VIJFDE HOOFDSTUK.

Nog was de schemering niet ingevallen toen Hendrik zich weder naar

Van Schagens woning begaf, zoowel om er de gebeurtenis in de groote

kerk mede te deelen als om er den brief te gaan halen, daar hij een

bode gevonden had, bereid om dien over te brengen.--

Nauwelijks echter was op zijn kloppen de deur door een bediende

geopend, of een ongewoon gerucht klonk hem in de ooren, en ook zag

hij op het gelaat van den knecht eene ontsteltenis, die hem bevreemdde.

--»Wat scheelt u?« vroeg hem Hendrik, »wat hoor ik?«

--»Kapitein!« was het antwoord, met haast en angst uitgesproken,

»ik weet het niet recht; de jongeheer Floris .... maar daar komt de

jonkvrouw zelve.«

Zoo was het ook. Marie, de stem van Hendrik hoorende, ijlde hem te

gemoet, en riep reeds op eenige schreden afstands: »eilaas, Hendrik,

moeder sterft van onrust! weet gij niets van Floris?«--

--»Ik, Maria! neen: maar wat is er gebeurd?«

--»Kom toch mede in de zaal. Moeder verlangt zoo naar u. Breng haar

tot bedaren zooveel gij kunt.«

--»Maar zeg mij dan toch, wat er gebeurd is, en van wien zijn de

stemmen, die ik daar hoor?«

--»Het is Floris, die ons zoo verontrust; al voor twee uren is hij

vertrokken, stil uit het huis, en heeft den brief mede genomen....«

--»Ik had er half vrees voor;« antwoordde Hendrik, »al voor twee uren,

zegt gij, en wat weet gij? 't Is een stoute knaap ....«

Al vragende en half antwoordende kwam men aan de zaal. Daar opende

jonker Albert van Schagen, een neef van Christoffel, de deur, en na

den uitroep: »Ja, het is de kapitein!« vroeg hij dezen oogenblikkelijk,

of hij van Floris niets gehoord of gezien had.

--»Niets,« zeide Hendrik, met Maria de zaal binnentredende en daar

ook jonker IJsbrand ziende, een anderen broeder van Maria, die, met

mejuffrouw Van Duivenvoorde gehuwd, insgelijks in de Morinnesteeg

woonde.

--»Hendrik, o, zijt gij daar!« sprak Hadewij, en onstuimig zijne

hand grijpende, liet zij er angstig en driftig op volgen: »niets dan

aangroeiing van smart; niets dan wat mijn kommervol hart nieuwe wonden

toebrengt: daar is Floris weg, het huis ontvlucht met den brief aan

mijn gemaal; ach, mijn dierbaar kind! dat zal een deerlijke afloop

zijn. Heilige maagd, dat hij mij aldus van het hart gaan moest:

wie weet, of ik hem ooit wederzie!...«

--»Gij beangst u al te zeer;« zeide Hendrik, »hoe weet gij, dat hij

met den brief zou vertrokken zijn? Ik zie nog zooveel aanleiding niet

tot zulk eene vrees.«

--»Dat zeg ik met u,« liet jonker IJsbrand hooren, »zoo jong als hij

is, ben ik niet bang voor hem: hij weet er zich doorheen te redden,

waar een ander staan blijft.«

--»Neen, neen, gij kunt mij niet geruststellen!« zeide Hadewij, »mijn

hart klopt zoo bang; in zulk een tijd van gevaar ... hij is nog een

kind. Och, had ik zijn opzet kunnen vermoeden, hij zou niet uit het

huis zijn gegaan!....« En van tusschen haren halsdoek een strookje

papier halende, gaf zij het met bevende hand aan Hendrik en zeide:

»zie, zoo heeft hij gedaan, lees:«

Hendrik las nu het volgende:

»Ontrust u niet, moeder! ik breng den brief aan vader, en morgen

in de vroegte zal ik reeds terug zijn. Ik zal op mijn weg de

Heilige Maagd bidden, dat zij mijn voornemen zegene; en gij zult

mij vergeven, dat ik uit liefde voor mijn vader, dit waag.«

--»Dat is allen lof waard!« riep Hendrik, »zoo jong nog en reeds zoo

koen; en laat u niet te zeer door angst overwinnen, mejuffer;--ik gis

niet, hoe hij deze zaak aanlegt; maar zeker, morgen in de vroegte

zal hij terug zijn; en wie weet, wat geruststellende tijding hij

dan brengt....«

--»Het krijgsvolk houdt hem aan;« zeide Hadewij, »wat zal zijne

jonkheid weerstand bieden? Kan hij niet omkomen in het water, en

zal het niet zoo donker wezen, dat men geene hand voor de oogen

ziet? Weet hij, waar in Amsterdam te moeten zijn, en zal hij mijn

gemaal vinden? Neen, het zal deerlijk afloopen om mijn ongeluk nog

grooter te doen zijn. Floris, dat vergeef ik u nooit!....«

--»Neen, moeder!« liet jonker IJsbrand hooren, »werp te groote vrees

van u af; en als hij morgen terugkomt, verwijt het hem dan niet. Hij

waagt het, uit liefde voor mijn vader, en dat doet zijn jong gemoed

eene zoo groote eer aan, dat ik hem van nu af liever zal hebben

dan ooit.«

--»En ik,« zeide jonker Albert, »ik ben nu trotsch op zulk een neef,

als ik het doel inzie, en geen hard woord of bittere berisping mag

zijne vergelding zijn.«

--»Maar is het dan plichtiglijk,« zeide Hadewij, die intusschen

aan de gedane toespraak meer gehoor begon te geven, »dat hij mijn

angst zoo vergroot, door heimelijk te ontsluipen, terwijl ik hem

in huis waan? En wat is er inmiddels bijgekomen? Welk eene stad

vol beroering! Reeds heeft men de hand geslagen aan Christus' kerk;

men heeft ontwijd wat heilig is, en dat deed hij, aan wien wij allen

toevertrouwd zijn--die de opperste van deze stad is. Waar moet het

heen met zulke woestheid? En dat heeft niemand kunnen verhinderen;

dat hebben allen aangezien en geduld, en dat weet mijn gemaal thans

niet! och, wist hij het maar; dan keerde hij wellicht niet weder:

want eilaas! dat is het voorspel van grooter leed; niets dan een

zwart verschiet ligt er vóór ons.«

--»Ja, dat is een tergend stuk,« zeide jonker Albert, »daartoe

moet men een verhard ketter zijn; en onbegrijpelijk is het mij,

dat niemand er zich tegen verzet heeft. Ripperda, die schennis zal

u duur te staan komen!«

--»Het is eene stoutheid zonder weerga;« zeide Hendrik, »een ander

vonnis mag ik er niet over uitspreken: want het is mijn heer: hij is

wijs en moet weten, wat hem past in zijne groote en bezwaarvolle taak.«

--»Gij verschoont dus deze zaak?« vroeg jonker Albert eenigszins

driftig.

