TWEEDE HOOFDSTUK.

Nog lag een donkergrijze sluier over Haarlem uitgespreid; nog flikkerde

hier en daar eene star tusschen dikke, grauwe wolken, toen te zeven

ure de regeering reeds in de antieke, ruime vroedschapszaal van het

raadhuis vergaderd was.

Het vuur, onder de twee breede, kolossale schoorsteenen, die op

ronde kolommen, met kunstig beeld- en snijwerk, rustten, wierp

een koesterenden gloed om zich heen, en door het licht der kaarsen

geleek de morgen naar een helderen avond. Daar zag men het viertal

burgemeesters, de zeven schepenen, benevens een aantal deftige

vroedschapsleden; en overwegende, hoe de eersten het gewone bestuur

hadden en het hoogste gebied in alle politieke zaken, hoe op hen het

beheer rustte van de tijdelijke goederen en inkomsten der stad, hoe

zij moesten waken voor hun behoud en welvaren, waken voor den burger

en diens rechten en privilegiën en handvesten,--hoe tot dat ambt

een tienjarig poorterschap met een vermogen van zeshonderd schilden

vereischt werd, dan moeten wij bijna glimlachen bij de waarheid, dat

nog slechts sinds drie jaren, tot belooning dier moeitevolle taak,

hun vrije belasting vergund was geworden en, voor elke zitting, het

tiende gedeelte van een Hollandschen gulden. En toch zien wij hen

daar vergaderd met alle belangstelling in hun gewichtigen post. Wij

zien er hen niet meer als die stadsregeering ten tijde van Filips van

Bourgondië, kiezende uit hun midden naar willekeur en naar luim;--wij

zien hen daar, sinds den opstand tegen verguizing, in toenadering

tot den poorter; den poorter vaak hoorende en kennende in zaken van

gewicht, sinds voor Nederland het groote vraagstuk was opgeworpen,

te bestaan of niet te bestaan. Met een gevoel van hooge achting en

eerbied zien wij er hen vergaderd om er het belang van Haarlem te

wegen op de fijne goudschaal van het verstand en den godsdienstzin der

tijden; wij zien hen daar plechtig en statig in het vroege morgenuur

te zamen. De kleine, vlakke hoeden met smalle over den bol liggende

randen, bedekken thans hun hoofd niet; die hoofden zijn ontbloot,

en verhoogen den deftigen ernst op sommiger gelaat. Die prachtige

halskragen, op zilveren of gouden banden geregen--hoe keurig zijn ze

geplooid, en hoe blinkt het witte der fijne kant of het Kamerijksche

doek u tegen. Werp een blik op die sierlijk kastanjebruine en

zwartkleurige wambuizen van satijn, zijde of laken, kunstig met

bevallige bloemen, strepen en schakeersels geborduurd en met een aantal

zilveren of gouden knoopjes gesloten: want velen hunner zijn rijk en

vermogend, in weerwil van den sinds lang in beoefening gebrachten,

Spaanschen stelregel: »beter geen land dan een uitgeput land: liever

eene wildernis dan een land met dwaalgeesten.«--Maar sla vooral het

oog op die halve mantels, waarin sommigen gedost zijn; het is waar,

ze zijn kostbaar en prachtig, doch vorm en snede zijn die van den

Spanjaard, van den Spanjaard, met wien Nederland in openbaren krijg

is. Grooter jammer voorzeker, dat zoo velen dier achtbare vergadering

niet slechts in uiterlijken maar ook inwendigen vorm dien Spanjaard

gelijk zijn, of hem althans op zijde hangen; jammer, dat wij enkelen

dier vergadering, vooral Van der Made en Groeneven, verachten, voor

sommigen een schouderophalend medelijden moeten gevoelen, daar wij er

zoovelen aanschouwen, voor wie wij met eerbied en ontzag zijn vervuld.

Dirk Jacobs de Vries, een tenger en bleek man van twee en zestig

jaren, is thans president of voorzittend burgemeester. Hij is het,

die in het beraadslagen aan de vroedschap desnoods perk en maat stelt,

die advies vraagt, die stemmen verzamelt en er dan het besluit uit

opmaakt. Aan hem is het ook, de vergadering te openen; en, nadat dit op

de gebruikelijke wijze was gedaan, nam hij ook het eerst het woord op.

