Wie, van al de sportlui, die er bij tegenwoordig waren, zal ooit
den gedenkwaardigen avond vergeten in de Golden Gate Arena, toen
Jonge Glendon, Tom Cannam en zelfs een grooteren dan Tom Cannam, tot
zwijgen bracht; toen hij het talrijke publiek, dat op het punt stond
in getier los te breken, een uur lang geboeid hield, en achter elkaar
de afzetterijen aan den dag bracht van de promotors en de managers; de
eigenaars der gebouwen, en de contractmakers in staat van beschuldiging
stelde, en de geheele bokssport vrijwel uit elkaar rafelde.
Het was een volkomen verrassing. Zelfs Stubener had niet het flauwste
vermoeden van wat gebeuren zou.
Het was waar, dat Pat Glendon obstinaat was geweest na die kwestie
met Nat Powers, en weggeloopen was en getrouwd; maar dat alles was
voorbij. Jonge Pat had gedaan, wat te verwachten was, hij had de
onvermijdelijke knoeierijen van den ring geslikt en was er nu in
teruggekomen.
De Golden Gate Arena was nieuw. Dit was de eerste match, die er
gehouden werd en het was het grootste gebouw van dat soort, dat ooit in
San Francisco was opgericht. Er waren vijfentwintighonderd zitplaatsen
en elke plaats was ingenomen. Sportlui waren uit de geheele wereld
komen aanreizen om er bij tegenwoordig te zijn, en zij hadden vijftig
dollars betaald voor hunne plaatsen bij den ring. De goedkoopste
plaats in 't huis was voor vijf dollar verkocht.
De oude bekende uitbarsting van applaus klonk op, toen Billy Morgan,
de veteraan onder de aankondigers, door de touwen kroop en zijn grijze
hoofd ontblootte. Toen hij zijn mond opendeed om te spreken, deed
zich dichtbij hem een luid gekraak hooren en verscheidene rijen lage
banken vielen in elkaar. Het gekraak van de banken en het uitbundige
gelach gaf den dienstdoenden inspecteur van politie aanleiding, één
van zijn onder-inspecteurs aan te kijken met opgetrokken wenkbrauwen,
ten teeken dat zij hun handen vol zouden hebben en een drukken avond.
Eén voor één, verwelkomd door luidruchtig applaus, kropen zeven dappere
oude helden van den ring door de touwen om voorgesteld te worden. Het
waren allemaal vroegere zwaargewicht-wereldkampioenen. Billy Morgan
deed elke voorstelling aan het publiek vergezeld gaan van een prijzend
zinnetje. De één werd genoemd als "John Eerlijk" en "Oude Getrouwe"
een ander was "de eerlijkste twee-vuisten bokser, die ooit in den ring
was geweest." En van anderen: "de held van honderd gevechten en nooit
één verloren en nooit gelegd"; "de meest sportieve van de oude garde";
"de eenige, die altijd terugkwam"; "de grootste strijder van allen"
en "de hardste noot in den ring om te kraken."
Dit alles nam tijd in beslag. Van elk hunner werd een toespraakje
verwacht en zij mompelden en fluisterden in antwoord met een blos van
trots en angstig bevende stemmen. De langste speech was die van den
"Oude Getrouwe" en deze duurde bijna een minuut. De ring liep vol met
beroemdheden, met worstelkampioenen, beroemde trainers en veteranen
onder de tijd-opnemers en scheidsrechters. Licht- en middel-gewichten
dromden samen. Iedereen scheen iedereen uit te dagen. Nat Powers was er
en vroeg een revanche-match met Jonge Glendon en zoo deden al de andere
stralende sterren, die door Glendon in de schaduw waren gesteld. Ook
daagden zij allen Jim Hanford uit, en deze moest van zijn kant daar
iets tegenover stellen, wat daarin bestond, dat hij de volgende partij
zou boksen met den overwinnaar in de match, die stond te gebeuren. Het
publiek kwam dadelijk in beweging om den overwinnaar te noemen;
de helft schreeuwde woest: "Glendon" en de andere helft "Cannam". Te
midden van dit pandemonium zakte opnieuw een rij zitplaatsen in elkaar
en er vonden een half dozijn vechtpartijen plaats tusschen bedrogen
houders van kaarten en de opzichters, die een vetten oogst hadden
binnengehaald. De hoofdinspecteur van de politie zond een depêche
naar het bureau met de details voor het politie-rapport.
Het publiek had het naar zijn zin. Toen Cannam en Glendon de ring
binnen kwamen, geleek de Arena een nationaal politieke vergadering. Elk
werd volle vijf minuten lang toegejuicht. De ring was nu vrij. Glendon
zat in zijn hoek, omringd van zijn secondanten. Als gewoonlijk stond
Stubener achter hem. Cannam werd het eerst voorgesteld en nadat
hij gebogen had en geknikt, was hij gedwongen om de kreten met een
toespraak te beantwoorden. Hij stamelde en stokte, maar slaagde er
ten slotte in, eenige zinnen te bedenken.
