HOOFDSTUK XVIII.

Toen van Vleuten en Betsy instapten, en Mietje van hen een roerend

afscheid nam, zagen zij verder niemand dien zij kenden.

Toch bleef hun vertrek niet onopgemerkt. Op het perron stond Boom, die

met open mond naar het afscheid keek. Wat was dat? Als het een

tijdelijke afwezigheid, een plezierreisje, gegolden had, zou zich die

meid niet zóó hebben gedragen. Dat stond vast. Dus een vertrek voor

goed? Dat was niet kwaad voor hem, want dan was het tusschen hen in

orde, dat wil zeggen, dat dan van Vleuten zelfs de tweehonderd twintig

gulden, die hij hem inderdaad zou moeten geven, in den steek liet. Hij

bofte toch altijd! En hiermee was tevens de kans voorbij dien

vervelende kerel hier ergens tegen het lijf te loopen. Want al was hij

nu geborgen, en kon hem niemand wat doen, zulke ontmoetingen als laatst

in Central, waren onplezierig.

Een trein stoomde binnen. Boom keek even langs de portieren, en zag den

man, die hem per telegram hier bescheiden had, Beenhuis.

„Bonjour,” groette deze. „Het is goed dat je gekomen bent. Ik wou je

vragen iets voor mij te doen. Laat ons ergens heen gaan, en wat

gebruiken. Ik blijf een paar treinen over om met je te spreken.”

„Luister eens,” zeide Beenhuis. „Wil je voor mij een zaakje opknappen

in München? Ik heb op het oogenblik geen tijd, en ga er ook liever niet

heen.”

„Leg me eerst uit wat het is,” zeide Boom. „Om naar München te gaan,

heb ik wel tijd, maar ik dank er voor, om in jouw plaats opgepakt te

worden.”

„Geen vrees,” lachte Beenhuis. „Het zou een quaestie van gijzelen zijn,

en dan kunnen ze den verkeerden toch nooit nemen. Ik zal je de zaak

uitleggen. Ik ben een poos geleden naar München geweest, en heb voor

een kennis, die in den diamanthandel is, een collier meegenomen, om zoo

mogelijk te verkoopen. Dat is ter bezichtiging gegeven aan een rijken

Jood, die er wel zin in had. Maar het ongeluk wil, dat mijn mannetje

daar, toen het op het sluiten van den koop aankwam, heeft verteld, dat

ik het er gebracht had. En het toeval wil, dat degeen, die het had, ook

met mij in relatie stond.”

„Dat wil voor een gewoon mensch zeggen, dat je schuld aan hem hebt. Is

het niet?”

„Nu, ja. Een wisseltje van vierduizend francs. Dat komt terecht, zoodra

een andere zaak afloopt.”

„Dat kennen we,” zeide Boom. „Als je er niet buiten kunt. Maar verder.”

„Welnu,” meende Beenhuis, „de zaak is hoogst eenvoudig. Er hoeft maar

iemand naar München te gaan, en de noodige stappen te nemen, om namens

mijn vriend dat collier te reclameeren. Men heeft gedacht, dat het van

mij was, en zich daarin vergist. Zoodra hij het reclameert, wordt het

afgegeven. Misschien moeten er een paar gerechtelijke stappen gedaan

worden, maar dan is het ook uit.”

„Wat verdien ik eraan?”

„Vijfhonderd pop en vrij reis en verblijf. Altijd, als je er niet

langer dan een week over doet.”

„Waarom gaat je vriend niet zelf?”

„Als het noodig is, en men hemzelf wil hebben, heb je maar te

telegrafeeren. Maar hij is niet handig in zulke zaken, en heeft geen

voorkomen. En dat heb jij wel. Men ziet je voor heel wat aan.”

Boom was gevleid.

„Als wat moet ik me dan vóórdoen?” vroeg hij.

„Wel, als jezelf. Toevallig moest je voor andere zaken naar München, en

nam deze bezigheid mee.”

