Nog moge in de Koningstraat het eene of andere huis ons de
burgerwoningen van die dagen gedeeltelijk herinneren; maar men
zij voorzichtig, het luchtig, sierlijk moderne niet te zeer met het
zwaarlijvig antieke te verwarren, of de voorstelling zou geheel valsch
zijn. Statig in de hoogte, met spitse gevels te bouwen, was de trant
van dien tijd. Doch te midden van een blok dier piramidaalvormige
huizen met luifels, zag men hier en daar nog menige woning in den
verheven-somberen, Gothischen smaak. Deze hadden het vroolijk uitzicht
aan de straat niet en schenen veeleer met een najaarstint omgeven,
terwijl hunne nieuw voltooide, stomme geburen den vroolijken lenteblos
droegen; doch zij hadden reusachtige, dikke muren, een oud-adellijk
voorkomen en schenen den onaanzienlijken poorter toe te roepen:
»hier zetelde sinds eeuwen een aanzienlijk geslacht; wel heeft
het zijne vroegere macht verloren, maar toch, heb nog eerbied voor
mijne deftige grijze kruin.« Het is waar, wanneer men in de ruime,
met geweven doek behangen zaal trad, dan gaven de met zware stoffen
gordijnen bedekte glasramen er iets treurigs, iets doodsch aan: maar
die gordijnen waren geborduurd, kostbare tapijten dekten den vloer, en
de wanden kaatsten den glans van spiegels en schilderijen af, terwijl
de kunstige kasten, tafels, stoelen en zitbanken een sierlijker en
weidscher tint hadden, die echter bij het oud-ridderlijke van het
gebouw grootendeels afstak.--
Ook in de Koningstraat stond een zoodanig gebouw, dat later door
vermogende kooplieden--onder welke de heer Hoffman--bewoond werd.--Doch
de metselaars en timmerlieden zagen het met een winzuchtigen blik aan,
daar de eigenaar--Christoffel van Schagen--zich reeds meer dan eens
had uitgelaten, dat hij plan had, het front geheel te veranderen. Hoe
bedriegelijk zijn menschelijke plannen! Ook het uwe, ongelukkige Van
Schagen, zou in nevel worden opgelost; uw hecht gebouw van steen zou
nog lang onveranderd blijven; maar uwe lichamelijke woning zou dra
worden gesloopt!
De aanspraak van den miskenden Ripperda heeft geklonken; een nacht
is verloopen, en de gemoederen zijn in een andere stemming. Nog gaat
menigeen voorbij het huis van Van Schagen en mompelt, evenals voor
dat van De Vries en Van Assendelft: »hij is naar duc D'Alf, maar het
zal hem vergaan!« Doch de weldenkende, meer naar de kern dan naar
de schors oordeelende, slaat een medelijdenden blik op het gebouw
en denkt bij zich zelven: »daar heeft men zich droevig in strikken
verward. Arme vrouw! ik beklaag u.«--En wellicht zouden dezulken nog
deelnemender hebben gesproken, wanneer zij in den toestand der bewoners
geheel waren doorgedrongen, wanneer zij het inwendige tooneel hadden
kunnen gadeslaan. Want zie! daarbinnen, in die ruime zaal heerschen
verslagenheid, droefheid, angst, weifeling, smart, teederheid: daar is
een donkere nacht wakend of in afgebroken sluimering doorgetobd; daar
werpen de vlammen onder den kolossalen schoorsteen geen vroolijken
tint; want over sommiger gelaat ligt een sluier, door welken geen
lichtstraal kan heenbreken. Zie die vrouw van middelbaren leeftijd en
dat slanke twee en twintigjarige meisje; de eene is van Schagens vrouw,
de andere zijne dochter. Nog kort tevoren zag men haar in het fraai
luchtig kapsel en de met diamanten omzette bagge in het haar, met den
sierlijken Kamerijkdoekschen kraag en de met een gouden kruis op de
borst nederhangende keten. Toen wierp men op haar gekleurd fluweelen
kleed met zilveren onderrand en op de bevallig gestrikte citroengele
schoentjes een welbehagelijken blik! en thans zag men van dat alles
niets; geene met parels ingelegde keten, geen diamanten snoer hing
over schouder of borst: men zag slechts parels in haar oog, men zag
haar slechts in een eenvoudig ochtendkleedje; waarop een somber waas
lag, het evenbeeld van haren zielstoestand.--
Zie dien jonkman in zijn kort, fijn lakensch wambuis met zilveren
knoopjes; zijn gelaat is jeugdig mannelijk; nog wordt dit verhoogd
door zijne donkere, forsche wenkbrauwen en zwarte lokken; zijn
frisch-lachende blos is echter thans achter eene kleine wolk
verscholen, evenals de zon achter eene nevelvacht, en men ziet
het hem aan, dat de pijnlijke trek om zijn mond uit zielswee, niet
uit lichaamsmart is geboren; en toch is die trek niet zoo scherp,
of men kan er duidelijk in lezen, hoe de jongeling in één oogenblik
rustig en fier zich aan dien toestand zou kunnen onttrekken, zoo zijn
moed slechts door een kloeken vijand wierd getart. Het is de acht en
twintigjarige Hendrik Jan Matthijszoon, hopman bij de schutterij, met
een deugdzaam en wakker gemoed. Hij is nog meer; sinds maanden is hij
bezitter van het hart der jonkvrouw, wier hand hij thans in de zijne
klemt. Met warme liefde bemint hij haar, doch tevens met zulk eene,
die iedere minuut bereid is, een grooter offer aan het vaderland te
brengen dan aan haar. En die jonkvrouw is Maria, de dochter van hem,
op wien het volk verbitterd is, dien het een Spanjaard heet, en die ook
naar den Spanjaard is vertrokken, om een verdrag met hem aan te gaan.--
En die vijftienjarige knaap met dat schrander gelaat? Het is Floris,
de jongste zoon. Bij den vuurgloed warmt hij de handen, doch gevoelt
geene koude; hoe jong ook, gloeit hij van liefde voor zijn vader,
houdt nu eens het oog op zijne moeder, dan weder op Maria en
Matthijszen gericht, en zint en peinst of hij niets weet om zijn
vader te redden.--Want dat dezen een dreigend gevaar boven het hoofd
hing.... dat was de reden dier verslagenheid; dat was Matthijszen
reeds des avonds tevoren komen melden, dezen morgen komen herhalen;
dat doet hen daar zoo somber en somwijlen zoo sprakeloos zijn.
--»En schuwen allen thans mijn huis?« zeide Hadewy van Sparwoude,
de vrouw van Van Schagen. »Voor luttel dagen zag men mij gaarne, en
nu ik in gevaar ben, blijft men verre van mij; raad en troost moet
ik derven, nu troost en vooral raad mij zoozeer noodig zijn.«
--»Moeder!« zeide Maria, die zag, hoe deze woorden Matthijszen
griefden, »wees niet onrechtvaardig in uwe smart. Is het dan Hendrik
niet, die ons het eerst kwam waarschuwen? en wie kan ons beteren
raad geven? Wie is meer doordrongen van al het bittere, waarin wij
zijn? wie zal, wie kan meer voor ons doen dan hij?«--Bij deze woorden
klemde zij krachtig zijne hand in de hare: het was de vastklemming
der drenkeling aan eene rots in zee, maar eene rots, die haar niet
aan land kon brengen.
