ZESDE TOONEEL.

De Moeder, Petrushka.

(Hij komt door de rechterdeur—’n bleeke, lange jood met verslordigden

ringbaard. Bij de deur staat-ie gejaagd, zonder moed haar te storen.

Dit alles rustig te detailleeren. Eindelijk schrikt ze op, kijkt hem

doordringend aan).

DE MOEDER. Jij!

PETRUSHKA. Ik—ik, dat zie je toch...

DE MOEDER. Waar ben jij... (zich als met ’n ingeving in de rede

vallend)... Die smeerlap—die Batushka, ben jij tegengekomen—hier,

ergens anders?...

PETRUSHKA. Ja—ja—zoo veel—zoo veel—wat kijk je? (heftig). Wat kijk je

moeder! Zie je niet dat ’k gek wor? (zachter) ’r Is niet één reden,

niet één me an te kijken...

DE MOEDER (zich aan den stoel vast-klampend). ... Is ’t waar, dat

jij—dat jij...

PETRUSHKA. Vraag niet, om Godswil vraag niet—’k kan nou niks zeggen...

(wil op ’n stoel bij de deur gaan zitten).

DE MOEDER. Blijf staan! (Even denkt ze wild na—strekt den arm naar de

deur uit). Weg voór je vader...

PETRUSHKA. Weg? Wat weg?...

DE MOEDER. Ben jij naar de gojjiem, de christenen, overgeloopen...

PETRUSHKA (zwijgt hijgend).

DE MOEDER (’t hoofd in de handen aan de tafel) ... Nou is ’t laatste

vernield...

PETRUSHKA (over z’n moeder aan de tafel neerstortend) ... Moeder je

weet niet hoe ’k...

DE MOEDER (met eenigszins plechtigen ernst). Sta op...

PETRUSHKA. Op?

DE MOEDER. Sta op.—Sta op, versta je me?—(hij doet het). ... Voor jou

is an ’n Sjabbestafel geen plaats meer—die is enkel voor òns...

(Verwezen schuifelt hij naar de trap bij den haard. Een langere stilte.

De wind rumoert heviger).

PETRUSHKA (vertellend als in ijlhoofdigheid) ... De steenen die zoo

ineens door de ruiten gingen—’t gejouw en gekrijsch... Toen ben ’k

weggeslopen—weggekropen—op handen en voeten door de sneeuw en de

modder—om kozakken te halen—om ’r uit te zijn—(schreeuwerig)—’r uit! As

je verzuipt, doe je ook nìet anders—dan ’n vasthou grijpen—’t eerste ’t

beste om niet te zinken... ’k Kon niet blijven! ’k Dorst niet blijven!

Een tegen honderd—om as grootvader gemarteld te worden... An jullie heb

’k eerst gedacht, toen ’k—toen ’k... (houdt snikkend op. Een stilte—zij

antwoordt niet, als-ie opkijkt)... Achter de stal zagen ze me kruipen,

holden ze me na—’k heb ’t gestamp van d’r schoenen nog in me hersens...

Met z’n allen zaten ze me op me hielen—smeten met drek—wat geen pijn

doet—en met steenen! Twee gaten kreeg ’k in me kop—me longen braakte ’k

uit, om voor te blijven, niet in d’r klauwen te vallen... ’n Wolf met

de honden achter ’m kan niet harder, as ik, as ik... Een oogenblik ben

’k gestruikeld, raakte me ’n knuppel—toen weer op—weer vort—weer

stikkend, stikkend—O, o, ik stik nog... (staat hijgend op, zet de

wijnflesch aan de lippen, steekt haar de hand toe—zij beweegt niet)...

Waarom doe je dat, moeder?—Moeder! (keert naar de trap terug) ... Ik

dorst niet anders—’k ben altijd bang geweest—dat weet jij toch... Tot

bij de stad hebben ze me as ’n stuk wild opgejaagd—een die me

tegenkwam, stak z’n voet uit om me te laten vallen—’k heb ’m met me

vuist ’t bloed uit z’n oogen geslagen... Zoo geen mensch meer—zijn wij

joden, wij gevloekte joden, zijn wij menschen,—ben ’k in de stad tegen

den grond gesmakt, afgebeuld, kapot... Toen, voorzichtig, bang gezien

te worden, heb ’k hulp gehaald—en toen—toen—heb ’k ’n pope gesmeekt—in

’n kerk—in ’n kerk, waar ze zongen, hahaha, zingen!—waar de steenen van

’t doopvont door m’n bloed en ’t drek van m’n kleeren, bevuild

werden... (Een stilte). Zeg je niks?... Blijft de Eeuwige, die ons láát

folteren, geen Eeuwige of je ’m hier aanroept of daar? Is ’r ’n

Eeuwige, as ze je na ’t leven staan, de moordenaars?... Zeg dan wat!

Mijn hersens kloppen en jij zit of ’t je niet angaat!...

DE MOEDER. Maak je weg voor je vader komt... Ik krepeer liever dan ’m

dàt zeggen—dàt. Voor ons—voor ons hoef je niemeer bang te zijn. De

kozakken zijn ’r. Enkel ’t restantje leven hebben we nog te geven—’t

goed is gestolen—en jij ben in de ellende mee ondergegaan...

PETRUSHKA. Ik ben ziek—ben gewond...

DE MOEDER. Daar heb je nòu ànderen voor.

PETRUSHKA. Motten we zoo van mekaar? Zonder een woord?

DE MOEDER. Voor jóú ’n woord? Nee.

PETRUSHKA. Moeder, zoo ben je toch nooit geweest...

DE MOEDER. En jij nooit zoo (houdt zich in)... Wat doet ’t ’r toe!

Razen en schimpen is nutteloos (ontgrendelt de deur). Haast je wat. Dan

zal ’k probeeren ’m tot z’n laatste uur wijs te maken, dat ze je

vermoord hebben... Hádden ze ’t...

PETRUSHKA. Enkel je hand...

DE MOEDER. Nee.

PETRUSHKA. Dan neem ’k ’r...

DE MOEDER (heftig). Nee. Nee.

PETRUSHKA. Moeder, je weet niet wat je doet... (strekt nog eens de hand

uit).

DE MOEDER. Nee.

Ahasverus · 第 12 / 13 题