Het fetischisme aan den Gabon.—Wat Moondah beteekent.—
Fetischbeelden, hutten en boomen.—De fetischpriesters en
priesteressen.—Hoe men den geest ziet.—Invloed van den
Oganga.—Bezwering en genezing der kranken.—Spoken.—
Negerlogica.—Allerlei bijgeloof.—Karakter en aanleg der
zwarte rassen.—Het dagelijksch leven en het zoete
nietsdoen.—Plantengroei.
De negervolken die op het gebied van den Gabon wonen zijn
fetischaanbidders.
Het geheele fetischisme is een zeer ingewikkelde zaak, die van
verschillende gezichtspunten kan worden beschouwd. De vereering of
aanbidding van levenlooze voorwerpen komt zeer zeker slechts zelden
voor; zelfs de onbeschaafdste mensch beschouwt ze veeleer als symbolen
eener hoogere macht. De Gabonezen nu gelooven aan booze geesten, en
zijn bevreesd voor de zielen der afgestorvenen. Van hoogere wezens
kunnen zij zich slechts een zeer onvolkomen denkbeeld maken: zij
stellen zich die in een tastbare gedaante voor, en tot de abstracte
idee eener onstoffelijke ziel hebben zij zich niet kunnen verheffen.
De rondzwervende zielen der afgestorvenen boezemen hun angst in; de
booze geesten berokkenen den menschen slechts schade, en uit de
geestenwereld vloeit hun nooit iets goeds toe. Tegen deze kwade machten
bezit de Gabonees een reeks van talismannen, die hij voor zeer krachtig
houdt: fetischen, die hem tegen ziekten beschermen, en in den oorlog de
vijandelijke wapenen afweren. Door de aanraking met de Europeanen heeft
trouwens het vroeger aan de kust algemeen heerschende geloof aan zulke
zaken een grooten knak gekregen, maar in het binnenland heeft het niets
van zijne kracht verloren. De kustbewoners hebben echter in plaats van
het verloren fetischgeloof geen ander aangenomen; eigenlijk hebben zij
in het geheel geen godsdienst meer, maar wel allerhande bijgeloof
behouden.
Ieder oogenblik hoort men het woord Moondah, want onder dien naam
worden fetisch en fetischdienst aangeduid. De vrouwen dragen als
sieraad tijgerklauwen: deze zijn Moondah; de kruiden, die aan het
vischtuig worden bevestigd, zijn Moondah. De krijgsman draagt
gecalcineerde luipaardenhersenen bij zich, en roept die aan eer hij ten
strijde trekt. Deze fetisch is zeer krachtig, maar nog veel krachtiger
is die, welke uit de verbrande knoken eens blanken mans gemaakt wordt;
in den oorlog wordt deze voor een in alle opzichten onfeilbaren
talisman gehouden.
Deze allen zijn evenwel slechts amuletten of zoogenaamde Grisgris. De
eigenlijke goden worden onder de eene of andere groteske
menschengestalte voorgesteld, die soms een krommen neus, dunne lippen
en een wit gezicht heeft; het is duidelijk dat zij een Europeaan moet
verbeelden. Misschien ligt ook hierin het bewijs, dat de zwarte, als
het ware instinctmatig, de meerderheid van den blanke gevoelt en
erkent.
In een aantal hutten, voornamelijk in die der opperhoofden, worden de
fetischbeelden eenigszins op dezelfde wijze beschouwd als bij de oude
Romeinen de Lares; namelijk als een soort van huisgoden; maar dit komt
niet zeer menigvuldig voor. Ieder dorp heeft een klein fetischhuis, dat
inderdaad vaak slechts een zeer bescheiden tempel vormt: want de ingang
is menigmaal zoo klein, dat de geloovige den tempel kruipende moet
binnengaan; in grootere dorpen zijn deze gebouwen echter veel ruimer.
De neger laat den Europeaan ongaarne in deze fetischhutten toe, maar
Griffon du Bellay vond nogtans in een door Gabonezen bewoond dorp aan
den Ogobaï, gelegenheid zulk eene hut van meer nabij te bezichtigen.
Een opperhoofd, dat voor de eerste maal met Europeanen in aanraking
kwam en daarover zeer verheugd was, leidde hem daar binnen.