--»Ik versta u;« zeide Hendrik, den druk van Maria's hand ten halve
beantwoordende en de moeder strak in het oog ziende, »ik versta
u zooals ik u gisteren reeds verstond; maar wat ik gisteren zeide,
herhaal ik: ik mag, ik kan niet: ik zwoer binnen Haarlem te blijven en
ieder uur vaardig te wezen tot verdediging der stad. Dien eed breken,
mag ik niet.«
--»Ja!« zeide Hadewy, en de verslagenheid slechts deed haar aldus
spreken, »geef klemtoon aan dat woord; ik begrijp u. Gij wilt uw
eed niet breken, en mijn gemaal brak dien!.... Zoo is het; ja, geef
nadruk aan dat woord: en nu veracht ook gij hem. Eilaas, het is dan
vergeefsch; gij kunt niets opofferen aan uw plicht; de liefde vermag
dan niets op u. Dat is de ware liefde niet.«
Evenals iemand, die zich door een adder voelt gestoken, deinsde
Matthijszen, zijne hand uit die van Maria losrukkende, eenige schreden
achterwaarts. Toen zag hij met een gewond gevoel de moeder strak aan,
en vervolgens dienzelfden blik op Maria werpende, scheen hij deze te
vragen: »En gij .... durft, kunt gij de echo van deze woorden zijn?«
Maar hij sprak het niet uit; want het beschreide en toch vonkelende
oog der geliefde was zoo teeder en zoo welsprekend op hem geslagen,
dat het duidelijker, dan met woorden zeide: »mijn hart kent u, en
vergeef het haar.«
En de jongeling vergaf het der moeder; hij zou haar over het onverdiend
verwijt ook niet hard zijn gevallen; doch toen hij weder naderde en
andermaal Maria's hand wilde grijpen, toen ontsnapten dezelfde woorden
aan hare lippen, en zij voegde er bij: »zulk eene liefde, zeg ik,
steunt op zwakken grond.«--Maar nu namen zijne blikken eene ernstig
fiere uitdrukking aan, en terwijl hij andermaal Maria's weerstrevende
hand losliet, zeide hij: »Dat is te hard een grieve, dan dat ik die
zou verkroppen, wanneer gij mij zegt, dat in deze woorden uw gemoed
heeft gesproken. Verklaar mij dus rond, heeft niet droefheid over
de toekomst en liefde voor uw echtgenoot u zoo aangegrepen, dat gij
er u deze, te felle woorden door laat ontvallen? Of hebt gij genoeg
overtuiging, dat ik Maria niet zóó lief heb, als iemand voor wien
op heel de wereld niets liever is? Maar neen, eer gij spreekt en
een vonnis velt, dat mij, als man, een onherroepelijk besluit zou
doen nemen, moet ik nog dit uiten: Ik heb Maria zoo lief, dat ik
ieder oogenblik bereid ben, mijn leven voor haar te laten: gewillig
zou ik den hardsten dood te gemoet gaan, zoo ik haar tot hulpe kon
wezen. Maar haar redden met verzuim van mijn plicht of eed--dat kan,
dat mag ik niet, nu of nooit; dat zweer ik bij de gebenedijde Maagd!«
Nu hield hij een doorborend, gloeiend oog op de moeder gericht,
als wilde hij door de dikste schors tot in de kern dringen, en een
ijsklomp versmelten. Ook Hadewy zag hem aan, zonder dat zij nog
een woord sprak; maar toen zij nu de blikken naar Maria wendde,
en in haar oog zooveel roerends en de stomme bede las: »Doe, door
een onrechtvaardig vonnis, dat hart niet voor mij te loor gaan,«
toen greep zij plotseling met hartstochtelijk gevoel de hand van den
jongeling, en terwijl er tranen uit hare oogen sprongen, zeide zij:
»Neen, Hendrik, ik heb u wreed miskend; houd niet vast aan mijne
woorden. Ik weet, dat gij haar zeer lief hebt; maar mijn ongelukkige
Van Schagen.... Ik zie niets dan wolken boven mijn hoofd.«
--»Mijn Hendrik!« sprak nu ook Maria, »bespeurt gij het wel? Met
fellen angst hoorde ik die woorden; maar er was eene stem, die mij
toefluisterde: Haar mond spreekt door vreeze, wat niet kan opwellen
in haar gemoed.«--»Zij kent u, zooals ik u ken; gij zijt edel en goed,
en gij wilt alles doen voor mijn lieven vader, wat gij kunt....«
--»Ja, wees hem tot hulp,« viel nu Hadewy hare dochter in de rede. »Hoe
heimelijk hij in deze zaak moge te werk zijn gegaan, gij weet,
Hendrik, door den omgang, hoe zijn hart is. De burgers noemen hem een
verrader, heulende met den Spanjaard. Heilige Maagd! wat duldelooze
miskenning. Wat men heulen van hem noemt, is niets dan vrees voor de
toekomst; hij ziet de ellende, waarin de stad zal verzinken, zoo men
den vijand hardnekkig weerstand biedt; hij bespeurt den ijzeren voet,
die op ons zal drukken, wanneer, na den tegenstand, de getergden al
hunne woede zullen gekoeld hebben: hij heeft niets dan rampen voor
oogen en geweldige gebeurtenissen. Zijn angst is mogelijk te groot;
maar wat hij gewrocht heeft, deed hij gewis met volle overtuiging
tot welzijn. Hiervan is hij zoo gansch doordrongen, dat hij het oor
niet neigen zal naar andere taal. Maar hij zou luisteren naar u,
Hendrik! wanneer gij hem krachtig onder het oog hieldt, wat gevaar
hem wacht,--wanneer gij hem zeidet, hoe ieder uur hier voor ons een
uur vol verschrikking is. Och, werk toch uit, dat hij geen voet binnen
deze stad zet; zorg gij toch, dat hij zich niet stort in den afgrond,
die voor hem ligt.«
--»Zooals ik reeds gisteren zeide,« sprak Hendrik, »men gist, dat
hem straffe wacht.--Dit vermoeden is niet ongegrond, maar dwalen is
menschelijk. Mijn hart zegt mij niettemin, dat men zijne handeling
niet zal toeschrijven aan de ware bron,--dat zijne Doorluchtigheid
enkel zien zal op den eed, dien hij eens gezworen heeft.«
--»En dan?« vroeg Hadewy, »wat zal dan zijn lot wezen?«
--»Dat is Christus bekend!« sprak Maria.