--»Gij wilt verhelen,« zeide Hadewij »wat den toorn van Christus

verdient? Hoe! onze godsdienst aldus te honen en te schenden!.... zal

er van allen, die de kettersche leer niet aankleven, niet één kreet

van misnoegen tegen hem opgaan? Heeft voor zes jaar de magistraat zich

daarom zoo vroed betoond en alles zoo beveiligd tegen het woeste grauw,

om het nu onteerd te zien door den gouverneur der stad zelven?«

--»En is uw heer Ripperda nu niet evenzeer de razende beeldstormer?«

vroeg jonker Albert op bitteren toon.

--»Neen, dat is hij niet!« antwoordde Hendrik ernstig en met vuur,

»hij is na koel beraad met bedaardheid te werk gegaan. Niet enkel het

kostbare en kunstige, maar ook het geringe heeft hij slechts van de

plaats genomen, en als Fries, die hij is, ontgloeid voor de vrijheid,

en als ijverig beleider van de nieuwe leer, heeft hij gedaan zoo

als mogelijk ieder calvinist in zijn post zou hebben willen doen,

maar zooals niet ieder zou hebben kunnen of durven doen, omdat niet

ieder een fier en stout man is als Ripperda.«

--»Gij spreekt als een, die de onfeilbare leer onzer vaderen niet

hoog vereert,« zeide jonker Albert, hem strak aanziende.

--»Zeg veeleer, dat ik spreek als een, die allen dwang schuwt, met

billijke gramschap vervuld tegen een tiran, die het geloof mijner

vaderen door middel van rad en galg wil vereerd zien; dat ik spreek als

iemand, die Ripperda bewondert en bemint en hem mogelijk nog meer zou

bewonderen, zoo ik dat groot karakter beter begreep. Heeft hij mij, als

katholiek, fel gewond, dan wil ik, als Nederlander, als mijn vaderland

meer beminnende dan mij zelven, hem die wonde gaarne vergeven.....«

Maria, die haren neef goed kende en vreesde, dat dit gesprek wellicht

op onaangenaamheden mocht uitloopen, hield een smeekend oog op hem

geslagen, waarin men duidelijk las, dat de gebeurtenis met haren jongen

broeder toch geene aanleiding tot twistgesprek zijn moest. Toch hielp

dit weinig, want de kapitein was de man niet om, bij aantasting zijner

gevoelens, zelfs niet op het gevaar af van er iets dierbaars door te

verliezen, eene andere meening te huichelen. Goed was het dus, dat

op dit oogenblik Albert de boodschap van huis ontving, hoe er naar

zijne terugkomst verlangd werd; hij verwijderde zich dan ook spoedig,

nadat hij Hadewij andermaal getroost en haar de verzekering gegeven

had, zoo spoedig mogelijk te zullen terugkeeren; en zoo bij eenig

afscheid het bieden van de hand een teeken is, dat men het wèl met

iemand meent, dan was dit ook het geval bij Hendrik en jonker Albert.

Nu zat men een geruimen tijd zwijgend bij elkander. Aan het knetteren

der haardvlam en de drift, waarmede zij hoog in den schoorsteen werd

opgetrokken, bleek, dat het buiten vinnig vroor en er een scherpe,

gure wind woei. In de zaal zelve had zich echter de koude geen weg

gebaand; en al ware dit zoo geweest, dan toch zou het daar gezeten

viertal er weinig van gevoeld hebben, wanneer het waar is, dat de

ziel, door gewichtige dingen bekampt, aan de mindere geene speelruimte

laat. Het was wel noodig, dat de haardvlam door haren uitschietenden

glans het flauwe kaarslicht te hulp kwam; want niemand dacht er aan,

die kaars te snuiten, en aller aandacht scheen slechts gevestigd op

de vonken, die nu eens tintelend met de vlam opstegen, of, bij eene

nieuwe aanblazing, knappend en springend van onder den schoorsteen,

zich halverwege in de zaal verspreiden.

Maar schoon men daar eene geruime poos zweeg, zou een onbekende, het

vertrek binnengetreden, weldra gezien hebben, dat iets anders dan de

vuurvonken hunne aandacht bezig hield. Want op Hadewij's gelaat zag

men duidelijk het afgesloofde en geschokte gemoed der teederlievende

vrouw, die zich niets dan kwaad voorspelde en, onder eene schijnbare

rust, niets dan angstige woeling ondervond. Op dat van Maria zag

men wel eene meerdere kalmte, met meer vertrouwen, maar toch iets

benauwends, een kinderlievend gemoed, dat door een nevel omringd,

wel de dichtst bijzijnde voorwerpen ziet, maar niet die, welke buiten

dien kring liggen,--terwijl op dat van haren broeder eene meerdere

onverschilligheid zichtbaar was, eene zoodanige echter, die men wel

eens aanneemt om anderen gerustheid in te boezemen, zonder dat men

er zich zelven door kan misleiden; en als men de kunst van veinzen

niet genoeg verstaat, dan verraadt men zoo schielijk, dat men zelf

dieper gevoelt, dat men zelf een donkerder beeld en grootere gevaren

voor oogen ziet, dan men anderen, uit medelijden en opoffering,

zoo gaarne zou willen diets maken. Slechts op Hendriks gelaat

was die nevelloosheid, die bedaardheid zichtbaar, welke zooveel

vertrouwen inboezemt: hij vertoonde een gemoed, dat wel geschokt,

maar niet ontzenuwd kan worden, of zoo al, dan toch schier ter

zelfder tijd eene kracht erlangt om fier en onverschrokken het hoofd

op te heffen. Nu eens zag hij Hadewij aan, dan straalde er zuivere

deelneming en verknochtheid in zijn blik; dan ontveinsde die blik niet,

dat ook hij zich beklemd voelde; maar in die beklemming lag tevens

kracht tot opbeuring--eene lichtende star in een donkeren nacht;

en als hij dan Maria aanzag, straalde er zooveel liefde in zijn oog,

bij zooveel vermogende bescherming, dat zij, jeugdig, teeder boompje,

zich tegen een storm beschut waande, in de nabijheid van dien stevigen

eik; dan was het haar, of hij tot haar zeide: »Maria, teedere duif,

als de havik u aangrijpt, schuil dan aan mijne borst!«

De avond was nog zoo lang--de avond voor een nog langeren nacht:

want het was nu geen avond, die in minnelijk gekout gesleten werd: het

waren nu uren, die in plaats van om te vliegen, tragelijk omkropen, en

toch voor de angstige verbeelding, die in dergelijke omstandigheden

onophoudelijk denkt en plannen vormt, nog te kort waren. Jonker

IJsbrand verliet ten laatste de woning: want ook in de zijne was

geene blijdschap; zijne vrouw was ernstig ziek en reeds drie uren

waren verloopen, sinds hij haar verlaten had: hij moest weder tot

haar gaan, zelfs dien nacht bij haar waken; en na de verzekering, dat

hij reeds vroeg in den morgen terug zou zijn, nam hij afscheid. Ook

Hendrik moest nog voor een paar uren heen; hij had nog bezigheden,

met zijne tegenwoordige betrekking in verband. Maar daarna keerde

hij weder terug: want noch Hadewij, noch Maria kon er aan denken,

ter ruste te gaan. Bij den haardgloed zou men den nacht doorwaken; en

dat deed men gezamenlijk en sprak weder over alles, wat Van Schagen

en Assendelft betrof, over den angst en de smart in het huis van De

Vries, over Floris, in één woord: over alle verleden en toekomst,

slechts zijdelings of rechtstreeks met het tegenwoordige in verband.

