De vorigen, Karalyk.
KARALYK. (In Sabbathkleeren. blijft bij de deur verbluft staan). Ben
jij ’t? Ben jij ’t? (snelt op hem toe, kust hem). M’n jongen—m’n
jongen! Nou is alles weer goed! Laten ze nou de laatste brokken ook nog
maar wegsleepen! Ja, lach maar groomoe—hij is d’r weer, hahaha! Ga
zitten, vertel! Vertel dan! ’k Dacht dat de schoften... Daar mot ’k
zelf bij gaan zitten—’t slaat me in me beenen, hahaha! Goeie God, wat
’n gebenchte Sjabbes... Waar zat je—waar was je—wat voerde je uit...
DE MOEDER. Hij heeft de kozakken gehaald.
KARALYK (verheugd). Jij?
PETRUSHKA (schuw). Ik...
KARALYK (tot de moeder). Zie je? Wat zei ’k? Wie had ’t bij ’t rechte
eind? En—en hebben ze je nièt gesnapt?
PETRUSHKA. Enkel wat steenen...
KARALYK. Toch niet erg?—Toch niet erg?...
PETRUSHKA. Erg?... Nee... Nee...
KARALYK. Je ziet zoo wit...
PETRUSHKA. (aarzelend). ... Dat rennen en rennen—en de heele nacht
wakker...
KARALYK. ... En niet gegeten?...
PETRUSHKA. ... Nee—geen brok van af gister...
KARALYK. Hahaha! Hahaha, da’s bijzaak—’k ruik de Sjabbessoep van hier!
Opdoen moeder! Opdoen! (opstaand en den zoon omhelzend). Dat God je
zegene—dat God je zegene, jongen... Wat is ’r?...
PETRUSHKA. ... Je drukt met je handen, waar d’r steenen builen hebben
geslagen!
KARALYK. Builen?... De bloedhonden!... Laat kijken...
PETRUSHKA. Nee vader. ’k Wou alleen liever nièt mee-eten, wat rusten...
KARALYK. Rusten met ’n leege maag? Geen denken an!
PETRUSHKA. ’k Ben te moe om uit me oogen te kijken...
KARALYK. Dan zit je tòch mee an—dan zul je opknappen door ònze
vreugde—wat, moeder?...
PETRUSHKA. ... Ik kan niet—kan niet, vader...
DE MOEDER. Je kàn wel, Petrushka. Je kan wèl. Na ’t eten kruip je na
boven... (luid) Kasja! Kasja! (de meid komt in rechterdeur). ...
Opdoen, na ’t gebed. An tafel, moeder!
GROOTMOEDER (dwingerig). ... Nee... Nee... Niet eten... Hier lekker
warm... Hier eten... Hiér...
KARALYK. Jij heb niet geslapen, jongen—wij ook niet... Je moeder lee de
heele nacht te huilen, niewaar? (de moeder knikt, bijna niet
luisterend) ... En ik? Bij ’t minste gerucht ben ’k opgestaan, zes,
zeven maal, denkend dat je ’r was... Wat zoo’n nacht duurt, duurt!...
Gisteravond nog vóór ’t schemerde waren de kozakken ’r... Hoe ben je ’r
doorgekommen?... Hoe heb je ’t zoo vlug...?
PETRUSHKA. ... Hoe? ’k Weet ’t niemeer... As ’n dier ben ’k gejaagd...
Vader ik kàn niet mee anzitten—ik ben ziek van moeheid... Ik kàn
niet...
KARALYK (verwonderd). ... Zijn je moeder en ik niet afgebeuld—schuiven
we niet as koningen bij, dankbaar as we zijn dat God ons in gezondheid
an de Sjabbestafel, na zóó’n dag en nacht van gruwel en ellende,
vereenigt? De ouwe Sally is vermoord—niet om na te vertellen hoe—en de
dochter van Iwan, dat kind van nog geen zestien, nog niet volwassen,
hebben ze onder de oogen van ’r vader en moeder, de kleeren van ’t
lichaam gerukt—en—en... Dieren zijn niet zoo duivelsch as die door God
gevloekten! En te denken dat de huizen van Abramoff, Pjoepianoff,
Janowsky—omdat ze zich hebben laten doopen, dóópen!—voor wat?... Uit
overtuiging!—te denken dat diè gespaard zijn gebleven!—te denken...
DE MOEDER (tot de grootmoeder, die het lichtje in de handen genomen
heeft) ... Moeder doe niet as ’n kind! Zet ’t neer!
