Oorspronkelijk bevonden zich hier vijf teekeningen, waarvan er
twee geheel en al onkenbaar geworden waren, alleen een paar zwakke
roode strepen waren er van over. De andere, beter te onderscheiden
voorstellingen zijn op dezelfde wijze verminkt als zekere veelgeprezen
antieke beelden. Twee stellen blijkbaar hagedissen voor en de andere
schijnt de afbeelding van een monsterachtig wezen, een menschelijke
gedaante met een rudimentairen staart te zijn. Een Duitsch filosoof
zou hierop misschien de theorie baseeren dat de Australische inboorling
de langgezochte "ontbrekende schakel" is in de keten der menschelijke
ontwikkeling. Doch hoe dit zij, de argelooze kunstenaar veroorloofde
zich nog meer vrijheden ten opzichte van de goddelijke menschelijke
gedaante. Volgens de overlevering hadden alle menschelijke figuren eens
zwarte hoofden, doch hiervan is thans geen spoor meer te zien. Eén
teekening, waarbij nog een rood hoofd eenigszins te onderscheiden
valt, schijnt deze overlevering te weerspreken. De oppervlakte van
den rotswand was met een platten steen vlak geschuurd; misschien
denzelfden steen waarmede de kunstenaar de harde wortels kneusde,
die een deel van zijn dieet vormden.
Van geheel anderen aard zijn de schilderingen in de zaal der
"Hoogere Richting." Deze ligt midden in een verwarde, dichtbegroeide
opeenhooping van geweldige rotsen. Omstandige verhalen over de schatten
die er te zien waren hadden mij doen volharden in mijn pogingen ook
deze grot te ontdekken, ofschoon geen van de nog levende inboorlingen
mij de juiste plaats wist aan te duiden. Hoe trotsch zij ook op hun
schilderingen waren, niemand had ze ooit gezien; iedereen herhaalde
slechts geloovig wat "oude menschen" er eens van hadden verteld. De
ervaring had mij weliswaar geleerd de getuigenis van zulke "oude
menschen" met de noodige voorzichtigheid en reserve te aanvaarden,
maar ik kon toch niet nalaten steeds te blijven zoeken.
Van schepen, die aan de oostzijde van het eiland voorbij varen,
kan men een forsche witte streep waarnemen op een groote rots. De
gangbare meening onder de negers nu was, dat de fresco's zich
bevonden op een rotsblok onder den steilen top die door den witten
band werd aangewezen. Deze meening bleek juist te zijn; op een
ontdekkingstocht, dien ik van de landzijde uit ondernam, vond ik ze
eindelijk, na moeitevol geklouter over rotsen en door schemerende
ravijnen vol varens en orchideeën of door nauwe, donkere spleten,
op een groot granietblok een klein eindje onder den bewusten top aan
de zeezijde. Bij de uitvoering moet de kunstenaar op zijn rug hebben
gelegen, want de schilderingen bevinden zich op de vlakke zoldering
en de grot is, behalve bij den breeden ingang, niet hoog genoeg om
er zelfs maar in te kunnen zitten. De oploopende grond is bedekt
met een dik, bruin poeder vol kuiltjes van mierenleeuwen (Myrmelion)
[29]; een koele, droge plek, die zelfs de plasregens van ontelbare
natte seizoenen niet vochtig konden maken. Men voelt dat men er het
stof der eeuwen opwoelt.
Zeshonderd voet beneden laaft de zee de brandende rotsen en klotst in
de koele grotten en ofschoon het uitzicht er op belemmerd wordt door
rotsen en geweldige boomen, zou een kunstenaarsziel, die zich zoekt
te uiten, zeker dankbaar zijn voor haar glanzen. Bij den ingang van
de grot liggen een paar verkoolde takken en een stuk parelmoerschelp,
het begin van een vischhoek. Deze overblijfselen verleenen aan het
tooneel een pathetische belangwekkendheid. Terwijl ik ze peinzend
beschouwde deed een kikvorsch diep in de grot een weergalmend gekwaak
hooren en een loophoen, dat boven ons in den grond krabde, maakte een
steen los, die tikkelend naar beneden sprong. Tom, die mij vergezelde,
maakte mij angstig opmerkzaam op deze manifestaties van den dooden
schilder, maar ik liet mij niet afschrikken, al voelde ik eenigen
schroom de plechtige rust te verstoren.
Bij de gedachte aan de uitbundige loftuitingen van al degenen die
de fresco's niet gezien hadden, was een gevoel van teleurstelling
toen ik hen ontdekte onvermijdelijk. Zij kunnen bezwaarlijk hooger
gesteld worden dan gewone lei-krabbeltjes, maar zij hebben een zekere
symmetrie en gevoel van verhouding en het feit, dat hun maker een
van de ruwste, laagst-staande menschelijke wezens was, is voldoende
om hen in mijn oog even belangwekkend te doen zijn als het werk van
menig wereldberoemd meester.
Klaarblijkelijk is eerst de oppervlakte van de rots eenigszins glad
gemaakt, slechts in één geval volgt de teekening de oneffenheden. Al
het werk is uitgevoerd in een kalkachtige aarde van dof-roode
kleur. Schilderingen naar de levende natuur en stillevens komen
beide voor. De schildpad is natuurgetrouw, maar de opvallendste en
scherpst-omlijnde van alle teekeningen is het minst overtuigend. Zij
doet denken aan de fantastische schrapjes en lijnen die sommige
menschen in een abstracte bui of in verveling op hun vloeipapier
zetten en die niets ter wereld beteekenen.
Bij een vergelijking van de twee kunstgalerijen lijdt het geen twijfel
dat er op Dunk-eiland minstens twee kunstenaars hebben gewoond, waarvan
de een zich toelegde op de realistische weergave van reptielen en
menschen en de ander op conventioneele wijze de dieren en wapens van
zijn tijd uitbeeldde. De een toonde zijn fantasie door een van zijn
reptielen een half menschelijke gedaante te geven, de ander door een
weelderige ornamentiek.
De meesten van ons hebben oogenblikken van vervoering gekend voor
het werk van een of ander groot kunstenaar, wiens gaven zich in
geestdriftig en volhardend streven naar volmaking ontwikkelden. Maar
zijn niet ook deze onbeholpen teekeningen openbaringen van talent,
oorspronkelijk en on-academisch? Zij zijn een eerste begin, een
spontane kiem, zij getuigen van een wilde ziel, voor het eerst door
bewuste aesthetische aandoening ontroerd en geleid. Zij zijn de eerste
en eenigste pogingen van een onbeschaafd, onmondig ras om dat licht
te bereiken "dat droomen tot daden wekt."