De hut was zeer netjes ingericht; er bevonden zich daarin drie
fetischen: een god en twee godinnen; hun gelaat was met rood en wit
beschilderd; het lichaam zindelijk gekleed, en wel met europeesch
katoen. Deze drie fetischbeelden lagen op een soort van rustbed of
altaar; in de rondte had men lappen katoen en dierenvellen opgehangen;
allemaal vreedzame voorwerpen en niets dat van verslagen vijanden
afkomstig wezen kon. Het gelaat van het opperhoofd straalde van vreugde
toen hij zijn houten beschilderde goden bekeek, ongeveer zoo als een
kind zich over zijne poppen vroolijk maakt.
Ongetwijfeld grijpen in de fetischhutten godsdienstige handelingen
plaats: men bidt, roept den god om zijne bescherming aan, opdat hij
ziekten afwende, maar vóór alle dingen, opdat de handelszaken wel mogen
slagen. Menigmalen worden de godenbeelden met groote praal door het
dorp rondgedragen. Dan beschilderen de lieden hunne lichamen op eene
allerzonderlingste wijze, en spreken in hartbrekende en
oorverscheurende klanken—die zij met den naam van gezang
bestempelen—hunne wenschen uit. Wanneer er op die manier „groote
fetisch gemaakt” wordt, opent het opperhoofd, „de koning”, den optocht,
want bij de negers bezit het opperhoofd, behalve de hoogste
wereldlijke, ook de geestelijke macht. Een groote schel, die aan een
eenigszins krommen steel bevestigd is, strekt ten teeken zijner
waardigheid; voor deze buigt zich iedereen neder, en slechts weinig
booze geesten kunnen de macht wederstaan, die er in deze heilige bel
schuilt.
De koning is dus een soort van opperpriester, maar de zwarte heeft ook
eigenlijke fetischpriesters, die behalve de geestelijke bediening ook
de betrekking van bezweerder en geneesheer bekleeden. Het volk
gelooft—wat gelooft over de gansche wereld het volk niet?—dat zij
geheel naar hun welgevallen met den „geest” in verbinding kunnen
treden: ook worden zij wel opgeroepen, als er de een of andere
twistzaak of strijd moet beslist worden. In dat geval sluit de priester
zich in het fetischhuis op, of gaat diep in het dichtste woud naar een
Moondahboom, waar hij uren lang in zich zelven gekeerd vertoeft en dan
zijn orakel laat hooren. Ook bij oneenigheid tusschen echtgenooten
wordt zijn raad ingeroepen; en bij de nachtelijke bezweringen speelt
het buikspreken eene groote rol.
Griffon du Bellay sliep eens op zekeren nacht in een dorp aan de rivier
Rhamboé; plotseling liet zich een geschreeuw hooren, dat niet door
menschen scheen voortgebracht; daarop werd alles doodstil. Maar na
verloop van een oogenblik hoorde men een diepe, dreigende basstem. Du
Bellay begreep wel dat er een bezwering in het spel was, en stond op om
de zaak nader te onderzoeken, maar zijn gastheer hield hem terug.
„Blijf maar hier, het is niemendal; mijn buurman maakt fetisch voor
zijne vrouw.” Daarbij mocht geen Europeaan tegenwoordig zijn, want „het
gezicht der blanken verdrijft de geesten.” Eigenlijk had de buurman tot
na het vertrek van den Europeaan willen wachten, om eerst dan een
fetisch voor zijn vrouw te maken; dan de zaak kon geen uitstel lijden,
omdat een zeer beroemd fetischpriester, wiens hulp men wilde inroepen,
slechts op zijn doorreis was en den volgenden dag weder verder moest
trekken. De waardige man liet een groot kwartier lang zijn dreigende en
grimmige basstem hooren: hij sprak verschrikkelijke dingen, die de
vrouwen in het dorp in haar oor knoopen konden. Want de vrouw van den
buurman had zich aan ontrouw schuldig gemaakt, en zij werd, nadat het
gebrom had opgehouden, verschrikkelijk door den vromen man gegeeseld;
men kon in het holle van den nacht haar gehuil en geschreeuw tot ver
weg hooren, en andere vrouwen konden zich aan deze tuchtiging
spiegelen. Het oude opperhoofd, bij wien du Bellay woonde, gaf hem
uitvoerige inlichtingen omtrent deze gebeurtenis; de man was echter
reeds een vrijgeest geworden, want hij liet zich verluiden, „dat de
fetischpriesters voor niets anders op de wereld deugden dan om de
vrouwen den noodigen eerbied voor de mannen in te boezemen.”
