In den vroegen morgen werd Stubener in Deer Lick uit den trein gezet
en hij kon zich een uur lang loopen vervelen eer de eenige tapperij
open ging. Neen, de tapperijhouder wist niets van Pat Glendon,
had nooit van hem gehoord en als hij in deze streek was, moest hij
ergens "boven" wonen. Ook de eenige kelner had nooit van Pat Glendon
gehoord. In het hotel heerschte dezelfde onwetendheid en eerst toen
de storehouder en de postmeester er bij kwamen, vond Stubener het
spoor. O ja, Pat Glendon woonde "boven". Je nam den postwagen naar
Alpine dat was veertig mijlen ver en een houthakkerskamp. Van Alpine
reed je te paard de Antilope-Vallei door tot voorbij den zijweg naar
de Beer-kreek. Pat Glendon woonde daar ergens achter. De menschen in
Alpine wisten het wel. Ja, er was een jongen, Pat. De man van de store
had hem gezien. Hij was twee jaar geleden in Deer Lick geweest. Oude
Pat had er zich in geen vijf jaar vertoond. Hij kocht in de store
wat hij noodig had en betaalde altijd met een chèque en hij was een
vreemde oude man met wit haar. Dat was alles wat de store-houder wist,
maar de lui in Alpine zouden Sam wel verder inlichten.
Het zag er goed uit, vond Stubener. Zonder twijfel bestond er een
jonge Pat Glendon, en ook een oude, die "boven" woonde.
Dien nacht bracht de manager door in het houthakkerskamp in Alpine
en den volgenden morgen vroeg reed hij een bergpad door in de
Antilope-Vallei. Hij reed den zijweg af tot langs de Beer-kreek. Hij
reed den geheelen dag door de meest woeste ruwe streek, die hij ooit
gezien had en tegen zonsondergang ging hij het Pinto-Dal in langs een
pad, zoo steil en smal, dat hij er meer dan eens de voorkeur aan gaf,
af te stijgen en te loopen.
Het was elf uur toen hij afsteeg vóór een blokhuis en verwelkomd werd
door het geblaf van twee jachthonden.
Toen deed Pat Glendon de deur open, viel hem om den hals en nam hem
mee naar binnen.
"Ik wist dat je komen zoudt, Sam, mijn jongen," zeide Pat, terwijl
hij rondhinkte, een vuur aanmaakte, koffie kookte en een groote
beerenbout braadde.
"De jongen is niet thuis vanavond. Ons vleesch raakte op en hij ging
tegen zonsondergang uit om een hert te snappen. Maar ik zeg niets
meer. Wacht tot je hem ziet. Morgenochtend is hij thuis en dan kan
je hem keuren. Daar zijn de handschoenen. Maar wacht tot je hem ziet.
Wat mij betreft, met mij is 't gedaan. Eén en tachtig aanstaande
Januari en aardig flink voor een ex-bokser. Maar ik heb mezelf nooit
weggegooid, Sam, en nooit van den nacht een dag gemaakt en de kaars
aan twèe kanten laten opbranden. Ik had een verdomd goede kaars en heb
'm goed onderhouden, dat zal je moeten toegeven als je me ziet. En
ik heb m'n jongen hetzelfde geleerd. Wat denk je van een kerel van
twee en twintig, die nooit in zijn leven een borrel heeft gedronken
of tabak geproefd? Zoo is hij. Hij is een reus en hij heeft zijn
heele leven lang geleefd met de natuur. Wacht eens tot hij je op de
hertenjacht meeneemt. Jouw hart zal uit elkaar springen terwijl hij
er niets van merkt en dan draagt hij nog de geweren en een flinke
reebok er bij. Hij is een kind van de open lucht, winter noch zomer
heeft hij onder een dek geslapen. De wereld open vóór hem, zoo heb ik
't hem geleerd. Het eenige, wat me ongerust maakt is hoe hij 't maken
zal om in een huis te slapen en hoe hij de tabaksrook in den ring
uit zal houden. 't Is een verschrikkelijk iets, die rook als je hard
vecht en naar lucht snakt. Maar nu genoeg Sam, beste jongen. Je bent
moe en zult wel willen slapen. Wacht tot je hem ziet, dat is alles
wat ik zeg. Wacht tot je hem ziet." Maar de praatzucht van den ouden
dag was over ouden Pat gekomen en het duurde lang eer hij Stubener
vrij liet zijn oogen dicht te doen.
