EERSTE HOOFDSTUK.

Een winterdag in de maand December hoeft iets statigs en liefelijks,

wanneer het ontbladerd bosch met ijzel gekleed en ieder uitstekend dak

een sneeuwheuvel geworden is, en wanneer dan de heldere zonnestraal die

takken doet glinsteren en de rookwolk kleurt, die uit de besneeuwde

daken oprijst: want het zilverwit is wel het doodskleed der natuur,

maar het goud der zon doet er de hoop van leven, herleven over

opgaan. Doch akelig en neerdrukkend is de Decemberdag, waarop de grauwe

sneeuwwolken laag over de aarde neerhangen en huilende stormvlagen

door de dorre takken gieren, als droeve zuchten uit den beklemden

boezem der natuur.

Zulk een dag was de Dinsdag van den tweeden December 1572 voor

Haarlem. En toch was dit naargeestig winterbeeld in harmonie met

den toestand der stad en hare bewoners. Uit menige borst rees een

bange zucht voor de toekomst; menig oog waande reeds den dood in huis

te zien sluipen; en uit iedere wijk werden velen door bekommering,

onrust en nieuwsgierigheid naar het Zand- of Marktveld voortgejaagd.

Of was op het raadhuis dier markt de Regeering niet weer vergaderd? Was

Naarden niet in vuur en bloed ondergegaan en werd Haarlem niet

evenzeer bedreigd? Had op dat raadhuis geene worsteling plaats

tusschen fierheid en ootmoed, tusschen kloekheid en vrees, tusschen

moed en lafhartigheid? Wierp daar de zwakke den sterke, de sterke den

zwakke niet den handschoen toe? Klonk ter linker de taal van Alva,

ter rechter de taal van Oranje niet? En deed die worsteling geene

worsteling ontstaan tusschen hen, die, als het volk, door eene wijde

klove waren afgescheiden van het kamptooneel?--Daarom die bonte groep,

welke uit de hooge Zijl- en Barteljorisstraat, uit de groote Hout-,

Koning- en Smedestraat zich een weg naar het stadhuis baande. Men

zag er St. Jansheeren in hun zwarten mantel met wit kruis, tusschen

poorters en poorteressen, in den dikgevoerden mantel en de zedige

huik: den deftigen burger in zijn zwart fluweel met zilveren boordsel,

naast zoo menigen wever en brouwersknecht in het bombazijnen wambuis

en met de ruwe bonte muts: hier en daar zelfs meer dan eene gegoede

burgerdochter in haar eng sluitend, zwart lakensch keursje, de muts

met laag nederhangende slippen, en het net, glad gescheiden haar,

of de deftige huismoeder met de stokbeurs en den sleutelring aan hare

zijde, onder de luifel of bij de steenen bank harer stoep, hunkerend

en onrustig uitziende, of de vader, de broeder, de geliefde, of de

echtgenoot, hetzij uit de dichte menigte, hetzij van het raadhuis,

nog niet huiswaarts keerde, om haar te zeggen, wat de Magistraat had

besloten, en er dan het wel of wee over uit te spreken.