Er zijn ook fetischpriesteressen. Du Bellay heeft er echter slechts
eene gezien, en wel aan den Ogobaï, waar de europeesche vrijgeesterij
heden ten dage nog niet is doorgedrongen. Het dorp heette Avengawiri;
du Bellay en de luitenant ter zee Serval waren de eerste Europeanen die
daar den voet zetten. Toch bracht hunne verschijning op zijn best eenig
opzien te weeg. Bij eene hut stond een hoop menschen, die nauwelijks
een oog op de blanken sloegen, maar naar een gejammer en geschreeuw
luisterden, dat uit die hut voortkwam. Het gelukte den beiden
Europeanen die binnen te dringen: en zij waren nu getuigen van een even
walgelijk als zeldzaam schouwspel. In het midden van de ruime hut stond
eene nog jeugdige vrouw, bijna naakt en van top tot teen onregelmatig
met allerhande kleuren beschilderd: dat wil zeggen op het lichaam, want
haar gelaat was zorgvuldig in schuinsche vierkleurige ruiten verdeeld.
Zij danste als een krankzinnige op het geluid van een tamtam. Nu en dan
trad een jonge neger uit den kring der omstanders, plaatste zich
tegenover haar, beschouwde oplettend hare ontuchtige bewegingen, en
volgde die dan eveneens na. Zoodra hij vermoeid was, nam een ander
zijne plaats in; maar de priesteres was onvermoeibaar en maakte ook
dezen doodaf—want „zij zag den geest”.
De neger is geheel en al van bijgeloof doortrokken, en het laat zich
dus begrijpen, dat hij zich geen juiste en eenvoudige voorstelling van
ziekten maken kan. Hij schrijft ze aan vergiftiging, aan hekserij of
wel aan de wraak van een beleedigden geest toe. Om die reden moet de
fetischpriester zijn doctor zijn, want de heilige man weet met geesten
om te gaan, vooral hij die een geheimzinnig leven in het midden der
bosschen leidt. Zulke priesters worden voornamelijk onder de Boulous
gevonden: deze worden voor bijzonder bekwaam gehouden. Een gewonde
Gabonees laat zich een europeeschen arts welgevallen, maar voor
inwendige ziekten neemt hij onveranderlijk zijn toevlucht tot een
doctor van zijn land. Dat is zeer logisch: want wanneer de krankte door
een boozen geest veroorzaakt is, kan zij slechts door bezweringen en
tooverformulieren verwijderd worden.
Een Oganga, dat wil zeggen een fetischpriester, is altijd een
belangrijk persoon, en aan sluwheid ontbreekt het hem zelden. Hij zoekt
zoodra mogelijk den kranke te genezen, en in lichte gevallen gelukt hem
dit ook; in andere gevallen zoekt hij tijd te winnen. Hij laat een
groote hut bouwen, waarin een aantal rustbanken van bamboes worden
geplaatst en met gordijnen, tot afwering der muskieten, behangen. Daar
liggen de kranken, meestal van het vrouwelijke geslacht, en de hut is
den geheelen dag opgepropt met bezoeksters. Het lichaam van de kranken
wordt beschilderd en met allerhande poeder bestrooid. Deze bestrooiing
moet alle dagen herhaald, worden. ’s Avonds en ’s morgens wordt de
kranke eerst in het dorp rondgevoerd, en later ook daar buiten. Als het
duister begint te vallen wordt er op een tamtam geslagen, en moet zij
gaan dansen. Nu en dan vangt de fetischpriester haar beeld in een
spiegel op en beschouwt het; de geesten ondervraagt hij eerst, als de
ziekte van bedenkelijker aard is geworden, en zoodra hij het ergste
vreezen moet, verklaart hij dat er vergiftiging heeft plaats gegrepen.
Overigens kent de Oganga ook werkzame artsenijmiddelen, en brengt door
aanwending daarvan menigmaal een gelukkige genezing teweeg.
