De tachtigjarige strijd onzer voorouders is eenig in de geschiedenis
der wereld. Vergeefs naar eene worsteling gezocht, waarin men
scherper tegenstelling vindt tusschen twee partijen, dan Spanje en
Nederland. Spanje rijk, groot door voorspoed, het machtigst rijk van
Europa. Nederland arm, bestemd om door druk te groeien evenals een
boom, dien de storm te steviger doet wortelen; eene schier onzichtbare
stip op de kaart. Aan Spanje ontzaglijke legers, tallooze vloten ten
dienste, legioenen, rijk in zegepraal, die met Karel V aan het hoofd,
geheel Europa hadden doen sidderen. Nederland, wel niet weerloos door
den moed van zoovelen, maar nog zonder geregelde troepen, nog zonder
machtige vloten en nog afhankelijk van de willekeur van den huurling,
die meestal slechts voor geld en buit vocht.
En toch zou een gedeelte van dat nietige Nederland met dat ontzaglijke
Spanje den strijd voeren: tachtig jaren zou het dien volhouden,
als overwinnaar uittreden, aan Spanje de wet voorschrijven. Maar
groot, vermogend ook waren de drijfveeren, die het daartoe in staat
stelden. Of werd er wel iets nagelaten van hetgeen de geest der
terugwerking gewoonlijk beraamt, om den geest der eeuw te bestrijden
en gewelddadig in zijn loop en invloed te belemmeren? Was Spanje's doel
niet de onderdrukking van godsdienstige en burgerlijke vrijheid? Zooals
het toen in ons vaderland geschapen stond, kon het niet blijven: de
vrijheid der drukpers in kluisters; pijnlijke, onteerende straffen,
met bloedige letters boven iedere wet geschreven; de heffing van
een tienden penning,--eene onwettige opgedrongene belasting, die
privilegiën en vrijheden schond en eene wijde deur opende voor nog
grooter afpersingen en volslagen ondergang; velen het land ontwijkende
en nog het overschot der uitgeputte bronnen met zich nemende; tegen
die uitwijking strenge plakkaten, waardoor de verbeurdverklaringen
vermeerderden; de dood aan elk, die slechts eene handbreed afweek van
de oude leer: Vargas die de Hervormden uitroeide; Lumey en Sonoy, die
uit weerwraak tegen de Roomschen woedden--beiden door Alva vervolgd
en te zwak om eene partij te vormen, in den droevigsten toestand;
een Bartholomeus-nacht in Nederland in het verschiet. Neen, zoo kon
het niet blijven: de onderdrukking zelve gaf aan den geest der eeuw
meer veerkracht; de Nederlanders waren toch nog weerbaar gebleven uit
de dagen van ouds; de vonken van vroegere krijgshaftigheid waren nog
niet uitgedoofd: zij zouden gaan strijden om door heel Europa met
eere begroet te worden. Hen miskende de grootheid van dien strijd,
door hem eene lage partijschap te noemen; maar wat de Spanjaardsopstand
heette, was een strijd om God, naar overtuiging, volgens het Evangelie
te dienen. Onze vooronders begrepen niet alleen, dat, door moedig
voor de vrijheid te strijden, zij verlorene eigendommen zouden
terugkrijgen,--zij wisten ook, dat men den eerbied, aan de Godheid
verschuldigd, niet verzwakken kan zonder den maatschappelijken band
te verslappen. Zij wisten ook, dat vrijheid van geweten een schat
is, grooter dan aardsche schatten,--dat de mensch zich dien nimmer
mag laten ontrooven, en dat de geest, die wezenlijk vrij is, noch te
vuur, noch te zwaard kan verwoest worden. Zij hadden eene onbezwekene
volharding onder tegenspoeden: door daden van mannelijken moed wisten
zij er den meesten tegenstand aan te bieden; een heilige plicht scheen
op hen te rusten om de schatten van den geest ongeschonden tot ons over
te brengen; zij gevoelden, hoe onder de leiding der Voorzienigheid
kleine ondernemingen met rijke gevolgen worden bekroond; en dit
verlieze men toch nimmer uit het oog, dat bijna op iedere bladzijde
van de geschiedrol dier dagen zich de vinger der Almacht vertoont.
Is Coster's geboortestad, de wieg en bakermat der verlichting, zij is
ook de hoeksteen, waarop Nederland zijne vrijheid en onafhankelijkheid
heeft gebouwd.
