Brammo-baai bezit een koraaltuin, een zoom van wonderlijk en veelvormig
gewas langs de laag-watergrens. Vroeger deed deze tuin niet onder
voor de lieflijkste bloemengaard te land, maar een geweldige storm
in 1903 heeft hem zwaar geteisterd, de meeste zijner fantastische
koraalvormingen verwoest en bovendien overtogen met een bruine,
kleverige modder; het zal nog lang duren eer hij zijn oorspronkelijke
betooverende schoonheid heeft herkregen. In dien vroegeren tijd omvatte
deze onderzeesche tuin verscheidene bunders en men kon er "planten"
vinden van alle mogelijke gedaante en van de schitterendste of teerste
kleuren. Men vond er kreupelhout, stamboomen en snoeiboomen, er
waren groote boeketten, druiventrossen, dikke bloemkolen en teer-roode
waaiers. Er waren ronde, schedelvormige gewassen met de hersenwindingen
bloot, er waren hertenhorens, meters lange zweep-riemen, bruine
en witte massa's die op fantastisch suikerbakkerswerk geleken en
ingewikkeld kantwerk van diep indigo. Sommige vertakte planten zijn
sneeuwwit met mauve punten, andere citroenkleurig en witgepunt,
weer andere wit en geel- of lichtblauw gepunt.
Op de rotsen groeien ongesteelde paddestoelen, die bloeien als
reusachtige chrysanthemums en ruwe verdikkingen, boot- of kanovormig;
verder bekers en kommen, reeksen van schalen, misvormde sauskommen
en vreemdsoortige vazen. Dunne vlokkige, brooze slierten als
wingerdranken, bruin en goudgeel hangen er aan; Caurie's en andere
molusken bevolken de scheuren en spleten.
Een koraalrif is een van de gruwelijkste slagvelden der natuur,
weekdieren zijn de meest schaamtelooze moordenaars en kannibalen. Geen
wezen is voor hen veilig, tenzij het vlug is, of van schrikwekkend
uiterlijk, of met reuzenkracht begaafd of geheel bepantserd.
Een doodonschuldige krab neemt er het uiterlijk aan van een verslindend
monster, een ander doet zich voor als een ruw met mos begroeid
stukje steen en verbergt zijn scharen zoo zorgvuldig dat alleen
een onhandige beweging hem kan verraden. De aardige caurischelp,
geel, grijs en bruin, werpt een bruinen, witgespikkelden sluier over
zich van de zelfde tint als de rots waarop zij kruipt en die haar
geheel onzichtbaar maakt. Raakt men het diertje maar even aan zoo
werpt het zijn vermomming af, haalt den fijnen sluier naar binnen,
sluit zich en blijft roerloos, als een doode leege schelp liggen,
totdat het meent dat alle gevaar geweken is. Eerst bij een koraalrif
leert men begrijpen wat de strijd om het bestaan beteekent. De
kalksteenen riffen zelf al zijn er doorzeefd door tunnelgravende
schelpdieren. Een glanzend zwart, torpedovormig dier boort zijn
eigen graf in de harde kalk. Want al verbergt het zich duimen diep
en al is de ingang tot zijn hol nauwelijks zichtbaar, toch is het
er niet veilig. Zijn vijand weet het te vinden, boort een gat door
zijn schaal en zijn met zooveel moeite uitgeholde schuilplaats wordt
zijn graf. Overal heerscht er strijd, oorlog tot den dood. Elk wezen
is er voortdurend bedreigd en op zijn hoede; één, de heremiet-krab,
gebruikt zelfs nog de overblijfselen der op het slagveld gevallenen
tot haar verdediging. Slechts ten deele bepantserd, wringt zij het
onbeschermde deel van het lichaam in een ledige schelp, telkens,
naar mate zij groeit, een grootere woning uitzoekend.