Het was reeds vier uren in den morgen geworden, toen geklop aan de

deur allen plotseling deed opstaan. Deed opstaan? neen dat is het

woord niet. Hoe meer de tijd verliep, hoe onrustiger en angstiger

Hadewij's hart sloeg: een beminde echtgenoot en zoon waren niet in de

woning. Met zwak vertrouwen dacht zij onophoudelijk aan de woorden

»morgen in de vroegte zal ik reeds terug zijn;«--maar hoe zwak dit

vertrouwen ook ware, hoe zeer de hoop met vrees was vermengd, zij had

toch vertrouwen en hoop; en welke teederlievende vrouw, door die twee

machten geslingerd, kan daar nederzitten bij de nadering der minuut,

dat hoop haar verheffen of teleurstelling haar zal nederstooten? Zoo

had zij dan reeds eene geruime poos de kamer op en neder geloopen,

zich door de kille galerij naar de voordeur begeven, of met Maria en

Hendrik gesproken; dan weder was Hendrik of Maria wezen luisteren,

en eindelijk werd er geklopt.

--»Zou dat Floris wezen?« riep de moeder.

--»Zou hij daar zijn--mijn broeder,« liet Maria hooren, en

door Hendrik voorgegaan, snelden allen naar de deur, de moeder

met wankelende schreden, Maria met een luid kloppend hart,

Hendrik met bedaardheid, doch met geene mindere belangstelling en

gespannen verwachting. Schielijk wordt de deur geopend en--is het

Floris?.... teleurstelling! het is IJsbrand, in een dikken mantel en

terugkomende, zooals hij beloofd had.

--»Niet hij!...« riep Hadewij, »eilaas, wat vlei ik mij ook: hij komt

niet terug, en wat is het guur en koud.«

--»Gij zijt het, IJsbrand! en hoe is het met haar?« vroeg Maria.

»Goddank, niet erger;« was het antwoord, »zij is in gerusten slaap;

maar Floris?....«

En het antwoord luidde ontkennend. Gezamenlijk spoedde men zich weder

naar de zaal, om andermaal te spreken en te vragen, om opnieuw door

hoop en vrees geslingerd te worden, om andermaal af te wachten,

wanneer dat »uur der morgenvroegte« zou slaan.

--»Hoe het mij smart, als ik denk, waar mijn Floris omzwerft,«

sprak Hadewij. »Heilige maagd! aan hoeveel gevaren heeft hij zich

blootgesteld en hoeveel onrust gestort in mijn gemoed. Wie weet,

of hij niet reeds gevangen is; en zoo ik hem als spion of een, die

kwade streken broeit, in handen van het krijgsvolk zien moest; zoo

ik, zijn plan verijdeld zijnde, Van Schagen in leed zag .... hemel,

dat zou ik niet beleven kunnen; dat zou eene zwaarder ramp voor mij

wezen dan ik dragen kan.«

--»Gewis, wanneer men toegeeft aan de bangheid,« zeide Hendrik »dan is

er geen beeld zoo donker, dat men niet voor oogen ziet; maar als men

hooger blikt, dan ziet men achter iedere zwarte gestalte een helderen

straal, die ons hope schenkt. Hooger dan, en--het zal ons beter zijn.«

Nog lag de duisternis van den Decembernacht over Haarlem uitgespreid,

toen een vernieuwd geklop aan de deur werd vernomen. Allen snelden heen

om open te doen, en... was het andermaal teleurstelling? Neen, thans

was het Floris, teruggekeerd van zijn vermetelen tocht. Hadewij had

beloofd, dat zij den knaap geen enkel verwijt doen zou en--zij hield

haar woord. Maar hem niet aan haar hart te drukken of met vragen te

overstelpen, dat had zij niet beloofd; en daarom vroeg zij dan ook

zoo luid, zoo bevend en haastig, dat het den jonkman ondoenlijk was,

er op te antwoorden. Alleen zeide hij: »Moeder, wees gerust: werp

alle bangheid van u.«

--»Ik kan gerust wezen, Floris! versta ik u wel? hebt gij uw vader

gesproken, en zal hij niet terugkomen in deze stad?«

--»Hij komt niet terug, moederlief!« antwoordde Floris, en nu omhelsde

hem Maria, terwijl zij hem haar lieven broeder noemde, en er een

traan, eene echte parel van dankbaarheid, in haar oog kwam. IJsbrand

greep zijne eene hand, Hendrik de andere, en beiden voerden hem als

in triomf naar de zaal, terwijl allen hem tegelijk toespraken, doch

slechts onvolledige antwoorden ontvingen.--

--»En zijt gij niet verstijfd van koude?.... Maria, lang gij den

wijn. Jongen, wat hebt gij gewaagd! wat heb ik al doorgestaan! Kom bij

't vuur, Floris, och, zeg mij spoedig toch alles. In zulk weder! o,

heilige maagd! ik dank u: had ik dat durven hopen?....«

Op die wijze ging Hadewij voort, terwijl ook de overigen geene

stilzwijgende getuigen waren, en Maria een beker met verwarmenden

kruiderwijn vulde en dien haren broeder aanbood.

--»Ik ben niet koud, moeder; voel, hoe ik gloei,« zeide Floris, haar

de hand toestekende; en nu drukte zij die hand, bedekte ze met kussen

en voelde nu eerst, dat ze niet kil als ijs was, maar als een oven

brandde. Nu ontdeed zich de knaap van zijn mantel, en onvermoeid en

vergenoegd allen aanziende, zeide hij:

--»Wil ik nu vertellen? maar dan moet gij mij laten uitspreken:

dan weet gij alles in eens.«

--»Doe dat, beste jongen! en wij zullen u niet in de rede vallen,«

zeide Hendrik, »wij hooren allen toe, en niemand van ons spreekt een

enkel woord.«

--»'t Goede geluk heeft mij meer gediend, dan ik gissen kon,« ving

Floris aan, »en toch had ik een groot vertrouwen bij mij, zonder dat

ik reden kan geven, waarom. Ik nam de goede kans waar om den brief

in handen te krijgen, en het sloeg halfdrie, toen ik het huis uitging

naar de Papetorensvest. De menschen waren naar het Zand gegaan om de

ingekomen soldeniers: maar daar wilde ik niet wezen; ook moest ik

den gewonen kortsten weg laten liggen. Ik sloeg de Paarlesteeg in,

liep den Anegang door en de Korte Veerstraat; toen, over de Vischbrug,

door de Hoogstraat en Achterstraat; door de Spaarnwouderstraat kwam

ik in de Sleutelstraat; voorts liep ik gezwind den Scheepmakersdijk

over, en niet zoodra was ik de Dijkstraat voorbij, toen ik zag, wat

ik hoopte--drie turfschuiten aan de Catharijnebrug. »Was Harmen Bos

er nu maar!« dacht ik en--zie! hij staat er: hij kijkt vreemd op als

ik hem mijn plan zeg: »hoor,« voegde hij mij toe: »ik ben nog maar

pas aangekomen en toch weet ik alles; ik zou veel doen om uws vaders

wil; want die heeft me menig profijt aangebracht: maar dat kan niet,

voor nog zooveel geld niet: want we worden op staande voet gesnapt,

en ook moet ik hier blijven tot morgen.« Toch laat ik hem niet los;