Ik bezocht dat Haarlem. Op de stille straten en grachten verrezen
voor mijne verbeelding de sporen van eene belegerde stad met de
hooge muren en torens, als het hoofdtooneel van zooveel schitterende,
bloedige wapenfeiten, en de kern der moedige bevolking, de schimmen
der vermoorde helden traden mij voor den geest. Verbeeldde ik mij, bij
het helder Spaarne nog het doffe, geplons der verdronkene dapperen te
hooren, te meer eerbied greep mij aan voor de doorluchtige mannen, voor
wie toch elke plek op aarde een eervol graf is; te hooger bewondering
doorgloeide mij voor een moed, die tot zulk eene wraak dwong.
Ik besloot, er eenige tafereelen van te schetsen; maar begreep, dat de
algemeen bekende geschiedenis, zelfs van vóor het verbond der Edelen,
niet genoeg was. Onmisbaar schenen mij de beroemde archieven van
Mr. Groen van Prinsterer, de uitmuntende geschiedenis der Watergeuzen
van Ds. van Groningen, het belangrijk werk van Van der Vijnckt over de
Nederlandsche beroerten. Maar ook alles, wat door geschiedschrijvers
geboekt is, scheen mij niet voldoende om waarachtig historische
personen naar ouderdom, woning, familie-betrekking en stand in de
maatschappij te laten spreken en handelen, in overeenstemming met den
geest en de zeden van het tijdvak. Ik ging een stap verder: ik poogde
toegang te verkrijgen tot het stedelijk archief van Haarlem, tot de
aanteekeningen in de stedelijke registers, en met eene voorbeeldige
heuschheid werden mij die geopend; geen bescheiden wensch was geuit,
of hij werd vervuld. Zoo kwamen mij onder de oogen een uittreksel
uit een dagboek van een ooggetuige, niet in druk voorhanden,
alsook belangrijke bescheiden, alleen in het bezit van bijzondere
familiën. Veel werd door mij in het archief en de registers gevonden,
hoezeer dan ook Mr. Johan van Zuren, in dit verhaal voorkomende,
al de vroedschapsbesluiten sedert 19 April 1572 tot aan de overgave,
alsook de gehoudene correspondentie vernietigde, voorzeker met het
edel doel om vele zijner vrienden en regeeringsleden later niet in
nog grooter ongelegenheid te brengen.
Men klaagt--en misschien niet ten onrechte--dat in geschiedkundige
romans de lezer veel gevaar loopt om het versierde met het gebeurde
te verwarren. Wij willen dit gevaar vermijden, door op ons geweten
af aan te toonen, wat hier verdichting, wat waarheid is. Van al de
opgevoerde personen zijn er geene gefingeerd, dan Maria van Schagen
en Anna Elsen; en letterlijk verdichte gebeurtenissen zal men niet
aantreffen, wanneer men den kleinen tocht van Floris van Schagen
uitzondert. Wat de episode van Magdalena van Duivenvoorde betreft, men
zal wellicht vragen, waarom wij haar kozen op grond van het verhaal,
dat er zich eene vrouw als gevangene in het Spaansche leger bevond. Wij
antwoorden kortaf, dat wij de voorkeur gaven aan deze aanzienlijke
vrouw, ten einde meer kans te hebben om van Duivenvoorde's wezenlijk
karakter èn als held èn als Christen te doen uitkomen.
Thans ten besluite nog dit:
Na de inneming van den Briel had Haarlem de zijde van Oranje
gekozen. Gerrit van Berkenrode, vroeger kannunik, en Hans Coltermans,
ontvanger over het kwartier van Noord-Holland, waren op last van
den prins met de regeering reeds onderscheidene malen daarover in
onderhandeling geweest, zoodat de stad op 3 Juli aan Oranje was
overgegaan.
Op 20 Juli echter poogden de Spanjaarden de stad door verrassing weder
te bemachtigen. Reeds waren zij in aantocht om de Schalkwijkerpoort,
waar slechts een man de wacht had, binnen te rukken, toen dezelfde
Coltermans, de wacht komende nazien, het verraad ontdekte, het vendel
van Ruikhaver en de burgerij in het geweer bracht, de bruggen deed
ophalen en de stad aldus bevrijdde.
Datgene, wat ruim vier maanden later plaats greep, meenden wij het
geschiktste tijdperk tot aanvang van ons eigenlijk verhaal te zijn,
en zoo wij er nog iets hebben bij te voegen, is het deze oprechte
wensch: Moge men onder het lezen dezer flauwe schets evenzeer als ik
van dankbaarheid voor het voorgeslacht gloeien, en moge men als ik
met dezelfde geestdrift van Helmers uitroepen:
Ik juich! Geen grooter heil heeft ooit mijn ziel gestreeld,
Dan dat ik, Nederland, ben op uw grond geteeld!