Na den dood eens mans scheren zijne vrouwen, als teeken van rouw, het
haar af en dragen in de eerste weken geenerlei tooi. Drie dagen lang
blijft de afgestorvene in zijne hut en ontvangt bezoeken van al zijne
bekenden; zij komen om hem te verwijten dat hij het leven en zijne
verwanten en vrienden verlaten heeft. Daarbij wordt dapper brandewijn
gedronken en veel kruit verschoten. De kist wordt uit de koffers des
afgestorvenen vervaardigd; een gedeelte van zijn huisraad wordt er in
gelegd, en in de eerste plaats zijn drinkglas en pijp. Op den derden
dag gaat men hem diep in het bosch begraven, en slechts zijne naaste
bloedverwanten en eenige slaven vergezellen hem naar het graf; want de
andere lieden, en vooral de Europeanen, mogen niet weten waar men hem
bijzet. In dorpen, die niet ver van de zee gelegen zijn, begeven al de
bewoners gedurende de begrafenis zich naar het strand, en geweerschoten
kondigen het oogenblik aan dat de kist aan de aarde wordt toevertrouwd.
Dan werpen allen zich, en wel achterover op den rug, in het water.
Eertijds werden aan ieder man van aanzien eenige slaven in het graf
meêgegeven, maar sedert de Europeanen in het land zijn gevestigd, heeft
dit barbaarsche gebruik, ten minste aan de kust, opgehouden.
De fetischpriester hecht er aan, dat hij voor onfeilbaar gehouden
wordt. Het is reeds hierboven gezegd hoe hij zich uit de klem helpt;
zoodra de kranke achteruit gaat, zegt hij dat deze vergiftigd of
betooverd is. Na de begrafenis komt het er voor hem op aan, den
schuldige uit te vinden: en dat is niet moeielijk, daar de lieden zoo
lichtgeloovig zijn en hij zelf een sluwe gast is. Bij de faktorijen der
Europeanen gelooven de negers nog wel aan betooveringen; maar den
gewaanden heksenmeester mag niets kwaads geschieden.
Kapitein Vignon heeft ons zulk een bezwering geschetst. Des avonds van
den dag waarop de begrafenis plaats heeft gehad, wordt het huis des
afgestorvenen met flambouwen omringd; de dorpbewoners vormen een kring,
en de fetischpriester plaatst zich in hun midden. Dan wordt er op den
tamtam geslagen, en allen beginnen te zingen, terwijl de priester
alleen danst. Na verloop van eenigen tijd beveelt hij de flambouwen uit
te dooven, en als het donker is, roept hij de geesten aan, opdat zij
hem den schuldige aanwijzen. Na de bezwering worden de fakkels weder
ontstoken; het zingen en dansen duurt tot het aanbreken van den dag
voort, en dan eerst haalt de priester van onder zijn rok de huid van
een klein dier te voorschijn, dat eninka wordt geheeten. Daarmede in de
hand loopt hij den kring rond, en laat ze dan voor hem, dien hij reeds
bij voorraad als offer heeft uitgekozen, vallen. Hij roept hem luid bij
zijn naam, en zegt: „Hier is de giftmenger!”
Gewoonlijk is zulk een ongelukkige een slaaf. In dat geval wordt hij
terstond gegrepen en naar het veld gevoerd, waar men hem aan een boom
bindt en met messteken doodt, of ook aan de Boulous overgeeft, die hem
levend verbranden.
Een vrije is het toegestaan zich door eene „proef” te reinigen, door
een Godsoordeel van de allergevaarlijkste soort: want hij moet een
hevig werkend vergif drinken. Hij wordt voor schuldig gehouden als het
hem om het leven brengt, en voor onschuldig als hij de proef doorstaat.
Het vergif is van een struik afkomstig, die aan den Gabon ikaja, aan
kaap Lopez mbundu heet; hij schijnt tot dezelfde plantensoort te
behooren als de struik, die de Nux vomica (kraanoog) en de St.
Ignatiusboom oplevert. Du Bellay heeft den struik in de moerassige
wouden aan den Gabon gezien: hij is ongeveer acht voet hoog, heeft
eenige takken en weinig bladeren. De lange hoofdwortel heeft een
helderrooden bast, en deze laatste bevat een zeer sterk vergif, dat
eenigszins met strychnine overeenkomt. De bast wordt geraspt en in een
vaatje gedaan, dat daarmede ongeveer op een derde gevuld wordt; dan
doet men er zoo wat een pond water op, dat spoedig even rood wordt als
de bast zelve. Dan is het vergif gereed.
