HAARLEM.

Edelachtbare Heeren!

In 1843 verscheen te Schoonhoven een werk, getiteld Het Beleg en de

Verdediging van Haarlem, door J. van de Capelle, onder den pseudoniem

Bosdijk.

De schrijver droeg het op aan Heeren Burgemeester, Wethouders, Raden

en den Secretaris dezer gemeente en erkende in die opdracht, dat

hij de bronnen ervan grootendeels aan het toenmalig gemeentebestuur

verschuldigd was, »bronnen, die niet alleen aan zijne verwachting

beantwoordden, maar ze verre overtroffen".

Eeuwig gedenkwaardig blijft het Beleg en ook de Verdediging van

Haarlem, niet alleen voor de ingezetenen van die stad, maar ook

in de gevolgen voor geheel Nederland en het romantisch gewaad,

waarin de schrijver zijn boek kleedde, maakt de mededeeling van het

geschiedverhaal des te aantrekkelijker. Volkomen onderschrijft de

tegenwoordige uitgever, wat Bosdijk in zijn opdracht zegt:

»Er ligt iets onrechtvaardigs in, het oog der bewondering alleen op

»de vrijgevochtene of vrijgemaakte" steden te slaan, iets ongerijmds

daarenboven, wijl het juist de weder onder het juk gebrachte waren,

die het meest deden voor de welvaart, voor de vrijheid. Onder deze

staat Haarlem op den voorgrond. Tot nog toe heeft men die stad te zeer

voor Leiden in de schaduw gesteld, omdat God er niet even onmiddellijk

in een zichtbaar wonder nederdaalde. Het beleg van Haarlem echter

is niet alleen een toon- en voorbeeld voor Nederlanders, maar voor

alle natiën, die godsdienstige en burgerlijke vrijheid op den echten

prijs weten te schatten. Die roemruchtige verdediging, die onbevlekte

overgaaf is te weinig bekend;--bij binnen- en buitenlanders te weinig

begrepen, van welk een invloed zij geweest is op het waarachtig

belang der menschheid. Immers, de schakel der gebeurtenissen van

dien tijd nagaande, vinden wij er den samenhang in van zooveel,

dat wij nog als met verbazing aanschouwen. Had Haarlem zich niet

zoolang verdedigd, wat zou er van de grootsche plannen van Oranje,

dien beschermengel der vrijheid, geworden zijn?--Hij toch stond daar

bijna zonder hulp, zonder bronnen, wel omringd door wakkere mannen,

maar ook door zwakke vrienden, twijfelende partijgangers; in Frankrijk

verslagene Hugenooten; in Duitschland koelheid, terughouding van de

meesten, tweedracht onder Calvinisten en Lutherschen; in Engeland

eene staatkunde niet vrij van eigenbaat, schitterende beloften,

armzalige vervulling--doffe insluimering.

»En toch stond daar de prins, vast als een zuil. Ook van hem

kon men zeggen: »Die met geringe middelen machtige verdrukkers

ten onder brengt, is grooter dan een alleenheerscher over een

werelddeel." Naarden had bovendien getoond, dat geen verdrag tegen

woede kon beveiligen: Haarlem spiegelde zich er aan; want zou de

plotselinge overgang van Haarlem niet het sein geweest zijn tot den val

van nog grootere steden, en zou Spanje dan niet al de Nederlanden--die

zich thans konden versterken--onder zijn juk hebben gebracht? Had

Nederland dan kunnen worden, wat het eertijds was en nog is? Het was

dan misschien den doodslaap ingesluimerd; nooit zoude het onder de

rij der volken eene zoo luistervolle plaats hebben bekleed."

Nu ik aan mijn langgekoesterd voornemen, om van dit werk eene

volksuitgave te bezorgen, met het doel het grootsche feit van

Haarlem's beleg nogmaals onder de oogen der natie te brengen, gevolg

heb kunnen geven, acht ik het eene bijzondere eer voor mij, aan het

tegenwoordige Gemeentebestuur, dat de plaats zijner voorgangers heeft

ingenomen, deze nieuwe uitgaaf eerbiedig te mogen opdragen, met de

bede, dat het Haarlem welga en het Uw Edelachtbaren gegeven worde,

te blijven medewerken tot den bloei dezer gemeente, en den wensch,

dat Nederland tot in geslachten hoe langer zoo meer leere waardeeren,

wat het in bange dagen aan de heldhaftige verdediging van Haarlem te

danken heeft gehad.

HAARLEM, Maart 1886.

De Uitgever.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 1 van 3) · 第 3 / 23 题