--»Mijne Heeren!« sprak hij, op een toon, niet geheel vrij van

belemmering. »Gelijk u bekend is, sloten wij op gisteren onze

vergadering, zonder eindbesluit, en om met dieper zin te bepeinzen,

wat nuttig zijn zal en noodig. Ik zal dan aanvangen, om u allen te

zaam te verzekeren, dat ik op de wichtige aangelegenheden meer dan den

halven nacht heb gewaakt; dat ik gewikt heb en gewogen het welzijn van

deze goede stad en burgerij; en alzoo spreek en betuig u plechtiglijk,

dat mijne meeningen van gisteren ook die van heden zijn.«

Strak en ernstig waren aller oogen op den schroomvollen voorzitter

gericht, en--eenige seconden heerschte er een veelbeteekenend

stilzwijgen. De medeburgemeester, Gerrit Hendriksz Stuiver, gaf zijn

ongenoegen door een licht hoofdschudden te kennen; Johan van Vliet

vertoonde een ontevreden trek om zijn mond en Nicolaas van der Laan

gevoelde afkeuring en wrevel, die hij echter op geenerlei wijze aan

den dag legde.

--»'t Zal dan noodig wezen, heer voorzitter, dat gij die meeningen

herhaalt,« zeide, op zijn gewonen vrijmoedigen toon, Johan van Vliet,

een veertigjarig man, van een even bevallig als edel voorkomen, zelfs

in weerwil van de misnoegde plooi om zijne lippen, »of is daar niet

de schepen Adriaansz en het vroedschapslid Deyman, die op gisteren,

gewis om wichtige redenen, niet ter vergadering waren? want ofschoon

zij iets gehoord mogen hebben van 't geen over aller tong gaat,

zoo is dit niet geschied in den raad.«

--»'t Zal dan ook noodig zijn en passend, vooraf het geschrift

te doen kennen, dat ons behandigd werd van den eerwaardigen heer,«

zeide de president, zonder te laten blijken, dat hij het scherpe in de

woorden van zijn ambtgenoot gevoeld had.--En nu verzocht hij, dat de

secretaris, met luider stemme, den brief zou voorlezen van Jacob Wy,

pastoor van het groote Bagijnhof, zich thans te Amsterdam bevindende,

en gericht aan zijn' broeder. Deze luidde aldus:

