In een distrikt aan de Beneden-Murray (tusschen Nieuw-Zuid-Wales en
Victoria) stierven eens vlak na elkaar een groot aantal negers onder
hevige krampen. Ongeveer dertig waren er reeds bezweken, toen een
oude Duitsche doctor, die beurtelings de verschillende nederzettingen
aan de rivier bezocht, in het bewuste kamp kwam en bij een vrouw,
die juist door de ziekte was aangegrepen, strychninevergiftiging
constateerde. Het geval scheen een onoplosbaar raadsel en een paar
blanken namen op zich het kamp te bewaken. Eindelijk kreeg de oude
doctor verdacht op een neger, die bijzonder plezier scheen te scheppen
in het lijden der stervende vrouw. Hij kwam telkens kijken, lachte
dan, ging weer heen, kwam na een poosje weer terug en herhaalde bij
elken krampaanval in zich zelf: "Waarachtig, dat flink trappen, dat
kerel." Iemand herinnerde zich nu dat hij dezen zelfden neger eens
haast een stuip van 't lachen had zien krijgen, toen hij op het station
een hond met strychnine zag afmaken. Hij werd nagegaan en nu bleek
dat hij in een stukje huid van een buidelrat, dat hij in een ouden
hoed bewaarde, een voorraad strychnine verborg, die hij uit den winkel
aan het station had gestolen. Ter verantwoording geroepen bekende hij
met de meeste vrijmoedigheid zijn schuld en kon klaarblijkelijk maar
niet begrijpen dat hij iets verkeerds gedaan had. De eenige reden
waarom hij zijn geheim zoo lang verzwegen had was, dat hij al het
plezier er van voor zich alleen wou houden. De andere negers vatten
de zaak heel anders op, omringden hem en bewerkten hem met hun speren
tot hij stierf. Tot zijn laatste oogenblik toonde Tommy niets anders
dan verbazing over het feit dat zijn kameraden zijn onschuldig grapje
zoo gewichtig opnamen.