"Hij kan een hert op zijn eigen beenen voorbijloopen," begon
hij opnieuw. "'t Jagers-leven is de prachtigste oefening voor de
longen. Hij kent niet veel anders, ofschoon hij nu en dan een paar
boeken heeft gelezen en zoo'n beetje verzen. Hij is heelemaal zuiver en
natuurlijk, zooals je zien zult als je hem voor je oogen krijgt. Hij
heeft de oude Iersche kracht in zich. Soms, door de manier, waarop
hij rond loopt te dwalen, maak ik me sterk, dat hij in elfen en zulk
goedje gelooft. Hij is een liefhebber van de natuur, zoo groot als
er ooit een geweest is en hij is bang voor de stad. Hij heeft er over
gelezen, maar de grootste waar hij ooit geweest is, is Deer Lick. Hij
had een hekel aan al die menschen en hij vond ervan dat ze eens flink
uitgedund moesten worden. Dat was twee jaar geleden--de eerste en de
laatste keer dat hij een locomotief en een trein gezien heeft.
Soms denk ik, dat ik er verkeerd aan doe, hem zoo als een natuurmensch
te laten opgroeien. Het heeft hem vlugheid gegeven en stevigte en de
kracht van een wilde stier. Geen stadsmensch kan in zijn schaduw staan.
Ik wil toegeven dat Jeffries in zijn besten tijd den jongen een
beetje zou hebben kunnen uitputten, doch ook maar een beetje. De
jongen kon hem hebben gebroken als een strootje. En hij ziet er niet
naar uit. Dat is het eeuwigdurende wonder ervan. Op het oog lijkt hij
alleen maar een mooie jonge kerel, maar 't is de kwaliteit van zijn
spieren, die anders is dan bij anderen. Maar wacht tot je hem ziet,
dat is alles wat ik zeg.
De jongen heeft een gekke voorliefde voor bloemen en een weidje, voor
een paar pijnboomen met de maan er achter, een winderige zonsondergang
of voor de zon 's morgens vanaf den top van de Baldy. En hij is er dol
op, een kruik of zoo'n ding te teekenen, en verzen op te dreunen van
"Lucifer in de nacht," uit de verzenboeken die hij van de roodharige
schooljuffrouw heeft gekregen. Maar dat is alleen omdat hij nog jong
is. Als we hem eenmaal aan den gang hebben zal hij heelemaal voor de
sport leven; maar pas op voor de sletten, als hij pas in de stad komt
te wonen.
'n Goed ding is, dat hij schuw is voor vrouwen. Daar zal hij de
eerste jaren geen last van hebben. Hij kan er maar niet toe komen om
die schepsels te begrijpen en hij heeft er dan ook nog maar verdomd
weinig gezien.
't Was de schooljuffrouw ginds uit Samson's Flat, die de verzenboel
in zijn hoofd heeft gebracht. Ze was gewoon gek op de jongen, en
hij heeft er niks van geweten. Ze was een meid met gloeiend haar,
geen bergmeisje maar van beneden uit het vlakke land--en toen de tijd
verliep was ze wanhopig en zooals ze hem naliep, was onbeschaamd. En
wat denk je dat de jongen deed toen hij 't begon te begrijpen? Hij was
zoo schuw als een wild konijn. Hij nam dekens mee en ammunitie en trok
't bosch in. 'n Maand lang kreeg ik hem niet te zien en toen sloop hij
binnen na donker en was 's morgens weer weg. Hij wou geen oog in haar
brieven slaan. "Verbrand ze," zei hij. En ik verbrandde ze. Tweemaal
kwam ze den heelen weg van Samson's Flat hier naar toe rijden en ik
had te doen met het jonge schepseltje. Ze was gewoon hongerig naar
den jongen, dat zag je op haar gezicht. En na drie maanden gaf zij
de school er aan en ging terug naar haar eigen land en toen kwam de
jongen van zijn gezwerf terug naar huis en bleef hier weer wonen.
