer, hetgeen bij de andere stammen van het Gabongebied lang niet het
geval is; hij vervaardigt werpspiesen, groote strijdmessen met zeer
scherpe punten en van alleraardigsten vorm, maar die in de handen dezer
halve wilden vreeselijk moeten zijn. Korter messen worden tot
verschillende doeleinden gebezigd. Ook maakt men dissels en
voortreffelijke strijdaxten van een bijzonderen vorm, versierd met een
vogelkop, die aan den gebogen steel zit. Du Chaillu zegt, dat dit wapen
uit de verte naar de vijanden geslingerd wordt, en verhaalt daarbij dat
het te gelijk een soort van offermes is, waarmede men den vijand
afmaakt, die daarna met alle mogelijke kalmte en met den meesten smaak
verorberd wordt. Een slag met den vogelkop, tegen de slapen
aangebracht, veroorzaakt onmiddellijk den dood; met het kromme gedeelte
wordt het hoofd afgeslagen.
Hunne klingen zijn goed bewerkt en veel beter dan de meeste sabels en
messen, die door den europeeschen handel in Afrika worden
binnengevoerd; ook versiert men ze met gegraveerde figuren, ribt ze
uit, en menigmaal worden zij zelfs met koper ingelegd. Daarbij legt dit
volk dikwijls een recht goeden smaak aan den dag. Hunne smidswerkplaats
is nochtans zeer eenvoudig, even als overal in Afrika; alleen is de
blaasbalg er sedert langen tijd algemeen bekend.
Het gevaarlijkste wapen van den Pahuin is echter een kleine handboog,
waarmede hij zijne sterk vergiftigde pijlen schiet. De behandeling
hiervan eischt geen geringe kracht, al laat de pees ook bij een
vluchtige aanraking los. Men behandelt dat wapen als een geweer en kan
er zeer goed mede mikken. Het vergif doet een verschrikkelijke
uitwerking; verscheidene pijlen zijn in Parijs chemisch onderzocht
geworden, en het is gebleken dat het gif terstond het bloed bederft. De
Pahuins trekken het, als sap, uit een slingerplant, de ineeh of anaye,
die tot het geslacht der apocynæën behoort. Overigens behoort deze
handboog met vergiftigde pijlen in den regel meer tot het jacht- dan
tot het krijgstuig.
De reizigers bezochten een groot aantal hutten der Pahuins en vonden
daarin verscheidene voorwerpen, die zij bij de Gabonezen niet hadden
aangetroffen. Toen zij een bezoek bij het opperhoofd aflegden, kwamen
er te hunner eere muzikanten, die op tamboerins sloegen, en waarbij het
geheele dorp begon te dansen. Daarbij sprongen de vrouwen
allerzonderlingst met de ito om, die onophoudelijk nu links dan rechts
zwierde. Voor het overige was de dans zeer ingetogen, behalve de
krijgsdans, waarvan zij tevens een staaltje gaven. Twee strijdbare
mannen traden tegen elkander op; zij droegen allerlei wapenen; het
hoofd was met vederen getooid; om hun hals hadden zij een snoer van
aaneengeregen tijgertanden; over den linkerschouder hing een geweldig
groot krijgsmes in een uit slangentanden vervaardigde scheede; om den
gordel slingerden zij het vel van een of ander wild dier, en daarin
stak een dolk; in de linkerhand hielden zij verschillende werpspiesen,
en in de rechter een groot en dik schild, van de huid eens olifants
vervaardigd. Aldus toegerust leverden de beide strijders hun
spiegelgevecht; zij vlogen op elkander met wijd opengespalkte neusgaten
toe, en ook de mond werd zoo wijd mogelijk geopend, opdat de spits
gevijlde tanden zichtbaar zouden zijn.
