Viehof lag nauwelijks in den raderbrancard, of reeds bedaarde zijn
spartelen, en toen de huif dicht was, en hij zich voelde wegrijden,
schokte zijn lichaam nog enkel van ingehouden lachen.
Dat was een stap tot den vrede! Een paar dagen was hij nu allicht onder
dak, en zoolang had hij tijd tot nadenken. Een uitweg was altijd te
vinden, als men maar even rust had, en dat gesnater van zoo’n Arnolds
niet hoorde.
Naar den cercle en vragen om reisgeld, was één middel, doch dat bedierf
de toekomst. Zich als behoeftig vreemdeling over de grenzen te laten
zetten, was een ander. Maar dat was tegenwoordig ook niet alles.
Vroeger ging men tenminste per spoor, maar nu moest men wandelen.
Althans heele einden, met een gendarme tot gezelschap, die het iemand
liet merken, dat hij zoo’n opdracht niet plezierig vond! Dat had hij
eens gehad, toen hij uit de Belgische gevangenis ontslagen was, en....
nooit meer, als hij er buiten kon.
Hadden ze maar een retourtje genomen! Dat was weer de koppigheid van
Arnolds geweest. Die contrarieerde hem altijd.
Een hevig gekittel in zijn neus brak zijn gedachten af. Met geweld
onderdrukte hij het niezen, wat den aandrang slechts erger maakte.
Wanhopig greep hij met de rechterhand zijn neus en kneep dien dicht, om
althans het geluid te smoren, want dat was al te gek! Een niezende....
hm, hm.... Geen zakdoek in zijn linkerbroekzak, maar iets, iets....
De niesbui was overwonnen door pure verbazing.
Was dat uit zijn zak gekomen? Het moest wel, want de zakdoek was en
bleef weg.
Een pakje bankbiljetten, met het witte strookje en blauw
kringstempeltje van den cercle! Aan de kleur te zien.... ja waarachtig!
Voorzichtig had hij de hoeken omgebogen. Een pakje, dus tien briefjes
van duizend francs!
Zonder meer beweging te maken, dan hoogst noodig was, scheurde hij het
strookje door en verfrommelde dat, nam één biljet en stak dat in zijn
vestzak, en bergde eindelijk de negen andere in zijn borstzak, ze
schuivende in de gaping van zijn portefeuille. Ziezoo!
Hij wilde nog denken, maar kon niet. De spanning was uit zijn zenuwen,
en dan volgde altijd, wat hij nu al voelde aankomen.... De huif boven
hem begon te draaien. Stond men stil? Ja, gelukkig. Als dat even zoo
bleef, zou hij er misschien overheenkomen.
Maar daar ging het de hoogte in en weer naar de laagte. Een schokje.
En toen de behulpzame politiemannen de huif hadden opengeslagen,
richtte hij zich op met een ruk, en....
Men was op een politiebureau aan velerlei surprises gewoon, maar dit
was al te koddig!
Viehof stond nu op zijn beenen, voorovergebogen, terwijl zijn maag zich
ontlastte van haar inhoud, bij elke rustpauze wilde blikken in het rond
werpend.
„Un ivrogne, tout simplement!”
En spottende blikken troffen den man, die daarvoor een raderbrancard
had gerequireerd.
„Mais non, c’est un monsieur!”
Viehof had elk woord gehoord, en wilde protesteeren. Maar hij kon niet,
en deze machteloosheid veroorzaakte bijna, wat hij in het eerst
gesimuleerd had.
Een paar der agenten schenen nu de zaak iets ernstiger in te zien dan
voorheen, en schoten toe, hem ondersteunend, terwijl na eenig
geschreeuw een derde werd heengezonden om water.
„Un coup de soleil, peut-être?”
„Tiens, avec ce beau ciel là!” kreeg de man terug, met een blik en
vingerwijzing naar den bewolkten hemel, die een braaf politieman ook
ziet, al is hij binnenshuis.
Viehof greep werktuigelijk in zijn zak, en weer geen zakdoek vindend,
zette hij in ademnood een vinger tegen zijn linker neusvleugel,
snuivend. Toen tegen den rechter.