»De verzekering van des konings groote goedertierenheid en

genade is er, bijaldien zij zich vanzelven kwamen presenteeren en

overgeven aan den hertog van Alva; alsdan zou niet gedacht worden

aan al 't geen, dat was gepasseerd, maar alles zou vergeven en

vergeten zijn, zonder dat men een eenig burger daarover zoude

straffen, reppen of roeren, gelijk gebleken was aan de steden,

die zich goedwillig hadden komen over te geven, en was er alleen

rigueur gebruikt tegen diegenen, die hardnekkiglijk hadden

gepersisteerd in hunne rebellie en des konings heirkracht hadden

willen tegenstaan en tegenweer bieden: hun overzulks radende,

deze occasie niet te laten voorbijgaan, maar hunne gedeputeerden

te zenden, en zichzelven te presenteeren en over te geven, alzoo

zij toch des konings macht niet konden tegenstaan. Zij konden

wel considereeren, hoe kwalijk het hun vergaan zoude, indien

zij hardnekkig bleven en deze macht zouden willen verzoeken en

experimenteeren.«

--»Gij hoort het geschrift van een wijs man, die Haarlem goed

gezind is,« sprak nu de voorzitter. »En mijne meening?... Zij is

de zijne. Verderf wacht ons, zoo wij het hoofd hoog dragen en door

rebellie en ongehoorzaamheid den koning onzen heer tegengaan. Veel

beter zal het wezen, van onzen rechten landsheer geprezen te worden,

met genot van genade, dan in 't gevaar te vallen van vuur en van

zwaard. Wijselijk te wijken voor overmacht was heilzaam in alle tijden,

en wanneer ook wij alzoo met de wijsheid te rade gaan, dan hoeden

wij ons voor leed en verderf, terwijl wij ons tevens kwijten van den

plicht, die op den trouwen onderzaat rust. Aan zulk een gevoelen blijf

ik mij vasthechten in vertrouwen en hope, dat het zoo ook wezen zal

met u allen.«

Nauwelijks had hij gesproken, of een vijftigjarig man verhief zich

ten halve van zijne zitplaats; een man over wien de geschiedenis een

onverschoonbaar stilzwijgen bewaart, de tweede burgemeester Nicolaas

van der Laan. Maar, wie van hem zwijge--wij kennen hem. Voor ons liggen

de stedelijke registers en archieven, als de onwraakbare getuigen,

wie hij was, wat hij deed. Voor ons ligt het afbeeldsel van den man

met zijn eenigszins ingevallen doch edel, ernstig gelaat, de blijken

dragende, hoe zijn geest onverpoosd dacht, en uitvoerde, na rijp

beraad. Aanschouw dat beeld, want het is uwen blik waardig. Zie

op zijn aangezicht die onveranderlijke, die eenparige rust, maar

de rust, die een vurige ziel verbergt, welke noch het begin, noch

het midden van den draad, dien zij spint, aan anderen in handen

geeft. Zie in hem een geest, niet ongelijk aan dien van Oranje, een

geest, ondoordringbaar voor list, onvermoeibaar als de raderen eener

machine, maar toch buigzaam als was, toch kneedbaar voor de hand van

vriendschap en liefde. Hij wist anderer gemoed te peilen en naar zijn

doel te vormen, doch had genoegzaam beleid en beheer op zichzelven, om

geen zweem van eenige lotswisseling te vertoonen, hetzij die helder,

hetzij die nevelachtig was. Want vrees had geen toegang tot zijne

ziel. Vandaar die spoed, die standvastigheid in het uitvoeren, in

een tijd van woeling en botsing, van hartstochten en onbeslist gezag,

in een tijd, dat er veelal spoed en vaardigheid werd geëischt.

--»Een voorrecht is het, dat men vermag te spreken, eer men besluit,«

zeide hij, »en raad gebruiken ontslaat den regeerder van veel

opspraak. Hoe is het geschapen met ons land, met onze goede stad? Wat

is er gewrocht, en wat toeft ons? Van ééne zaak slechts zal ik reppen,

maar 't zal wezen van eene wichtige zaak voor heel het volk, voor

heel het land. Felle wonden zijn ons reeds geslagen, en zij zullen nog

bloediger worden. Of wat is er te hopen van eenen Alva? Was hij niet

doof, wanneer er met kracht van rede werd aangevoerd, hoe de hatelijke

tiende penning tot ondergang zijn zou van heel het Vaderland? IJdel,

dat men hem voor oogen hield, hoe 't woedende water nog kortgeleden

onzen grond had overstroomd, hoe de handel gestremd, de armoede der

gemeente groot was. IJdel onze klachten over den duren graantijd,

rooverijen, brandschattingen, last van garnizoenen, verlies van

schepen ter zee en ongewone tollen.--'t Was de stemme des roependen

in de woestijn, dat de vreemdeling Holland zou schuwen, dat hij in

Holland niet meer ter markt zou gaan, zoo de verkoop bezwaard werd

door een tienden penning. 't Was vruchtelooze taal, dat de weverijen

zouden verkwijnen, als de handel en haringvisscherij,--dat de last

bovenal zou drukken op den schamele, die slechts geld voor kleine maat

heeft, nadat ze door menige hand is gegaan. Maar vrijelijk had men

woord en klacht mogen sparen: want zij vielen in een rotsgrond. Met

het glippen der nering, sloop de verbittering in, en toch dreigde de

hertog, bleek van wrevel en hoon, dat hij wapenen zou te baat nemen,

om den tienden penning in te vorderen; en kan Brussel niet getuigen,

hoe zijne beulen reeds den strop vaardig hadden? Dit alles ligt ons

nog versch in 't geheugen: want de tiende penning is geene artsenij van

korten nasmaak. Laat ons dan niet in den strik van eene onzekere hoop

vallen! Want ik vraag het u allen, ik vraag het met luider stemme--wat

vertrouwen, wat hope is er op een man, die slavernij en dood in zijn

vendel voert?«

Dat was wrijving, dat was contrast met de woorden van De Vries. Eene

halve minuut heerschte er een gespannen stilzwegen onder de

magistraat. Op het Judas-aangezicht van het vroedschapslid Van

Groeneven kwam zichtbare wrevel te voorschijn. Johan van Duivenvoorde

hing met de volle, edele ziel aan de lippen van Van der Laan. Van

Schagen rilde inwendig, dat Van der Laan's woorden zouden zegevieren,

en Philippus van der Mathe beet zich ongeduldig op de tanden,

dat de beurt om te spreken nog niet aan hem kwam: want nog moesten

burgemeester Stuiver en Van Vliet zich laten hooren, en men wist,

hoe getrouw deze den koning van Spanje wilden zijn, maar hoeveel

verachting zij hadden voor den landvoogd.