--»Of gij de stad kondt verlaten!« zeide Hendrik tot de moeder »dan
zouden gewis uwe woorden het meest op hem vermogen, ja veel meer dan
de mijne; maar dat kan niet. Mijnheer Ripperda heeft alle uitgangen
laten bezetten, en de soldeniers hebben strenge orders. Hield geene
belofte van trouwe mij terug, dan .... Maar nog één middel rest ons;
schrijf hem, uw angst, het arg, het gevaar, in één woord, schrijf
hem alles, en ik zal middelerwijl uitzien of ik iemand, koen genoeg,
vinden kan, om de bode te wezen van dit geschrift.«
Nauwelijks had hij dit gezegd, of de jonge Floris, die bij den haard
nog altijd de stomme getuige van het gesprokene was geweest, sprong
nu eenige schreden nader, en zijne moeder smeekend aanziende, riep
hij uit: »Ja, lieve moeder, schrijf; ik wil den brief overbrengen;
ik wil het doen.«--
--»Gij, arme jongen!« zeide Hadewy, »neen, neen, dat zou ondoenlijk
voor u zijn.«
--»Dat denkt gij,« hernam Floris, »maar ik durf het en ik geloof niet,
dat het zal mislukken. Wat zegt gij, kapitein?«
--»Gij hebt goeden wil en courage genoeg, beste jongen; maar het is
eene zaak, niet zonder groot gevaar.«
--»Dat mag wezen; maar als een zoon voor zijn vader niets op 't spel
durft zetten, wie zal het dan doen?«
--»Lieve Floris!« zeide Maria »gij zult het niet doen; peins toch,
zoo u een ongeluk wedervoer, wat nieuwe smart dit voor ons wezen zou.«
--»Neen, goede, beste jongen!« riep Hadewy, »dat gedoog ik nooit; gij,
nog zoo jong.... Terwijl gij weg waart, zou ik in duizend dooden zijn;
neen, dat nooit!«
En toen zij nu een traan in zijne oogen zag wellen, klemde zij hem in
hare armen en zeide: »Maar Christus zal u zegenen, omdat uw wil goed
is, en gij geen bezwaar acht, om iets tot heil te doen van uw vader.«
Hierop liet zij den knaap zachtkens los. Floris zeide niets meer,
drong er niet verder op aan, maar nam onwrikbaar voor, om het op eens
in hem opgekomen besluit uit te voeren.
--»Ja, ik zal hem schrijven,« zeide Hadewy, »ik spoed mij om die taak
te vervullen. Geve de heilige Maagd, dat er een bode zij, eer alles
te laat is.«
--»Ik ga aanstonds van hier,« sprak Hendrik, »want het wordt ook tijd,
dat ik op de loopplaats bij mijnheere Ripperda zij. Dit nog slechts;
wees voorzichtig in uw schrijven: één dubbelzinnig woord sticht
soms bitter gevaar in troebelen tijd.--Liefste mijn!« lispelde hij
vervolgens, Maria omhelzende, »houd goeden moed: geef u niet al te zeer
over aan droeve gedachten; zoo spoedig mogelijk ben ik weer bij u.«
--»Ik zal zoo kloek wezen, als ik het kan, Hendrik. Maar mijn hart
klopt zoo onstuimig: ik zie een zoo zwarten sluier; mijn oog kan er
maar niet doorbreken.«
Veelbeteekenend wees Hendrik met den vinger naar boven; en na
zwijgend haar nog een kus te hebben gegeven, en tot aan de deur door
haar uitgeleid te zijn, verwijderde hij zich. Nauwelijks was hij op
straat gekomen of, zooals hij wel vermoed had, waren de oogen van
eenige voorbijgangers strak op hem gericht. Doch ofschoon zelfs de
een iets tegen den ander mompelde van »ook wel met de zaak bekend te
wezen,« en »dat Matthijszen ook wel met de bezending moest instemmen,«
gaf niemand dit echter zoo openlijk te verstaan, dat de hopman het
hooren kon. Ook stapte deze met fieren, vasten gang voort. Onbeschroomd
sloeg hij den mannelijken blik op ieder, die hem aanzag, en zoo er uit
het oog eene taal is te lezen, dan las men uit het zijne: »Wie wil,
verdenke mij vrij om mijne liefde voor Maria: ik tart iedere valsche
blaam; want ik ken mij niet schuldig aan iets; en wie blijk verlangt,
dat ik niet instem met de zwakke handeling van den vader, die volge
mij op de vest, waar ik met Gods hulp toonen zal, dat ik Alva haat
en mijn bloed veil heb voor Oranje en deze stad.«
Nauwelijks te huis gekomen, was zijne eerste bezigheid, iemand op
te zoeken, die tegen geldelijke belooning zich met de bezorging
van een brief aan Van Schagen zou durven belasten. Om echter, bij
mogelijke ontdekking, alle vermoeden van medeplichtigheid van zich
af te weren, belastte hij zijn getrouwen bediende met deze taak en
wel in dier voege, dat er voorloopig nog slechts van de bezorging van
een brief naar Amsterdam moest gesproken worden, zonder eenigen naam
te vernoemen. De bode zou toch eerst met de avondschemering moeten
vertrekken; en daar hij te twaalf ure in den Doele moest zijn, en
het reeds halftwaalf had geslagen, had hij weinig tijd te verzuimen.
Alvorens wij hem, dra, in den Doele wederzien, willen wij eenigszins
nader met hem bekend worden.
Hij was van burgerlijke afkomst. Van zijne betrekking weten wij alleen,
dat hij drie jaren vroeger, evenals zijn vader, den post van Fabrijk
bekleedde en daarin door een ander vervangen werd. Zijn vader stierf
eenige dagen nadat Alva voor het eerst den tienden penning had willen
invoeren, die in het gansche land een kreet van verontwaardiging deed
opgaan, en den ouden man nog op zijn krankbed had doen uitroepen:
»Al stond slechts daarom heel Nederland als een gewapend man op,
dan reeds zou die opstand rechtvaardig zijn!«--Hendrik beweende den
dood zijns vaders met diep gevoel; want zijn hart was edel. Het kon,
gelijk onvervalscht goud, den toets doorstaan; het was open voor zijne
vrienden, licht verzoenbaar voor zijne vijanden, schoon het getal dier
laatsten niet groot zijn kon. Dat hart was fier en kon onrecht noch
verdrukking dulden. Hij beleed de godsdienst van Rome, maar hij zag
in Luther den man niet, die zijn haat opwekte: hij vereerde hem met
een onbeneveld verstand, als den man, die voor de reinheid van den
godsdienst veel had gedaan. Hij haatte alle geloofsdwang, omdat hij
eerbied had voor God. Wel zacht als zijde was zijn karakter, maar
toch al zijne fierheid en vastheid handhavende; kneedbaar als was
tot verzoening bij beleedigingen, maar omvermurwbaar en onbuigzaam,
wanneer men het aanrandde tot verzaking van beloften of trouw. Eenzaam,
gelijk hij na den dood zijns vaders leefde, zocht zijn hart eene
hem waardige gezellin, en hij hoopte ze te vinden in haar, die wij
zoo even verlieten. Maar hoe was hij onder die hoop te moede? Hem
kende men als den jonkman, die met warmte en ijver de zaak van Oranje
voorstond, dien men den hopmansrang waardig gekeurd had, omdat zijn
moedige inborst een bolwerk tegen den vijand zou zijn.--Maar zou
men hem uit hetzelfde oogpunt kunnen blijven beschouwen, nu ieder
wist, wat de vader zijner Maria gedaan had?--Het is waar: bij de
aanstelling der stadsregeering, in Augustus van het voorgaande jaar,
was Van Schagen in de vroedschap gebleven, en ook een jaar later had
hij die plaats blijven behouden, in tegenstelling van zoovelen, welke,
als Spaanschgezinden, toen niet opnieuw waren benoemd geworden. Men had
dus blijkbaar geen vermoeden, dat ook hij tot dezulken behoorde. Maar
op eens wordt aan allen die waan ontnomen. Van Schagen begeeft
zich naar den vijand om genade af te bidden,--Van Schagen biedt er
zich toe aan; hij treedt vrijwillig in de plaats van Verwer, die
huiverde en terugdeinsde, toen op dezen het lot gevallen was.--En
die Van Schagen was de vader zijner geliefde. Kende ieder het gemoed
van Matthijszen tot in de kern? Was ieder overtuigd, dat liefde,
medelijden of andere drijfveeren geene botsingen, geene wrijvingen
zouden teweegbrengen? Kon ieder gerust zijn, dat de aanstaande zoon,
uit aanmerking van den toestand des vaders, het rapier even vast zou
omklemmen? Dat hij door aanvechtingen of gemoedsschokken niet weifelen,
niet wankelen zou?--Hendrik gevoelde het zelf, en hoe kon het anders,
of dit moest hem eene pijnlijke gewaarwording doen ontstaan? Toegerust
met al de kracht om er zich boven te verheffen, zou hij toch ieder
oogenblik nieuwe aanleiding vinden om er aan te denken: want men moge
het ontveinzen of verbloemen, de man met een edel, standvastig karakter
is niet altijd tevreden met de bewustheid, dat zijne handelingen goed
zijn--hij wil zoo gaarne, dat ook anderen die bewustheid hebben; hij
ziet zoo ongaarne, dat anderen de waarde van het metaal verdenken,
waarop hij weet dat de stempel der echtheid staat.
