Zon Wee-yee Car-rie
Maan Yil-can Car-cal-oon
Hemel Aln-pun Moogah-car-boon
Eiland Cul-qua-yah Moan-mitte
Zee Mutta Yoo-moo
Water Cam-moo Pan-nahr
Man Mah-al Yer-rah
Vrouw Rit-tee Ee-bee
Kind Eee-bee Koo-jal
Hoofd Poo-you Oom-poo
Regen Yucan Yucan
Ethnologen vinden misschien nog stof tot nadenken in het feit dat
Tom en Nelly uitzonderingen vormen op den regel, dat de totems der
Australische negers in het algemeen betrekking hebben op een of ander
voedsel en dat individuen met gelijksoortige totems niet met elkaar
huwen. Tom's totem-naam, "Kitalbarra" is ontleend aan een rots op een
eilandje zuidoostelijk van Dunk-eiland. "Oongle-bi," Nelly's peet, is
een rots op een der toppen van het vastland. Toch werd door niemand
deze gelijksoortigheid van totem opgeworpen als een beletsel voor
het tweegevecht waarin Tom zijn vrouw door kracht van wapenen won.
Toen wij op het eiland kwamen vluchtte Nelly als een schuwe slang
de wildernis in en bleef er een paar dagen verstopt. Zij was woest
achterdochtig, vuil en onhebbelijk; een echte wilde. Maar nu legt
zij elken morgen het vuur aan, kneedt het brood, bereidt de pap, zet
koffie, voert de kippen, wascht de vaat, schrobt de vloeren, kortom
doet alle huiselijk werk. Zij is ijverig en vroolijk en rookt aan één
stuk uit een met blik versierde pijp. Van een twistzieke feeks is zij
een zachtmoedige vredestichtster geworden, altijd gereed de fouten
van anderen te vergoelijken en zich voor hen op te offeren. Nooit
is zij gelukkiger dan wanneer zij aan haar werk is, behalve dan op
Zondagochtend, wanneer zij in een fonkelnieuwe japon kan paradeeren,
terwijl de rookkronkels van haar pijp opstijgen van onder een hoed
welks tinten den hemel bij zonsondergang beschamen.
Tom is in zijn booze buien gruwelijk wreed, maar dit verandert
niets aan Nelly's toewijding voor den man wiens bescherming zij
eens aanvaarde. Haar ijdelheid verleidde haar eens om in de hut
met haar mooien hoed te pronken. Tom, die nota bene zelf steeds de
opzichtigste hemden draagt, kon dit niet velen en verbrandde den hoed
en haar overigen opschik. Nelly liet zich niet onbetuigd en Tom wierp
haar daarop, toen zij met groote, fonkelende oogen voor hem stond,
ten koste van een paar verbrande vingers een handvol gloeiende asch
in het gezicht. Van Tom's standpunt bezien was deze daad een van die
meesterlijke zetten die alleen flinke kerels op het juiste oogenblik
ten uitvoer weten te brengen. Maar Nelly was wekenlang--bijna voor
altijd--haar gezicht kwijt en haar geheele huid was verbrand. Toch
droeg zij haar wreede straf zonder een klacht te doen hooren en
wist Tom later door allerlei concessies tot meerdere toegevendheid
tegenover haar ijdelheid te brengen.
Nelly heeft meer dergelijke wreedheden te verduren gehad en dikwijls
genoeg heeft zij zich de haren in vertwijfeling uitgerukt, maar Tom
is altijd haar heer en meester gebleven en op zijn manier houdt hij
veel van haar.
Het zwaarste wat Nelly te dragen kreeg was de aanwezigheid van Tom's
derde vrouw "Kleine Jinny."
Er kwam bericht uit Lucinda-point dat Tom's halfbroer (een geheel
denkbeeldige bloedverwantschap) gestorven was en een jonge weduwe
had nagelaten. Volgens Tom's uitleg der huwelijksgebruiken, was hij
de rechtmatige erfgenaam van deze nalatenschap en hij vroeg verlof om
haar te gaan halen. Gewezen op het feit dat hij reeds een vrouw had,
verklaarde hij onomwonden in Nelly's tegenwoordigheid dat: "zij niet
goed," maar de andere "wel goed kerel." Tom kreeg zijn verlof en toog
er op uit met geld op zak en voorzien met dekens, sieraden--waaronder
Nelly's beste jurk en hoed--een paar fraai beschilderde dilly-manden,
een boomerang, twee zwarte palmhouten speren, een groot houten zwaard,
een in rood en wit versierd schild en een fonkelnieuwe tomahawk.
Zoo vertrok Tom, met Nelly's beste wenschen en vol hoop en verwachting;
in twee weken zou hij terug zijn.
Twee maanden gingen voorbij en op een goeden avond kwam een havelooze,
smerige vogelverschrikker van een neger, ongeschoren, zonder deken,
zonder hoed en zelfs zonder pijp over de verschansing van de stoomboot
klimmen en zonk in ons bootje zonder een woord te spreken. Het was Tom.
Bij stukjes en beetjes verhaalde hij eindelijk zijn lotgevallen. Hij
was te Lucinda aangekomen, had de kleine Jinny door zijn persoonlijke
bekoorlijkheden, gesteund door Nelly's uitgelezen garderobe, weten
te winnen, maar had, toen hij voor haar moest vechten, de nederlaag
geleden. Er ontbrak een driehoekig stuk aan zijn oor en op zijn arm
droeg hij het litteeken van een speerwond. Hij had moeten vluchten
met achterlating van al zijn bezittingen.