„Un mouchoir, ou chose.... Monsieur n’en a pas!”
Het was half in ernst, half spottend geroepen.
Men kwam nu met water en een doek, waarvan Viehof zich bediende, zooals
de omstandigheden meebrachten.
Eindelijk kreeg hij lucht. Zoekend, tastend, tot hij ten slotte
arriveerde bij het biljet, dat hij in zijn vestzak verstopt had, haalde
hij dat te voorschijn.
„Changez moi cela,” zeide hij.
Iedere gedachte aan iets onbehoorlijks was verdwenen. Een briefje van
duizend francs. Un monsieur pourtant!
En terwijl men Viehof op alle mogelijke manieren te hulp kwam, holde
een agent weg, om het biljet te wisselen.
Hij gaf eenige vage verklaringen. Een ziekte, die hij in lang niet
gehad had.... een Hollander, op bezoek in Parijs.... het speet hem de
heeren lastig gevallen te hebben.... een fiacre om in zijn hôtel terug
te komen.... onderweg zou het wel overgaan.
Toen hij eindelijk in het rijtuig zat, en terugreed naar het hôtel, dat
hij zoo onheusch had verlaten, bekende hij zichzelf, nog nooit zoo van
geld te zijn geschrokken.
In het hôtel keek men zijn oogen uit. Of meneer de kamer weer betrekken
zou, met Madame?
Geen quaestie van, na zoo’n behandeling. Ook die andere heer zou straks
komen, óók alleen om te betalen en zijn goed te halen.
Men gaf Viehof het zijne mee, zich excuseerend over de vergissing.
Schouderophalend gaf hij last zijn bagage in en op den fiacre te
stuwen, en toen dat geschied was, duidde hij de richting aan: Gare du
Nord.
Maar onderweg tikte hij den koetsier aan, en liet hem rijden naar een
ander hôtel.
Wat nu te beginnen? Het was lastig nadenken, met een leege maag. En
daar bestond op het oogenblik geen noodzaak voor. Dus, eerst wat gaan
eten.
Hij deed dit, en het bracht hem in een heel andere stemming.
Wat drommel, met tienduizend francs in zijn zak, behoeft men niet te
kniezen. Als hij nu maar wist, waar Fifi zat. Hij had geld, dus dacht
hij weer aan haar, zooals zij in zoodanig geval aan hem dacht. Maar het
was zoeken naar een speld in een hooiberg. Hij kon haar moeielijk laten
omroepen.
Tiens! Daar viel hem iets in. Morgen was het Zondag, en er waren
courses in Auteuil. Als dat ongeval niet gebeurd was, zouden zij erheen
gegaan zijn. Wie weet... zij had hem nooit verteld, wat ze uitvoerde,
op haar tochten nu en dan, als er eb in hun kas was, en uit discretie
had hij er nooit naar gevraagd. Maar met courses zou het wel in verband
staan.
Dus trok hij den volgenden dag naar Auteuil, in een dier goedkoope
chars-à-bancs, die er heen rijden. Want, als hij alleen was, betrachtte
hij groote zuinigheid, zelfs met kapitaal in zijn bezit. Ja, uit
voorzichtigheid had hij zelfs zijn geld in het hôtel achtergelaten, en
maar een honderd francs of wat bij zich gestoken. Het kon zijn, dat hij
Arnolds ontmoette, en dan had diens speelduivel hem ook te pakken.
Bij het terrein aangekomen, aarzelde hij. Pesage was zoo duur! Maar,
aan den anderen kant, als hij Fifi zocht, moest hij ook dáár kunnen
komen. In godsnaam dan! En hij offerde zijn vijftig francs entrée.
Als van den donder getroffen bleef hij staan.
Daar zag hij een groepje van drieën: Fifi, Leda en... niemand minder
dan Wiechen! Was die het dan? Hij kon het niet gelooven.
Fifi ijlde op hem toe.
„Ah, chéri! Waar kom je vandaan? Waar is Arnolds?”
„Ik weet het niet,” erkende hij, koel. „Wat doe jij hier?”