Du Chaillu is de eenige reiziger, die bij een dergelijke proef
tegenwoordig is geweest. In een geval, waarvan hij zegt getuige te zijn
geweest, had het gift na verloop van vijf minuten zijne uitwerking
gedaan: den ongelukkige was het bloed uit oogen en ooren
gedrongen—hetgeen zeker zeer vreemd klinkt. Dezelfde reiziger verhaalt,
dat hij een ouden Oganga gezien heeft, die het vergif had gedronken
zonder dat het hem den dood had veroorzaakt. Hij kreeg echter hevige
diarrhoea, lag een geruimen tijd, alsof hij smoordronken was,
bewusteloos op den grond uitgestrekt. Maar hij heeft, als het feit waar
is, zeker geen zoo sterke dosis genomen als bij de „proeven” bepaald
is, en waarschijnlijk vooraf veel palmolie ingezwolgen, waardoor de
werking van den ikaja sterk wordt getemperd.
Deze soort van gerechtelijke en officiëele vergiftiging bepaalt zich
niet slechts tot het gebied van den Gabon, maar komt in de meeste door
zwarten bewoonde landen voor, voor zoover deze geen Mohammedanen
geworden zijn. Men denke slechts aan den Tanghin op Madagascar, en aan
de Nigerdelta, waar de calabarboom eene groote rol speelt.
De Europeanen dulden zulke moordenarijen niet, maar zij kunnen bij den
neger het bijgeloof en de lichtgeloovigheid niet uitroeien. Slechts
zeer weinigen, die in Europa zijn opgevoed en in Afrika steeds met
Europeanen in nauwe betrekking blijven, hebben zich van dit vooroordeel
geheel losgemaakt.
Gelijk wij reeds hebben opgemerkt, gelooft de neger ook aan hekserij.
Zelfs wanneer hij van zijne vroegste jeugd af bij blanken heeft school
gegaan en in het Christendom onderwezen is, moet men hem toch op den
duur van den omgang met zwarten verwijderd houden, anders blijft hij er
stijf en sterk bij, dat er Zombis (geesten) zijn, en draagt hij een
fetisch bij zich. Zoodra de katholieke priesters in de Antillen b.v.
zulke talismannen ontdekken, nemen zij die den neger af en geven hem
daarvoor een Mariabeeld of een heilige medaille in de plaats. Maar van
de symbolische beteekenis, die aan deze voorwerpen is toegekend,
begrijpt hij niets. Zoodra hij ondervindt dat het Mariabeeld of de
heilige medaille hem niet voor ziekten of andere kwalen bevrijdt, wendt
hij zich zeer zeker op nieuw tot zijn afrikaanschen fetisch, zonder
daarom nog de goede trouw van den katholieken priester in twijfel te
trekken. Hij is alleen overtuigd dat deze middelen uitstekend goed voor
blanken zijn, maar op zwarten niets vermogen. Dit is van zijn kant nog
zoo dom niet gedacht, daar hij zich overtuigd houdt, dat de God, die
aan de blanken zoo veel rijkdom en macht heeft geschonken, niet
tegelijk de God van de zwarten wezen kan.
Aan den anderen kant houdt hij het er voor, dat zijne goden, de goden
der zwarten, jegens de blanken geheel onverschillig zijn, en dat de
macht die er in zijn fetisch schuilt, op de blanken niet kan werken.
Juist daarom schenkt hij hun dan ook gaarne fetischen. Griffon du
Bellay kocht er een voor een paar bladen tabak; het was een soort van
menschelijke gedaante, die vogelvederen in den vorm van een
stralenkrans op het hoofd, en in de borst een stuk glas had. Deze god
der zwarten was aan het einde van een staf bevestigd, en werd voor een
krachtigen oorlogsfetisch gehouden; die in meer dan een gevecht van
uitstekenden dienst was geweest. De krijgsman, in wiens bezit hij was,
stak hem, als hij wilde slapen, voor zich in den grond, en gaf zich dan
onbezorgd aan den slaap over. Men begrijpt, dat deze krijgsman niet
dolgraag van zulk een machtigen schutsgeest afstand deed; voor geen
geld ter wereld zou hij zulk een onschatbaar kleinood aan een zwarten
man hebben afgestaan: maar voor een blanke was deze fetisch hoegenaamd
van geen nut. Het geloof, dat er voor de verschillende rassen ook
verschillende goden bestaan, doet den zwarte goed en streelt hem zelfs.