KARALYK. ... Neerzetten, moeder! Da’s geen speelgoed! (De ouwe vrouw
zet het neer) ... Nee waarachtig geen speelgoed!... Zijn jaartijd! De
jaartijd van je grootvader—’t lichtje om òns te helpen onthouen, òns,
of wij ’t ooit zullen vergeten, hoe ze ’m voor drie jaar geslàcht
hebben! Straks, toen ’k met Petroff zat, tobde ’k ’r over, dat we ’t
volgend jaar misschien twéé lichtjes zouen moeten branden—een voor
hem—een voor jou ... Eeuwige, Almachtige, wees gedankt...
DE MOEDER (hem het brood en het zout overreikend) ... Laten we brooge
maken—de meid wacht...
KARALYK. Nee. De herinnering aan vader gaat voor... (in extase biddend)
... Eeuwige, die hem tot u genomen, uit z’n zorgen en lijden—die ’t
wilde, dat hij u niet aanriep, omdat z’n mishandelde tong ùw naam niet
meer zeggen kon—Adonoj, onze God, wees geprezen tot in alle Eeuwigheid!
Gij hebt gesproken, Almachtige: „Laat ons den mensch maken naar ons
beeld, naar onze gelijkenis: Dat zij heerschen over de visschen der
zee, over het gevogelte des hemels, over de geheele aarde en over al
het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt...” Gij hebt ons volk
gezegend en gezegd: „Weest vruchtbaar, vermenigvuldigt, vervult de
aarde, bedwingt haar, heerscht over de visschen der zee, over het
gevogelte des hemels, over het gedierte dat op aarde kruipt!”... Maar
de menschen, o Eeuwige onze God, luìsteren niet naar uw stem, heerschen
niet over de visschen, de vogels, het kruipend gedierte—zij moorden en
vervolgen en liegen en bedriegen in uw oneindigen naam! Adonoj, onze
God, wij geven ons aan uwe wijsheid over—wij bidden voor de dierbare
dooden en danken u voor de zegening, dat gij den zoon terug hebt
geleid, dien we met heete tranen beweenden. Omein wie omein!
DE MOEDER (zacht) ... Omein... (Een stilte. De meid draagt de soep
binnen. De wind juilt om het huis. De moeder vult een bord voor de
grootmoeder, brengt haar dat. Terwijl snijdt Karalyk het brood, doopt
het in ’t zout).
KARALYK. Maak brooge, Petrushka...
PETRUSHKA. Ik?... Mot ik...
DE MOEDER (moeilijk-ingehouden). Nee! Nee! Hij niet!... Jij vanavond...
KARALYK. Ik begrijp jou niet.—Ik begrijp jullie geen van twee... (kijkt
hen wantrouwend aan) ... Jij doet zoo vreemd... Heeft Petrushka niet
van z’n kinderjaren brooge gemaakt?
DE MOEDER. Dat is zoo—dat—dat spreek ’k niet tegen.—Maar—maar—(zich
bedwingend) ... Petrushka, maak brooge...
PETRUSHKA (moeilijk) ... Boroeg Atto Adonoj... (smakt in den stoel
terug). Ik kan niet—dat zie je toch wel—maak me niet krankzinniger dan
ik ’t al ben...
KARALYK. Jij kan niet...?
DE MOEDER. Je merkt toch dat-ie overstuur is—ik zei je straks...
KARALYK. Stil—geen gepraat onder ’t gebed... (plechtig) ... Boroeg Atto
Adonoj Elloeheinoe... (Een heftig geklop op de luiken. Zij kijken
mekaar verschrikt aan. Er wordt sterker geklopt. De meid komt uit het
kookhok, rechts).
DE MEID. Zal ik hooren? (Karalyk knikt).—(Zij gaat op de
achterbuitendeur toe, roept) .... Wie daar?... (onverstaanbaar
antwoord) ... Wie daar?... (hetzelfde). ... De kozakken! (opent de
deur).
DE HOOFDMAN. De jood Karalyk?
KARALYK. Die ben ik.
DE HOOFDMAN. Je papieren!
KARALYK. Papieren? Wat voor papieren?
DE HOOFDMAN. Dat je hiér wonen mag...
KARALYK. Ik—papieren—ik die van m’n kinderjaren?...
DE HOOFDMAN. Geen praatjes, geen gezwets, jood—we hebben andere korvee!
KARALYK. ’k Begrijp ’r niets van. As je zegt wat je wil...
HOOFDMAN. Wil je ’t uitzettingsbevel lezen—je staat als vreemdeling
ingeschreven, Karalyk...
KARALYK. Ik vreemdeling—ik die meer dan ’n halve eeuw...
HOOFDMAN (nijdig). Laat me uitspreken! Val je soort in de rede! Wat wou
jij anders dan vreemdeling zijn? Heb je ooit verlof gevraagd hier te
wonen? Na de herrie, de relletjes van gister en eergister, waarin jij
betrokken ben geweest, is ’r vastgesteld dat je alles heb behalve
papieren. Heb je papieren, ja of nee?