„Spelen, om weer bij je te komen,” zeide zij eenvoudig. „Heb je iets?”
„Jawel, maar niet veel,” zeide hij.
Zij rukte hem het program uit de hand.
„Zet wat je kunt hier.”
Zij had een vluggen blik in het rond geslagen, en kraste toen met haar
nagel in het papier.
„Een tuyau?”
„Ja, maar stipt geheim. Ik mocht het niet verklappen. Alleen aan jou
doe ik het. Laat me nu. Allons, chéri, sois sage. Ga naar Holland
terug. Ik kom gauw na.”
„Met Wiechen?” grijnsde hij.
„Neen. Il n’est rien là-dedans. Ik probeer alleen wat uit hem te
kloppen voor die arme Leda. Maar hij is zoo hard! Is hier geloof ik
alleen maar om zich te laten kijken, en zet niets. Ga je gang nu, en au
revoir.”
Zij wipte weer weg.
Viehof verliet den pesage. Dat Fifi het geld niet uit de keien sloeg,
begreep hij ook, maar nu hij gezien had... Hij moest niet meer van haar
gehuichel hebben. Wiechen of niet Wiechen, het kon hem nu niets meer
schelen. Maar het was uit tusschen hen.
Inmiddels, wat zou hij doen? Een tuyau? Het kon zijn. Nu, voor het
laatst dan! En hij zette al wat hij bij zich had, slechts enkele francs
bewarende, om wat te drinken en thuis te kunnen komen.
Als men alles vooruit wist!
Als hij nu eens voor de eerste maal roekeloos geweest was, en niet zoo
stom voorzichtig, om zijn geld thuis te laten! Hij telde niet eens na,
wat hij kreeg. Het moest een outsider geweest zijn.
Ja, als.... Want zoo’n fortuintje overkwam iemand voor geen tweede
maal...
Toch was het aardig.
Die vervloekte meid! Als zij hem dat eerder gezegd had...
Hij nam een besluit. Ja, nu wist hij wat hij wilde. Hij had eens een
tante diep gegriefd, door haar handteekening na te maken. Het goede
mensch was geëindigd met te betalen, om haar neef niet in de gevangenis
te zien. Tevens had zij aangeboden hem passage en een som gelds
bovendien te verschaffen, als hij naar een ver land wilde vertrekken.
Niet dat zij geloofde aan zijn beterschap, als hij weg was; maar men
compromitteerde zijn familie tenminste niet. Immers of een zekere
Viehof in Amerika voor drie jaar de kast inging, hoorde of las men niet
in Holland; wèl echter, als die zelfde Viehof in Holland slechts werd
vervolgd en vrijgesproken.
Hij besloot de zee tusschen zich en Fifi te zetten, en tevens tusschen
zijn tante en hem. Het laatste zou hij op den voorgrond stellen, want
anders betaalde zij zijn passage niet, en gaf hem niets mee.
Viehof verwijderde zich van het terrein, en keerde naar Parijs terug,
zich verder met een in hem schaarsche energie haastende om zijn plan te
volvoeren.
De tante, die stil leefde, maar toch niet zóó stil, of als haar neef in
Holland iets overkwam, dat toch gehoord of gelezen zou hebben, bleek
alsnog bereid haar woord gestand te doen. Zij was echter een practische
vrouw, en wilde boven alles zekerheid hebben, dat haar neef ook
inderdaad naar verre gewesten zou vertrekken. Na eenige ruggespraak had
hij Australië gekozen, wat meer in haar smaak viel, omdat het nog
verder weg was dan Amerika. Zij nu liet passage voor hem nemen, en
stelde hem bij zijn vertrek geen geld, dan het noodige voor onderweg,
doch een passagebiljet ter hand, zoomede een wissel op Melbourne, die
dus dáár moest worden geind.
Was zij minder voorzichtig geweest, wellicht zou Viehof inderdaad in
Australië zijn aangeland. Nu bracht al dat gedoe hem op een denkbeeld.
Namelijk om niet te gaan, en toch de duiten op te strijken.