Het overwicht van de Europeanen in alle materiëele zaken blijkt hem
zeker duidelijk genoeg, en hij gevoelt het op geen al te pleizierige
wijze; voor het overige erkent hij dat in geenen deele. Hij ziet hoe
ongeloovig wij glimlachen, als hij van een der droombeelden zijner
fantazie vertelt: maar geeft dan met een zekeren trots te verstaan, dat
de god der blanken, die jegens hen zoo mild en grootmoedig is, voor hen
toch een aantal geheimen heeft verborgen gehouden, die de zwarte
uitmuntend doorgrondt.
Wij willen hier een merkwaardig geval mededeelen. De luitenant ter zee
Serval voerde het bevel op het kleine adviesjacht de Pionier, welks
bemanning grootendeels uit zwarten, schoon niet uit fetisch-dienende
Gabonezen, bestond, maar uit mohammedaansche inwoners van Senegambië,
die in ieder opzicht verre boven hen staan. Deze zwarte matrozen van
den Senegal worden gewoonlijk onder den naam van Laptots aangeduid. Nu
werd een dezer Laptots, terwijl hij tusschen de raderen van de kleine
stoomboot baadde, door een haai gegrepen en stierf korten tijd daarna.
Een paar dagen later harpoeneerden de Laptots zulk een monster, en
hadden nu de vaste overtuiging dat zij den moordenaar huns makkers
gevangen hadden. Reeds waren zij op het punt hem aan boord te hijschen,
toen plotseling een hunner op het dek verscheen, en een kreet van
verrassing en blijdschap uitstiet. Op dat zelfde oogenblik maakte de
haai zich met een geweldigen ruk los, en viel weder in zee. Daar moest
iets bovennatuurlijks bij in het spel zijn! De Laptot, die zoo te
ongelegener tijd op het dek gekomen was, moest daaraan schuldig zijn.
Toevallig behoorde hij tot een stam, die in den reuk van tooverij
stond; zijne plotselinge verschijning, de kreet, dien hij had geuit,
waren duidelijk genoeg; zijne verstandhouding met den haai was boven
allen twijfel verheven: het zeemonster was een neef, die eens in een
visch veranderd was, om een misdaad te boeten!
De woede der Laptots kende geene grenzen. Zij wilden den misdadiger
terstond in het water werpen, en slechts met moeite kon de Gurmet hem
redden. Aldus heet degeen die over iedere bemanning van Laptots gesteld
wordt, en dien zij gewoonlijk uit hun midden kiezen. Doorgaans is hij
de verstandigste onder hen en staat in groot aanzien; maar hier werd
daarop geen acht geslagen. Hij deelde waarschijnlijk in het vooroordeel
der anderen, en tastte daarom niet dadelijk door, maar deed van het
gebeurde den luitenant verslag. Serval trachtte hem het onzinnige van
zijne bewering onder het oog te brengen, maar de Gurmet antwoordde: „De
blanken weten veel meer dan de zwarten, maar zij verstaan nog een
aantal dingen niet, waarvan de zwarten iets kennen.” Hij doelde op de
tooverij. Serval nam den verdachte in bescherming, maar de
opgewondenheid der Laptots was zoo groot dat hij hem ontslaan en
wegzenden moest.
Griffon du Bellay, de grondige kenner van het afrikaansche leven, maakt
de volgende opmerkingen, wel waard om door de philanthropische
fantasten en die bekrompen lieden ter harte te worden genomen, welke
zich van alle zwarigheden in betrekking tot de vrijmaking der negers
met het onnoozel gezegde zoeken af te maken: „De eene mensch is net
even goed als de andere.”
„Zoo zijn de zwarten, en ik spreek van de besten. Beschaaf hen zoo lang
en zooveel gij wilt, en verbeter of ontwikkel de goede eigenschappen
die zij bezitten. Maar als gij hen niet aan den invloed van hun eigen
ras onttrekt, zult gij, naar ik vrees, niet veel uitrichten. Gij maakt
dan verder niets van hen dan wat nu reeds velen van zelf zijn:
goedaardige en vreedzame lieden, eenvoudig van geest, zeer middelmatig
van vindingskracht, aanhankelijk van natuur; met een groote mate van
navolgingsvermogen begaafd, en nu en dan niet zonder moed. Maar onder
de zwarte huid schuilt altijd dezelfde oude mensch, en het moet u niet
verwonderen, als uw kweekeling u op zekeren dag ontloopt: voornamelijk
wanneer een door het bijgeloof gewekte schrik hem bevangt! Dan wordt
hij weder wat hij altoos was: lichtgeloovig als een kind en
barbaarsch.”