Doch niet alleen de fantastische koraalvormingen, ook de levende
poliepen zijn schoon. De planten, die er droog als een zware steenmassa
vol gaatjes uitzien, bloeien met verwonderlijken rijkdom als het
leven-schenkende water hen bedekt. De beste tijd om deze teere
zeebloemen te bewonderen is een volkomen kalme dag, wanneer alle
bezinksel in het water is neergeslagen. Het is dan doorschijnend als
bergkristal, een volkomen heldere lens. Van de kanten van een lichtgeel
koraalbrok in den vorm van een paddestoel hangen rijk-bruine algen in
slierten en franjes omlaag. Kleine kegeltjes bezetten zijn oppervlak,
elk van welke de woning is van een levende, stervormige bloem, een
bloem, die het vermogen bezit zich te ontplooien en terug te trekken
naar willekeur. Elke bloem heeft zijn eigen kleur, er zijn blauwe in
verschillende tinten en schakeeringen van cobalt tot lavendel, maar
ook roode, oranje, bruine, groene en grijze. Van boven bezien zijn
zij allen hetzelfde: veelstralige, ingewikkelde sterren van groote
schoonheid, die aan vorst-bloemen op glas doen denken. Van terzijde
gelijken zij volkomen symmetrische dennenboomen. Al deze bloemen of
boomen of sterren zijn schuw en vreesachtig. Bij het minste geplas
trekken zij zich terug, om na een poosje weer een voor een op te
duiken, totdat de geele rots wederom straalt als een tuinbed.
Op de koraalbrokken, die opeenhoopingen van poliepengeraamten, leven
ook hooger georganiseerde wezens. In de eerste plaats een weekdier dat
eenigszins op de Surpula gelijkt. In zijn jeugd hecht het zich aan de
koraal vast en begint er zijn woning te bouwen, die uit een kalkachtige
buis bestaat, gelijkend op een dikken, midden in een fantastische
kronkeling versteenden worm. Deze ingewikkelde tunnel wordt van voren
door een rond, glimmend-bruin schijfje gesloten. Een paar duim onder
water ziet dit diertje er uit als een parel, maar wanneer men er op
blijft kijken, ziet men het bewegen en vijf roode stralen te voorschijn
komen en als wimpels heen en weer wuiven. Ofschoon welbehuisd, is dit
diertje even schuw als de koraalpoliep, bij het minste alarm verdwijnt
het onmiddellijk en ziet men opnieuw de parel-deur glanzen. Tracht
men echter de parel te bemachtigen door de buis af te breken, zoo
blijkt zij even bedriegelijk als een zonnestraal. Telkens trekt zij
zich verder terug, totdat de rand der buis gelijk is met de oppervlakte
van het stuk koraal waarin zij is verstoken. Door deze levende stralen
gelijkt de ingemetselde worm aan den eenen kant op de koraalpoliep,
aan den anderen kant op de onbehuisde bêche-de-mer. Sommige bewoners
van het rif, die ook trachten mee te doen, vertoonen vijf punten
inplaats van stralen, maar weer andere slieren met blijkbaren trots
geheele bundels van min of meer schoon gekleurde stralen rond. Een
worm, die soms als een waterslang zwemt en dan weer roerloos in het
zand ligt, evenals de bêche-de-mer, heeft het naakte bruine lichaam
omzoomd met een levenden robijnrooden nimbus.
Behalve het gruwelijk kannibalisme moet nog een ander gevolg der
overbevolking worden genoemd. Misschien zullen sommigen het niet willen
gelooven, maar het is een feit dat enkele bewoners der koraalbank
commensaals houden. Zelf ruim genoeg behuisd, bieden zij gastvrijheid
aan daklooze en onbeschermde vreemdelingen, die de wreede Natuur
minder heeft toegerust voor den strijd om het bestaan. Een teerhartig
weekdier (Pinna) aanvaardt het gezelschap van een prachtige soort
van sprinkhaankreeft (Squilla mantis), een teer en aanhankelijk dier,
dat sterft zoodra men het uit zijn asyl haalt. Deze zelfde gastheer
herbergt tevens een zeer zonderling schepsel, zonder eenige bekoring,
een klein aaltje, dat er uitziet als uit bergkristal gesneden en
zonder ander verschil tusschen kop en staart dan dat het eene einde
wat langzamer dunner wordt dan het andere. Het kan zich nauwelijks
bewegen en kruipt met den uitersten graad van traagheid. Een van
de oesters neemt de bescherming op zich van een ronde krab, die in
enkele opzichten op een luis gelijkt en een groote anemoon huisvest
een schitterenden visch, scharlaken en zilver en met purperen strepen.
De bloemen van een koraalrif leven. Een boeket van teere,
lavendelkleurige takken heeft een eigen, rhytmisch zwaaiende
beweging. Eén aanraking, en als door tooverslag is de kleur verdwenen
en er blijft niets over dan een dofbruine klomp op de rots, waar
het water uitzijpelt. Een ander plantvormig wezen, dat diepgroen is,
verbleekt bij aanraking evenals het kruidje-roer-me-niet te land.