Levendiger dacht hij hieraan, toen hij, de woning van burgemeester
De Vries voorbijgaande, ook daar uitwendig eene somberheid meende
te ontwaren, zooals hij van eene inwendige nog korte oogenblikken
tevoren getuige was geweest; en alleen het gewoel der zich van alle
richtingen naar de loopplaats begevende schutters en de ontmoeting
van Hasselaar bij de Gangolfs-kerk gaf er eene noodige afleiding aan.--
Nog eer het twaalf uren geslagen had, bevond zich de schutterij op den
Doele; en toen de vendels in rotten waren afgedeeld, werden er van
het gansche lichaam slechts weinigen gemist en wel wegens zoodanige
geldige redenen van ongesteldheid of afwezigheid, dat Ripperda over
den invloed zijner taal van gisteren wel mocht tevreden zijn.
En welk een schouwspel leverden nu die vereenigde scharen op, wier
oorsprong het edel gilde van burgers was, en waarvan de leden zich
reeds in de vroegste tijden vrijwillig verbonden om de rust en de
voorrechten der stad te handhaven en, in oogenblikken van bang gevaar,
's lands zaak te verdedigen? Zag men hen daar thans als cloveniers met
hunne musketsoortige clovers; als voet- of handboogschutters met hun
reusachtigen stalen voetboog, of met den meer handelbaren, waarvan
de forsche hand de koord spande? Vertoonden zij zich daar thans in
hun harnas, met de brandende toorts, om den luister der processiën te
verhoogen; met den wit- en blauwkleurigen stormhoed of schutklovel,
zich naar willekeur rangschikkende en het gewicht hunner wezenlijke
bestemming niet beseffende? Neen! Wel dacht de groote Karel V zich
boven wetten en rechten; wel konden de Hollandsche steden het niet
vergeven, dat zij eenmaal hunne privilegiën voor zijne voeten hadden
moeten leggen, en dat hij een grooten slagboom had verbroken door het
uitspreken van dat machtwoord: »Nederland is slechts één gewest.«--Wel
had Karel over de Nederlanders geen donzen schepter gezwaaid; maar toch
had men het aan zijn veelomvattend beleid en geestkracht te danken,
dat de schutterijen op een geregelden voet werden gebracht. Hij toch
was het, die bij voorrechten en strenge bepalingen, hen als 't ware in
mobiele schutters of soldeniers herschiep, hen opschreef, in compagniën
en rotten verdeelde, de vuurwapenen vermeerderde, in één woord, die,
door hen, aan eene ordelijke, burgerlijke macht het aanzijn gaf. Het
was de vader van Filips, die hun veerkracht en zelfstandigheid schonk,
die hun het wapen als het ware in de hand gaf, om het later op zijn
zoon met zooveel bliksemende kracht te doen dalen, terwijl het aan
een Maurits was voorbehouden, om eenmaal die eenvormige beweging van
handgrepen in te voeren, waarvan hij bij Nieuwpoort al het voordeel
ondervond.--
En zoo stonden daar de kloeke Haarlemmer schutters op den Doele voor
Ripperda. Ziet hen daar in regelmatige rijen verdeeld, met hunne
hoplieden en vaandrigs, met hunne trommelslagers en pijpers op de
flanken, of in het centrum geschaard.--De lucht is helder, snerpend
fijn; het vriest, en de thans onbewolkte zon werpt hare middagstralen
op de breede heupzwaarden, lange spiesen en gepolijste musketten,
terwijl de banieren statig in de lucht wapperen en door vendrigs met
breede bandelieren en écharpen gedragen worden.--Die honderden staan
daar als een eenig man; geen rumoer in hunne rijen--er heerscht stilte
en ontzag; want al hadden ook kolonel Van Duivenvoorde en Brederode,
al hadden Vlasman, Matthijszen en zooveel andere officieren niet voor
het front gestaan, toch stond daar Ripperda met den edelen, fieren
oogopslag: toch stond daar de man, wiens taal zij gisteren hadden
gehoord, voor wien zij een ontwijfelbaar vertrouwen hadden opgevat,
die hun eerbied had ingeboezemd en wiens vrije, heldhaftige woorden
zij nog wel eens herhaald wenschten.