Het dagelijksche leven dezer volken levert niet veel belangrijks op. De
omgang met de Europeanen heeft hen met een aantal zaken bekend doen
worden, die hen nu tot behoefte zijn geworden; maar wat hunne
voedingsmiddelen betreft, zijn zij weinig of niets veranderd. Zij wonen
in een streek waar de plantengroei overweelderig is, maar zij weten
noch voor zich noch voor de vreemden daarvan partij te trekken. In de
nabijheid der dorpen worden bananen en manioc verbouwd, maar nooit in
groote hoeveelheid; in het dorp zelf staan eenige heilige boomen bij de
fetischhut en eenige ilangas, liliacæën, die naar men meent den bliksem
afweren. De mangoboom is door de Europeanen ingevoerd; maar van den
broodboom weten de zwarten niets te winnen, hoeveel moeite de
zendelingen zich ook geven, hun van het nut dezes booms te overtuigen.
Op de zoogenaamde velden, meestal open plekken in het bosch, worden
bananen, manioc, ignamen, aardnoten, maïs, suikerriet en eenige
specerijen verbouwd; nogtans zijn deze akkers steeds van geringen
omvang. Men verwisselt zeer dikwijls van akker, en de ontginningen in
het woud kunnen gemakkelijk geschieden. Al de bewoners van een dorp
verlaten het soms op eens, slaan zich uit takken een aantal hutten op,
en legeren zich in de vrije natuur. Eenige vrouwen moeten koken, andere
zijn, terwijl zij de kinderen op haar rug dragen, de mannen behulpzaam
in het wegruimen der omgehakte boomen. Na zonsondergang neemt het
dansen een aanvang; op verscheidene plaatsen wordt een groot vuur
aangestoken, welks vlammen een schril licht op de met ontuchtige
sprongen zich bewegende, en van zweet druipende zwarte gestalten
werpen. Op den dag evenwel is alles druk in de weer, en men herkent den
doorgaans zoo tragen neger niet meer. Maar het werk is niet zoodra
afgeloopen, of hij keert naar het dorp terug, en het luieren is op
nieuw schering en inslag.
Bananen en manioc schijnen aan den Gabon oorspronkelijk te huis te
behooren; de eersten treft men echter nergens in het wild aan, maar
alleen op plaatsen die vroeger bebouwd zijn geworden. Men vindt er
negentien soorten van. De hier geteelde manioc overtreft de
amerikaansche ver, want hij bevat geenszins, als die van de Nieuwe
Wereld, giftige bestanddeelen.
Olieachtige planten zijn hier in overvloed aanwezig, maar zij worden
door de zwarten veronachtzaamd. Wij willen hier al de soorten niet
opnoemen, en alleen opmerken dat de oliepalmboom in het gebied van den
Gabon niet in ruime mate voorkomt. Om de zoo kostelijke aardnoot
(Arachis) bekommert men zich al bitter weinig, omdat het winnen er van
een weinigje arbeid vordert. Als opwekkend middel gebruikt hier de
zwarte de wortels van den Ibaga (Taberna ventricosa, uit de familie der
apocynæën), een prikkelende zelfstandigheid, die in zeker opzicht de
koffie zou kunnen vervangen. De negers gebruiken dit, als zij lange
watertochten moeten doen en den slaap willen verdrijven. Hetzelfde
geschiedt met eenige soorten van sterculiën, b.v. de roode orende, als
ook met de ombene; de laatste is de Sterculia acuminata, die als kola-
of gurunoot ook in Soedan een zeer gezocht handelsartikel is.
De bosschen leveren een ongeloofelijke verscheidenheid van den
weelderigsten plantengroei, en de Europeaan, die daarin voor het eerst
den voet zet, staat vooral verbaasd over de ontelbare slingerplanten,
die tegen de reusachtige boomen opklauteren, en in dichte slingers van
stam tot stam hangende, een allerwonderlijkst geheel vormen. Daaronder
zijn b.v. de Ineeh, die een zeer sterk gif bevatten; verscheidene
leveren caoutchouc op, en, zooals de Ndambo, tevens smakelijke
vruchten. Bijzonder merkwaardig zijn de Oginagina, die guttegom
oplevert; de Okume of vlammende boom, waaruit helderbrandend hars in
grooten overvloed druipt, en van wiens stam groote booten vervaardigd
worden. Aandacht verdient ook de owountschua, een vijgeboom, waarvan
wij later een afbeelding geven zullen.