De inboorlingen van Dunk-eiland baden niet iederen dag in
overvloed. Bij zeer regenachtig weer moeten zij zelfs met het soberste
voedsel genoegen nemen. Een zeker soort haai wordt steeds met graagte
gegeten, maar andere weer zijn te mager en te taai om anders dan in
zeer buitengewone omstandigheden te kunnen worden verdragen. Oesters
zijn er altijd in overvloed, maar een dieet, uitsluitend beperkt tot
deze delikaatste aller mosselen staat zelfs het verhemelte van een
neger spoedig tegen.
Gewoonlijk echter was er rijkelijk voedsel en behoefde het slechts te
worden ingezameld en gekookt. Dikwijls werd het op de plaats zelf,
zóó versch uit de hand der Natuur, opgegeten. Maar ook de negers
houden van verandering, zelfs als zij een achteruitgang beteekent
van het zuiver bereide en gekookte eten van den blanke tot de sterke
brouwsels van hun eigen kampen. Soms, als het verlangen naar iets
anders te sterk werd, roeide de heele bevolking naar het vasteland
of een der andere eilanden om naar schildpadden en schildpad-eieren
te zoeken, die op Dunk-eiland schaarsch zijn.
Het is verwonderlijk zooveel en zoo verschillend voedsel op het eiland
kan worden gevonden, ofschoon er geen enkele poging tot kunstmatigen
aankweek wordt gedaan. De negers denken niet aan den dag van morgen,
maar nemen gedachteloos de rijke gaven der aarde aan. Men zou zich
best een feestmaal kunnen voorstellen als het volgende:
Het diner zou kunnen beginnen met wat oesters (drie of vier
variëteiten), een hors d'oeuvres van verschillende vischsoorten
kon worden gevolgd door "echte" schildpadsoep, opgediend in
het oorspronkelijke schild en toebereid op de boven beschreven
wijze. Vervolgens een prachtig stuk dugong, eveneens "ge-kummaoried,"
met entrées van schildpad-koteletten en gebakken insekten-poppen,
ivoorwit met gele koppen. Als de kevers, waartoe deze poppen en
larven zich ontwikkelen, uit een brok rottend hout te voorschijn
worden gehaald, rieken zij naar truffels. Zij geven twee verschillende
piepende geluiden van zich, uit de keel en uit het achterlijf en zingen
zoo een duet tot de heete asch hen voor eeuwig doet zwijgen en in een
noot-achtige lekkernij verandert. Geroosterde struikhoen-eieren en
gebakken kraaivisch, blauwwit en leerachtig, "van die stof waarvan
droomen gemaakt zijn" zouden niet mogen ontbreken. Rauwe zee-egel,
zout en opwekkend, zou de volgende gangen kunnen inleiden.
Tal van groenten zouden kunnen worden opgediend. En er zou overvloed
zijn van schelpdieren: alikruiken, mosselen, enz. Verder dolfijnen,
krabben en slangen. Van de vogels vooral duiven en bij uitzondering
misschien eens een struikhoen, dat zoo moeilijk te vangen is.
Zoetigheden zouden het zwakke punt van het menu vormen, ofschoon er
toch een pudding op zou kunnen voorkomen van geraspte Eupomatia-noten
met honing en een oranjekleurige vlade, geschraapt van den buitenkant
der vruchten van den Pandanus odoratissimus.
Het dessert daarentegen, kon weer rijk en vol verscheidenheid
zijn. De dorstlesschende en prikkelende Ximenia americana, de
Herbert-river-kers, eenigszins in smaak op aalbessen gelijkend,
de vingerkers, zoet en zacht; de framboos en de sneeuwwitte bes van
Eugenia suborbicularis, flauw als een onrijpe mispel, en nog vele
andere vruchten zouden op de tafel prijken. Ook vijgen, varieerend
in grootte van een kers tot een tennisbal en in kleur van wit door
alle tinten: geel, groen, rood en purper heen tot zwart toe.
En terwijl de mannen met bijlen en platte steenen de taaie noten van
de "Moo-jee" (Terminalia melanocarpa) en de vruchten van de "Can-kee"
(Pandanus aquaticus) bewerkten om er de kleine, zoete pitten uit te
halen, of terwijl zij behagelijk de zuurachtige en scherpe larven der
groene boom-mieren uitzogen onder een afterdinner-praatje, konden de
vrouwen naar hartelust hun met honing aangezoet water drinken, of de
zaden van de chineesch-blauwe vrucht der inlandsche gember kauwen.