--»Wie die knaap zijn mag? Ik heb erg op hem,« fluisterde op eenige

schreden van het huis van Laurens Coster, de wijnkooper Pellikaen,

wiens mantel de wit en blauw satijnen sjerp en het zilveren

stadseereteeken verborg, als het blijk van zijn hopmansrang bij de

schutterij. »Voor een paar uren liep ik hem in de Molensteeg bijna

tegen 't lijf: in de Peperstraat en bij 't Zijlklooster heb ik hem

ook al ontmoet, en nu weer hier; 't is geen poorter van Haarlem.«

--»Wie?«: vroeg Pieter Vlasman, die gelijken rang had, en, schoon

reeds twee en zestig jaar oud, door zijn spits gespleten kinvlokje

en blozend gelaat, het voorkomen had, de vijftig nog niet bereikt te

hebben. »Ik zie er wel meer, die geen Haarlemmers zijn; maar daar is

weinig acht op te slaan; er zijn wichtiger dingen aan de hand.«

--»'t Is te zeer een donkere tijd om niet te turen op alles,« hernam

Pellikaen. »Geef acht! daar gaat hij verder. Er schuilt boeverij onder,

en ik wed, dat het een zevenstuiversman is.«

Terwijl Vlasman, Matthijzen, een paar andere hoplieden en vaandrigs

elkander hunne verwondering te kennen gaven, wat den Magistraat toch

zóó lang te zamen deed zijn, trad Pellikaen eenige schreden dichter

naar den in zijn oogen verdachten persoon. Zijdelings loerend,

sloeg hij hem oplettend gade. De vreemde kenmerkte zich echter door

niets bijzonders. Gelijk de meeste burgers, droeg hij den ronden,

smalgeranden hoed op het korte, rosse haar. Ook zijn donkerkleurig

wambuis was kort en met een' rijgveter vastgemaakt, terwijl zijne wijde

broek met linten boven de knieën was vastgestrikt, en zijne gekleurde

kousen onder die broek waren opgerold. Niets verraadde den spion, den

zevenstuiversman of hoe men hem noemen wil, die Alva's verderfelijke

staatkunde met zeven stuivers daags bezoldigde, om datgene te weten,

wat zijn oor niet opving. Niets van den bespieder, dien grootsten der

veinzaards; niets van een dichtgesloten mond met fijne lippen, of van

plooien rondom de oogholten; niets van eene voorovergebogene houding

of een puntigen blik: alles in rust, het oog zelfs bijna gesloten,

en toch meende Pellikaen eene zekere inspanning bij hem waar te

nemen--de inspanning van den volhardenden bespieder en luistervink;

en--hopman Pellikaen bedroog zich maar zelden.

--»En 't verwondert mij, dat hij zelf niet kalt,« dacht Pellikaen,

»als hij is, want ik denk, dan speelt hij zijne rol niet te best.«

Op dat oogenblik liet de klok van de St.-Bavo's-kerk drie slagen

hooren. De verdachte, hetzij hij den loerenden hopman bemerkt had,

hetzij hij zelf begon in te zien, dat zijne stilzwijgendheid wellicht

achterdocht kon baren, wendde zich nu op eens tot een paar nevens

hem staande lakenwevers en zeide op ongezocht ongeduldigen toon:

»Wat het daar bijster lang wordt gerekt.«

--»Wie kan er bij?« was het antwoord: maar schier op hetzelfde

oogenblik liet zich van eenigen tegelijk hooren: »Daar komt meester

van Schagen! Nu zal 't aan een end zijn.«

Werkelijk verliet het vroedschapslid, Christoffel van Schagen, door

eenige anderen op den voet gevolgd, het raadhuis. Toen hij echter de

Koningstraat, waar hij woonde, wilde inslaan, traden een paar deftig

gekleede burgers hem op zijde en schenen hem fluisterende iets te

vragen. Met vriendelijke, maar angstig-driftige gebaren wees hij hen

evenwel af, bracht den wijsvinger naar het stadhuis, als wilde hij

daarmede te kennen geven: »Een andere mond dan de mijne zal het u

wel zeggen,« en vervolgens verwijderde hij zich met spoed.

--»Wat heeft hij gerept?« vroegen nu een paar lieden, die gaarne hunne

nieuwsgierigheid bevredigd zagen en minder terughouding gevoelden

voor de twee burgers, dan wel voor het deftige vroedschapslid: »Wat

order is er beraamd?«

--»Wij zijn nog zoo wijs als daar flus,« was het antwoord, »meester

van Schagen had geen pratenstijd, en van veel woorden is hij ook

geen vriend.«

--»'t Is een schandelijk stuk,« liet een knecht uit de brouwerij de

Drie Lelieën hooren, »Het volk wordt maar geblinddoekt, en de groote

heeren zitten bij de kaars.--Maar 't is licht om te zien, waar het

heen moet, en als we worden verkocht ... bij de Drie Lelieën, dan

zweer ik ...«

--»Daar komt hij! daar is hij!« klonk het op eens uit het midden der

menigte, »burgemeester Van der Laan ... die zal ons wel zeggen wat

er in 't vat is.«

Inderdaad zag men burgemeester Nicolaas van der Laan met zijne

ambtgenooten Van Vliet en De Vries op de trappen van het raadhuis te

voorschijn komen. Enkelen onder de volksschaar meenden op het gelaat

van De Vries te lezen, dat er veel en heftig gesproken, doch dat men

de zaak niet eens was geworden. Op het schrander en rustig aangezicht

van Van der Laan zag men er geen zweem van.