want ik weet wel, dat hij de gunst heeft van de vroedschap om te varen

wanneer hij wil. Ik breng het dan zoover, dat ik hem beweeg voor eene

goede belooning, en dat ik als zijn knecht zal meegaan. Nu neemt hij

mij met zich naar huis, en terwijl ik de kleederen van zijn knecht

aantrek, en de mijne in een pak rol, maakt hij zich al vaardig,

want er kon niet te veel gespoed worden. Flink en met den overjas

aan komen wij aan de schuit, en ik heb 't er zoo wel afgebracht,

dat de wacht aan den toren ons na onderzoek vrij liet doorgaan,

schoon het mij bang werd, toen hij aan Harmen vroeg, waarom hij al

weer zoo gauw vertrok, maar die gaf hem tot kort bescheid: »daar hebt

gij niet af te weten,--dat is mijne zaak.«--

Het was fel koud op de schuit; maar ik leed er niet veel van. Om vier

uur kwamen wij te Spaarndam; ik trok mijn eigen wambuis aan, en nadat

ik met Harmen had afgesproken, dat hij mij daar zou blijven toeven,

vertrok ik te voet naar Amsterdam. Het was zeven ure, toen ik veilig

daar aankwam, schoon er ongeveer een uur te loor ging eer ik de poort

werd binnengelaten. Ik moest zeggen wie ik was, en wichtige reden

geven van mijne komst: maar daardoor kwam ik ook juist te weten,

waar ik zijn moest om vader te vinden. Fluks begaf ik mij naar het

Begijnhof, maar was bijster verslagen, toen ik enkel burgemeester

De Vries aantrof, die over mijne komst vreemde oogen opzette en mij

zeide, niet te weten, waar zich vader en de pensionaris bevonden. Hij

vroeg naar de reden mijner komst, en ik zeide alles, wel gissende,

dat dit geen kwaad kon, aangezien zij te zaam waren gegaan. Hetgeen

ik zeide, deed den burgemeester heel verbaasd zijn; en dat hoorde

ik hem luid tot zich zelven zeggen: »Neen, in geen geval nu terug!«

Wijders vroeg hij mij, of ik hem den brief wilde ter hand stellen,

want dat ik mogelijk mijn vader niet zien zou, zoo ik weer in den

vroegen morgen terug wilde wezen. Ik gaf tot bescheid, dat hij

den brief wel openen kon, en ik meende, ook daaraan niet kwalijk te

doen. Hij maakte het zegel dan los--en verbleekte zeer over 'tgeen hij

las.--Mij toen bij de hand nemende, zeide hij: »Floris! het is kwaad

gesteld met de zaken; uwe moeder dus in leed, en niet zonder reden;

zoo zal het dan ook wel wezen in mijn huis: maar dit kunt gij haar wis

zeggen, dat niemand van ons terugkeert.« Ik had moeten gaan zitten en

wijn drinken, want ik moest alles nog eens en omstandiger vertellen

en er was droefheid en onrust op zijn aangezicht; en toch zag ik,

dat hij veel leed te verkroppen zocht. Het eene halve uur voor, het

andere na verliep, en mijn vader of mijnheer Van Assendelft kwamen

maar niet terug.--Nu vroeg mij de burgemeester, of ik de bezorging

van eenig geschrift voor zijne vrouw op mij wilde nemen, en toen

ik ja gezegd had, zette hij zich aan 't schrijven. Spoedig had hij

daarmede afgedaan en zeide: »Zie Floris, dit schrift kunt gij ook

aan uwe moeder laten lezen, en laat het daarna terstond aan mijne

vrouw ter hand komen: de goede God beveilige u bij uw terugkeer,

opdat gij rust brengt in de gemoederen.--Maar, jonge vriend, ik wil

niet, dat gij weder eene moeilijke reis te voet aflegt tot Spaarndam,

ik zal u daartoe een voertuig verschaffen, want het pad is lang en de

nacht donker en koud.« Maar ik antwoordde, dat ik liever gaan wilde,

gelijk ik gekomen was, en dat ik nu moediger vertrok, daar ik, schoon

mijn vader zelven niet gesproken hebbende, de verzekering had, dat

hij zich niet aan het perikel van terugkomen zou blootgeven.

Ik nam dan afscheid, en zag hem daarbij niet wel te moede, misschien

uit vrees, dat mij onderweg iets overkomen kon. De burgemeester

verzelde mij tot aan de Haarlemmerpoort, en het zal toen zoo wat elf

ure geweest zijn. Het was heel donker en koud, maar ik zette het op

een loopen en werd spoedig warm. Veilig kwam ik weder tot Spaarndam

en vond er Harmen, slapende. Toen ik hem naar mijn gissing zeide, hoe

laat het was, gaf hij tot bescheid, dat wij dan nog toeven moesten,

wijl hij vóór halfzeven toch niet binnen komen kon. Ik zocht toen ook

een weinig in te slapen: maar dat gelukte niet, vanwege de koude,

denk ik, en 't was misschien goed. Wij zijn dan weder afgevaren,

en het moet zeer gevroren hebben, want er was veel ijs in het water,

en de schuit zou er zeker van avond niet meer door kunnen.--Aan de

wacht van den toren werd er weder onderzoek gedaan met lantaarnlicht;

maar niets vindende dan den schipper en zijn knecht, liep dit goed

af, hoezeer ik toch zeggen moet, dat het mij toen weer heel bang

was. Ik hield geen lange morgenspraak meer met Harmen; maar hij zal

nu wel hier komen, en ik moet zeggen, dat het een nobele baas is,

die wel iets verdiend heeft. Daar hebt ge nu den brief, lieve moeder,

van burgemeester De Vries: laat hem nu haastig brengen; want ik heb

beloofd, er niet mee te zullen vertragen, en zooals de kapitein altijd

zegt: »een man een man, een woord een woord.«--

Waren onder dit eenvoudige verhaal bij Hadewij en Maria tranen van

dankbaarheid opgeweld, thans sloot de moeder met innige liefde haren

zoon in de armen, uitroepende:

