III.

De Boulous en de Bakalaïs.—Leven der dieren; slangen en mieren.

Wij laten nog eenige opmerkingen omtrent de volken aan den Gabon

volgen. Hier, aan deze wijde golf, werd het verdere doordringen der

Boulous of Schekianis gestuit. Zij zijn eens machtig geweest

(natuurlijk volgens afrikaansche begrippen en verhoudingen), en worden

nog heden ten dage door de Mpongwen tegelijk gevreesd en veracht. Want

dezen, die in rechtstreeksche gemeenschap met de Europeanen staan, zijn

daar trotsch op, en de Boulou, de man der wouden, gaat bij hen voor een

wilde door, met wien zij ongaarne iets te maken hebben, en uit wiens

stam zij slechts dan eene vrouw nemen, als daar namelijk groot voordeel

door te behalen is.

De Boulou is zwarter dan de Mpongwe; zijne huid is op het gevoel

kleiachtig en ruw, zijne kaken steken ver vooruit, en uit zijne

gelaatstrekken spreekt zeer vaak een groote domheid; met één woord hij

is uitermate leelijk. Gaarne zwerft hij van de eene naar de andere

plek; hij heeft slechts weinig huisraad, bekommert zich om het bewerken

van het veld bitter weinig, en kan zonder bezwaar van woonplaats

veranderen; hij is landlooper en dief, en woont in kleine hutten, die

hoogst ongeriefelijk en zoo smerig zijn als de bewoner zelf. De Mpongwe

legt zich nog een beetje op den landbouw toe, en de zee levert hem

visch; in weerwil daarvan heeft hij dikwijls gebrek: de nog tragere

Boulou behelpt zich met wat het bosch hem verschaft. Griffon du Bellay

verhaalt, dat de Boulou olie voor zijne spijzen wint, door in een ketel

een groote hoeveelheid zwartkoppige mieren te werpen; deze zijn

blauwachtig van kleur, en uit haar kookt men een olie, die zeer helder

van tint, opaalgeel en ook niet onaangenaam van smaak is. Onze zegsman

heeft die geproefd, maar voordat hij wist hoe men die verkregen had.

De op zich zelven in de diepe bosschen rondzwervende Boulous hebben in

de oogen der andere zwarten iets geheimzinnigs. Zij zijn artsen en

toovenaars en groote fetischvereerders.

De Bakalaïs (Bakele) of Akalaïs wonen aan de oevers der rivieren,

achter de Boufous; de vaart derwaarts is onaangenaam, wijl men, van de

faktorijen uit, in de eerste plaats den breeden zoom van alluviaal

slib—de streek, wier zout en zoet water in elkander

vloeien,—doortrekken moet. Daar groeien heinde en verre slechts

mangrovestruiken, met hunne millioenen wortels, die, als het eb is,

bloot liggen; zij vormen langs de rivieren ondoordringbare muren, die

allervreeselijkst eentonig zijn. Op zijn best ziet men daar een vogel;

slechts nu en dan klinkt hier het geschreeuw van een papegaai, of haalt

een duikervogel een visch uit het water op. De natuur schijnt stil te

staan, en het klimaat is volslagen moordend, behalve voor krabben en

dergelijke ondieren. Zoodra de ebbe invalt, ontwikkelt zich

zwavelwaterstofgas in groote hoeveelheid uit dezen akeligen moerassigen

grond, bobbelt als zeepbellen op, en verspreidt een ondragelijken

stank. In den nacht is de met peststof bezwangerde lucht vochtig koud

en doet den mensch huiveren, terwijl tegelijkertijd millioenen muggen

in het rond zweven en bloed zuigen. Hier wordt zelfs de zwarte

inboorling een prooi van de koorts.

Dieper landwaarts in erlangt de grond een ander voorkomen, en de

gezichteinder verbreedt zich. De Agirigi (Avicennia tomentosa) vormt

als het ware een overgang van de mangrove tot den gewonen plantengroei.

Terstond daarop volgen de enimba’s. Deze groote palmboomen leveren een

zeer droge en geringe hoeveelheid olie bevattende vrucht op; van dezen

bouwen de Bakalaïs hunne hutten, want de takken van de enimba zijn

tusschen de twintig voet lang, dik, smal, aan den eenen kant glad,

volkomen recht, en zoo heeft de Bakalaï de fraaiste planken, die de

natuur zonder iets meer schenkt; hij behoeft slechts de bladeren af te

plukken, en deze leveren dan een voortreffelijk dak op.

Van het bouwen eener hut kan eigenlijk in het geheel geen spraak zijn;

want bij het opslaan daarvan heeft men geen spijker of hamer noodig,

maar men hecht het eene stuk aan het andere met behulp van een

slingerplant, de ojono. De reiziger vindt de eerste dorpen der Bakalaïs

in de streek dezer enimba’s. De bladen van dezen boom, benevens wat

ebbenhout en sandelhout, zijn de eenige handelsartikelen en worden aan

de Gabonezen verkocht. De Bakalaïs zijn gering in aantal, en als het

ware de voorhoede van een in het verder voortdringen gestuiten stam,

die aan den Ogobaï woont.

Tegenwoordig trekken zij zich terug, omdat de Pahuins (Fans) zich

tusschen hen indringen. Zij zijn even leelijk als de Boulous, even

groote vagebonden en dieven, maar niet zoo geweldig lui, want zij

vlechten alleraardigste matten.