Maar de eene minuut na de andere verliep, en Ripperda sprak niet. Nu
eens met Van Duivenvoorde of Brederode, dan weder met zijn broeder
Asinga of den schout een woord wisselende, scheen men op zijn gelaat
te kunnen lezen, dat hij een plan koesterde, waarvan hij het nog
niet raadzaam oordeelde, te gewagen.--Geen kwartier uurs was echter
verloopen, toen een soldaat van het vendel Duitschers, te Haarlem
in garnizoen, Ripperda eene tijding kwam brengen, waarnaar hij
oogenschijnlijk reeds lang had gehunkerd. Nauwelijks althans had hij
den bode weder afgezonden, of op zijn bevel, werd door trommelslag
het teeken gegeven, dat hij aan de manschappen iets had mede te
deelen. Plotseling weder stilte; en Ripperda, zich voor het front
der gelederen plaatsende, sprak hen aldus aan:
--»Burgers van Haarlem! Daar ons, zooals licht te vermoeden is,
ieder oogenblik de vijand te wachten staat, zoo hebben wij het bij
gemeenzaam overleg en rade, nuttig en oorbaar geacht, brieven af
te vaardigen aan zijne Doorluchtigheid. Wij hebben hem den soberen
staat en de gesteldheid der stad voor oogen gelegd, met verzoek
om ons allen mogelijken bijstand toe te schikken. Maar wij hebben
ook een heimelijken bode naar den Nieuwendam afgezonden, opdat de
overste Muller eenigen van zijn volk herwaarts zou zenden. Zoo flus
heeft men mij bericht, dat deze in aantocht zijn; streven wij hen dus
onverwijld te gemoet, en heeten wij van harte welkom hen, die van nu
af onze wapenbroeders zullen zijn.«
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er ontstond een gejuich
van: »leve Ripperda!«--Maar de trommels en pijpers lieten zich hooren
en de hoplieden gaven bevel tot den marsch. Niet zoodra echter had
men den Doele verlaten, of het van alle zijden naar dit gedeelte
aangestroomde volk hief insgelijks daverende kreten aan. Jong en oud,
allen lieten reeds de heugelijke maar klinken, dat er troepen in
aantocht waren, die goed en have van den burger beschermen en hen
tegen allen overlast en geweld zouden beveiligen: want hoewel veel
burgers in groote vreese waren, en het, desen niet gheraden noch
vijligh was, haer selven te melden en t' openbaren, zoo was toch de
meerderheid gezind, den vijand het spits te bieden. In iedere straat,
die men doortrok, voegden zich dus weder anderen achter en voor de
gelederen, en dit duurde voort, totdat men de Janspoort bereikt had,
waar men de vreemde vendels reeds op korten afstand gewaar werd.
--»Leve 't volk van overste Muller!« riep de ketelboeter uit de
Warmoesstraat, »Leve de Prins! weg met al de schelmen, die voor duc
D'Alf zijn!«
--»Dat mag een dronk lijën!« riep Heijnsz, de brouwersknecht,
insgelijks onder de menigte; want sommigen, die zeer voor den prins en
zelfs niet ongeneigd waren om met wat al te grooten ijver aan iedere
opschudding deel te nemen, waren bij het minste nieuws oogenblikkelijk
op de been. »Als ik soldeniers in mijn huis krijg, dan zullen zo
't goed hebben.«
--»En bij mij!« lieten anderen hooren.
--»Ik zal hun allen mondkost schaffen, waar hen de maag naar jookt;«
riep er een, »'t zal een groote rust voor ons wezen; en hoeveel man
is er wel?«
--»Twaalf vendels,« riep de een.
--»Stop; niet zooveel,« liet een ander hooren.
--»Dat let niet,« riep de ketelboeter, »hoe meer hoe beter. Ze kunnen
mij drie man op mijn dak zenden, al moest ik er ketels voor kloppen,
dat mijn arm lam wierd...«
Onder deze en dergelijke uitvallen der eerste geestdrift, trokken
inmiddels vier vaandels van het vreemde krijgsvolk de poort binnen,
terwijl tot verwondering van velen, de zes overige zich langs den
buitensingel verwijderden en met het geluid van trommels en schalmeien
begroet werden. Dit alles geschiedde met de meeste orde, terwijl
Van Duivenvoorde en de hoplieden de schutters zoo hadden geschaard,
dat niemand van de menigte intusschen naar buiten kon sluipen.
De overste Lazarus Muller had daags tevoren de tijding van Ripperda
niet zoodra ontvangen, of hij was ijlings in alle stilte opgebroken,
en des nachts door Waterland trekkende, bevond hij zich reeds
thans ter plaatse, waar men zijne komst zoo verlangend te gemoet
had gezien. Wel geene luidruchtige vreugd bij hunnen intocht, maar
toch toejuichingen van hen, die het wèl meenden met het vaderland
en Haarlem. Niet plechtstatig maar met Hollandsche rondheid en
blijmoedigheid begroeten de officieren van de schutterij de hoplieden
der hulpbenden; en schutters en soldeniers, mannen, die elkander niet
kennen, burgers vol vaderlandsliefde, en vreemden, welke die nog te
meer aanvuren, bieden elkander de hand, evenals hadden zij jaren te
zamen gelijken roem en gevaren gedeeld.--
En wie zijn die benden? Zullen de belangen van Haarlem ook de hunne
wezen, of heeft slechts eigenbaat, de hoop op buit, hen van Duitschen
bodem naar de Nederlandsche grenzen gelokt? Die vraag zal later worden
beantwoord; genoeg zij het thans, dat vier hunner bekend staan als
»bliksemen in den oorlog,« Van Wittenberg en Pruis, Steenbach en
Vader. Ook schijnt hun uitwendig voorkomen te voorspellen, dat zij
pal zullen staan in gevaar. En gij, Maarten Pruijs, met uwe kloeke
gestalte, met uw stouten blik; gij, die daar aan hopman Gerrit van der
Laan, den zoon van Nicolaas, met oud-Duitsche rondheid de hand biedt,
die hem op de rustige houding der schutters wijst, vermoedt ge wel,
dat gij met dien zelfden Van der Laan reeds binnen weinig dagen den
Spanjaard zult toonen, wie gij zijt, dat gij dan reeds vallen zult met
het staal in de vuist? Wellicht niet; maar schoon niet ieder krijgsman
een zwaard aan de heup draagt, waarop de dagen en uren zijn gegraveerd,
toch weet hij, dat iedere dag, elk uur zijn laatste kan zijn; en zoo
hij braaf en onverschrokken is, dan bereidt hij zich daarop voor en
trekt zijn vijand kalm te gemoet.
In dien geest sprak dan ook Ripperda, toen hij zich op de markt voor
het front der schutters en hulptroepen had geplaatst.
--»Burgers van Haarlem!« zeide hij, »ons aanzoek om hulp is niet ijdel
in den wind geslagen. Gij ziet: strijdbare mannen zijn aangetogen op
onze roepstem om den vijand te weerstaan, die ieder uur op de stad
kan aantrekken. Als gij, zullen zij elk oogenblik vaardig wezen tot
verdediging van deze vest, en dat zij den dood niet zullen schromen,
dat waarborgt ons hunne krijgshaftigheid. Daar wij desniettemin
zonder order van zijne Doorluchtigheid zoo groot eene hulp niet
mochten aanvaarden, zoo zijn er zes vendels naar Leiden en Rotterdam,
het woord achterlatende dat zij zonder vertraag komen zullen als het
noodig is. Wapenbroeders! moogt gij elkaar tot schild wezen en harnas:
dat één wil en moed u beziele: dat vriendschap en eendracht u gedurig
op zijde zijn; want de dood zal van rondom op ons loeren Brave makkers,
denkt steeds daaraan, dat één pijl licht verbroken wordt, een gansche
bundel niet. Zij dit onze leuze: eendracht maakt macht!«
Met ontbloote degens begroetten nu de hoplieden Haarlems gouverneur;
soldaten en schutters hieven hunne musketten in de hoogte; de vaandels
wapperden boven de hoofden, en onder het volk stegen andermaal kreten
op, als de blijken met hoeveel geestdrift en vertrouwen men voor
Ripperda was ontgloeid.