--»Mannen, broeders!« zeide hij, op minzamen en toch krachtigen

toon, tot eenigen, die hem het naast omringden, »de magistraat heeft

weer schrift ontvangen van den Graaf van Bossu. Er is geraadpleegd,

wat meest oorbaar en passend zal zijn voor de belangen van ons allen;

maar de woorden verschillen en de meeningen; van daag dus zal er dieper

gepeinsd worden en overwogen, en morgen zal het de dag van beslissing

zijn. Middelerwijl, vrome burgers, moge de Hemel ons bijstaan, opdat

wij doen naar besten rade voor de welvaart van deze stad.«

--»Leve burgemeester van der Laan!« lieten sommigen, die van zijn

doorzicht en ijver voor het welzijn van Haarlem overtuigd waren,

met zekere geestdrift hooren; en in weerwil der mistige koude,

werden hier en daar eerbiedig de hoeden gelicht, eene eer, die aan

verscheidene der Achtbaren niet ten deele viel.

--»Weer geschrift van Bossu den verrader!« hoorde men hier, »dat zijn

lammerenwoorden van wolven.«

--»En veellicht van onze vrienden in Amsterdam!« klonk het spottend

daar. »Mooie tusschenkomst bieden zij aan; maar 't zal wezen om ons

in slaap te sussen. 't Is van Amsterdam, zoo de pot zoo de lepel! Wat

de Spanjaard daar doet, is altemaal goed.«

--»Geef maar acht!« liet dezelfde brouwersknecht hooren, »Morgen

verkoopt men ons met huid en met haar. Geen hoppebier zoo zuur en zoo

slecht in de Drie Lelieën, of nog beter is 't dan de schelmsche Bossu,

voor wien ik al tien stroppen vaardig heb, om duc D'Alf den tienden

penning te betalen.« En bij het uiten van dat hatelijke woord tiende

penning, bracht hij met een dreigenden blik en eene krampachtige

beweging de vingers aan zijne keel, als trachtte hij daardoor zijne

woorden nog te versterken.

--»Liever tienmaal den dood, dan den tienden penning betaald!« riep

een lakenwever, »dat enkele woord drijft mij het bloed naar den

kop. Vivent les gueux! weg met den Spanjaard, dien ik al van verre

riek. Maar wat burgemeester Van der Laan sprak, dat was goed, mannen,

geen grooter vertrouwen dan op hem!«

--»Of heel de magistraat maar van zoo 'n brouwsel ware!« sprak de man

uit de Drie Lelieën, »het zou ons tot groot profijt wezen. Maar er zijn

er onder, als hop zoo bitter, en zoo slap als bier op haverdoppen. En

wie toch die éénoog mag zijn, voor wien gij allen den hoed licht?«

--»Dat is een man van goeden aard!« antwoordde Reijer de turfdrager.

--»Snoer den mond; want daar is hij zelf,« lieten een paar wevers te

gelijk hooren.

Loensch tuurden verscheidenen naar den kant heen, waar de aldus

betitelde persoon stond, terwijl er oogenblikkelijk een fluisterend

gesprek plaats greep, waarin de naam van Wigbolt en Asinga Ripperda

voorkwam, en waarvan telkens het refrein was: »wie hij toch wezen mag?«

En dat wie of hij toch wezen mag? werd niet voor de eerste maal

uitgesproken. Gisteren en vroeger reeds had men deze vraag gedaan,

doch nog altijd had het antwoord er aan ontbroken.

Sinds weinige weken had zich op de Bakenessergracht iemand metterwoon

nedergezet, in wien iets geheimzinnigs doorstraalde. Zijne gestalte was

zeer lang doch mager. Zijn aangezicht had een bleeken, zwakken tint,

door eene zwarte wenkbrauw en zwart haar overschaduwd, en in zijn

bruin oog lag een dweepachtige gloed, die nog meer ware uitgekomen,

zoo het andere oog niet door een zwarten doek was bedekt geweest:

want ofschoon de vreemde in de wandeling voor éénoog doorging, had

wellicht niemand recht, hem dien naam te geven. Zijn breed en hoog

voorhoofd duidde een ondernemenden geest aan; en wanneer men zijn neus,

doch vooral zijn gelaat en profil beschouwde, meenden sommigen er eene

overeenkomst in te ontdekken met dat van een aanzienlijken dienaar

van Spanje, die Nederland had moeten verlaten, omdat hij er, meer

dan de pest, was gehaat. Den meesten tijd bracht hij in zijne woning

door en scheen een liefhebber van duiven te wezen; want zijne naaste

geburen op de Bakenessergracht hadden het gezicht op eene groote,

op de achterplaats van zijn huis uitkomende, duiventil; men zag er

azuurblauwe, kastanjebruine en sierlijk bonte uitvliegen, en daar men

menigmaal zijne fluitende of lokkende stem hoorde, vermoedde men niet

ten onrechte, dat hij zich ook met hare africhting bezig hield.