„Waarom wend je je niet direct aan een advocaat te München?”

informeerde Boom. „Ik zal er toch ook een aan de hand moeten nemen.”

„Er is spoed bij. Het collier was commissiegoed, en mijn vriend moet

het verantwoorden. Met schrijven en opdracht geven aan een advocaat,

gaat teveel tijd heen. Bovendien kan hij het elders verkoopen, en

verdient dan zijn commissie.”

„Dan moet het nogal wat waard zijn,” zeide Boom, „dat jelui er mijn

reis naar München en dat bedrag voor over hebt.”

„Veertig duizend francs.”

„O zoo!”

„Dus doe je het?”

„Als je me de reis- en verblijfkosten voorschiet.”

„Goed. Ik heb zooveel niet bij me; maar als je morgenmiddag in Brussel

komt, zullen we je met het noodige opwachten. Aangenomen?”

„Wie is je vriend, dien het aangaat?”

„Katrol.”

„Aha,” deed Boom. „Is het dan weer zoo’n zaakje, als... je weet wel....

Amsterdam?”

„Neen, dat is maar een naamgenoot. Nu, doe je het?”

„Waarom niet? Ik wil altijd graag wat verdienen,” zeide Boom. „Alleen,

ik ga niet zelf. Ik zal je iemand aan de hand doen, die zeer geschikt

is het zaakje voor je op te knappen, en te naief om het gevaar te

begrijpen, waarin hij zich begeeft.”

„Je bazelt. Wat is er voor gevaar? Het is een eerlijke zaak.”

„Zóó eerlijk, dat jelui het geen van beiden aandurft, enkel uit vrees

opgepakt te worden.”

„Geen oogenblik. Ik heb je precies verteld waarom ik er niet heenga. En

Katrol is te.... hoe zal je het noemen? Niet flink genoeg.”

„Nu,” zeide Boom, „laat ons dan maar zeggen, dat ik er ook niet flink

genoeg voor ben. Wil je het adres hebben, of niet? En als je bent

geslaagd, geef je mij wat je minder dan zevenhonderd pop aan den ander

betaalt.”

„Goed,” zeide Beenhuis. „Weet je, dat Wiechen in Parijs is?”

„Ja,” zeide Boom, hem een papiertje overhandigende. „Hier heb je het

adres. Wat doet onze vriend daar? Ook bankier spelen?”

„Neen,” antwoordde Beenhuis. „Hij geneert zich met zijn andere

bezigheid. En hij heeft heel wat te doen, naar het schijnt.”

„Zoo maar publiek?”

„Och, je weet, Parijs is de stad ervoor. Men neemt het daar zoo nauw

niet. Als hij maar zorgt nooit ongelukjes te hebben, gaat het wel.

Buitendien heeft hij een jong dokter aan zich verbonden, die hem dekt.”

„Dat is het verstandigste, dat hij doen kon. Zijn faillissement hier

moet ook erg meevallen. Het schijnt meer gedaan te zijn om de

vorderingen gemakkelijk binnen te krijgen. Als je geen eergevoel hebt,

is het een manier.”

„Eergevoel?” vroeg Beenhuis spottend. „Je moest hem dat eens durven

zeggen! Hij klampte mij laatst aan, en wou in den Cercle geintroduceerd

worden, waar ik hem vroeger zelfs al niet in had willen meenemen. En je

had meneer eens moeten zien, toen ik hem zei, dat daar geen

mogelijkheid op was.”

„Dat is parvenu-achtigheid,” meende Boom. „Zou je mij, niettegenstaande

ik arm ben, in je cercle willen introduceeren?”

„Zelfs als je in Parijs woonde. Temeer, omdat je mij zooeven den gang

naar München hebt geweigerd.”

Boom glom van genoegen.

„Nu,” hervatte Beenhuis, „ik ga op je adres af. Wat drommel, is het een

advocaat?”

„Ja,” zeide Boom. „Maar vertel hem niet teveel van les dessous de

l’affaire, want anders doet hij het natuurlijk niet.”