Maar wat doet op eens onder de saamgevloeide menigte en de schutters
een gemompel ontstaan, dat driftig en nieuwsgierig van mond tot
mond gaat en weifelend beantwoord wordt. Zie Ripperda! Het is alsof
plotseling een andere trek op zijn aangezicht is gekomen, een trek,
zooals men vaak waarneemt bij hem, die een plan voedende, het oogenblik
der uitvoering meer en meer naderen ziet. Nu eens spreekt hij met Van
Duivenvoorde, of diens luitenant, Jan Arentsz de Jong; dan fluistert
hij eenige woorden tegen Vlasman, Schatter en Pellikaen, en het is,
alsof deze aan den vaandrig Hasselaar dezelfde woorden herhalen. Nu
weder wendt hij zich tot den schout, tot burgemeester Van der Laan of
Stuiver, welke laatste met de inlegering der soldaten is belast; en
toch schijnt hij daarover niet te spreken: van alles, wat er gezegd
wordt, is geen woord hoorbaar dan voor hen, tot wie het gericht
is. Maar weldra wordt de nieuwsgierigheid bij sommigen afgeleid,
bij anderen nog hooger gespannen, toen te zelfder tijd Ripperda aan
de hoplieden beveelt, zich bij hunne vendels te voegen;--de bevelen
worden gewijzigd, herhaald; de gewapenden deelen zich in rotten en--de
marsch vangt aan. Maar hoe! niet naar de Koningstraat om weer in den
Doele te komen? Neen, de weg naar de Lepelstraat--thans tusschen de
Paaltjes--wordt ingeslagen; vervolgens komt men op de Oude Groenmarkt,
en zonder dat iemand het vermoedt, houdt men plotseling halt voor
een aanzienlijk en ruim gebouw.
Men zie het! Wel verdient het den naam van »het keizerlijke« zooals
het daar, als op ijzeren grondslagen schijnt te rusten, terwijl de
oplettende beschouwer er een onderscheiden bouwtrant in ziet--den
Toskaanschen met dubbele kapiteelen, als hij op de kolommen naar het
westen, den meer grootschen, kunstigen Jonischen stijl, als hij naar
het oosten staart. Men zie dat kolossaal gewrocht, met het sierlijk
opgetrokken steenen welfsel in het midden, dien kunstigen hemel van het
oosten tot het westen, die boogvormige stijlen, evenals eene trotsche
gedachte zich eerst verheffende, dan langzaam dalende, om een rustpunt
te vinden op zuilen, onwrikbaar in den muur gehecht. Men zie dien toren
zich statig in de wolken verheffende, den doorluchtigen rijksappel,
het massief ijzeren kruis--het kruis des geloofs. En het gansche gebouw
met aandacht gadeslaande kon men wel wenschen, dat er meer eenheid in
mocht heerschen, als de hoogste schoonheid van ieder kunstgewrocht;
wel wenschen, dat ten opzichte van den vorm, evenzeer de hoogere
bekwaamheid mocht doorstralen van den werkman, als ten opzichte der
stof die van den kunstenaar, maar dan toch wordt die wensch getemperd
door het zichtbare blijk, dat de bouwheer, reeds bij het ontwerp,
het ideaal van schoonheid voor zijne verbeelding liet zweven; en met
verrukking zien wij in dien verschillenden stijl twee toestanden
van den Staat; in dien Toskaanschen den natuurlijken eenvoud, dat
eigen karakter, dien zich niets aanmatigenden steun van het geheel,
terwijl wij dien Jonischen ook wel zijn eigen last torschen zien,
wel diensten zien bewijzen aan dat zelfde geheel, maar toch zóó,
dat hij daarbij denkt aan eigen luister, met bevalligheid torscht,
en dat die diensten zichtbaar zijn voor allen. En dan die splitsing
van sommige kolommen, die verlenging van den boog, en die takken in
het midden van het gewelf, zich als twijgen van een dunner stam te
zaam strengelende, die ontelbare, die groteske aaneenschakelingen,
die sierlijke en toch streng eenvoudige toon in het geheel.... alles
heeft een indrukwekkend voorkomen: want het is eene kerk--het is de
prachtige kerk van St.-Bavo.
En voor dat gebouw staat nu Ripperda aan het hoofd der gewapenden. Wil
hij het binnengaan om te knielen, om God te smeeken, dat het
aangegrepen zwaard gescherpt en hij met kracht omgord worde tegen het
geweld?--Dat wil Ripperda; want hij is held en Christen: de Bijbel
is eene fakkel voor zijn voet, een sleutel voor zijn geloof, een
staal voor zijne vuist. Dat wil hij morgen en dan ieder uur van elken
dag. Slechts thans wil hij het niet, en wij zullen hooren, waarom. Op
zijn bevel verschijnt de koster, Johannes Nicolaas Balling, een man van
burgemeesterlijke afkomst en eerwaardig door zijn voorkomen. Sidderend
werpt hij zich neder voor Ripperda, want hij beseft, dat men wil
binnentreden, wat aan zijne bewaring is toevertrouwd; hij ducht het
ergste. Maar met krachtige stem beveelt Ripperda, dat hij den ingang
ontsluite, en onder koortsachtig beven en vruchteloos smeeken wordt
hem gehoorzaamd. Nauwelijks heeft hij den ingang betreden, nauwelijks
staan, op zijn bevel, de soldaten zoo geschaard, dat allen hem kunnen
zien en hooren, of hij geeft een teeken, dat hij wil spreken, en
allen zien stil en vol verwachting hem aan.