Nog had men hem, behalve met Ripperda, slechts in aanraking gezien met

Simon Simonsz, den braven predikant der hervormden, die in Haarlem het

eerst als openbaar evangeliedienaar was opgetreden; en met Martinus

van Herenthals, den hooggeachten gardiaan van het Augustijnerklooster

in de Achterstraat. Dit moest roomsch en onroomsch bevreemden, te meer

daar het gerucht ging, dat de naar gissing ruim vijf en dertigjarige

vreemdeling door den prins van Oranje aan Ripperda was aanbevolen,

met het verzoek om hem in geene van zijne handelingen te beperken:

maar bij die bevreemding voegde zich ook achting en ontzag, als een

blijk, hoe men den mensch afmeet naar zijne vrienden.

Juist toen doctor Elsen, een hoogst vreesachtig man, aan een paar

naast hem staande burgers zijn angst voor den vreemdeling en zijne

verwondering uitdrukte, dat nog niemand diens geluid gehoord had, werd

op eens de aandacht afgeleid op den vermeenden spion bij het huis van

Coster, en wel door het daverend geroep van: »een spion! een spion!«

--»Waar is hij?« lieten, onder een dicht gedrang, eenigen te gelijk

hooren.

--»Daar tijgt hij te loop, de Smedestraat in!« klonk het,

en oogenblikkelijk verstrooide men zich om den bespieder na te

ijlen. Pellikaen namelijk, had den verdachte geen minuut uit het

oog verloren. Hij had diens vraag gehoord, er min of meer een

Vlaamsch accent in bespeurd en onder diens wambuis een wapen zien

flikkeren. Spijt gevoelende den verdachte niet rechtstreeks te

kunnen aanklampen, had hij zijn vermoeden toch aan een paar burgers

medegedeeld. Deze sloegen hem nu insgelijks gade, en Pellikaen, die

geene rust had, aleer hij overtuigd was, ving nu in zijne onmiddellijke

nabijheid een veelbeteekenend gefluister aan. De verdachte scheen zijne

rol te vergeten, wendde zich schichtig om, zag eenige aangezichten

strak en doorborend op hem gericht, en trachtte vervolgens zijne

rol te hernemen. Hetzij hij zich echter niet op zijn gemak gevoelde,

hetzij hij genoeg had vernomen, hij wilde zich op de onverschilligste

wijze verwijderen, doch op eens riep nu Pellikaen met luider stem:

»een spion!«

--»Een spion! een zevenstuiversman!« riepen ook een paar anderen. Eene

tien- twintigvoudige echo bauwde nu dien uitroep na, en dit was voor

den bespieder het sein, dat hij niet te schielijk zijn heil in de

vlucht konde zoeken.

--»Een spion van duc D'Alf!« klonk het van alle kanten, »een spion! een

zevenstuiversman!« En snel volgden Pellikaen, Matthijzen benevens

eenige anderen den vermeenden Vlaming achterna. In vlugheid moest men

nochtans ver voor hem wijken. In een oogenblik had hij de dichtbij

gelegene Morinnesteeg bereikt, terwijl de mist niet weinig bijdroeg, om

hem voor het oog zijner vervolgers verder onzichtbaar te maken. Juist

echter toen de spion in de Ceciliasteeg gekomen, zijne vaart een weinig

had begonnen te korten, klonk hem op het einde dier steeg eensklaps een

donderend »sta!« te gemoet, en voelde hij zich te gelijker tijd door

eene behendige vuist aangegrepen. Dat was de vaandrig Pieter Dirksz

Hasselaar, de neef van Kenau, een zeventienjarig jonkman en lid van

het St.-Hubertus of jagersgild, die zich naar de markt wilde begeven,

doch nog even eene kennis moest spreken, die in de Ceciliasteeg

woonde. Juist toen hij van de Jansstraat, rechtsom, die steeg zoude

inslaan, vernam zijn fijn gehoor het geroep in de verte; tevens

zag hij den vluchteling vlak voor zich, en geen seconde aarzelende,

greep hij hem, met zijne gewone handigheid, bij het wambuis.