"Ik ben er trotsch op vanavond hier te zijn," zeide hij en terwijl het
applaus donderde, vond hij tijd op een nieuw idee te komen. "Ik heb
eerlijk gevochten. Ik heb mijn leven lang eerlijk gevochten. Niemand
kan dat tegenspreken. En ik zal vanavond mijn best doen."
Luide kreten weerklonken, als: "Dat's best Tom!" "Dat weten
wij!" "Goede jongen, Tom!" "Jij bent de man om 't er vanavond goed
af te brengen!"
Toen kwam de beurt aan Glendon. Van hem werd eveneens een toespraak
gevraagd, ofschoon het een ding zonder weergâ was in den ring, dat één
der hoofdpersonen een toesprak hield. Billy Morgan stak zijn hand op
om stilte te verkrijgen en Glendon begon met heldere, krachtige stem:
"Iedereen heeft gezegd dat zij trotsch waren hier vanavond te zijn,"
sprak hij. "Dat ben ik niet." Het publiek schrikte op en hij wachtte
lang genoeg om het tot stilte te doen komen.
"Ik ben niet trotsch op mijn gezelschap. U wilt een toespraak. Ik
zal u een echte geven. Dit is mijn laatste match. Na vanavond ga ik
voorgoed heen uit den ring. Waarom? Ik heb 't u reeds gezegd. Ik houd
niet van mijn gezelschap. De prijsring is zoo bedorven, dat ieder,
die er bij betrokken is, zoo verdraaid wordt als een kurketrekker. De
ring is verrot tot in zijn hart, vanaf de kleine clubs, waar de
beroepsboksers zich oefenen, tot de zaak van heden avond."
Op dit oogenblik barstte het zachte gemompel van verwondering, dat
opgestegen was, uit in een geloei. Er werd luidop gesist en gefloten
en velen begonnen te schreeuwen: "Ga door met het gevecht!" "We
willen boksen zien!" "Waarom vecht je niet?" Glendon wachtte even en
merkte op, dat de voornaamste rustverstoorders bij den ring promotors
waren en managers en boksers. Tevergeefs spande hij zich in om zich
verstaanbaar te maken. Het gehoor was verdeeld, de helft schreeuwde:
"Vechten!" en de andere helft: "Spreken! Spreken!"
Tien minuten vergingen onder hopeloos lawaai. Stubener, de
scheidsrechter, de eigenaar van de arena en de promotor van de match
verzochten Glendon, door te gaan met de match. Toen hij weigerde,
verklaarde de scheidsrechter, dat hij de partij ten gunste van Cannam
zou verklaren, daar Glendon niet vocht.
"Dat kan je niet doen," hernam Glendon. "Ik zal je voor alle
rechtbanken vervolgen, als je zoo iets probeert en ik durf je niet
beloven, dat dit publiek je levend weg zal laten gaan als je het
de partij ontneemt. Bovendien, ik zal boksen. Maar eer ik dit doe,
wil ik mijn toespraak beëindigen."
"Maar het is tegen de regels," protesteerde de scheidsrechter.
"Volstrekt niet. Er staat geen woord in de regels tegen het houden
van toespraken. Elke zwaargewicht-bokser heeft hier vanavond een
speech afgestoken."
"Een paar woorden maar," schreeuwde de promotor in Glendon's oor. "Maar
jij houdt een lezing."
"Er staat niets in de regels tegen lezingen," antwoordde Glendon. "En
nu, kerels, ga uit de ring of ik gooi er jullie uit."
De promotor werd rood van woede en onder tegenspartelen, bij zijn kraag
gegrepen en over te touwen gezet. Hij was een forsche man, maar Glendon
had het zóó gemakkelijk gedaan met één hand, dat het publiek wild werd
van genot. De kreten om een toespraak groeiden in kracht. Stubener en
de eigenaar bliezen wijzelijk den aftocht. Glendon stak zijn handen op
om verstaan te worden, waarop zij, die om een gevecht riepen, hunne
pogingen verdubbelden. Twee of drie banken zakten in en degenen, die
op die manier hun plaats verloren, verergerden het tumult door allen
tegelijk naar de banken, die nog goed waren, toe te vliegen en zich
tusschen de menschen dáár in te wringen, terwijl zij, die daar achter
zaten en den ring niet konden zien, hun toeraasden te gaan zitten.
Glendon liep naar de touwen en sprak den inspecteur van de politie
aan. Hij was gedwongen naar hem over te buigen en in zijn oor te
schreeuwen.
"Als ik mijn toespraak niet houd," zeide hij, "zullen de menschen de
boel in mekaar slaan. Als ze losbreken, kunt u ze niet tegenhouden,
dat weet u. Dus u moet mij helpen. U houdt den ring vrij en ik zal
het publiek tot stilte brengen."
Hij ging terug naar het midden van den ring en stak opnieuw zijn
handen omhoog.
"Wilt u dat ik spreek?" schreeuwde hij met geweldige stem.