--»Heilige moeder Gods! al dat goede, mij gedaan, lieve Floris,

zal u eeuwig vergolden worden.«

Nu omhelsde zij hem andermaal; nu spraken IJsbrand, Hendrik, de

moeder en Maria veel tot zijn lof, zooals ook De Vries gedaan had,

maar, dat nederig, door Floris was verzwegen geworden. Het was

een gelukkig oogenblik van wederzijdsche liefde, van dankbaarheid,

bewondering en vreugd. De brief van den burgemeester werd gelezen,

doch behelsde niet meer, dan wat Floris verhaald had, dat namelijk,

de drie leden der bezending het geenszins raadzaam achtten, terug

te keeren en dit dan ook in den eersten tijd niet doen zouden. De

brief werd nu oogenblikkelijk naar de vrouw van De Vries afgezonden,

of liever, IJsbrand nam zulks op zich, om haar tevens de kleinere

bijzonderheden mede te deelen.--

Maar onder zooveel blijdschap en gerustheid meende Hendrik aan dien

helderen gezichteinder toch eene wolk te zien, die hem voorspelde,

dat ze nader drijven en andere wolken zou doen ontstaan. Het kwam

hem zoo zonderling voor, dat Van Schagen en de pensionaris niet in

het bijzijn van De Vries waren geweest, en dat deze aan Floris eene

eenigszins scheeve verklaring had gegeven, wáár zij, en waaròm zij

zich niet bij hem bevonden, aangezien toch één doel hen had doen

vertrekken, en dat doel van zooveel gewicht voor hen was, dat zij er

wel steeds op den duur gezamenlijk over hadden te raadplegen. Dan,

Hendrik wilde niet altijd de man zijn, die bezwaren opperde; hij wilde

de liefelijke zon der gerustheid, die hen thans bescheen, door geene

nevels verduisteren; hij wilde den kalm geworden stroom niet door

den riemslag der twijfeling in beweging brengen....

Het was ongeveer elf uur in den morgen geworden, toen men iemand in

eene warm lakensche huik gewikkeld, de Koningstraat zag inslaan en het

huis van Van Schagen binnentreden.--Het is eene vijf en vijftigjarige

vrouw, evenals Hadewij, nog kortelings door angst gefolterd, doch

thans, evenals Hadewij, met een ruimer kloppend hart: het is Catharina,

de vrouw van burgemeester De Vries, den man, die gelijk Van Schagen,

zijn eed aan den prins, als stadhouder des konings heeft verbroken,--op

wien de blaam rust, dat hij aan Alva den zwakken toestand van Haarlem

heeft kenbaar gemaakt.

--»Hoe! gij zelve hier, mejuffer?« roept Hadewij haar te gemoet,

»de tijding van dezen morgen....«

»Ja,« viel Catharina haar in de rede »mijne vrees is geweken: wat

blij bericht na zooveel droefheid: hoeveel verheuging na zooveel

tranen! Wat heeft uw zoon durven bestaan, zooals jonker IJsbrand mij

verhaald heeft!--ik durfde nauw mijne ooren gelooven; voorzeker, dat

is een zegen van den Heer, als men een zoo ouderlievend kind heeft;

daar mag men luider op roemen, dan op allen wereldschen schat.«--

--»Geprezen zij de Heere, die hem mij schonk!« antwoordde Hadewij,

»de huidige dag zal mij altijd onvergetelijk wezen. Dat was een

schemerachtige nacht, maar er volgde een heldere morgen op.«

--»Gewis, en ik ben u grooter dank schuldig dan ik betalen kan. Dat

durfde mijn hart, als toegeschroefd, niet hopen. Met geweld werd

ik naar u heengedreven; geen pad zou mij te lang zijn geweest,

geen pijn zou mij hebben kunnen afschrikken; ik moest naar u heen,

ik moest den wakkeren knaap, zonder verzuim, komen dankzeggen. Waar

is hij, mejuffer; dat ik hem zie, dat ik hem in mijne armen druk,

ook als mijn zoon.«

--»Hij slaapt nu;« antwoordde Hadewij; »eilaas! hij moet wel afgetobd

zijn: denk, hoe hij tweemaal den zoo langen weg tusschen Amsterdam

en Spaarndam heeft geloopen, en dat in een zoo vinnigen, donkeren

nacht, en alleen en nog zoo jong. Toen hij terug was, voelde hij geene

vermoeienis, geene koude--niets, maar het was overspanning. Och! zoo

hij maar niet droevig bekoopt, wat hij zoo koen en met een gemoed

vol liefde heeft gedaan.«

--»De heilige moeder Gods hoede hem!« zeide Catharina, »en gij zult

vreugde van hem hebben tot in uw ouderdom. Verhaal mij nu alles nog

eens: maar ik zie, ook gij zijt afgetobd, ook gij hebt rust van doen;

ik verg misschien te veel.«

--»Neen, bekommer u niet; ik ben wel,« zeide Hadewij. »Nu ik weet,

dat Van Schagen niet terugkomt om in den strik te vallen, dien men

hem spant, ben ik vol goeden moed....«

Nu deelde Hadewij haar alles mede. Wel hadden zij geen gewonen omgang;

doch in hooge vreugd of diepe smart is het, alsof de borst van

den mensch zich uitzet, om er de gansche wereld in te bevatten, en

niet zelden stort men dan voor vreemden of halve bekenden zooveel

vertrouwelijkheid uit, dat men, na terugkeer van den gewonen

toestand der ziel, zijne fout begint in te zien en zich die soms

dan ook wel eens beklaagt. Maar dit was hier het geval niet; het

gevaar geweken, de taak volbracht zijnde, behoefde Hadewij er ook

de toedracht niet van te verhelen, minst voor haar, die in gelijke

omstandigheden verkeerde.--Hadewij voldeed dan aan het verlangen;

zij schetste haar den toestand voor en na het vertrek van Floris,

hare onrust en spanning, hare gedachten zelfs, de terugkeer van den

knaap en diens verhaal, dat wij weten. Vervolgens sprak Catharina ook

van hare gewaarwordingen en die harer kinderen, over het oogenblik

toen IJsbrand bij haar gekomen was, over de ontwijding der kerk,

over de toekomst, in één woord: over alles, terwijl intusschen Maria

met IJsbrand en Albert ook in de zaal waren gekomen.

Het was ruim halftwaalf geworden, en Hadewij had Catharina

uitgenoodigd, hoezeer het wat later zou worden dan anders, het

middagmaal bij haar te houden: doch zij had dit aanbod niet aanvaard,

en maakte aanstalten om zich weder in hare huik te wikkelen, toen

een ander het vertrek binnentrad.... neen, met drift binnenijlde,

niet eens Catharina groette, maar zich tot Hadewij wendende, haastig

uitriep: »Men rept daar, dat Van Schagen terugkomt, dat hij al binnen

de poort is; het kan loos gerucht wezen; maar......

--»Heilige Maria, behoed mij!« riep zij met eene oogenblikkelijke

zenuwtrekking, »wat zegt gij? Van Schagen!....«

--»Mijn vader! .... o Heere, dan is hij verloren!« riep Maria, en

zij klemde zich aan Hendrik--want deze was het--vast, om niet neder

te storten.