KARALYK (dof). Nee—wèl van ’t geld dat ze schuldig zijn...
HOOFDMAN. Die gaan me niet an.—Verkassen!
KARALYK. Verkassen?—Motten wij... Wanneer?
HOOFDMAN. Op slag.—Dadelijk.
KARALYK. Op slag—midden in ’t Sjabbesmaal?—Mòt dat?
HOOFDMAN. Anders zou ’k ’t niet zeggen, hè?—Vooruit!—Ingerukt!
KARALYK (dof). Mag ’k pakken wat ze bij de verwoesting hebben gelaten?
HOOFDMAN. Je pakt niets! Voor ’n verhuisoptocht heb ’k geen
opdracht.—Alleen jij en je vrouw!
KARALYK. Goed, goed (tot Petrushka). Kom jongen. We zijn de eersten
niet, zullen de laatsten niet zijn—we blijven Godlof bij mekaar...
HOOFDMAN. ’k Zeg toch weergaasch duidelijk: alleen jij en je vrouw!
KARALYK. Ja, ja. Maar m’n zoon ook. We zijn àllemaal zonder papieren,
allemaal...
HOOFDMAN (kort). Nee! Je zoon hoeft niet als-ie niet wìl—staat op de
lijst van de gedoopten, sinds gister.
KARALYK. Ben—jij—gister—ge—gedoopt? (Harde stilte). Ben jij gister...
(vliegt op de tafel toe, grijpt ’n mes) ... Ben jij...
HOOFDMAN (hem met geweld tegenhoudend) ... Is ’t genoeg? Sta ik hier
als kwajongen? Vooruit—of mot de knoet meepraten?
KARALYK (tot de vrouw) ... Wist jij dat? Mocht-ie daarom geen brooge...
En voor dien schoft heb jij ’n bord an de Sjabbestafel gezet?...
HOOFDMAN (tot de kozakken). Angepakt. Duurt te lang.
KARALYK. Bij de herinnering an je eigen ouwers—laat me nog even wat
zeggen an me—an me zóón...
HOOFDMAN. As je ’t kort maakt—en geen nieuwe kunsten!
KARALYK (terwijl hij spreekt, wijkt de Hoofdman, half angstig, half
geparalyseerd door de woede van den grijsaard. De meid en de kozakken
staan in de deuropening) ... Wou ’k zeggen—wou ’k zeggen—Petrushka—dat
jij—dat jij—(barst in waanzinnige woede los) ... Hadden ze je gister
liever gesteenigd, gesteenigd dat je hersens door de honden waren
gevreten! Hadden ze je tong uìt-gerukt—de tong waarmee je ònzen God heb
gelasterd!—Was je bij je geboorte gestikt—aan je moeder d’r borst
doodgebleven, toen je van haar je eerste voedsel
nam!—jij!—jij!—jij!—die daar straks ’t Boroeg Atto Adonoj in dòrst te
zetten!... (snikt even hijgend—weert den hoofdman, die een gebaar maakt
af, grijpt een glas van tafel, verbrijzelt het tegen den grond—dan met
herstijgende drift:) ... Zoo waar als dit glas nooit meer heel wordt,
de scherven mekaar niet terugvinden—vloek ik jou, Petrushka, trap ik je
van me af—walg ik van je—spuw ik naar je (spuwt onmachtig)—jij
grafschenner—jij die sjaggert met je God—jij erger onteerd dan de
dochter van Iwan—jij voor wie geen kind ooit ’n lichie zal branden—jij
laffe, laffe ellendeling... (stikkend in zijn verwenschingen stort hij
neer).
DE HOOFDMAN (met ontzag, helpend hem op te beuren). Genoeg, genoeg...
KARALYK (hijgend). Ja genoeg—we gaan—we gaan—we gaan... Da’s ’t tweede
glas dat ’k stuk heb gesmeten... (vreemd-glimlachend)... ’t tweede...
DE MOEDER (tot Hoofdman). Waar moeten we heen?
HOOFDMAN. Weet ’k niet...
DE MOEDER (de grootmoeder bedoelend) ... En zij?—Mot ze verhongeren?...
HOOFDMAN. Je zoon blijft. Vooruit! ’t Is kort dag...
KARALYK. Kort dag... kort dag... (Zij gaan heen in den sneeuwstorm.
Angstig schiet Petrushka op de deur toe, grendelt die, luistert bij een
luik).
GROOTMOEDER (dwaas van glimlach). Lichie van mijn—van mijn...
PETRUSHKA (woest). Suscht!... Hou je mond! Hou je mond! (strompelt naar
de bank).
GROOTMOEDER (de vingers in het knetterend-doovend vlammetje)...
Lìchie... Hèhèhè!... Adonoj... Adonoj...
April 1893.
(Doek).