Vrouwen zijn de ondergang geweest van menigen goeden bokser, maar van
hem zullen zij 't niet zijn. Hij bloost als een meisje, wanneer iets
jongs in rokken een tweede keer naar hem kijkt of de eerste keer een
beetje lang. En ze kijken allemaal naar hem. Maar als hij vecht--als
hij vecht--God, dan staat de oude wilde Ier in hem op en zet zijn
vuisten aan. Niet dat hij buiten zichzelf raakt. Dat moet je niet
in je hoofd halen. In mijn besten tijd was ik nooit zoo kalm als
hij. Ik geloof, dat 't mijn drift was, die al die ongelukken over
me bracht. Maar hij is een ijsberg. Hij is heet en koud tegelijk,
een gloeiende klomp metaal in een kast van ijs."
Stubener was ingedommeld toen het gepraat van den ouden man hem wakker
riep. Hij luisterde doezelig.
"Ik heb een man van hem gemaakt, bij God! ik heb een man van
hem gemaakt met die twee vuisten van hem en zijn rechtrijzende
beenen en zijn oogen die recht vooruit zien. En ik ken 't boksen
in m'n hoofd en ik heb den tijd bijgehouden en al wat er veranderd
is tegenwoordig. De bukstand? Ja, hij kent alle stijlen en alle
manieren om zich te sparen. Hij beweegt zich nooit twee duimen als
anderhalve duim genoeg is. En als hij wil, kan hij springen als een
mannetjeskangaroe. Invechten? Wacht tot je 't ziet. Hij kon best
een partij tegen Peter Jackson gebokst hebben en was Corbett in zijn
besten tijd de baas.
Ik zeg je, ik heb 't hem allemaal geleerd tot de kleinste handgrepen
toe en hij heeft de lessen nog verbeterd. Hij is een waarachtig genie
in 't boksen. En hij heeft hier een hoop flinke bergkerels om het op
te probeeren. Ik leerde hem het fijnere en zij leerden hem den harden
stoot. Niets voorzichtigs of fijns is er aan hen. Brullende stieren
en dikke grizzly beren, dat zijn zij, die altijd willen vastgrijpen
of den ander ruw in het riet smijten. En hij speelt met hen. Man,
hoor je me?--hij speelt met hen zooals jij en ik met jonge hondjes
zouden spelen."
Opnieuw werd Stubener wakker om den ouden man te hooren murmelen:
"'t Grappigste is, dat hij het boksen niet ernstig neemt. 't Gaat
hem zoo gemakkelijk af dat hij denkt dat 't spel is. Maar wacht eens
tot hij een meester in 't vak geklopt heeft. Dat is alles wat ik zeg,
wacht. En je zult 't sap in die koude gomboom er uit zien spatten en
hij voert den mooisten wetenschappelijken stoot uit die je oogen ooit
gezien hebben."
In de huiverachtige grauwte van den dageraad in de bergen werd Stubener
door ouden Pat uit zijn dekens gerold.
"Hij komt 't pad langs," werd er heesch gefluisterd.
"Sta op en sla voor 't eerst je oogen op den grootsten bokser die de
ring ooit gezien heeft, of in duizend jaar weer zal zien."
