X.

Wie, van al de sportlui, die er bij tegenwoordig waren, zal ooit

den gedenkwaardigen avond vergeten in de Golden Gate Arena, toen

Jonge Glendon, Tom Cannam en zelfs een grooteren dan Tom Cannam, tot

zwijgen bracht; toen hij het talrijke publiek, dat op het punt stond

in getier los te breken, een uur lang geboeid hield, en achter elkaar

de afzetterijen aan den dag bracht van de promotors en de managers; de

eigenaars der gebouwen, en de contractmakers in staat van beschuldiging

stelde, en de geheele bokssport vrijwel uit elkaar rafelde.

Het was een volkomen verrassing. Zelfs Stubener had niet het flauwste

vermoeden van wat gebeuren zou.

Het was waar, dat Pat Glendon obstinaat was geweest na die kwestie

met Nat Powers, en weggeloopen was en getrouwd; maar dat alles was

voorbij. Jonge Pat had gedaan, wat te verwachten was, hij had de

onvermijdelijke knoeierijen van den ring geslikt en was er nu in

teruggekomen.

De Golden Gate Arena was nieuw. Dit was de eerste match, die er

gehouden werd en het was het grootste gebouw van dat soort, dat ooit in

San Francisco was opgericht. Er waren vijfentwintighonderd zitplaatsen

en elke plaats was ingenomen. Sportlui waren uit de geheele wereld

komen aanreizen om er bij tegenwoordig te zijn, en zij hadden vijftig

dollars betaald voor hunne plaatsen bij den ring. De goedkoopste

plaats in 't huis was voor vijf dollar verkocht.

De oude bekende uitbarsting van applaus klonk op, toen Billy Morgan,

de veteraan onder de aankondigers, door de touwen kroop en zijn grijze

hoofd ontblootte. Toen hij zijn mond opendeed om te spreken, deed

zich dichtbij hem een luid gekraak hooren en verscheidene rijen lage

banken vielen in elkaar. Het gekraak van de banken en het uitbundige

gelach gaf den dienstdoenden inspecteur van politie aanleiding, één

van zijn onder-inspecteurs aan te kijken met opgetrokken wenkbrauwen,

ten teeken dat zij hun handen vol zouden hebben en een drukken avond.

Eén voor één, verwelkomd door luidruchtig applaus, kropen zeven dappere

oude helden van den ring door de touwen om voorgesteld te worden. Het

waren allemaal vroegere zwaargewicht-wereldkampioenen. Billy Morgan

deed elke voorstelling aan het publiek vergezeld gaan van een prijzend

zinnetje. De één werd genoemd als "John Eerlijk" en "Oude Getrouwe"

een ander was "de eerlijkste twee-vuisten bokser, die ooit in den ring

was geweest." En van anderen: "de held van honderd gevechten en nooit

één verloren en nooit gelegd"; "de meest sportieve van de oude garde";

"de eenige, die altijd terugkwam"; "de grootste strijder van allen"

en "de hardste noot in den ring om te kraken."

Dit alles nam tijd in beslag. Van elk hunner werd een toespraakje

verwacht en zij mompelden en fluisterden in antwoord met een blos van

trots en angstig bevende stemmen. De langste speech was die van den

"Oude Getrouwe" en deze duurde bijna een minuut. De ring liep vol met

beroemdheden, met worstelkampioenen, beroemde trainers en veteranen

onder de tijd-opnemers en scheidsrechters. Licht- en middel-gewichten

dromden samen. Iedereen scheen iedereen uit te dagen. Nat Powers was er

en vroeg een revanche-match met Jonge Glendon en zoo deden al de andere

stralende sterren, die door Glendon in de schaduw waren gesteld. Ook

daagden zij allen Jim Hanford uit, en deze moest van zijn kant daar

iets tegenover stellen, wat daarin bestond, dat hij de volgende partij

zou boksen met den overwinnaar in de match, die stond te gebeuren. Het

publiek kwam dadelijk in beweging om den overwinnaar te noemen;

de helft schreeuwde woest: "Glendon" en de andere helft "Cannam". Te

midden van dit pandemonium zakte opnieuw een rij zitplaatsen in elkaar

en er vonden een half dozijn vechtpartijen plaats tusschen bedrogen

houders van kaarten en de opzichters, die een vetten oogst hadden

binnengehaald. De hoofdinspecteur van de politie zond een depêche

naar het bureau met de details voor het politie-rapport.

Het publiek had het naar zijn zin. Toen Cannam en Glendon de ring

binnen kwamen, geleek de Arena een nationaal politieke vergadering. Elk

werd volle vijf minuten lang toegejuicht. De ring was nu vrij. Glendon

zat in zijn hoek, omringd van zijn secondanten. Als gewoonlijk stond

Stubener achter hem. Cannam werd het eerst voorgesteld en nadat

hij gebogen had en geknikt, was hij gedwongen om de kreten met een

toespraak te beantwoorden. Hij stamelde en stokte, maar slaagde er

ten slotte in, eenige zinnen te bedenken.

