ZEVENDE TOONEEL.

De vorigen, Karalyk.

KARALYK. (In Sabbathkleeren. blijft bij de deur verbluft staan). Ben

jij ’t? Ben jij ’t? (snelt op hem toe, kust hem). M’n jongen—m’n

jongen! Nou is alles weer goed! Laten ze nou de laatste brokken ook nog

maar wegsleepen! Ja, lach maar groomoe—hij is d’r weer, hahaha! Ga

zitten, vertel! Vertel dan! ’k Dacht dat de schoften... Daar mot ’k

zelf bij gaan zitten—’t slaat me in me beenen, hahaha! Goeie God, wat

’n gebenchte Sjabbes... Waar zat je—waar was je—wat voerde je uit...

DE MOEDER. Hij heeft de kozakken gehaald.

KARALYK (verheugd). Jij?

PETRUSHKA (schuw). Ik...

KARALYK (tot de moeder). Zie je? Wat zei ’k? Wie had ’t bij ’t rechte

eind? En—en hebben ze je nièt gesnapt?

PETRUSHKA. Enkel wat steenen...

KARALYK. Toch niet erg?—Toch niet erg?...

PETRUSHKA. Erg?... Nee... Nee...

KARALYK. Je ziet zoo wit...

PETRUSHKA. (aarzelend). ... Dat rennen en rennen—en de heele nacht

wakker...

KARALYK. ... En niet gegeten?...

PETRUSHKA. ... Nee—geen brok van af gister...

KARALYK. Hahaha! Hahaha, da’s bijzaak—’k ruik de Sjabbessoep van hier!

Opdoen moeder! Opdoen! (opstaand en den zoon omhelzend). Dat God je

zegene—dat God je zegene, jongen... Wat is ’r?...

PETRUSHKA. ... Je drukt met je handen, waar d’r steenen builen hebben

geslagen!

KARALYK. Builen?... De bloedhonden!... Laat kijken...

PETRUSHKA. Nee vader. ’k Wou alleen liever nièt mee-eten, wat rusten...

KARALYK. Rusten met ’n leege maag? Geen denken an!

PETRUSHKA. ’k Ben te moe om uit me oogen te kijken...

KARALYK. Dan zit je tòch mee an—dan zul je opknappen door ònze

vreugde—wat, moeder?...

PETRUSHKA. ... Ik kan niet—kan niet, vader...

DE MOEDER. Je kàn wel, Petrushka. Je kan wèl. Na ’t eten kruip je na

boven... (luid) Kasja! Kasja! (de meid komt in rechterdeur). ...

Opdoen, na ’t gebed. An tafel, moeder!

GROOTMOEDER (dwingerig). ... Nee... Nee... Niet eten... Hier lekker

warm... Hier eten... Hiér...

KARALYK. Jij heb niet geslapen, jongen—wij ook niet... Je moeder lee de

heele nacht te huilen, niewaar? (de moeder knikt, bijna niet

luisterend) ... En ik? Bij ’t minste gerucht ben ’k opgestaan, zes,

zeven maal, denkend dat je ’r was... Wat zoo’n nacht duurt, duurt!...

Gisteravond nog vóór ’t schemerde waren de kozakken ’r... Hoe ben je ’r

doorgekommen?... Hoe heb je ’t zoo vlug...?

PETRUSHKA. ... Hoe? ’k Weet ’t niemeer... As ’n dier ben ’k gejaagd...

Vader ik kàn niet mee anzitten—ik ben ziek van moeheid... Ik kàn

niet...

KARALYK (verwonderd). ... Zijn je moeder en ik niet afgebeuld—schuiven

we niet as koningen bij, dankbaar as we zijn dat God ons in gezondheid

an de Sjabbestafel, na zóó’n dag en nacht van gruwel en ellende,

vereenigt? De ouwe Sally is vermoord—niet om na te vertellen hoe—en de

dochter van Iwan, dat kind van nog geen zestien, nog niet volwassen,

hebben ze onder de oogen van ’r vader en moeder, de kleeren van ’t

lichaam gerukt—en—en... Dieren zijn niet zoo duivelsch as die door God

gevloekten! En te denken dat de huizen van Abramoff, Pjoepianoff,

Janowsky—omdat ze zich hebben laten doopen, dóópen!—voor wat?... Uit

overtuiging!—te denken dat diè gespaard zijn gebleven!—te denken...

DE MOEDER (tot de grootmoeder, die het lichtje in de handen genomen

heeft) ... Moeder doe niet as ’n kind! Zet ’t neer!