--»Geen vertrouwen op den hertog!« zoo ving burgemeester Van Vliet

aan met de drift, die zoowel aan zijne stem als gebaren eigen was,

en tevens den edelman van rang en vermogen kenmerkte. »Dat hij bukke,

die liever slaaf wil wezen dan vrijman. Denkt men, in ons land de domme

lieden weder te vinden van Peru en Mexico, die zich verdelgen lieten

bij duizenden?... Ik zie enkel handvestbreuk en geweld, en het bloed

van Egmond en Hoorne heeft gestroomd tot onze waarschuwing. Wie zich

nog niet heeft laten blinddoeken, kan heenzien door het gordijn. 't

Mag zijn, dat de wetten door Viglius ontworpen, op landgenooten en

privilegiën gegrond, door onze nakomelingen zullen aangemerkt worden,

als blijken van hooge wijsheid; maar achter het mooi omkleedsel schuilt

het doel om zich rijker te maken met ons geld en onze have; of diende

de pijnbankstraf van Bakkerzele tot iets anders, dan om te weten, dat

de koffer vol zilver en de elf kisten van den Graaf Van Egmond bij de

zwarte poort lagen begraven?.... Dat wij dan toezien, mannen broeders,

ons niet vaster te laten inklemmen: want men loert op verderf van

het land en overweldiging door het dwingelandsjuk; de voorrechten

van de edelen, de rechten van het volk liggen gekneusd; en wanneer

wij niet kloek en fier het hoofd opsteken, dan zal, met de glorie,

ook de naam van ons land dra verdwenen zijn van de wereldkaart. Trouw

aan den koning onzen heer, maar weg met Alva en zijne tirannie!«

Feller werd de wrevel van Van Groeneven, Van der Mathe en anderen;

en hoe men dien wrevel ook trachtte te ontveinzen, toch ontsnapte

hij niet aan de scherpe blikken van Van der Laan.

Thans was het woord aan Gerrit Hendriksz Stuiver, een man van ongeveer

veertig jaren, op wiens zachtgerond aangezicht oprechte vroomheid en

braafheid te lezen stonden.

--»En wat ligt nauwer ons aan 't gemoed dan de godsdienst?« sprak hij

met eene bedaarde, welluidende stem. »Als de meesten van ulieden,

bleef ik aan het geloof mijner vaderen getrouw, en toch kunnen

velen uwer getuigen of ik niet mijn penning bijdroeg tot opbouw der

kerkloods op de Baan, voor hen, die van de nieuwe leer zijn. En ik

deed het van ganscher hart, tot den dienst en het welbehagen van onzen

Heer. Naar mijne conscientie toch en voor Christus acht ik het oorbaar,

alle uitoefening van godsdienst te gedoogen, zoo zij rein geschiedt

en met een goedgezind hart. Of is het niet de gruwelijkste dwang,

een vrij gemoed tot een geloof te dwingen, dat men voor valsch acht

en kwaad? Of is het geen tirannie, iemand tot letsel te zijn in een

godsdienst, dien hij voor waarachtig houdt? En hoevelen zijn niet

afkeerig geworden van de kerk, door vervolging en bloedplakkaten

tegen ketterij? De graaf Van Bossu moge gewagen van verwarring in de

religie, zoo wij niet met een hart vol berouw ons onderwerpen aan 's

konings zachtmoedigheid.... Maar bij de Heilige Drievuldigheid, bij

den God, die de nieren proeft en de harten van roomsch en onroomsch

kent.... reeds ziet mijn oog binnen de muren onzer stad schavot en

brandstapel verrijzen, wanneer voor 's hertogs soldeniers hamei en

poort ontsloten zullen zijn. Ik zie reeds den beul met de brandfakkel

in aantocht. Mannen broeders! dat wij dus kloek zijn en waken voor

de vrijheid van onze burgers, bovenal in zaken van 't geloof. Dat zij

laten, wat hun kwaad--dat zij doen mogen, wat hun goed dunkt. Mannen

broeders! zijn wij gedachtig, wat het zegt: vrijheid van nijverheid

en nering, maar bovenal vrijheid van geloof.«

Daar wij ons toch niet van de onaangename taak kunnen bevrijden,

met Adriaan van Groeneven in aanraking te komen, zoo willen wij

hem liever thans dan later in zijn uiterlijk, zoowel als in zijn

karakter voorstellen. Zijn, door de kinderziekte geschonden ovaal

gelaat, had niets opmerkelijks, tenzij men uit het nedergeslagen

oog vreesachtigheid, op het gefronste voorhoofd trotschheid wilde

lezen. Inderdaad maakten dan ook deze beide eigenschappen gedeeltelijk,

en hebzucht hoofdzakelijk zijn karakter uit: voegt men daar nu bij,

dat hij loos en valsch was, doch vooral van gloeienden haat tegen de

belijders der hervormde leer blaakte, dan begrijpen wij wel, dat hij

vroeger tot schepen, en deken van den Cloveniers-doelen,--doch slechts

ten halve, hoe hij in Augustus van dit jaar, door de afgevaardigden der

edelen en steden van Holland nog tot lid van Haarlem's vroedschap was

benoemd geworden. Maar hij was bedreven in de kunst van vermomming;