"Ik ben er trotsch op vanavond hier te zijn," zeide hij en terwijl het

applaus donderde, vond hij tijd op een nieuw idee te komen. "Ik heb

eerlijk gevochten. Ik heb mijn leven lang eerlijk gevochten. Niemand

kan dat tegenspreken. En ik zal vanavond mijn best doen."

Luide kreten weerklonken, als: "Dat's best Tom!" "Dat weten

wij!" "Goede jongen, Tom!" "Jij bent de man om 't er vanavond goed

af te brengen!"

Toen kwam de beurt aan Glendon. Van hem werd eveneens een toespraak

gevraagd, ofschoon het een ding zonder weergâ was in den ring, dat één

der hoofdpersonen een toesprak hield. Billy Morgan stak zijn hand op

om stilte te verkrijgen en Glendon begon met heldere, krachtige stem:

"Iedereen heeft gezegd dat zij trotsch waren hier vanavond te zijn,"

sprak hij. "Dat ben ik niet." Het publiek schrikte op en hij wachtte

lang genoeg om het tot stilte te doen komen.

"Ik ben niet trotsch op mijn gezelschap. U wilt een toespraak. Ik

zal u een echte geven. Dit is mijn laatste match. Na vanavond ga ik

voorgoed heen uit den ring. Waarom? Ik heb 't u reeds gezegd. Ik houd

niet van mijn gezelschap. De prijsring is zoo bedorven, dat ieder,

die er bij betrokken is, zoo verdraaid wordt als een kurketrekker. De

ring is verrot tot in zijn hart, vanaf de kleine clubs, waar de

beroepsboksers zich oefenen, tot de zaak van heden avond."

Op dit oogenblik barstte het zachte gemompel van verwondering, dat

opgestegen was, uit in een geloei. Er werd luidop gesist en gefloten

en velen begonnen te schreeuwen: "Ga door met het gevecht!" "We

willen boksen zien!" "Waarom vecht je niet?" Glendon wachtte even en

merkte op, dat de voornaamste rustverstoorders bij den ring promotors

waren en managers en boksers. Tevergeefs spande hij zich in om zich

verstaanbaar te maken. Het gehoor was verdeeld, de helft schreeuwde:

"Vechten!" en de andere helft: "Spreken! Spreken!"

Tien minuten vergingen onder hopeloos lawaai. Stubener, de

scheidsrechter, de eigenaar van de arena en de promotor van de match

verzochten Glendon, door te gaan met de match. Toen hij weigerde,

verklaarde de scheidsrechter, dat hij de partij ten gunste van Cannam

zou verklaren, daar Glendon niet vocht.

"Dat kan je niet doen," hernam Glendon. "Ik zal je voor alle

rechtbanken vervolgen, als je zoo iets probeert en ik durf je niet

beloven, dat dit publiek je levend weg zal laten gaan als je het

de partij ontneemt. Bovendien, ik zal boksen. Maar eer ik dit doe,

wil ik mijn toespraak beëindigen."

"Maar het is tegen de regels," protesteerde de scheidsrechter.

"Volstrekt niet. Er staat geen woord in de regels tegen het houden

van toespraken. Elke zwaargewicht-bokser heeft hier vanavond een

speech afgestoken."

"Een paar woorden maar," schreeuwde de promotor in Glendon's oor. "Maar

jij houdt een lezing."

"Er staat niets in de regels tegen lezingen," antwoordde Glendon. "En

nu, kerels, ga uit de ring of ik gooi er jullie uit."

De promotor werd rood van woede en onder tegenspartelen, bij zijn kraag

gegrepen en over te touwen gezet. Hij was een forsche man, maar Glendon

had het zóó gemakkelijk gedaan met één hand, dat het publiek wild werd

van genot. De kreten om een toespraak groeiden in kracht. Stubener en

de eigenaar bliezen wijzelijk den aftocht. Glendon stak zijn handen op

om verstaan te worden, waarop zij, die om een gevecht riepen, hunne

pogingen verdubbelden. Twee of drie banken zakten in en degenen, die

op die manier hun plaats verloren, verergerden het tumult door allen

tegelijk naar de banken, die nog goed waren, toe te vliegen en zich

tusschen de menschen dáár in te wringen, terwijl zij, die daar achter

zaten en den ring niet konden zien, hun toeraasden te gaan zitten.

Glendon liep naar de touwen en sprak den inspecteur van de politie

aan. Hij was gedwongen naar hem over te buigen en in zijn oor te

schreeuwen.

"Als ik mijn toespraak niet houd," zeide hij, "zullen de menschen de

boel in mekaar slaan. Als ze losbreken, kunt u ze niet tegenhouden,

dat weet u. Dus u moet mij helpen. U houdt den ring vrij en ik zal

het publiek tot stilte brengen."

Hij ging terug naar het midden van den ring en stak opnieuw zijn

handen omhoog.

"Wilt u dat ik spreek?" schreeuwde hij met geweldige stem.

De Ongelikte Beer · 第 18 / 23 题