--»Burgers van Haarlem, vrome mannen en broeders!« begint hij. »Zou
er wel iets wezen, dierbaarder voor ons allen, dan de Godsdienst? Hij
is de hoeksteen, waarop alles rust, zoo hij zuiver is. Door vuur en
zwaard zocht de Booze het Woord te verdelgen en de waarheid; door
de knods der overmacht zocht hij de pilaren omver te rukken, waarop
het gebouw van 't zuiver geloof steunt, opdat hij meester zou blijven
met het volle gebied. Ik zal de tirannieke handelingen niet opsommen;
zij liggen u nog versch in 't geheugen. Nog zou men het water met ons
bloed willen verven en van elken boom eene galg maken; dat alles om
den Godsdienst. En die Godsdienst, waartoe men ons met vuur en staal
dwingen wil, wat is hij anders dan een beeldendienst? Zoo sprak de
Heer: »Hunne altaren en kolommen zult gij breken, hunne hagen afhouwen
en hunne afgoden met vuur verbranden:« »dat hebben Jozua en Hiskia
gedaan: zij hebben ze verstoord en uitgeroeid, omdat zij ijverden
voor Gods eer. Maar geen rabauten, door blinde woede en dronkenschap
gedreven, mogen daaraan de hand slaan; niet door oproer of wrevel,
slechts langs wettige wegen en met orde der macht moet de afgoderij
geweerd worden. En waarom zal ik het voor u verbergen? Met geen ander
doel ben ik hier gekomen, dan om aan de beelden de hand te slaan,
om de kerk te zuiveren tot eere van den waren Godsdienst. Wie uwer
aarzelt, daaraan de hand te leggen, hij trede vrij terug: want wij
schuwen allen dwang en willen geen conscientie verontrusten. Maar wie
uwer toegerust is met de kracht van het ware geloof, die breke ook af,
wat het bijgeloof heeft opgebouwd. En mocht niemand koen genoeg wezen,
mij te volgen, ja, mocht gij zelfs dreigen mij te weerstreven, zoo
weet dan, dat de vreeze mij onbekend is, en dat ik de eerste hand
zal uitsteken. Mannen broeders, wie vertrouwen heeft op Haarlems
bevelhebber, die volge hem na; mijn besluit staat vast!«
Dat was stoute taal. Zij, die slechts gedacht hadden, dat Ripperda
de kerk zou hebben willen sluiten, zooals zij in het jaar der
beeldstorming drie maanden was gesloten geweest, vonden zich
bedrogen. Dat was eene te stoute taal!--Het is waar, eenige jaren
geleden waren de vier bisdommen in Nederland op eens met veertien
andere vermeerderd geworden, zoodat Rome zelf verwonderd de oogen
opsloeg, dewijl in Italië dit getal niet groter was. Men had de
inkomsten derzelve uit de abdijen, kloosters en andere gestichten
moeten goedmaken. De kleinere geestelijkheid had zich dus wel
wrevelig gevoeld; sommigen hadden wel de nieuwe leer omhelsd,
en het zaad der beroerten was wel welig opgeschoten; maar door
den paus was toen toch aan het bisdom van Utrecht ook de kerk van
Haarlem onttrokken geworden: Haarlem had een bisschop ontvangen,
en deze had van toen af in de St.-Bavo's-kerk de godsdienstoefening
geleid. Die bisschopsbenoeming had plaats gehad onder voorwaarde,
dat al de rechten en eigendommen voor al de ingezetenen ongekrenkt
moesten blijven. Maar bij den overgang der stad tot den prins van
Oranje was ook de voorwaarde bedongen, dat niemand in goed of bloed
zou verkort worden, en dat alle geestelijken binnen hunne kloosters
vrij en ongedeerd moesten blijven in hunnen godsdienst.--
En in hoeverre was deze laatste voorwaarde nagekomen?--Ripperda! wat
hebt gij u vermeten?
Toen Ripperda aanving te spreken, lag er in zijn blik iets kalms
en ernstigs, als blijk, dat hij een plan koesterde. Maar hoe meer
hij sprak, hoe meer die ernst zich met ijver vermengde; dat donker
doorstralend oog begon al meer te fonkelen; wellicht was het een
wat al te ongeveinsde, maar toch vurige ijver, die gewis ontgloeien
moest wie één van zin met hem waren. Toen hij bijna geëindigd had,
toen hier en daar eenigen hem wrevelig en verbaasd aanstaarden, toen
hij dra de uitwerking zijner woorden zou hooren--toen wakkerde niet
zoozeer zijn ijver aan, als wel dat zijne oogen eene nog krachtiger
uitdrukking aannamen, om daardoor iedere kiem van wrevel te verstikken,
of iedere donkere wolk, die over hem mocht saamtrekken, te verdrijven.
En hoe was de uitwerking?
Niet zooals zij zou geweest zijn, wanneer een ander zich deze woorden
had veroorloofd. Die zou reeds bij het eerste gedeelte overstemd zijn
geworden, of, zoo men hem had laten eindigen, ware dat einde wellicht
het sein geweest om op hem aan te stuiven. Maar nu sloeg de vlam niet
op hem over, die ze had doen ontstaan. Ripperda had gesproken met
de volle overtuiging zijner zedelijke overmacht. Velen waren daar
tegenwoordig, die, als hij, den bloedigen geloofsdwang verfoeiden,
terwijl allen als hij, het hoofd van den beroerteraad--dien
raad, verheven boven en afgezonderd van alle landswetten en
rechtbanken--haatten. Maar slechts de minderheid omhelsde de leer van
Luther of Calvijn. Hoevelen waren er niet, wie het hinderde, dat de
meeste hervormden den Bijbel de eenige kenbron noemden--dat sommigen
zich een leerstellig gezag aanmatigden, anderen aan eene doode letter
meer hechtten dan aan den Hemel. Hoevelen waren er niet, afkeerig
van een geloof, dat niets uiterlijks had, om het hart tot eerbiedige
bespiegeling voor te bereiden, om de verbeelding op te wekken, om de
ziel te verheffen? En geen van die allen kon de roomsche eeredienst
eene beeldendienst noemen; ja zelfs sommige hervormden, in wie men
evenzeer als in Ripperda, om hen wèl te beoordeelen, de gebreken hunner
eeuw moet voorbijzien, hielden zijne taal, zoo al niet voor bitter,
dan toch voor hoogst vermetel en stout--voor strijdig met den zachten
geest van Oranje. En zie! in weerwil van het voor velen zoo smadende en
vlijmende in de woorden; in weerwil van de te volgen wegruiming hunner
heiligenbeelden, balde zich geene vuist, stak men geen wapen dreigend
op, liet geen enkele mond den kreet hooren: »weg met den schender van
onzen Godsdienst! weg met Ripperda!«--Zij, die zich getroffen voelden
over de openlijke tentoonstelling van den Godsdienst hunner vaderen;
zij, die liever den dood dan de aanranding hunner beelden zouden
aanzien, zij verwijderden zich uit de kerk, en snelden naar huis,
om er met gemengde gewaarwordingen het gesprokene te verhalen.
Maar velen verwijderden zich niet: want sommigen, wier ouders de
nieuwe leer waren toegedaan,--die, evenals Ripperda, voor die leer
van ijver blaakten, werden door zijne taal nog te vuriger ontgloeid.