De manager gluurde door de open deur terwijl hij zich den slaap uit
de zware oogen wreef en zag een jongen reus naar de open plek in
het bosch toekomen. In zijn ééne hand droeg hij een geweer, over
zijn schouder een zwaar hert, waaronder hij voortbewoog alsof het
geen gewicht had. Hij droeg een ruwe blauwe kiel en een wollen hemd,
dat openhing aan den hals. Een jas had hij niet en aan zijn voeten
droeg hij mocassins [1], in plaats van schoenen. Stubener merkte
op dat zijn gang gelijkmatig was en katachtig, zonder gedachten te
wekken aan zijn tweehonderd twintig pond gewicht, waar dat van het
hert nog bij kwam. De manager was bij den eersten blik onder den
indruk. De jonge man was zeker geweldig, maar Stubener voelde dat
er iets vreemds en ongemeens aan hem was. Hij was een nieuw type,
iets anders dan het gewone soort boksers. Hij scheen een wezen uit de
wildernis, meer een nachtelijke dwaalfiguur uit een of ander sprookje
of oude legende dan een jonge man uit de twintigste eeuw.
Stubener ontdekte spoedig, dat de jonge Pat geen prater was. Hij
bevestigde de introductie van ouden Pat met een handdruk, maar zonder
woorden, en ging zwijgend het vuur aanmaken en voor het ontbijt
zorgen. Op zijn vaders direkte vragen antwoordde hij met een enkel
woord, zooals bijvoorbeeld toen hem gevraagd werd waar hij het hert
gesnapt had.
"South Fork," was al wat hij antwoordde.
"Elf mijlen de bergen in," legde de oude man met trots uit aan
Stubener, "en een pad waar je hart 't bij zou opgeven."
Het ontbijt bestond uit zwarte koffie, zuurachtig brood, en een
geweldige hoeveelheid berenvleesch, boven het vuur geroosterd. De jonge
kerel at hier schrokkerig van en Stubener vermoedde, dat de beide
Glendons gewend waren aan een bijna uitsluitend vleesch-diëet. Oude
Pat was de eenige, die sprak, ofschoon hij eerst na afloop van den
maaltijd het onderwerp aansneed, dat hem 't naast aan 't hart lag.
"Pat, jongen," begon hij, "je weet wie die heer is?"
Jonge Pat knikte en wierp een vluchtigen, onderzoekenden blik op
den manager.
"Hij zal je meenemen naar San Francisco."
"Ik wou liever hier blijven, vader," was het antwoord.
Stubener voelde een steek van teleurstelling. Ten slotte diende
het allemaal nergens toe. Dit was geen bokser die verlangde uit
te komen. Zijn forsche lichaamsbouw beteekende niets. 't Was niets
nieuws. 't Was een groote kerel, als gewoonlijk doorregen met vet.
Maar de oude Keltische drift van ouden Pat laaide op en zijn stem
werd schor en gebiedend.
"Je gaat naar de steden om te boksen, jongen. Daar heb ik je voor
getraind en je doet het."
"All right," was het onverwachte antwoord, dat loom uit de diepe
borstkas opbromde.
"En je vecht als de hel," voegde de oude man er bij.
Opnieuw voelde Stubener zich teleurgesteld door het gemis aan vuur
en hartstocht in de oogen van den jongen man toen hij antwoordde:
"All right. Wanneer gaan we?"
"O, Sam moet eerst een beetje jagen en visschen en zich met jou meten
met de handschoenen."
Hij keek naar Sam, die knikte. "Als je je eens uitkleedde en hem een
proefje gaf van wat je kunt."
Een uur later zette Sam Stubener groote oogen op. Zelf ex-bokser
zwaargewicht, was hij een uitstekend beoordeelaar van boksers en hij
had er nooit een gezien die zoo voordeelig voor den dag kwam als hij
zijn kleeren uittrok.
"Zie, hoe buigzaam hij is," zong oude Pat. "Dit is het echte. Let op
de lijn van de schouders en op zijn longen. Zuiver, alles zuiver tot
het laatste greintje. Je ziet een man voor je Sam, zooals er nooit een
geweest is. Geen spier van hem die vastzit. Geen gewichtentiller of
andere kunstenmakerij. Kijk de dikke spierbundels als slangen! zacht
en loom verloopen zij! En wacht tot je ze ziet opzwellen als een
ratelslang, gereed toe te springen. Hij is in dit gezegende oogenblik
gereed voor veertig ronden of voor honderd. Vooruit! Tijd!"