--»Halt, kompaan« riep de vaandrig en sloeg meteen de andere hand

aan diens heup.

--»Houdt hem vast; laat niet glippen!« klonk het op korten afstand,

»'t is een spion van duc D'Alf!«

Maar eer de achtervolgers den tijd hadden, hem dichter te naderen,

voelde Hasselaar op eens een hevigen schok, een krachtigen ruk. Eer

hij het vermoedde, was de spion aan zijne handen ontsnapt; onder

een schimpenden lach sloeg hij, in den mist, over de Jansstraat,

de Lombardsteeg in, en liet aan den jongeling, benevens de overigen,

gaarne de vrijheid, om zich over zijne kracht en snelheid te verbazen.

--»Een geluk voor hem, dat ik zonder musket was,« zeide Hasselaar

spijtig tot Pellikaen en Matthijzen, die zich thans bij hem

voegden. »Bij St.-Hubertus! als ik vleesch noch been had getast,

zou ik meenen een spook te hebben gezien.«

--»Razend jammer!« sprak Pellikaen, »hij is als een haas op de

loop. Maar gij, die op school reeds den roem hadt, dat ge niet glippen

liet, wat u tusschen duim en vinger was.... hoe kost gij hem laten

ontkomen als een gladde aal?«

--»Ik kan er zelf niet bij,« antwoordde Hasselaar, »ik meende goeds

hands te wezen; maar ik kan niet in zijne schaduw staan. Toch durf ik

wedden om eene ton bier uit de Mouthaan, dat gij mij geen van allen

ontslipt, als ik u zoo krachtig beet heb.

--»'t Is om te bersten van spijt!« hernam Pellikaen, »maar ik moet er

haring of kuit van hebben. Naar de Spaarnwouderpoort: want dáár is

hij heen, en 't mocht wezen, dat hij er slib vangt. 't Is een spion

van den Spanjaard. Wie weet, wat euvels hij ons brouwt!«

En zonder op zijne schielijke vraag, wie hem wilde vergezellen, het

antwoord af te wachten, snelde hij van daar. Hasselaar en nog eenige

anderen volgden hem; doch de meesten verstrooiden zich, daar zij weinig

lust gevoelden, om in den grauwen nevel iemand na te ijlen, wiens

talent, vooral van harddraven, hun maar al te zichtbaar gebleken was.

Het gevolg eener verdere nasporing was dan ook, dat de wacht van

de Spaarnwouderpoort verklaarde, eene minuut of tien geleden, de

hamei of kleine poortdeur te hebben ontsloten voor iemand, die met

de persoonsbeschrijving volkomen overeenkwam, doch die niet alleen

geen den minsten argwaan opgewekt, maar ook daarenboven van een goed

poortersbewijs voorzien was.

--»Ja, ja, de vogel is wel gevlogen,« zeide Pellikaen, »maar....tien

minuten! dan moet hij wel bek-af zijn geweest.«

--»Het lijkt er niet naar, hopman!« zeide een der soldaten van de twee

vendels garnizoen, binnen Haarlem, »hij kwam zoo aangaan op zijn gemak,

dat ik nog zeide: »die heeft ook niet veel spoed in de koten!«--Maar

we zullen goeds kijks wezen, als hij weêr aan de hamei komt.«

--»Als het geen spooksel is geweest, dan zal hij voortaan wel

achterwege blijven;« merkte Hasselaar aan; »jammer maar, dat ik

zonder musket was; want op mijne vendrigseer, het zou hem wel eene

vlerk hebben gekost!«.

Onder herhaalde betuigingen van Pellikaen, dat het hem bitter speet,

zich niet in tijds van den spion meester te hebben gemaakt, dewijl hij

vreesde, dat hieruit voor Haarlem iets kwaads zou volgen, en onder

vernieuwde verzekering van Hasselaar, dat hem het gemis van zijn

voortreffelijk musket, de eenige oorzaak van de ontvluchting was,

keerden zij langzamer, dan zij gekomen waren, naar hunne woningen

terug, en spoedig was de gedachte aan den verspieder verdrongen

geworden door het meer gewichtige punt, wat op morgen het besluit

zou zijn van den magistraat.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 1 van 3) · 第 6 / 23 题