--»Dat kan niet zijn,« liet Catharina hooren; »dat is logengerucht;

Maria, bedaar!«

--»Red hem, red hem!« riep Hadewij met eene wilde stem, en nu greep

zij Hendrik om den hals, en dan weder IJsbrand, die op haar toeschoot,

terwijl Albert zich insgelijks tot den kapitein wendende, met drift

zeide:

--»Wat gij daar zegt, kan immers niet waar wezen; waarom dan noodelooze

vrees gebracht?«--

Een blik van Hendrik gaf echter te kennen, dat het niet slechts wel

kon, maar zoo was, en tegelijk voegde hij er bij: »zoo er mogelijkheid

is tot redding, spoedig dan: want, eilaas! het is zoo,« en zich tot

Catharina wendende, »men zegt ook, dat de burgemeester met hem is.«

--»Mijn God!« gilde nu deze, »ook hij! .... o ramp! dan moet ik voort,

voort!....«

Half beseffeloos hare huik omwerpende, wilde zij jammerend de deur

uitsnellen. Hendrik en Albert hielden haar echter tegen, terwijl

Hadewij en Maria, handenwringend, zich nu aan den een dan aan den

anderen klemden en insgelijks de zaal met hare klachten vervulden.

--»Blijf, mejuffer!« sprak Hendrik, »bedaar: wat zoudt ge noodeloos

alarm op straat brengen? bij al wat u dierbaar is, blijf in huis.«

--»Ga toch niet heen;« riep ook IJsbrand, »licht duchten wij erger

onweer dan het zijn zal.«

--»Misbaar zou alles bederven;« zeide Hendrik, »het volk loopt al

genoeg te hoop.«

--»Neen, laat mij: ik moet voort, voort .... van hier,« riep zij

gillend, en zich met schier zinnelooze kracht losrukkende, snelde zij

de deur uit. Albert ijlde haar na; tevergeefs; zij ging niet, zij rende

den gang door, en onder de kreten: »ramp, verraad, bedrog!« stormde

zij de straat op, de huik half-open, de handen naar omhoog slaande: en

daarbuiten, op die straat stond reeds eene menigte, die door elkander

krioelde, schreeuwde, vroeg, fluisterde, die haar achterna jouwde,

hare radelooze smart bespotte en niet scheen te zien, hoe zij ieder

oogenblik dreigde te bezwijken. Sommigen volgden haar na, al roepende,

»naar De Vries! hij raakt in de boeien, die er ons in wou brengen!«--

Maar wij volgen haar niet. Wij willen thans slechts bij het tooneel

der smart tegenwoordig zijn in de woning van Hadewij. Aan Catharina

toch zou de schrik weldra vergoed worden door de zekerheid, dat

niet De Vries, maar Van Assendelft met Van Schagen terugkeerde. Het

gerucht was valsch geweest. De Vries toch bevond zich nog veilig

in Amsterdam. In slechts één gezin dus zou folterende smart plaats

grijpen, want Van Assendelft was ongehuwd, in zijn huis zagen geene

geliefde panden zijn terugkeer met beklemdheid te gemoet.--

Toen Hendrik met de ongelukstijding in huis kwam, waren ook Van Schagen

en Van Assendelft nog niet binnen de poort, maar er toch dicht genoeg

bij om hen te kunnen zien aankomen, en, in weerwil van het oponthoud

aan die poort, als een voortloopend vuur het gerucht te verspreiden,

dat zij reeds in de stad waren. Vandaar, dat in Van Schagens woning

eene geruime poos de vlam van den angst smeulde, eer zij in laaien

gloed uitsloeg. Zoo er slechts een middel geweest ware om hem daar voor

een dreigend lot te behoeden, zou men er meerder tijd toe gehad hebben,

dan men in den aanvang dacht. Maar bij dezen stand van zaken kon

dat middel er niet zijn; en toch lieten Hadewij en Maria bijna niets

anders hooren dan: »red Van Schagen! mijn vader .... o red hem.«--

--»Wat staat ons te doen?« zeide IJsbrand, »wat is er, dat ons

helpen kan?«

--»Wij moeten afwachten wat gebeuren zal,« antwoordde Hendrik. »Laat

ons kalm zijn, want met jammerlijk misbaar winnen wij niets. Mijne

liefste, och, barst niet zoo in klachten los! kom tot u zelve; al

loopt het volk daar zoo te hoop, dat is nog niet het bewijs dat alles

verloren is....«

--»Mijn God, wat droef misleiden!« klaagde Hadewij, »wat afgrond voor

mij! Arme Floris, is dat het eind van wat gij goeds deed voor mij,

wat gij moedig onderstondt!....«

Daar ijlde Albert weder de zaal in: hij had zich naar een der

vensterramen in het bovenste van het huis begeven; hij had van daar

het uitzicht over een gedeelte van Haarlem gehad, en zijne oogen

hadden den terugkeerenden neef gezien.--

--»Hij komt daar!« riep hij, »niemand moeit hem, hij is omringd

door niets.«

--»Neen, hij is verloren!« riep Hadewij, wild naar de deur vliegend,

»maar ik zal hem beschutten; niemand sla de hand naar hem uit!«

Nu wilde ook zij den gang doorijlen, maar Hendrik, de sidderende Maria

loslatende, vloog haar na, door IJsbrand en Albert gevolgd. Dat was

echter onnoodig; want toen de hopelooze vrouw nog geen vier schreden

buiten de deur was, viel zij, door angst half bedwelmd op den grond,

en nog had men haar niet opgericht, of Van Schagen stormde het huis

binnen, en met den luiden uitroep: »Hadewij!« haar te gemoet. Doch

van kouden schrik deinsde hij terug, toen hij het tooneel van jammer,

de verwilderde gelaatstrekken zag en de schrille kreten hoorde; en

toen hij teruggedeinsd was, stond hij opeens stil; hij was als door

den bliksem getroffen. »Hadewij!« riep hij nog eens en luider, en

daar vloog Maria gillend, met uitgestrekte armen op hem aan. IJsbrand

volgde haar, en Hadewij, door de stem van haren echtgenoot en den kreet

harer dochter weder tot bezinning gekomen, wankelde hem nu insgelijks

te gemoet.--Onder dat tooneel van vertwijfeling zijn nog maar eenige

minuten verloopen, en juist heeft Hendrik met eene bedaardheid, die

hem nooit verliet, door IJsbrand en Albert bijgestaan, den vader,

de moeder en dochter naar de woonzaal geleid, of het oogenblik,

waarvoor allen gevreesd hadden, is daar. Een zwaar geklop op de

voordeur laat zich hooren; de bediende, die wil opendoen, wordt door

Hendrik teruggewezen, en deze snelt, onder den weemoedigen uitroep:

»gewis, daar zijn zij!« er zelf heen.