„Alweer begrepen. Dankje intusschen, en mijn woord houd ik.”

Zóó moest het gaan, vond Boom. Kalmweg een ander de kastanjes uit het

vuur laten halen, en de nette meneer blijven, die enkel profiteert, als

er wat te profiteeren viel. Hij had een gevoel van groote

behagelijkheid over zich. Als men toch maar zooveel had, dat men netjes

leven kon! Dan was het geen kunst meer om vooruit te komen. Met een

simpel gangetje naar het station en het opkrabbelen van een adres, had

hij toch minstens een paar honderd pop verdiend, vandaag.

Eén oogenblik dacht hij nog aan dien jongen advocaat, die er zeer

waarschijnlijk in zou vliegen. Als het zaakje bekend werd, was hij zijn

reputatie kwijt. Maar dat was onwaarschijnlijk. Bracht hij het er

handig af, dan had hij het dubbele voordeel, wat van de wereld te

hebben gezien, en wat te hebben verdiend.... als Beenhuis hem betaalde.

Want stommer wezens dan jonge, ja zelfs oudere advocaten, had hij op

dat op dat gebied niet gezien. Ze vertrouwden altijd op de eerlijkheid

hunner cliënten. Ze moesten al heel wat ervaring hebben in de wereld,

om te weten, dat de cliënt gewoonlijk bij hen komt, als hij ergens over

in het nauw zit, en zich weinig over hem bekommert wanneer de zaak goed

is afgeloopen. Wie dat goed besefte, kon advocaten zoo netjes om den

tuin leiden, als hij wilde. En dat was Beenhuis toevertrouwd!

Het was toch gek. Zoo’n advocaat werd door Beenhuis natuurlijk

beetgenomen, en nooit betaald. Maar hij zou het wel uit zijn hoofd

laten, om hem niet te betalen. Onder elkaar altijd eerlijk, zooals

Arnolds laatst op Woestduin zeide. Waar die toch bleef?

„Bonjour, amice!”

Boom keerde zich om, op het hooren van de bekende stem.

„Zoo!” begon hij, doch stokte. „God, kerel, wat zie je er uit!”

Inderdaad, Boom had reden voor dien uitroep.

Arnolds, hoewel gewoonlijk eenigzins nonchalant gekleed, zag er nooit

sjovel uit. Moest Boom steeds alles in de puntjes hebben, om er niet

dadelijk als een burgerjongen uit te zien, Arnolds kon daarentegen

desnoods een oud ding aantrekken, zonder dat het opviel.

Maar nu....!

Ongeschoren, een vuil papieren boord en front, glimmende jas, te wijd

vest, een broek met knieën en roodachtige schoenen.... dat was niet

meer nonchalant, maar shabby.

Boom keek snel rond, of ook een kennis hem zag, en toen duwde hij

Arnolds de deur in van een kroegje in de Wagenstraat.

„Wat is er gebeurd?” vroeg hij, nadat zij aan een tafeltje hadden

plaats genomen, en bier besteld.

„’t Is donderen met me. Kan je wat eten voor me bestellen?”

„Zeker,” zeide Boom, op het tafeltje tikkend. „Waar is Viehof?”

„In een hospitaal, of zooiets, in Parijs,” antwoordde Arnolds. „Laat me

eerst wat bijtrekken, dan zal ik je geregeld vertellen.”

Boom keek op zijn horloge. Hm, zijn vrouw wist niet beter of hij had

een lange conferentie, dus kon er nog wat bij.

Hij bleef derhalve, nadat hij voor Arnolds wat had besteld, geduldig

wachten, tot de ander zijn honger gestild had, die blijkbaar groot was.

„Hè!” deed Arnolds eindelijk. „Ik heb in lang niet zoo genoeg gegeten.

Doet dat goed!”

Nu begon hij zijn verhaal.