en wat zijne onverdraagzame hevigheid in den godsdienst betrof--Van

Groeneven was roomsch-katholiek, zooals de magistraatspersonen in

de steden toen nog voor het meerendeel waren; en de hervorming was

in veler oogen slechts afschaffing van het beproefde en eerwaardige,

slechts oproerige heiligschennis: een verkeerde waan voorzeker, doch

waartoe de razende ijver van vele hervormden maar al te zeer grond gaf.

--»Wee den wolf, ter kwader naam staande,« zeide hij, terwijl de gloed

van het haardvuur den gloed op zijn aangezicht nog verhoogde. »Wat

aanleiding is er om al de woorden van den graaf Van Bossu voor list en

valschheid uit te krijten? Waarom moet men in zijne handelingen veel

meer kwade praktijken zoeken dan in die van anderen, die hunne ambten

van den koning ontvangende, die ambten gansch onwaard zijn? Verbergt

dan ieder, die in dienst is van den landvoogd, den dolk des verraads

onder zijn kleed? Geeft de graaf Van Bossu geene goede waarschuwing

in naam van den koning? Of waar moet het heen, als wij zijne woorden

verachten? Om slechts van ééne zaak te reppen, zal onze waarachtige

godsdienst niet te gronde worden gericht, wanneer wij de ketters in

de hand werken, die, onder den schijn van zuiverheid in de leer, een

vinnig vuur van ontucht en tweedracht stoken? Laat ons niet, ziende,

blind wezen; laat ons onderworpen zijn aan den koning onzen wettigen

heer en dengene, dien hij zijn gezag waard keurde.«

Van Vliet en Van Duivenvoorde, maar vooral Van der Laan, gloeiden

van verontwaardiging bij deze openlijke hulde aan Alva, den man, dien

roomsch en onroomsch haatten, al ware het alleen wegens den tienden

penning, om niet te gewagen, hoe hij roomsch en onroomsch naar het hart

stak. Hoe gaarne zou Van der Laan op dien oogenblik reeds de taal van

Van Groeneven op mannelijk forschen toon ontzenuwd hebben. Het woord

echter was aan het Vroedschapslid Jonker Christoffel van Schagen,--den

man, huiverende van vrees bij het denkbeeld aan een mogelijk beleg.

--»Laat ons niet spreken met verbittering en vooroordeel!« zeide

hij. »De welvaart en het heil onzer goede stad en burgerij staan op

het spel; enkel daarover moet worden geraadpleegd. Zoo de hertog zijne

soldeniers herwaarts zendt; zoo Haarlem wordt belegerd, dan toeft

ons veel euvels en ten laatste verderf. Dat wij dus alle vertrouwen

stellen in de woorden van 's hertogs Stadhouder; dat wij hem blijk

geven van dat vertrouwen door het afvaardigen van eene bezending

naar Don Frederik; want op mijne eer en conscientie! slechts dit

kan ons vrijwaren voor de schromelijke gevolgen van onvergeeflijken

wederstand.«

--»Wat bange taal klinkt mij in de ooren!« zeide het vroedschapslid,

de rijke bierbrouwer Pieter Janszoon Kies, een man van ruim vijftig

jaren, wiens bleek gelaat, sluike haren en onbevallig uiterlijk

geenszins zijne edele geestdrift voor recht en vrijheid uitdrukten

of zijn fier, onwrikbaar en deugdzaam gemoed.

--»Wat!« sprak hij driftig, en ten halve van zijne plaats

opstaande. »Men zou hier niet te pas brengen de valschheid en

woordbreuk van den Spanjaard?.... Van mijne grieven, van mijne

ballingschap zal ik hier niet reppen; maar nog hooren wij al

te zamen de bloedklok in Naarden, of zou dit feit reeds uit ons

geheugen zijn gewischt?.... Romero!.... met een valschen lach trad

hij binnen Naarden, en--zijne intrede was de dood.--Geen betrouwen op

don Frederik! dat roep ik luide: ook zijne komst zal de dood wezen;