Nauwelijks is de deur geopend of Lodewijk Horenmaker, de luitenant van

Ripperda, treedt met een sergeant en vier soldaten binnen, doch slaat

een hoogstverwonderden blik op, die met meer dan woorden schijnt te

zeggen: »hoe, kapitein! vind ik u hier, u in het huis van den man,

dien ik kom gevangennemen.« Maar Hendrik voorkomt zelfs zijn eerste

woord, door rustig en kortaf tot hem te zeggen:

--»Luitenant! gij komt op last van mijn heere Ripperda? en gij eischt

als gevangene den bewoner van dit huis?«

--»Gij hebt goed gegist, kapitein!« was het antwoord van Horenmaker,

en een perkament voor den dag halende, voegde hij er bij: »dien last

heb ik schriftelijk, en moet hem jonker Van Schagen voorlezen.«

--»Uw heusch gemoed zal toch wel eenige oogenblikken respijt toestaan?«

vroeg Hendrik.

--»Zoo lang als mijn Heer er mij verlof toe gaf, kapitein!--dat is

een kwart uur, maar ook geen seconde langer verwijl.«

Op dit gezegde geleidt Hendrik den luitenant in een klein vertrek,

eenige schreden den gang in, en terwijl de sergeant benevens het

viertal op hunnen eersten post blijven, ijlt hij naar de woonzaal

terug. Intusschen is het door het gansche huis een tooneel van schrik,

angst, droefheid, verwarring. De bedienden kruisen door elkander en

vervullen het met hun luid geklaag.

--»Jezus Maria!« gilt de een, »help: men steekt het huis in brand;--men

dringt woest naar binnen!«

--»Men vermoordt mijnheer!« gilt een ander, »heilige moeder Gods,

sta bij!«

--»De jonkvrouw is dood!« schreeuwt eene dienstmaagd en rent als

wanhopig van de eene plaats naar de andere, wil hulp verleenen en

weet niet, wat aan te vangen, daar de schrik zich geheel van haar

heeft meester gemaakt.--

--»Men neemt hem gevangen. Groote God! wat zal het zijn,« laat weer

eene andere stem hooren.

--»Soldeniers van Ripperda!--het volk omringt het huis!« roept een

oude dienaar. »Red mijn heer of het is te laat.«--

In het woonvertrek ziet men een hartverscheurend tooneel, een man,

vreesachtig en kleinmoedig van aard, en eerder daarom tot de Spaansche

zijde overhellende, dan omdat hij aan den Spanjaard gehecht is; al het

schrikkelijke van een beleg zich nog met zwarter kleuren voorstellende

en, om die ramp te ontgaan, zijn eed verbrekende, zonder te wikken,

hoeveel hij verbrak, zonder de diepte te peilen, waarin hij zich ging

storten,--slechts te denken, dat hij wèl deed, en kalm en bewust te

zijn van zijne onschuld, vast te vertrouwen op het goede zijner zaak,

en met dat vertrouwen terug te keeren naar de plaats, waar hem zijne

straf wacht; dien zelfden man, aan den godsdienst zijner vaderen

verknocht, onder dien terugkeer de maar hoorende, hoe men de kerk

ontwijd heeft, honderden aanschouwende, in wier blikken hij leest, dat

die toeloop hem geldt,--met een kloppend hart in zijne woning tredende,

om er een schouwspel van angst, van wanhoop te vinden. Zie hem, zoo

vol gloeiende liefde voor de zijnen, door vrouw en kind omstrengeld,

omklemd. En hoe innig hem zijne Hadewij, zijne dochter liefheeft,

dat vlamde in ieder woord van hare lippen; en hoe een vijftienjarigen

knaap de borst zwelt van echte kinderliefde, dat zagen wij in de taak,

die hij op zich nam. En wat die zoon voor hem waagde, dat hoort de

vader eerst thans in afgebroken woorden van bevende lippen; dat wist

hij niet, toen hij Amsterdam verliet, toen hij zijn huis intrad: dat

doet het wee van het oogenblik te snerpender zijn, want voor zijne

knieën ligt daar eene dochter, aan zijn hals strengelt zich daar eene

vrouw, wier aller smart te duldeloozer is, omdat zij allen hunne smart

reeds voorbij waanden door de blijde boodschap: »weg met alle vrees,

want hij keert niet.«--Dat was eene scherpe, weergalooze smart,--de

verrijzing van het licht voor hunnen geest het sein der neerstorting

in het donkerst graf.--

En toch vliegt dat oogenblik van nu eens luide, dan weder stomme

droefheid, zoo snel voort, als droeg de vreugd het met zich. Hadewij

kan haar wee niet uiten bij het denkbeeld, hoe haar echtgenoot op den

helderen dag, te midden van gewapenden, door eene menigte volks zal

worden heengeleid. Maar Hendrik ziet en gevoelt wat haar afpijnt;

hij ijlt naar den luitenant van Ripperda en schetst hem met korte

woorden het tooneel.

--»Makker!« voegt hij er bij, »mijn woord van eer verpand ik, dat

hij niet zal ontvluchten: maar laat hem;--eer een uur voorbij is,

voer ik zelf hem tot uwen heere.«

--»Bied mij heel de wereld, toch deed ik niet aldus,« is het

antwoord, »gij kent mij niet, kapitein! anders hadt gij die woorden

gespaard. Mijn last volbreng ik, al bracht het mij in den dood.«

--»Dat vlijmt mij fel,« zeide Hendrik, »maar uwe woorden prijs ik:

gehoorzaamheid en plicht vervulling gelden het meest.«--

--»Hij kan, hij mag niet;« roept Hendrik tot IJsbrand, die hem te

gemoet komt; »vraag het hem niet meer.«

--»Dan vlieg ik naar Ripperda zelven,« laat IJsbrand hooren.

--»Dat is te spade,« zeggen Horenmaker en Hendrik: en IJsbrand laat

zich terughouden, doch terwijl zich een traan naar zijn oog perst,

doet leedgevoel hem met bitterheid uitroepen: »wat zijt gij voor een

beul, dat gij u niet bewegen laat?«

--»Beul, mijnheer!« spreekt Horenmaker, en de gramschap fonkelt in zijn

oog, »beul? .... maar ik verkrop het ter wille van uw droef gemoed,

en ik zeg u, de tijd spoed heen.«--

Maar IJsbrand hoort het ternauwernood; want hij ijlt weer met Hendrik

de zaal in.

--»Al om niet,« zegt de laatste tot Van Schagen, »gij moet met hem

gaan: wees zoo moedig als gij kunt: licht zijt gij weder haastig terug,

en vertrouw op mij--ik zal doen, wat ik kan: vandaag nog spreek ik

met Ripperda; hij is mij niet ongezind.«--

--»Neen, hij kan niet van mij afgescheurd worden!« roept Hadewij met

hernieuwde smart en zich nog krampachtiger aan zijn hals klemmende,

»ik ga met hem; men voert hem niet heen zonder mij; rampzalige,

die ik ben! is er dan niemand die mij helpt? mijne borst breekt; o,

Heilige moeder Gods, behoed mij ....«

En zóó groot is hare foltering, zóó heftig is de aanval op hare ziel,

dat, bij het sidderen van al hare leden, de krampachtig geslotene

handen zich openen en zij machteloos ineenzinkt naast de dochter, die

haar wee in luide snikken lucht geeft, zonder dat ook zij kracht heeft

om op te staan van den grond, waar zij aan haars vaders voeten ligt.