KARALYK. ... Neerzetten, moeder! Da’s geen speelgoed! (De ouwe vrouw

zet het neer) ... Nee waarachtig geen speelgoed!... Zijn jaartijd! De

jaartijd van je grootvader—’t lichtje om òns te helpen onthouen, òns,

of wij ’t ooit zullen vergeten, hoe ze ’m voor drie jaar geslàcht

hebben! Straks, toen ’k met Petroff zat, tobde ’k ’r over, dat we ’t

volgend jaar misschien twéé lichtjes zouen moeten branden—een voor

hem—een voor jou ... Eeuwige, Almachtige, wees gedankt...

DE MOEDER (hem het brood en het zout overreikend) ... Laten we brooge

maken—de meid wacht...

KARALYK. Nee. De herinnering aan vader gaat voor... (in extase biddend)

... Eeuwige, die hem tot u genomen, uit z’n zorgen en lijden—die ’t

wilde, dat hij u niet aanriep, omdat z’n mishandelde tong ùw naam niet

meer zeggen kon—Adonoj, onze God, wees geprezen tot in alle Eeuwigheid!

Gij hebt gesproken, Almachtige: „Laat ons den mensch maken naar ons

beeld, naar onze gelijkenis: Dat zij heerschen over de visschen der

zee, over het gevogelte des hemels, over de geheele aarde en over al

het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt...” Gij hebt ons volk

gezegend en gezegd: „Weest vruchtbaar, vermenigvuldigt, vervult de

aarde, bedwingt haar, heerscht over de visschen der zee, over het

gevogelte des hemels, over het gedierte dat op aarde kruipt!”... Maar

de menschen, o Eeuwige onze God, luìsteren niet naar uw stem, heerschen

niet over de visschen, de vogels, het kruipend gedierte—zij moorden en

vervolgen en liegen en bedriegen in uw oneindigen naam! Adonoj, onze

God, wij geven ons aan uwe wijsheid over—wij bidden voor de dierbare

dooden en danken u voor de zegening, dat gij den zoon terug hebt

geleid, dien we met heete tranen beweenden. Omein wie omein!

DE MOEDER (zacht) ... Omein... (Een stilte. De meid draagt de soep

binnen. De wind juilt om het huis. De moeder vult een bord voor de

grootmoeder, brengt haar dat. Terwijl snijdt Karalyk het brood, doopt

het in ’t zout).

KARALYK. Maak brooge, Petrushka...

PETRUSHKA. Ik?... Mot ik...

DE MOEDER (moeilijk-ingehouden). Nee! Nee! Hij niet!... Jij vanavond...

KARALYK. Ik begrijp jou niet.—Ik begrijp jullie geen van twee... (kijkt

hen wantrouwend aan) ... Jij doet zoo vreemd... Heeft Petrushka niet

van z’n kinderjaren brooge gemaakt?

DE MOEDER. Dat is zoo—dat—dat spreek ’k niet tegen.—Maar—maar—(zich

bedwingend) ... Petrushka, maak brooge...

PETRUSHKA (moeilijk) ... Boroeg Atto Adonoj... (smakt in den stoel

terug). Ik kan niet—dat zie je toch wel—maak me niet krankzinniger dan

ik ’t al ben...

KARALYK. Jij kan niet...?

DE MOEDER. Je merkt toch dat-ie overstuur is—ik zei je straks...

KARALYK. Stil—geen gepraat onder ’t gebed... (plechtig) ... Boroeg Atto

Adonoj Elloeheinoe... (Een heftig geklop op de luiken. Zij kijken

mekaar verschrikt aan. Er wordt sterker geklopt. De meid komt uit het

kookhok, rechts).

DE MEID. Zal ik hooren? (Karalyk knikt).—(Zij gaat op de

achterbuitendeur toe, roept) .... Wie daar?... (onverstaanbaar

antwoord) ... Wie daar?... (hetzelfde). ... De kozakken! (opent de

deur).

DE HOOFDMAN. De jood Karalyk?

KARALYK. Die ben ik.

DE HOOFDMAN. Je papieren!

KARALYK. Papieren? Wat voor papieren?

DE HOOFDMAN. Dat je hiér wonen mag...

KARALYK. Ik—papieren—ik die van m’n kinderjaren?...

DE HOOFDMAN. Geen praatjes, geen gezwets, jood—we hebben andere korvee!

KARALYK. ’k Begrijp ’r niets van. As je zegt wat je wil...

HOOFDMAN. Wil je ’t uitzettingsbevel lezen—je staat als vreemdeling

ingeschreven, Karalyk...

KARALYK. Ik vreemdeling—ik die meer dan ’n halve eeuw...

HOOFDMAN (nijdig). Laat me uitspreken! Val je soort in de rede! Wat wou

jij anders dan vreemdeling zijn? Heb je ooit verlof gevraagd hier te

wonen? Na de herrie, de relletjes van gister en eergister, waarin jij

betrokken ben geweest, is ’r vastgesteld dat je alles heb behalve

papieren. Heb je papieren, ja of nee?