en zoo in Haarlem het bloed der burgers stroomde, dan zou het met ons

aller berouw te laat zijn. Geene laffe bezending; de lafheid dient

enkel tot blaasbalg voor het vuur van overmoed.«

Nu nam het vroedschapslid Cornelis Duyk, een man van kennis en

braafheid, het woord op. Vier jaren te voren als rector der groote

Latijnsche school, van ketterij beticht, werd hem, op aanzoek van

den bisschop, door de meerderheid van den magistraat aangezegd, dat

hij dien post zou moeten verlaten. Wellicht, dat hij thans een blijk

wilde geven, hoe onrechtvaardig hij toen was beschuldigd en behandeld,

althans hij zeide belemmerd en bijna afgebroken: »Mij dunkt, dat het

plichtig en oorbaar zij, tot wering van alle gevaar, een gezantschap

te zenden naar don Frederik.«

--»Ook ik breng geene andere stem uit;« zeide Phillippus van der Mathe,

doctor in de beide rechten, en tien jaren vroeger tot algemeen vicaris

van den rechtschapen eersten bisschop Niklaas Nieuland benoemd. »Wee

ons, zoo wij den koning onzen heer trotseeren; wee ons, zoo wij

de hand uitstrekken tot afbreking van Gods heilige Kerk: en toch

zal het zoo zijn, wanneer wij de genade van 's konings landvoogd

verachten. Handelen wij dan niet in dwazen waan, tot ons deerlijk

verderf; want slaan wij, tot tegenweer de hand aan 't rapier, dan is

er geen hope, dan is er een afgrond voor onzen voet.«

--»Mijn gevoelen zal blijken uit mijne woorden,« zeide, op zijn

gewonen zachtaardigen toon, het vroedschapslid Johan van Duivenvoorde,

die in het woelig jaar der beeldstorming, burgemeester geweest,

en nu ook overste van Haarlems schutterij was. »In plaats van eene

bezending naar don Frederik, vaardige men een geschrift af aan den

graaf van Nassau, den prins Van Oranje. Bidden wij hem om soldeniers,

en--met Gods hulp en met kloekheid verdedigen wij onze goede stad

tegen 's vijands geweld. Beter wakend met de hand aan 't rapier,

dan eene bedriegelijke insluimering onder een verguld juk.«

--»Men peinze, wat men doe!« liet nu de schepen mr. Johan van Zuren

hooren, een man van vijf en vijftig jaren, met scherp geteekende

gelaatstrekken, en om geleerdheid en edele grondbeginselen bemind. »Ik

heb eerbied voor den prins; maar hebben wij grond genoeg om op

zijn gewapenden bijstand rekening te maken? Tot heden heeft zijne

Doorluchtigheid nog geene onzer goede steden ontzet; zij zijn altegader

in 's vijands hand gevallen, en zóó groot is de macht van den koning,

dat het ijdelheid zou wezen en dwaasheid, zoo het zwakke Haarlem die

macht wederstond, geene hope hebbende op den goeden uitslag der zaak.«

De schepen mr. Ramp, het vroedschapslid Verwer en eenige anderen

hechtten zich aan het gevoelen van Van Zuren; doch eigenlijk waren de

gevoelens zóó verschillend, dat uit al het aangevoerde geen bepaald

besluit kon worden opgemaakt.

Nu wendde zich de voorzitter tot den pensionaris Van Assendelft. Deze

post werd toen, evenals altijd, door degenen bekleed, aan wie men de

meeste wijsheid en welsprekendheid toekende. Hij was ambtenaar op

eene jaarwedde; hij kon zijn post nederleggen, doch stond anders,

met de regeering in contact, zoodat hij, daartoe geroepen, zonder

eene stem te hebben, in alle regeeringsvergaderingen de raadgever

of adviseur zijn moest: het behartigen van de belangen der stad was

hem dus bijzonder aanbevolen. Ook thans zou men zijn gevoelen en raad

inwinnen; doch nauwelijks had De Vries hem zijne meening afgevraagd,

of ieder verwonderde zich over zijn kort, bepaald en stellig antwoord.

--»Dit is mijn raad,« sprak hij forsch, »dat men ramp en onheil

voorkome, door wijselijk te handelen; en slechts dit kan wijsheid

wezen, dat men naar verzoening trachte met den machtigen koning

onzen heer.«

Een oogenblik heerschte er eene stilte van verbazing. Ieder had

zich als het ware voorbereid om eene lange rede te hooren, en--de

taal van den pensionaris was korter dan van een dergenen, die tot

nog toe gesproken had. Niemand uitte verder een woord: nog bleef de

gespannen stilte eene wijl voortduren, en reeds begon het licht der

kaarsen te verflauwen, terwijl de meer en meer aanbrekende morgen

zijnen lichtgrijzen tint door de glasramen wierp.

