KLEEDING.

De ouders van onze tamme negers droegen niet alleen nooit kleeren,

maar wisten nauwelijks wat kleeren waren. Ter beschutting hadden

zij ze niet noodig. Dekens of zakken uit de binnenschors van een

bijzonder soort vijgenboom (Ficus ehretioides) waren de eenige

bedekking die zij kenden en nog niet eens ieder bezat zulk een

vijgenboom-deken. Bij slecht weer hurkten zij in hun hutten. En daar

zij geen kwaad dachten, was ook ter wille van het fatsoen kleeding

overbodig. Maar tegenwoordig gaan de negers algemeen gekleed, tendeele

als een concessie aan de schijnheiligheid der blanken, en voor een

nog grooter deel uit ijdelheid. De negers op ons eiland zijn dol op

kleeren; hoe schitterender en opzichtiger hoe mooier.

Maar als zij Zondags een wandeling maken legt de heele troep,

zoodra zij uit het gezicht zijn, de statiekleeren af, want voor

een wandeltocht is het geliefkoosde costuum nog steeds dat van de

vorige generatie. En na dan den geheelen dag in heilige onschuld te

hebben doorgebracht, keeren zij 's avonds, opnieuw aangedirkt in hun

ongebruikte plunje, weer naar huis.

Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland · 第 76 / 97 题