Tom vergeet niets en nooit geeft hij een plan op; hij is even
volhardend als een mestkever. En zoo kwam hij na een paar maanden,
toen hij weer wat geld gespaard had, opnieuw verlof vragen. Voor de
tweede maal plunderde hij Nelly's kleerenkast en welgeschoren en
glimlachend ondernam hij opnieuw den tocht. Twee weken later liet
hij zijn jonge derde vrouw met al haar bagage in de boot afzakken;
hij had in het gevecht overwonnen.
Arme Nelly. Zij ontving Kleine Jinny met uitbundige vriendelijkheid en
Jinny schonk haar een jurk en een besten hoed. Een paar dagen lang was
het leven in het kamp idyllisch. Toen namen zij Nelly de geschenken
weer af en zetten haar de hut uit. Zij bouwde een afzonderlijke
woning van gras en gebogen takken en daarin zat ze te huilen en te
razen van jalouzie.
Tom vertroetelde en ranselde Kleine Jinny afwisselend. En zij verdiende
allebei, want zij was, voor een negerin, trotsch en hooghartig en kon
zoo giftig zijn als een schorpioen. Tom's hand is zwaar en als hij
haar in toorn tegen Jinny ophief, had zij heel wat te lijden. Maar ook
zij leed in stilte en iedere tuchtiging scheen haar aanhankelijkheid
jegens haar gebieder te vergrooten.
Ofschoon zij van beschaving niet het flauwste begrip had, deed zij
in ijdelheid en koketterie voor geen Europeesche vrouw onder en haar
hoogste streven was zich als een "dame" voor te doen. Arbeid was haar
te min. Zij bezat een soort kleedingstuk met twee pijpen en haar
heele levenswandel was één poging om zich een dergelijk bezit ook
waardig te gedragen. Tot op zekere hoogte slaagde zij hierin. Haar
pasjes waren klein en elegant en zij luierde haar dagen op vrij
artistieke wijze door. Een waterkan was veel te zwaar voor haar, een
dame met het tweepijpig kleedingstuk. Zij zat liever in de schaduw
van een mangoboom onder voorwendsel wat te tuinieren. Maar het liefst
wandelde zij, natuurlijk met Tom, onder de baloghia's, met niets aan
dan haar onderbroek. Eigenlijk had zij een ideaal leven; zij had volop
te eten, zooveel tabak als zij maar wilde en kreeg alleen slaag als
haar schorpioenachtige eigenschappen haar weer eens de baas werden.
Onlangs kwam Tom vertellen dat Kleine Jinny ziek was, "bij de
maag." Ziek zijn was voor haar iets heel gewoons, een zeer welkom
voorwendsel om eens een heelen dag in het zand te liggen rooken en
zich haar eten te laten aandragen. Daarom nam aanvankelijk niemand
haar ziekte ernstig op, maar toen Tom 's middags te vijf uur thuis kwam
was zij er slecht aan toe en kwam hij dadelijk onze hulp inroepen. Wij
gingen onmiddellijk met alle medicynen die ons volgens Tom's diagnose
toepasselijk leken, maar vonden haar blijkbaar stervende. Onder Tom's
kastijdingen had zij nooit een zucht geslaakt en ook nu kreunde zij
maar zwakjes, terwijl Tom haar vreemd gezwollen lichaam met zware
hand masseerde om den "doode kerel, dezelfde als duvel-duvel,"
die naar zijn meening de eenige oorzaak van Jinny's ziekte was,
naar buiten te persen.
Maar de duvel-duvel liet zich niet verdrijven. Wij deden al ons
best met brandewijn en warm flanel, legden voortdurend nieuwe
compressen aan, maar niets baatte. Zelfs Nelly, die nu nog maar een
zeer ondergeschikte rol speelde en zooveel van Jinny te lijden had,
hurkte nu naast haar stervende mededingster om haar koude handen te
wrijven en haar wangen te verwarmen. En met aandoenlijke zorg trachtte
zij, in nabootsing van onze compressen, Jinny's wangen en voorhoofd te
warmen met de gladde, olie-achtige, boven het vuur gehouden bladeren
van de "Raroo." Zoolang er leven is, is er nog hoop, dacht Nelly en
onafgebroken ging zij door met de scherp-riekende bladen te verhitten
en er de handen, die haar zoo dikwijls boosaardig hadden geslagen,
mee te wrijven, steeds droevig zuchtend. Ondertusschen bleef Tom
maar masseeren. Zijn theorie was, en is nog, dat een of ander man,
die Jinny op Hinchinbrook gekend moest hebben, gestorven was en dat
nu zijn geest, "als duvel-duvel" in Jinny's maag zat.
Maar hoe wij ons allen ook uitsloofden, toen de zon den donkerblauwen
bergrug aan de overzijde had bereikt, had kleine Jinny haar laatste
zucht uitgeblazen.
Nelly's zuchten veranderden nu in een geweeklaag, waarin de andere
leden van het kamp instemden, een doordringend gekrijsch dat twee
dagen aanhield. Daarmee vermengde zich het diepe, droevige, maar
niet onharmonieuze gebrom van den treurenden man. Twee dagen zong
men zoo den lof der doode, hurkend rond haar met een deken bedekte
lijk. Daarna begroeven zij haar in het zwarte zand der rookerige hut
waarin zij had geleefd en daar rust zij nu bij de overlevenden.
Tom heeft den rouw van zijn stam aangenomen: Gedurende een paar jaar
zal hij een zekeren visch, die in verband staat met Jinny's inlandschen
naam, niet eten. Door niets wil hij aan haar herinnerd worden. Den
dag na haar begrafenis was hij van zons op- tot ondergang bezig alle
voetsporen die Jinny had achtergelaten, uit te wisschen. Al wat hem
een droeve herinnering kon brengen aan het arme schepsel waarvoor hij
dat gevoel gekoesterd had dat bij wilden de plaats der liefde inneemt,
moest verdwijnen.