--»En zóó moet ik nu vanhier,« klaagt Van Schagen, »ik, die niets

kwaads heb verricht om een zoo bitter lot te dragen; en wat wil

men dan van mij? Hadewij, Hadewij; eilaas! zij hoort mij niet,

is haar hart gebroken? Hadewij! God weet, dat geene schuld op mij

kleeft, dat ik niets dan het goede gewild heb, en niet doen kon wat

onmogelijk was.--Maria; wees getroost!--ik moet gaan en ik zal gaan,

rustig en kloek.-- Maar Floris .... laat hem hier komen; arme, brave

jongen! ik ga niet, zonder dat ik hem gekust heb: waar is hij? Floris,

kom bij mij ....«

--»Hij slaapt nog, mijn vader!« zeide IJsbrand, »hij moet zeer afgetobd

wezen. Och, laat hem.«--

--»Ja, laat hem,« zeide Albert, die de bewustelooze Hadewij

ondersteunde.

--»Neen, ik moet hem zien!« smeekte de vader, »breng mij bij hem.«

--»Waarom het droef tooneel vergroot?« sprak Hendrik. »De arme

knaap! het zou hem wonden in de ziel!«

Terwijl hij dit zeide, lieten zich de voetstappen van Horenmaker

hooren. Hij trad de zaal binnen, en de blik dien hij wierp, gaf

duidelijk te kennen, dat de last van zulk eene taak hem in de ziel

roerde. Maar dit was nu eenmaal zoo, en--Horenmaker was de luitenant

van Ripperda.

--»Heer, de tijd zal zoo verstreken zijn,« sprak hij, »zie hier mijn

schriftelijk bevel.--Ik ben grootelijks met uwen kommer begaan; maar

bedenk mijn last, waaraan ik de hand moet leggen; toef dan langer

niet--wees kloek.«

--»Ik volg u,« antwoordde Van Schagen »hoe heftig het mij vlijmt;

ik volg u.«

--»Aanhoor het bevelschrift!« zeide Horenmaker, »want dit heeft

mijnheer mij bevolen.« Nu las hij den korten inhoud voor: doch men

hoorde hem slechts ten halve. Van Schagen kuste de bleeke wangen

zijner vrouw, en zijne tranen vloeiden met die van Maria. Daar klemde

hij beurtelings haar, dan weder IJsbrand aan zijne borst, sprak met

afgebrokene woorden tot Hendrik en smeekte andermaal, Floris te mogen

zien. Nu ging hij en keerde terug, omhelsde opnieuw de machtelooze,

en snikte het uit; en dan kuste hij weder Maria, drukte vurig de

hand van den ouden bediende, van Hendrik, en kon niet scheiden. Maar

toch--hij moest, en hij ging dan ook, hoeveel het hem kostte, hoe

ook de teerste banden met geweld werden vaneengescheurd.--

Hij ging, en wij volgen hem niet met zijn gebroken hart,--wij

vergezellen hem niet op de straat--door de menigte, van welke er zoo

weinigen besef hadden, hoe de met knikkende knieën voortwankelende

man in de levensader getroffen was, maar van welke zoovelen hem nog

achterna schreeuwden en slechts den verrader in hem zagen, die ter

billijke straf ging.

Eer wij echter dit hoofdstuk eindigen, zijn wij verplicht, nog het

volgende neder te schrijven.

De oorzaak, dat de jonge Floris burgemeester De Vries slechts alléén

aantrof, was, dat het antwoord van don Frederik hem ten hoogste flauw,

althans onvoldoend en twijfelachtig had toegeschenen. Deze had, ja, wel

verklaard, dat het hem tot innige blijdschap strekte, de Haarlemmers

met leedwezen vervuld te zien, en dat hij onverwijld aan den hertog

zou schrijven; doch hij had hen tevens ten dringendste aangespoord

om ijlings terug te gaan en zorg te dragen, dat geheel het garnizoen

zich oogenblikkelijk uit de stad verwijderde: en dit gevoegd bij

's Spanjaards zichtbare toerusting tot een beleg, had in groote mate

zijn wantrouwen opgewekt; Van Schagen en Van Assendelft echter waren

het te dien opzichte niet geheel met hem eens, ofschoon zij er in

zoo verre hun zegel aan hechtten, dat ook zij verklaarden, vooreerst

niet naar Haarlem terug te zullen keeren. Intusschen waren Van Schagen

en de pensionaris van De Vries afgegaan, wellicht om gezamenlijk met

eenige uitgewekenen nog eens te raadplegen, en middelerwijl was Floris

bij den burgemeester gekomen. Het schijnt, dat het besluit der twee

heeren, hetzij uit eigene overtuiging, hetzij door aansporing en op

raad van anderen, eene gansch andere richting had gekregen; althans

Van Schagen en Van Assendelft keerden terug en hadden dit aan De Vries

schriftelijk doen weten, toen zij reeds vertrokken waren, wellicht om

niet in verzoeking te komen, door hem teruggehouden te worden. Ziedaar

de noodlottige oorzaak, waarom geen van beiden met Hadewij's tijding,

door Floris aangebracht, kon worden bekendgemaakt; want het is bijna

met zekerheid te vooronderstellen, dat zij het in dit geval niet

zouden gewaagd hebben en stellig niet, wanneer zij nog daarenboven

van het gebeurde in de St.-Bavo's kerk kennis hadden gedragen.--

Toen nu De Vries het vertrek zijner beide vrienden vernam, schreef

hij oogenblikkelijk aan de overige regeering, hoe ontzaggelijk de

macht van Filips was, en welke straf hun te wachten stond, zoo de

stad door kracht van wapenen werd ingenomen, terwijl hij hun ten

dringendste aanbeval om zich toch aan 's konings genade over te

geven, al hetwelk door eenige Haarlemsche uitgewekenen--Van Wamelen,

Van Nes, Wy, Sparwoude en L'Estannier --mede-onderteekend was.--Voor

eene belooning van dertig stuivers werd een Amsterdamsche zakkendrager

tot de bezorging van den brief overgehaald. Deze echter, onderweg door

hevige vrees bekampt wordende, wist tot die taak een boer te bewegen,

en deze ongelukkige, geen argwaan hebbende, bekocht de overbrenging

van het geschrift met den dood.

De pensionaris, evenals Van Schagen, intusschen gevangen genomen

zijnde, werden beiden met een door Ripperda geschreven brief nog

dienzelfden dag naar den prins te Delft gezonden. Beiden waren aan

het geleide van meester Willem Bardesius toevertrouwd, welke hen in

een met gewapenden voorzien rijtuig vervoerde; en men zegt, dat, toen

te Leiden de paarden gevoederd werden en men eenigen tijd vertoefde,

Van Schagen de beste gelegenheid ter ontkoming had, doch dat hij,

voor zich zelven op de rechtvaardigheid zijner zaak steunende, zulks

van de hand wees.--

Beklagenswaardige man! dra zoudt gij de maar hooren, dat dit steunpunt

gelijk stond met het vertrouwen op een zwakken dam tegen een bruisenden

stroom.--

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 1 van 3) · 第 10 / 23 题