--»Wij hebben thans allen onze meeningen doen hooren en advies

genomen,« vatte de president-burgemeester ten laatste weder het

woord op. »Sommigen van ulieden hechten zich aan mijn gevoelen, dat

het wijken voor de overmacht de wijste keus is. Gijlieden verlangt

eene bezending naar den zoon des hertogs; gij haakt ook naar eene

zending tot den prins om gewapende soldeniers: sommigen uwer neigen

zijdelings of beurtelings tot beide, weifelende en aarzelende, wat

het beste zij. Maar de zaak moet worden voleind; want het belang

van Haarlem--dat van ons allen staat op het spel. Wij zullen dus

aanvangen met eene bepaalde, beslissende stemming, en geve de Hemel,

dat wijsheid ons daarin tot gidse zij!«

Nadat zich gedurende eenige seconden een dof gemompel had laten hooren,

ging men tot de gewone stemming over, en--de heillooze uitkomst was,

dat er eene bezending naar don Frederik zou plaats hebben. Dat was voor

velen een ontzettend oogenblik. Maar nu moest nog het lot beslissen,

wie deze bezending zouden uitmaken.

--»Wiens hand zich naar de lotbus uitstrekke--de mijne nooit!« sprak

burgemeester Van der Laan, op standvastig fieren toon. »Eer sterf ik

binnen Haarlem, eer ik een voet buiten den wal trede, om genade te

bidden van een tiran.«

--»Ook ik niet, in alle eeuwigheid niet!« sprak het vroedschapslid

Kies, op wiens bleek gelaat zich een blos van verontwaardiging

vertoonde.

--»En zoo waar als geen Hollandsch edelman zich voor een Castiliaan

buigt,« liet Van Vliet hooren; »zoo waar doorstoot ik mij eer de borst,

eer ik deel zal hebben aan zulk een lot.«

Ook Stuiver en nog eenige anderen gaven hetzelfde te kennen, zoodat de

loting nu alleen moest plaats hebben onder hen, die voor de bezending

naar Frederik gestemd hadden. Dit gebeurde, en weldra bleek het

nu dat de president-burgemeester zelf, benevens Jan Jansz. Verver

deze belangrijke taak hadden te vervullen. Nauwelijks echter had de

laatste dezen uitslag gezien, of de menschelijke zwakheid vertoonde

zich daar op het zichtbaarst, in al hare kleuren; zoo ooit, dan bleek

het aan Verwer, hoe menig mensch gelijk is aan eene zwakke plant,

die heen en weer wordt geslingerd, al naar dat een koeltje of eene

windvlaag haar bij den ranken top grijpt.

--»Op mij het lot!....« sprak hij angstig en onthutst, terwijl op

zijn aangezicht de vermiljoenkleur zich beurtelings wisselde met

doodelijke bleekheid. »Neen, niet alzoo; ik voel mij vroed noch

kloek tot deze wichtige taak. Het zou mij falen aan passende woorden

om het onweer van onze stad af te wenden, of zoo niet, dan zou er

wellicht een kwade zin aan gegeven worden. Neen, dezen last mag ik,

kan ik niet aanvaarden: ik ben er zoo min bekwaam toe als gezind:

gelieft er mij dus van te verschoonen; tot iedere andere zaak ben ik

van ganscher harte bereid; niet tot deze.«

--»Wat ijdele uitvlucht, wat groote lafhartigheid!« zeide Van

Groeneven, en hij was op het punt, nog bitser uit te varen, toen de

voorzitter het gewone teeken tot stilte gaf.

--»Hoe!....« zeide hij op ontevreden toon, »gij zoudt thans weigeren,

u thans onttrekken, mijnheer, aan eene noodige, wettige taak? Zijt

gij geen lid van deze vroedschap, en heeft het lot niet beslist naar

gebruik en met alle rechtvaardigheid? Er kan geene billijke reden

wezen, dat gij achterwaarts treedt, en wij mogen u niet verschoonen.«

--»Ik moet schuld belijden,« hernam Verwer, die zich meer en meer

door een plotselijk opgerezen, somber-angstig voorgevoel overmeesterd

zag. »Het is zoo; maar ik ben niet in staat;.... mijn eed, toen

Haarlem overging aan de zijde van den prins;.... ik beloofde hem,

als stadhouder, gehoorzaamheid. Neen, ik word geslingerd en ontrust;

ik kan niet. Benoemt een ander in mijne plaats, of ik moet mijn ambt

van lid der vroedschap nederleggen, als had ik het nooit bekleed. Ik

kan, ik mag niet bij de bezending tegenwoordig zijn.«

Verbazing met spottende verontwaardiging was op sommiger aangezicht

te lezen. Opnieuw wilde de voorzitter, als ook Van Groeneven en Van

der Mathe hem deze zwakke handelwijze onder het oog brengen, en hem

van besluit doen veranderen, toen Christoffel van Schagen het woord

vroeg, en hem zulks toegestaan werd.