Hij kreeg dit op de hulpboot, die van Antwerpen naar Southampton voer,
waar hij op de groote boot zou overgaan. Op die hulpboot was een
medepassagier, die in een tegenovergesteld geval verkeerde, te weten
tot Southampton passage te hebben genomen, met het doel vandaar naar
Australië door te gaan. Welnu, een compromis was spoedig gesloten. Men
ruilde de biljetten, terwijl Viehof het verschil toekreeg.
Ook de moeielijkheid van het innen van den wissel vond haar oplossing.
Viehof gaf dien afgeteekend mee aan den steward van de groote boot, die
op zich nam het bedrag te Melbourne onmiddellijk te innen, en weer over
te maken naar Southampton, aan Viehof’s adres poste restante. Een goede
fooi bewoog dien man bovendien tot nog iets anders. Hij verkocht aan de
passagiers prentbriefkaarten van alle plaatsen onderweg. Daarvan nam
Viehof een serie, en adresseerde en teekende die aan zijn tante, waarop
de steward ze bij zich nam, om ze aan het goede mensch van elke plaats
waar men aandeed, successievelijk te verzenden, tot Melbourne toe. Dat,
meende Viehof, had die lieve tante wel aan hem verdiend, dat hij haar
van reis en aankomst eenig teeken stuurde.
Aldus te Southampton afgestapt, dacht Viehof er eerst over naar den
Haag terug te keeren, doch een kleinigheid deed hem blijven.
In de bar van het hôtel, waar hij zijn intrek genomen had, zaten een
paar mannen te praten. Viehof zag, dat de een in zijn hand een strookje
papier hield, dat hij den ander telkens weer toonde. Het leek sterk op
een accept.
Van plaats veranderende, zoodat hij het gesprek kon opvangen, bleek
hem, dat het inderdaad over een kleine geldleening liep.
Het was toch overal eender. In den Haag, zoowel als in Southampton. Ook
hier waren menschen die geld zochten, anderen die het plaatsen wilden.
En toen vroeg hij zich af, waarom hij, nu hij geld had, met alle geweld
naar den Haag terug wou? Niemand zou hem daar bijzonder welkom heeten.
En hier, of elders, overal was het eender. Hij had kapitaal, ginds zat
een man die geld zocht, en een ander die het blijkbaar gaarne zou
verstrekken, maar het op het oogenblik niet had.
Een begin was een begin. En brutaalweg trad hij op het tweetal toe,
bekende bij toeval hun gesprek te hebben gehoord, en verklaarde zich
bereid to do a business. De anderen keken eenigzins vreemd op, maar de
man die het geld noodig had, stapte over bezwaren van etiquette heen,
en noodigde Viehof plaats te nemen, terwijl de ander met een nijdig
gezicht heenging.
De man met wien Viehof had kennis gemaakt, bleek een fatsoenlijk
kruidenier te zijn, die voor een week of zes dertig pond noodig had. En
Viehof nam zijn accept zonder veel praten, maar vroeg toen
tegendiensten.
Eenige dagen later was hij geinstalleerd op een klein kantoor, en zette
geld uit tegen hooge rente, voorloopig aan geen andere dingen denkende.
De Australische wissel, die eindelijk aankwam, bezorgde hem een
introductie bij een bankier, dien hij de incasseering opdroeg. Men had
reeds van hem gehoord, en stond verbaasd over de relatiën, die men
meende dat hij had, tot zelfs in Australië. Al pratende bood men hem
gelegenheid tot disconteeren, precies als Wiechen voorheen had bij
Karsten & Co. En beginnende met kleine postjes, maakte hij daarvan hoe
langer hoe ruimer gebruik, tot het kapitaaltje dat hijzelf
oorspronkelijk had ingebracht, slechts een zeer gering deel meer
uitmaakte van zijn omzet.
Eens per jaar stak hij geregeld over naar Frankrijk, en speelde kleine
bedragen op de courses. Hij keek dan steeds uit naar het gezichtje van
Fifi, doch zag haar nooit meer, en niemand dien hij kende kon hem
zeggen waarheen zij gevlogen was.