Met Viehof was hij eerst naar Ostende gegaan, toen naar Namur, en

eindelijk naar Parijs, met het doel zuidelijk af te zakken. Zij hadden

geluk gehad.

„Toen we te Parijs kwamen,” zeide hij, „stonden we aan het hoofd van

ruim dertigduizend francs!”

Bij de vermelding van dit bedrag kwam even de oude levendige

schittering in zijn oogen.

„Weer verspeeld? Stom vee!” riep Boom.

Arnolds trok de schouders op.

In Parijs hadden zij toegang gekregen in een cercle, en daar met

afwisselend geluk gespeeld. Ja, niettegenstaande hun vrij groote

uitgaven, zagen zij hun geld vermeerderen. Maar het ging niet vlug

genoeg. Dat lag aan het slappe seizoen. Men wilde tegen hun geluk niet

houden. Zelfs de directeur van den cercle, dien Boom ook wel kende van

vroeger, toen hij nog croupier in Trouville was....

„Dergesne!” riep Boom uit.

....raadde hen aan, als ze geld wilden maken, nu naar Trouville te

gaan. En daartoe besloten zij, maar wilden nog één avond te Parijs

blijven, om hun geluk te probeeren.

Toen, den middag tevoren....

„Wien denk je, dat we zagen?” vroeg Arnolds zijn verhaal afbrekend.

„Hoe wil ik dat weten,” zeide Boom.

„We zaten met de vrouwen tegenover dat tentoonstellingsding aan den

ingang van het Bois. Daar komt een vrij chique karretje voorbij, met

poney. Raad eens.”

„Wiechen toch niet?”

„Precies geraden. Ik riep hem aan, maar hij bleef stijf vóór zich

kijken. Misschien hoorde hij het niet, of was er niet op verdacht zijn

naam door een bekende te hooren uitroepen; en trouwens hij zat zoo

stijf als een Engelsche koetsier. Fifi zei dadelijk: „Laat ons niet

meer spelen; die man brengt overal ongeluk aan.” Maar we lachten erom.”

Hadden ze haar raad maar gevolgd. Eigenlijk was Viehof het geweest, die

dien avond de veine wilde forceeren. Met het gevolg, om kort te gaan,

dat zij dépouillés waren geraakt. Geen cent overgehouden. De meisjes

waren er vandoor gegaan, de bagage door het hôtel aangehouden....

enfin, het gewone liedje in zoo’n geval.

Die verduivelde Viehof had er zich door gered, door ineens, midden op

den Boulevard, in elkaar te zakken en te gaan liggen spartelen. Hij was

weggedragen. Arnolds was te verbouwereerd geweest, om dit voorbeeld te

volgen, of iets dergelijks te doen. Trouwens, dat was altijd moeielijk.

Men kan zooiets niet nadoen, of het loopt teveel in de gaten.

En zoo was hij op de gebruikelijke manier afgezakt naar Holland, te

weten door alles te verpanden, wat hij aan waarde bij zich had, en

zelfs zijn kleeren voor deze plunje te verruilen. Derde klasse, en geen

eten. De douane vroeg hem niet eens of hij wat te declareeren had!

Het ergste moest nog komen. Blij weer in den Haag te zijn, had hij zich

naar huis gespoed, dat wil zeggen naar de woning van zijn vader.

Gesloten! Iemand van ernaast wist te vertellen, dat de familie opreis,

of naar buiten was, en de dokter plotseling weggeroepen bij een erge

patient in het Zuiden van Frankrijk. Dat kende hij. Die erge patient

was de speelzaal in Ostende of elders. Daar moest weer worden

opgemaakt, wat een heel jaar was verdiend, en nog meer erbij.

„Wat doe jij anders?” vroeg Boom met rechtmatige verontwaardiging. „Je

had zoo’n mooi sommetje om te beginnen, en als je verstandig was

geweest, kon je het nu net zoo goed hebben als ik. Waar slaap je

vannacht?”

„Kan jij me niet bergen?”

„Onmogelijk. Ik zou de grootste herrie krijgen.”