--»Welaan, mijnheer! dan treed ik vrijwillig in uwe plaats,« zeide

hij tot Verwer. »Voor de bezending heb ik overluid mijne stem doen

hooren; ik zal tot don Frederik gaan om de zwarte onweerswolk,

die onze stad bedreigt, af te wenden, en, bedrieg ik mij niet, dan

zullen mijne woorden niet ijdel zijn. Ik heb evenzeer als gij, den

stadhouder en grave van Nassau den eed van gehoorzaamheid gezworen,

en 's konings landvoogd, den hertog van Alva, tot vijand verklaard;

maar het is nuttig en noodig, om verder kwaad te voorkomen. Ik zal

mijne conscientie minder bezwaren, wanneer ik, afwijkende, stad en

burgerij voor een wissen val behoede, dan wanneer ik, hardnekkig

blijvende, hen doe vallen in een afgrond, welks diepte niet is te

peilen.--Mijnheer Verwer! gij kunt dus gerust naar huis gaan, wetende

dat gij u niet aan eenig gevaar hebt blootgesteld.«

Zij, die voor de bezending naar Frederik gestemd hadden, zwaaiden nu

Van Schagen hoogen lof toe, en zij, die tot de tegenpartij behoorden,

bewaarden een veelbeteekenend stilzwijgen.--Burgemeester Van der Laan

echter kon zijn gevoel van verontwaardiging niet verbergen. Wellicht

hoopte hij, den noodlottigen stap nog te voorkomen.

--»Nog één woord moet ik spreken,« zeide hij, zich met bedaardheid en

ernst tot al de leden van den magistraat wendende. »Wij hebben geene

orakels geraadpleegd; en desniettemin zeg ik u, dat het besluit met

geen goeden uitslag zal worden bekroond. Dat gij beiden, mijne heeren,

dezen stap moogt kunnen verantwoorden voor God en den prins! Maar

ik aarzel niet, u dit toe te roepen: de dag van heden zal worden

aangeschreven met eene zwarte kool. De nakomeling zal u verwijten, dat

gij aan den vijand u vertoond hebt in het schamel kleed uwer zwakheid,

om hem een verguld juk af te bidden. Verhoede nochtans Christus, onze

Heer, dat gij voor u zelven dezen stap met heete tranen beschreit;--dit

is de wensch van uw ambtgenoot, die u enkel leed en rouwe voorspelt.«

Maar het besluit der zwakheid en vreesachtigheid was onherroepelijk

genomen. De woorden van Van der Laan mochten al een somber-ernstigen

indruk maken--zij konden aan de zaak geene andere wending meer

geven:--het wrakke schip was aan den wind ter prooi; het ging de

branding te gemoet. Meester Adriaan van Assendelft, sedert vier jaren

pensionaris, liet zich als derde, tot de bezending bezigen. Van

hem is het gebleken, dat hij in der tijd, bij zijn aanzoek aan

burgemeesteren, tot de verkrijging van dat ambt, door Viglius, den

voorzitter in den geheimen raad, en door drie andere Spaanschgezinde

heeren was aanbevolen geworden. Zijne deelneming aan den last is

dus, niet zonder grond, aan eene gelijke Spaanschgezindheid toe

te schrijven. Men verlieze echter ook niet uit het oog, dat hij,

uit hoofde zijner betrekking als pensionaris, niet kon bedanken,

zonder wrijving of botsing te veroorzaken; en dat de regeeringsleden

dit wisten, bleek duidelijk daaruit, dat men over hem het lot niet

wierp, maar eenparig hem benoemde. Met De Vries en Van Schagen begaf

hij zich in eene ijsslede buiten de Amsterdamsche poort, terwijl hij

alleen tot den voerman zeide, dat zij te Sparendam moesten zijn. Deze

veinzerij was nochtans ijdel. Men wist, dat zij Frederik om genade

gingen smeeken. De beklagenswaardige afgezanten! Zij vermoedden niet,

wat donderwolk boven hunne hoofden hing.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 1 van 3) · 第 7 / 23 题