Een garnaal (Gonodaclylus chiragra) kan als een kleine
monsterverzameling dienst doen van die zuiverst-glanzende edelsteenen,
die de duistere grotten van den oceaan verbergen. De emeraldgroene
staart is omzoomd met een kant van doorschijnend goud, ook het
malachieten lijf heeft een goudglans; de groote pooten zijn van emerald
met gewrichten van robijn en zilveren klauwen, de kleinere pooten
zijn als van amber, terwijl het geheel nog versierd is met stippen en
vlekjes van saphier. Lange witte voelhorens, teer en ondoorschijnend,
ontspruiten uit den kop. Toch is het haar bestemming niet door den
mensch bewonderd te worden, zoodra zij aan de lucht komt, verbleekt
haar glans zeer spoedig. Dienen haar kleuren misschien om de aandacht
te trekken van een of anderen visch, voor wien zij een bijzondere
lekkernij is? De Natuur kent zelfs voor de voortbrengselen der hoogste
kunst geen mededoogen.
Geheel anders weer is het onbewuste genie dat thans om een korte
beschrijving vraagt. Een schitterend voorbeeld van vermomming, bezit
het op zich zelf niet de minste aantrekkelijkheid. Elke houding,
elke beweging is een deel van de rol die het speelt en nooit mag het,
op straffe des doods, een fout begaan. Tusschen velden van grauw,
groenachtig, modderkleurig wier, ziet men soms één onaanzienlijk
klompje, nauwelijks merkbaar en met soms groote tusschenpoozen
bewegen. Dit kleine, slordige hoopje wier verbergt een weeke,
verschrompelde krab, wier teere klauwen en borstelige pooten met
modderig mos bedekt zijn en wier zonderlinge lichaam geheel schuil
gaat in een parasitische begroeiing of nabootsing daarvan. Zelfs bij
het nauwkeurigst onderzoek kan men geen duidelijk verschil waarnemen
tusschen deze kunstmatige en echte algen. Om het artistiek bedrog
nog te volmaken houdt het beest nog in een van zijn klauwen een
brok verweerd koraal vast, dat het loslaat wanneer het schrikt en
ineenkrimpend roerloos blijft liggen, maar dat het weer opneemt
wanneer het zijn weg vervolgt.
Om den koraaltuin op zijn voordeeligst te zien moet men er niet door
loopen, maar overheen varen. Op een kalmen, helderen dag, wanneer
de toppen der hoogste koraalstruiken niet meer dan een voet onder
water zijn en al die teere draden, die bij eb onzichtbaar zijn of
plat neerliggen, heen en weer wuiven. Kleine vischjes, glanzend als
edelsteenen, schieten en dartelen dan tusschen de dooreengestrengelde
vertakkingen door, of blijven een oogenblik trillend zweven, als
kolibri's der zee die honing nippen. Een bleekroode, doorschijnende
visch, niet grooter dan een potlood, wringt zich in en uit de
citroenkleurige koralen. Een andere, nauwelijks een duim lang,
blauw als een saphier en met gouden vinnen en staart, zweeft boven
een zwartblauwe miniatuurgrot. Ginds dartelt een geheele school,
sommigen goud, sommige groen met een weefsel van gele lange draden
sliertend aan de benedenlip. Een rank diertje, half roze, half grijs,
dat in een notendop zou kunnen zwemmen, ontvouwt er zijn doorschijnende
bekoorlijkheid. Opvallende, gedurfde kleuren zijn er even gewoon als
bij de wedrennen. Soms vertoont zich een visch van bevrozen zilver,
wien purperen haren, wel een voet lang, van den rug vloeien. Sommigen
noemen hem de "damesvisch," om zijn schoonheid en gratie (Alectis
ciliaris). Meer voorkomend is de "slaapvisch," zalmvormig, van glanzend
koper en met schitterend blauwe stippen en teekens versierd. Roerloos
blijft hij in het water staan en ontwaakt dikwijls niet eer voor de
speer van een hongerigen neger hem spietst.
Dichter bij de kust is de steenachtige bodem bespreid met massa's van
die bijzondere geraamtelooze koraalsoort, bekend onder den naam van
alcyonaria, een leelijk, maar tyranniek gewas, dat andere, teerdere
koralen verdringt en verstikt. Het komt in verschillende kleuren en
vormen voor. Wanneer het bij eb bloot ligt ziet het er walgelijk, als
bedorven vleesch uit, maar onder water, met zijn levende, stervormige
bloemen is het aantrekkelijker.