„Leen me dan een kopstuk.”

„Hier. Maar ik maak een voorwaarde. Je klampt morgen een ander aan.

Want ik heb niet zóóveel, dat ik je iederen dag zou kunnen te eten

geven en laten logeeren, tot je familie thuiskomt. Zoo eens in de week

kan ik je wel een rinkie geven, en dan moet ik het zelf nog

uitzuinigen. Als andere kennissen hetzelfde doen....”

„Goed. Dan kom ik vandaag over acht dagen bij je.”

„In godsnaam niet!” riep Boom verschrikt uit. „Je weet zoo ongeveer hoe

laat ik ’s middags door de Spuistraat kom. Wacht me dan op, en.... zoo

stilletjes stop ik het in je hand. Geen bonjour amice, of zoo, hoor!”

„Ik begrijp je,” zeide Arnolds. „Laat me hier nu maar zitten, en ga

heen.”

Boom stond op. Hij riep den kastelein, en betaalde wat Arnolds hem liet

doen, onderwijl den rijksdaalder in de hand houdend, zóó dat de

kastelein dien zien kon.

„En wat krijg je van mij?” vroeg Arnolds, toen Boom weg was.

„Niets meneer, die meneer heeft alles betaald.”

„O!” deed Arnolds, met den rijksdaalder spelend. „Heb je hier soms

slaapgelegenheid? Voor één nacht maar, want ik heb het koopje, dat mijn

familie op reis is.”

„Heel goed meneer,” zeide de kastelein. „Voor dertig, veertig, of

vijftig cent?”

„Vijftig cent,” zeide Arnolds voornaam.

„Alsublieft, meneer” zeide de kastelein, den rijksdaalder uit Arnolds

vingers nemend, en hem twee gulden teruggevend. „Wilt u nu al naar

boven gaan?”

„Geef me eerst nog een cognacje.”

Arnolds had zich goed gehouden, maar zooiets had hij nog nooit beleefd.

Hij keek rond op de kamer, die men hem had aangewezen.

Zij was spaarzaam verlicht door een petroleumpitje, maar leek toch niet

onvriendelijk. Er stonden twee bedden in, en overigens het gewone

gerei. ‚U blijft alleen’ had de kastelein gezegd, wat waarschijnlijk

beteekende, dat hij de kamer anders had moeten deelen met een ander.

Maar zelfs dan nog, had hij in zijn leven niet zoo goedkoop gelogeerd.

Misschien kwam er nog ontbijt bij!

Die goedkoopte hinderde hem. Hij was opgevoed in een kring, waarin het

goedkoope werd vergeleken met het minderwaardige. Een zelfde kamer

kostte in de „Twee Steden” een rijksdaalder, in „Vieux Doelen” een

gulden of vier. Altijd de helft ervan, wat de ruimte betrof, zoodat er

een muurtje of beschot was tusschen de twee bedden. Had hij betere

kleeren gehad, dan zou hij in de ‚Doelen’ zijn gegaan, met een los

daarheen geworpen praatje over het niet thuis zijn van de familie, en

men zou hem gelogeerd en gecrediteerd. Hier moest men vooruit betalen.

Het laatste was een oplossing! Men was bang voor zijn geld! En dat

teekende de geheele situatie. Waar men bang was voor zijn geld, ontving

men gemeenlijk minderwaardig soort lui. Daartoe werd hij dus gerekend,

en.... op het oogenblik terecht. Er moest weer heel wat gebeuren, eer

hij weer was, die hij zijn moest. Hij was onder nul. Hoe moeielijk het

zou zijn om daar weer over heen te komen, bewees hem het geval van

vandaag met Boom. Dat heer nam airs aan!

Maar aan den anderen kant viel er ook wat uit te leeren.

Heel fideel was hij met een „Bonjour amice” op hem af gekomen, zonder

er zelfs aan te denken, dat hij er niet precies presentabel uitzag.