KARALYK (dof). Nee—wèl van ’t geld dat ze schuldig zijn...

HOOFDMAN. Die gaan me niet an.—Verkassen!

KARALYK. Verkassen?—Motten wij... Wanneer?

HOOFDMAN. Op slag.—Dadelijk.

KARALYK. Op slag—midden in ’t Sjabbesmaal?—Mòt dat?

HOOFDMAN. Anders zou ’k ’t niet zeggen, hè?—Vooruit!—Ingerukt!

KARALYK (dof). Mag ’k pakken wat ze bij de verwoesting hebben gelaten?

HOOFDMAN. Je pakt niets! Voor ’n verhuisoptocht heb ’k geen

opdracht.—Alleen jij en je vrouw!

KARALYK. Goed, goed (tot Petrushka). Kom jongen. We zijn de eersten

niet, zullen de laatsten niet zijn—we blijven Godlof bij mekaar...

HOOFDMAN. ’k Zeg toch weergaasch duidelijk: alleen jij en je vrouw!

KARALYK. Ja, ja. Maar m’n zoon ook. We zijn àllemaal zonder papieren,

allemaal...

HOOFDMAN (kort). Nee! Je zoon hoeft niet als-ie niet wìl—staat op de

lijst van de gedoopten, sinds gister.

KARALYK. Ben—jij—gister—ge—gedoopt? (Harde stilte). Ben jij gister...

(vliegt op de tafel toe, grijpt ’n mes) ... Ben jij...

HOOFDMAN (hem met geweld tegenhoudend) ... Is ’t genoeg? Sta ik hier

als kwajongen? Vooruit—of mot de knoet meepraten?

KARALYK (tot de vrouw) ... Wist jij dat? Mocht-ie daarom geen brooge...

En voor dien schoft heb jij ’n bord an de Sjabbestafel gezet?...

HOOFDMAN (tot de kozakken). Angepakt. Duurt te lang.

KARALYK. Bij de herinnering an je eigen ouwers—laat me nog even wat

zeggen an me—an me zóón...

HOOFDMAN. As je ’t kort maakt—en geen nieuwe kunsten!

KARALYK (terwijl hij spreekt, wijkt de Hoofdman, half angstig, half

geparalyseerd door de woede van den grijsaard. De meid en de kozakken

staan in de deuropening) ... Wou ’k zeggen—wou ’k zeggen—Petrushka—dat

jij—dat jij—(barst in waanzinnige woede los) ... Hadden ze je gister

liever gesteenigd, gesteenigd dat je hersens door de honden waren

gevreten! Hadden ze je tong uìt-gerukt—de tong waarmee je ònzen God heb

gelasterd!—Was je bij je geboorte gestikt—aan je moeder d’r borst

doodgebleven, toen je van haar je eerste voedsel

nam!—jij!—jij!—jij!—die daar straks ’t Boroeg Atto Adonoj in dòrst te

zetten!... (snikt even hijgend—weert den hoofdman, die een gebaar maakt

af, grijpt een glas van tafel, verbrijzelt het tegen den grond—dan met

herstijgende drift:) ... Zoo waar als dit glas nooit meer heel wordt,

de scherven mekaar niet terugvinden—vloek ik jou, Petrushka, trap ik je

van me af—walg ik van je—spuw ik naar je (spuwt onmachtig)—jij

grafschenner—jij die sjaggert met je God—jij erger onteerd dan de

dochter van Iwan—jij voor wie geen kind ooit ’n lichie zal branden—jij

laffe, laffe ellendeling... (stikkend in zijn verwenschingen stort hij

neer).

DE HOOFDMAN (met ontzag, helpend hem op te beuren). Genoeg, genoeg...

KARALYK (hijgend). Ja genoeg—we gaan—we gaan—we gaan... Da’s ’t tweede

glas dat ’k stuk heb gesmeten... (vreemd-glimlachend)... ’t tweede...

DE MOEDER (tot Hoofdman). Waar moeten we heen?

HOOFDMAN. Weet ’k niet...

DE MOEDER (de grootmoeder bedoelend) ... En zij?—Mot ze verhongeren?...

HOOFDMAN. Je zoon blijft. Vooruit! ’t Is kort dag...

KARALYK. Kort dag... kort dag... (Zij gaan heen in den sneeuwstorm.

Angstig schiet Petrushka op de deur toe, grendelt die, luistert bij een

luik).

GROOTMOEDER (dwaas van glimlach). Lichie van mijn—van mijn...

PETRUSHKA (woest). Suscht!... Hou je mond! Hou je mond! (strompelt naar

de bank).

GROOTMOEDER (de vingers in het knetterend-doovend vlammetje)...

Lìchie... Hèhèhè!... Adonoj... Adonoj...

April 1893.

(Doek).

Ahasverus · 第 13 / 13 题