Zij begonnen, ronden van drie minuten, met rusten van een minuut en Sam
Stubener wist dadelijk waar hij aan toe was. Hier was geen vetlaag,
geen loomheid, alleen een kalm, goedhartig spel van handschoenen en
behendige bewegingen met een plotseling spannen en een vaste scherpte
bij het toestooten, die naar hij wist alleen eigen waren aan geoefende
en talentvolle boksers.
"Kalm aan, kalm aan," waarschuwde oude Pat. "Sam is niet meer wat
hij vroeger was."
Dit prikkelde Sam, zooals de bedoeling was; en hij gebruikte zijn
meest beroemde handigheid en geliefkoosde stoot--een schijnbeweging
alsof hij vast wilde grijpen en een rechte stoot naar de maag. Maar
hoe snel ook uitgevoerd, jonge Pat zag den stoot aankomen, en ofschoon
deze raakte, week zijn lichaam achteruit. De tweede keer week zijn
lichaam niet. Toen de stoot aankwam, bewoog hij vooruit en draaide zijn
linkerheup naar voren om den stoot op te vangen. Het was slechts een
kwestie van een paar duim, maar de stoot werd er door gebroken. En
daarna kon Stubener doen wat hij wilde, zijn handschoen kwam niet
verder dan die heup.
Stubener was in zijn tijd met sterke boksers in het strijdperk
getreden en had er een goeden naam weten op te houden. Maar hier
was geen kwestie van zijn naam ophouden. Jonge Pat speelde met hem
en waar hij vastgreep, deed hij Stubener zich voelen als een baby;
hij raakte hem schijnbaar steeds waar hij wilde, blokte en stootte met
meesterlijke nauwkeurigheid, terwijl hij nauwelijks op het bestaan van
den ander scheen te letten. Den halven tijd scheen jonge Pat door te
brengen met op een droomerige manier naar buiten naar het landschap
te staren. En juist hierdoor maakte Stubener een tweede fout. Hij
hield het voor een slimheid die oude Pat hem geleerd had, trachtte
met een korte armstoot aan te vallen, voelde zijn arm bliksemsnel
vast gekneld en kreeg een pijnlijken klap om beide ooren.
"'t Instinct voor een stoot," murmelde de oude man.
"'t Is hem niet bijgebracht, dat verzeker ik je. Hij is 'n genie. Hij
weet een stoot, zonder er naar te kijken; wanneer de stoot aankomt
en waar, de snelheid en afstand en of 't een goede is of niet. En
dat heb ik hem nooit geleerd. 't Is inspiratie. Hij is er mee geboren."
Eens, bij 't vastgrijpen, sloeg de manager den achterkant van zijn
handschoen op den mond van jongen Pat; en er was iets oneerlijks in
de manier waarop hij het deed. Een oogenblik later, bij de volgende
greep, kreeg Sam de bovenkant van Pat's handschoen op zijn eigen
mond. Er was niets in van drift, maar de drukking, hoe loom die
ook was, bracht zijn hoofd naar achteren tot de gewrichten kraakten
en hij een oogenblik dacht dat zijn nek breken zou. Hij liet zijn
lichaam verslappen en zijn armen neervallen ten teeken dat de strijd
geëindigd was, voelde dadelijk verlichting en stond een oogenblik op
losse beenen te wankelen.
"Hij is goed--hij is goed," hijgde hij en zijn oogen spraken de
bewondering uit, waar zijn adem voor te kort schoot.
De oogen van ouden Pat blonken vochtig van trots en triomf.
"En wat denk je dat er gebeuren zal als één van de gemeene lui zijn
knuisten op hem wil probeeren?" vroeg hij.