Weder een andere stam zijn de Fans. Alle Europeanen, die in aanraking
met Fans zijn gekomen, stellen deze, in spijt van hun woestheid, boven
de Gabonezen. Menscheneters zijn zij, dat staat vast: maar Griffon du
Bellay is van meening dat du Chaillu deze beschuldiging wel wat
overdrijft. Deze zou zelfs in de dorpen menschenbeenderen hebben zien
liggen: de fransche officieren nochtans, die toch verschillende
plaatsen bezochten, vonden nergens zichtbare sporen van
menschenslachting. In de dorpen, die in de nabijheid der europeesche
faktorijen gelegen zijn, wordt echter in het geheim menschenvleesch
genuttigd: niet uit vrees voor de Franschen, wier invloed thans nog
niet ver genoeg reikt, maar wijl zij dezen hartstocht niet aan anderen
willen laten merken. Zelfs is het hunnen kinderen niet geoorloofd bij
zulk een maal tegenwoordig te zijn. Eene dergelijke achterhoudendheid
heeft men ook bij sommige anthropophagen der Zuidzee opgemerkt. Zelfs
de ruwste mensch schijnt het te gevoelen hoe afschuwelijk het is, zijn
natuurgenoot te verslinden.
De Fans zijn van ver uit het binnenland gekomen; zij zijn zeer
geoefende jagers, maar volstrekt ongeschikt om eenig vaartuig te
besturen; waaruit schijnt te blijken dat hun oorspronkelijk verblijf
wel op een met bosch begroeide hooge vlakte gelegen moet zijn geweest,
waar alles behalve overvloed van levensmiddelen was. Natuurlijk was hun
dus het denkbeeld van arbeid en akkerbouw geheel en al vreemd. Nog
heden ten dage, ook in de nabijheid der kusten, eten zij slangen,
insekten, bedorven vleesch; geen afval is hun te slecht, en toen de
nood dwong, hebben zij dan ook menschenvleesch gegeten. Datzelfde is
ook het geval met de Bakalaïs. Intusschen neemt deze barbaarschheid
meer en meer af, naarmate de wilden zich in de buurt der Europeanen
nederzetten.
Opmerkelijk bij dezen wilden volksstam is trouwens, dat bloedvergieten
bij hen niet met den dood, maar wel met een geldboete gestraft wordt.
Ook is de veelwijverij niet zoo sterk bij hen in zwang als bij de
Mpongwen. Men treedt er niet zoo vroeg in het huwelijk, en de
uitspattingen zijn ook lang zoo erg niet. Voor godsdienst hebben zij
het fetischisme.
Tot nog toe hebben zij zich ter nauwernood op het verbouwen van eenige
planten toegelegd; veel liever gaan zij in de bosschen op de jacht. In
hun gebied treft men den betrekkelijk eerst sedert kort bekend geworden
en zoo druk besproken Dginna of Gorilla aan. Eer du Chaillu omtrent dat
dier zijne berichten mededeelde, waren echter reeds een jaar of wat
vroeger, door eenige fransche geneesheeren en officieren, een paar
exemplaren aan den parijschen plantentuin gezonden.
Deze reusachtige aap is ongetwijfeld zoo groot als een volwassen man,
en menigmaal nog grooter, maar zijne schouders zijn eens zoo breed en
de borst is derhalve geweldig ontwikkeld. De zeer dikke kop zit diep in
de schouders, doch de hersens zijn in verhouding bitter klein. Op de
hersenpan heeft het dier een hooge kam, waarmede de sterke spieren zijn
verbonden, met behulp waarvan hij de kaken beweegt. Deze bezitten een
ongeloofelijke kracht. De neus is plat, het voorhoofd wijkt
achterwaarts; de hersens zijn, zooals wij reeds hebben opgemerkt,
gering en onvolmaakt; daarentegen zijn zijne armen, die tot aan de
knieën reiken, zeer sterk; de onderste ledematen zijn te kort, maar
nochtans welgevormd; het voorste gedeelte van den voet is niet naar
behooren ontwikkeld, zoodat het dier niet lang rechtop kan blijven
staan; zijn geheele lichaam is met zwart glad haar begroeid.