--»Ja, weg met dat ontuig.« riepen de doldriftigsten, »de afgoden onder
den voet gehaald: het heilige gezuiverd van alles, wat het besmet!«
--»Waar zijn bijlen en hamers?« riepen anderen, »ladders en touwen! het
poppengoed naar omlaag; stampen wij het tot gruis en brengen wij
't voor den tienden penning aan duc D'Alf.«
Reeds is Ripperda met eenigen der zijnen over het graf van Laurens
Coster, getreden;--over de asch van den grooten verlichter is een
wakker man getreden, vervuld met het doel om die verlichting te
handhaven, om van de plaats te ruimen, wat haar in zijne oogen
nog krachtig weerstreeft. Reeds staan er eenigen voor het beeld
van St.-Bavo. Zij weten, hoe hoog die heilige vereerd wordt. Uit
doorluchtige ouders geboren, in 649 gestorven, had Bavo al de soorten
der strengste boetpleging uitgeput en vele wonderen verricht. Als
patroon der Gentenaars en Haarlemmers, staat hij daar met een hoed op
het hoofd, in vorstelijk gewaad, en--zooals hij aan de Haarlemmers
moet verschenen zijn--met een valk in de eene en een degen in de
andere hand. Een oogenblik schijnt Bavo hun eerbied in te boezemen,
niet omdat het beeld, aan louter zilver negen pond Keulsch gewicht
woog, maar omdat Bavo de patroon heet van Haarlem. Anderen echter,
van minder eerbiedig geloof, dringen aan, en terwijl sommigen reeds
met drift naar de in glazen vensters beslotene sacristie snellen,
schreeuwen anderen, dat men het beeld onder den voet moet halen. Eenige
handen strekken zich onstuimig uit, doch te gelijker tijd laat zich
de stem van Ripperda hooren:
--»Niet aldus, mannen!« roept hij, »niet met blindheid of
onstuimigheid. Niet als een woeste hoop er op aangestormd. Geene hand
strekke zich uit ter vernieling!«
Maar terwijl Cornelis Utenhage, de kapelaan, als een wanhopige door
de kerk rent en met ijzing de verguizing der altaren te gemoet ziet,
laat zich op eens het geschreeuw hooren: »Bijlen en koevoeten! Weg
met de beelden uit de kerke van Haarlem's poorters! Dat ontuig verpest
hier de lucht!«
--»Staat!« roept nu Ripperda met zoo forsche stem, dat zij boven
allen uitklinkt; en terwijl hij eenige der driftigsten met de hand
terughoudt, herhaalt hij luide: »staat, zeg ik u; gehoorzaamheid aan
Ripperda; geene hand strekke zich ter vernieling uit. Ik wil niet,
dat men zegge: »hier zijn rabauten en roovers geweest;«--niet met
wrevel te werk gegaan! men doe slechts, wat oorbaar is. Straf voor
wie zich vergrijpt!«
Nu stonden de driftigen stil en zagen Ripperda aan, terwijl in sommiger
oog het ongeduld vlamde om te hooren waaraan zij de hand moesten
slaan. Op zijn bevel haalde een sergeant met eenige manschappen
uit het houten portaal aan de westzijde eenige touwen en ladders te
voorschijn, en het eerst nam men het beeld weg van Maria, dat aan het
kerkgewelf hing. Toen werd Petrus, zooals hij daar met het kruis en
de sleutels in de hand, in zijne nis stond, van de plaats genomen,
en weldra zag men hem vernederd, die nog kort tevoren met zooveel
eerbied aanschouwd werd. Alles werd door soldaten en burgers van
zijne plaats genomen, niets echter vernield van hetgeen ook jaren
te voren gespaard was geworden. Alom hadden toen de beeldstormers
hunne razende woede gekoeld; maar Haarlem was verschoond gebleven,
en dat hadden de roomschen te danken gehad aan het edel, koen gedrag
van burgemeester Van der Laan. Zijne kloeke taal tegen de grootste
en voornaamste gilden, on de wijze maatregelen der regeering hadden
toen verhinderd, dat de roovers zich met de kostbaarheden van de kerk
verrijkten. En nu heeft de bevelhebber der stad zich in die kerk een
weg gebaand; thans ruimt men van de plaats, wat toen voor vernieling
gespaard bleef. Ook is het nu geen opgeruid grauw, door onbeschoftheid,
roofzucht en blinden moedwil gedreven; het zijn nu geene dievenbenden,
die de kunstrijkste schilderijen, grafzerken en boeken vernielen, die
zelfs de lijken uit de graven wroeten, die kisten en kasten oprammeien,
stelen wat hunne hebzucht streelt en als woeste horden met geroofde,
brandende waskaarsen door de straten rennen, in booze verrukking
het beeld des duivels op eene spiets met zich om voeren, en daarna
den katholiek durven beschuldigen, dat deze hen tot den beeldstorm
had aangehitst, opdat de katholiek te strenger op de hervormers zou
kunnen woeden. Neen, thans zijn het gewapenden, burgers der stad zelve,
aangevoerd door Ripperda. En Ripperda was een streng calvinist. Veel
heviger dan de lutherschen stelden zich de calvinisten tegen den
dienst der beelden, wellicht omdat er van den aanvang der hervorming
fanatieke buitensporigheden hadden plaats gehad, waarvoor Luther, niet
verantwoordelijk, maar waartegen hij bitter ontevreden was. Het jaar
1570 is als het tijdpunt aan te merken, dat de hervormde godsdienst
door Spanje volkomen werd onderdrukt; en dat verlieze men toch nooit
uit het oog, dat de opstand tegen Spanje een geloofsstrijd was. Al
mochten er zich later staatkundige drijfveeren mede vermengen, al
mocht staatkundige onafhankelijkheid van den vreemden troon weldra het
bijoogmerk zijn--door heel den tachtigjarigen kamp vertoont zich de
strijd des geloofs vooral in den aanvang. De uitersten verfoeiende,
valt nergens die verheven strijd te miskennen voor eene christelijke
vrijheid, in geest en waarheid bestaande, de groote worsteling tot
stichting eener kerk, die, ontbloot van zinnelijke versiersels,
de reinheid der apostolische dagen poogde terug te roepen. En men
beschouwe Ripperda, in dien geest handelende, handelende in de volle
overtuiging zijner goede bedoeling. Hoe koen en vermetel, hij gaat niet
met drift of onstuimig te werk: overal is hij tegenwoordig; zijn oog
ziet alles; vooral de beroemde meesterstukken der schilders spaart hij,
en die, welke voor het gevoel der hervormden stuitend zijn, zal hij,
ter liefde van de kunst, die ze schiep, evenzeer eene andere plaats
aanwijzen. Dat zilveren beeld van St.-Bavo, het zilveren kistje, dat
een gedeelte van diens arm bevatte, dat kruis van hetzelfde metaal, de
kostbare versiersels van het altaar en de kleinooden van de sacristie;
dat alles, wat in de oogen van Ripperda naar afgoderij zweemt, wordt
van zijne plaats genomen, maar niet vernield. Als de toestand der
stad het eenmaal vordert, zal het tot een beter doel aangewend worden;
het heeft waarde, die dan strekken zal tot algemeen nut. Maar dat er
niets in de kerk blijve van dat alles, waarop het oog van den hervormde
niet met vromen eenvoud en welgevallen zou kunnen rusten!--want daar,
waar vroeger, waar nog gisteren het Sanctus geklonken, waar men de
hostie getoond en de wierook gebrand had, daar zou binnen drie dagen
de gemeente der hervormden vergaderen, en dan moest er niets aanwezig
zijn van den eeredienst, waaraan men niet denken kon dan met afschuw
voor de beulen, die hem met bloed wilden handhaven. Ripperda sloot
voor den dienst des pausen en opende voor de leer van Calvijn.
Die taak is volbracht. Aan de beelden wordt in een afzonderlijk
gedeelte van de kerk eene plaats aangewezen en de kostbaarheden worden
in bewaring gesteld van den ontvanger Van Berkenrode, bij wien men
ze veilig achtte. En nu verlaat Ripperda met de zijnen de kerk--de
kerk in het oog van zoo velen geheiligd, maar ook in het oog van het
meerendeel ontwijd. Ripperda! gij hebt u eene koene daad vermeten,
eene daad, waartoe gij niet slechts bevelhebber van Haarlem zijn moest,
maar vooral een Ripperda.