Voor een jager leveren de bosschen dezer streek geen grooten

begeerlijken buit op. Men vindt zes soorten van antilopen, van de

kleine en uitermate fraaie af, die niet grooter zijn dan een haas, tot

aan den wit-gestreepten bango toe, die de grootte van een damhert

heeft. Op de heuvelen in den achtergrond van de groote Gabon-bocht

vertoont zich hier en daar de niare, de wilde buffel, en dikwijls ook

de ever met wit voorhoofd, waarvan du Bellay een tam exemplaar gezien

heeft. De met wratten bedekte snuit, de met lange borstelen omzette

oogen, de lange ooren, aan wier punt een lange haarbos hangt, dit alles

geeft aan dat dier een allervreemdst voorkomen. Hierbij komt nog een

luiaard (Perodicticus Poto) die daar te lande ekanda heet; deze is

echter zeer moeielijk te vangen en komt zelden in europeesche

verzamelingen voor. Voorts heeft men er pangolinen, civetkatten,

ratten, mierenleeuwen, apen, panters, en nog eenige andere. Olifanten

en gorilla’s vindt men nu slechts in de afgelegen wouden der Pahuins;

de panter komt zeer weinig voor en valt slechts zelden menschen aan, al

sluipt hij hen ook na. De talrijke slangen zijn allen giftig,

uitgezonderd de groote boa-python. Zij naderen tot bij de hutten om de

hoenders weg te kapen, en zitten de ratten tot op de daken na. Het

merkwaardigst is de echinda gabonica, een groote adder met korte

hoornen en zonder staart; dit dier bereikt een lengte van meer dan zes

voet; zijne prachtige schubben vormen groote, aller sierlijkste ruiten.

Een ware plaag zijn de mieren. Sommige hunner zijn vreeselijk klein en

kunnen zich in de kieren van een tafel verbergen; anderen hebben

grooter omvang, en de roode soort wordt zelfs voor de dieren des wouds

gevaarlijk. Men telt tot bij de twintig soorten. Een aantal hunner

dringt in de huizen, de hutten en de schepen binnen, waar men ze in

zooverre niet ongaarne ziet, daar zij veel ongedierte verdelgen.

Anderen zijn meer dan lastig. In de bosschen vindt men een groote

soort, geel van kleur, die haar nest op de boomen maakt, terwijl zij de

eindbladeren der takken met groote inspanning door hare webben aan

elkander verbindt en daarvan lange zakken maakt. Zulke nesten treft men

bij duizenden aan. Deze dieren zijn ongemeen dapper. De groote roode

mier trekt in geregelde kolommen zeer goed geordend voort. Een gedeelte

vormt twee gesloten rijen, en wel zoo dat deze mieren de een aan de

andere sluiten. Wanneer men met een stok in de kolonne steekt, kan men

een geheelen klomp opheffen, zoo stevig houden zij elkander vast. Het

leger vormt twee lange dichte muren; in de daartusschen aanwezige

ruimte wemelt het dan van anderen, die allen voeder of larven dragen.

Tusschen deze arbeidsters ziet men in alle richtingen mannetjes

trekken, beesten met dikke koppen, die geen last dragen, maar als

officieren het geheel in orde houden, met hunne sterke haken politie

uitoefenen en voor de veiligheid van allen zorgen. Buiten den levenden

muur gaan zij op kondschap uit, brengen vluchtelingen of achterblijvers

op, en bieden ieder die hen aanvalt tegenstand. Maar bezwaarlijk zal

mensch of dier een aanval op hen ondernemen, daar zij terecht zeer

gevreesd zijn.

Ook met betrekking tot de mieren heeft de neger zijn bijgeloof. Du

Bellay trad met een opperhoofd het bosch binnen, toen juist een

zwervende troep mieren voorbij trok; de zwarte bleef staan, brak een

blad van den naastbijzijnden boom, legde het voorzichtig weg en deed

een stap zijwaarts. Op de vraag waarom hij dit deed, antwoordde hij:

„mijne vrouw is op het punt van te bevallen, en nu zal haar niets

kwaads daarbij overkomen.” Toen de Europeaan daarom lachte, werd de

Afrikaan korzelig en zeide: „gij blanken behoeft voor de mieren niet

bang te zijn, want gij brengt uwe vrouwen hier niet mede.”

Menigmalen overvalt zulk een mierenleger een hut, en verdelgt al wat

leven heeft: kakkerlakken, schorpioenen, duizendpooten, ongedierte van

allerlei aard. Verwonderlijk snel maakt het alles kort en klein, maar

ontziet echter al wat tot het plantenrijk behoort. De felste vijand der

mieren is de termite (een nog grooter mierensoort), en dat is een

geluk; want indien beiden gemeene zaak tegen een dorp maakten, zou er

bitter weinig van overblijven. Onder de verschillende termiten richten

eenigen grootere verwoestingen aan. Bekend is het dat een aantal dezer

dieren groote heuvels opwerpen, waarbij, vergelijkenderwijs, de

egyptische pyramiden toch vrij nietig zijn. Er bestaat een soort, die

in de takken der boomen groote kogelvormige nesten uit hout en aarde

bouwt; terwijl weder een andere op den platten grond anderhalf voet

hooge cylinders opgericht, die allen een uitgerand kapiteel hebben.

Deze termitenheuvels hebben het voorkomen van een geweldig grooten

champignon en zijn binnenin van een aantal cellen voorzien.

In een volgend hoofdstuk zullen wij de menschenetende Pahuins schetsen,

die, zonder tegenspraak, onder de volken aan den Gabon de belangrijkste

zijn.

Gabon: schetsen uit West-Afrika De Aarde en haar volken, 1868 · 第 6 / 9 题