De zwarten zijn voor dezen monster-aap zeer bevreesd; in hunne sagen en
vertellingen en in hun bijgeloof speelt hij een groote rol. Hij is
echter volstrekt geen verscheurend dier, en het schijnt, dat hij eerst
dan den mensch aanvalt, als deze zich vijandig tegen hem gedraagt. De
jager kan hem van zeer nabij naderen; maar als zijn schot het dier niet
op de plaats doodt, is hij onherstelbaar verloren. Het schijnt dat het
leven dit schijnbaar zoo forsche lichaam zeer ras verlaat; alle
gorilla’s, die Griffon du Bellay gezien heeft, waren aan wonden
gestorven, die den dood van een mensch zeker niet ten gevolge zouden
gehad hebben. Een eigenaardige vorming van de keelholte is oorzaak dat
deze aap zijne stem verschrikkelijk kan uitzetten; het geschreeuw van
een jongen gorilla komt volkomen met dat van een kind overeen, en op
het eerste gezicht zou men, als hij niet met haar was bezet, zulk een
gorillaatje met een jongen neger kunnen verwarren. Het is nooit gelukt
zulk een jong dier groot te brengen en tam te maken; en het is bijna
onmogelijk een volwassen gorilla levend te vangen.
De olifant dezer streken heeft buitengewoon sterk ontwikkelde tanden.
Onze gravure op bladzijde 56, die den zwarten koopman in elpenbeen
Wassengo voorstelt, geeft er een proeve van. Van al de verschillende
stammen leveren de Pahuins tegenwoordig het meeste ivoor. Vroeger, toen
zij voor het eerst aan de Como kwamen, oefenden zij voor rekening der
Bakalaïs de jacht uit, die hen dan ook van geweren voorzagen; zij
moesten de tanden afleveren, maar mochten het vleesch voor zich
behouden. Heden ten dage hebben zij zelven schietgeweren, en behouden
den door hen op de jacht gemaakten buit voor zich. De Pahuin is tot in
de kleinste bijzonderheden met al het eigenaardige van den olifant
bekend, die bij troepen in de bosschen leeft, en zich vrij algemeen in
dezelfde streek ophoudt. Men legt een soort van drijfjacht aan, jaagt
de dieren op, en regelt alles daarbij zóó behendig, dat zij in een
betrekkelijk kleine ruimte bijeen schuilen, die dan met slingerplanten
en struiken omringd wordt. Zulk een soort van omrastering kan
natuurlijk de olifanten niet tegenhouden, zoodat zij die dan ook
gemakkelijk breken; maar zij levert toch een tijdelijke opsluiting van
deze dieren op, en te bekwamer tijd grijpt er nu een aanval met lansen
en geweren plaats. Soms worden olifanten ook vergiftigd, en ook wel in
vallen gevangen, of door middel van een eigenaardig geplaatsten grooten
spitsen balk verslagen. Deze balk wordt in het woud aangebracht op
zeker punt, dat de olifant op zijne vlucht onvermijdelijk moet
aanraken; het hout valt dan naar beneden en verplettert de ruggegraat.
De Franschen schijnen met blijdschap te zien dat de Pahuins de kust al
meer en meer naderen. Wat zij echter ten bate huns lands met zulke luie
barbaren moeten aanvangen, is ons alles behalve duidelijk. Zij zullen
lang geen vredige onderdanen zijn, maar bondgenooten, die slechts met
moeite in toom gehouden worden. Doorgaans doen zij zich tamelijk zacht
en gastvrij voor, maar hun aard is verre van te vertrouwen en hoogst
onstandvastig. En al bezitten zij een zekere geestkracht, gelijk
overigens bij de zwarten maar zelden voorkomt, toch blijven zij voor de
beschaafder wereld volslagen onbruikbare broeders.