Daarop had Boom hem te eten gegeven en nog een rijksdaalder toe. Wat

drommel, als hij nu toch aan lager wal was, waarom zou hij voorloopig

niet van deze positie profiteeren? Een oude kennis, een schoolvriend,

kon men met eenzelfde „Bonjour amice” een stuip aanjagen, als men hem

ergens tegenkwam, waar men vroeger flaneerde.

En wat misschien in geen andere stad zou gelukt zijn, gelukte in den

Haag.

De een vóór, de ander na, schrikte van het „bonjour amice,” door de

neusstem van Arnolds geuit, altijd op het oogenblik, dat men minder van

zijn gezelschap gediend was. Gaandeweg werd hij door al zijn vroegere

kennissen gepensionneerd. Niemand had den moed hem af te bijten.

Dikwijls hadden zijn contribuabelen het land, en meenden, dat de

politie zoo’n sujet van de straat moest weren. Want hoewel Arnolds hun

wekelijksche bijdrage nimmer vergat te innen, zij vergaten die weleens

klaar te leggen, of op de afgesproken plaats te zijn als hij er kwam.

En dan klonk zoo’n ongelukkige vast en zeker het „bonjour amice” in de

ooren, erger dan het maanbriefje van de belasting.

Het was lastig voor beide partijen. Arnolds erkende dit volkomen. Zijn

heele Zaterdag was er mee gemoeid, en zelfs hadden sommigen nog den

toupet hem op een anderen dag te bescheiden. Hij dacht erover na, of

daar niets op te vinden zou zijn. Het was toch eigenlijk onzin, zoo’n

heelen dag door de stad te dwalen om de duiten te garen, precies op de

minuut zijn, daar waar men hem wachtte. Maar wat?

Een kantoor ergens, waar men het verschuldigde storten moest, en een

loket met een handwijzertje, zooals voor de waterleiding, lachte hem

wel toe. Dáár zorgden de menschen immers óók wel op tijd te zijn, omdat

hun anders het water werd afgesneden, en ze nog boete op den koop toe

betalen moesten!

Doch dat was in zijn geval ondoenlijk. Als hij er zoo’n loket op

nahield, zouden de menschen elkaar zien, en het van elkaar weten, dat

zij aan hem contribueerden. Dat zou alles in de war gestuurd hebben.

Het was juist, omdat een ieder meende, dat niemand het wist, dat men

hem betaalde.

Dus kon men de menschen moeielijk en file laten staan.

Hij moest het dus maar dragen, tot er uitkomst kwam. Zijn familie deed

net alsof hij niet bestond. Ook zij contribueerde, dat begreep hij,

doordien er elken Maandagochtend een gift kwam, de eerste maal van de

boodschap vergezeld, of meneer asjeblieft van de deur wou blijven.

Het ging niet anders. Maar.... hij zou ze laten kijken! Allemaal!

Zoodra hij een sommetje bijeen had, zou hij er een eind aan maken door

een flinken coup. Voor zijn tegenwoordig doen een reusachtige mise op

een winnend paard, of iets dergelijks. Beroerd genoeg, dat telkens als

hij er bijna was, de kans hem weer tegensloeg. Want hij kon het spelen

intusschen niet laten. Een mensch moet toch wat hebben!

In kleine kroegjes waar gespeeld werd, leerde hij de lui allerhande

aardige hazardspelletjes, waarbij nog iets te denken viel, en dobbelde

dan mee, om bedragen, die vroeger voor hem niet bestonden. Een

minimum-limite kende men destijds niet. En geregeld verloor hij, en

juist altijd als hij weer bijna het bedrag voor zijn eersten coup

bijelkaar had.

Immers, dat moest honderd gulden zijn. Minder was onzin niet alleen,

maar met spelersbijgeloof moest dát het bedrag zijn, en hield hij

daaraan vast.

Weken en weken moest hij loopen en sparen, eer hij dat bijeen had. Hij

sparen! Was hij dan zóó laag gezonken, dat hij moest sparen? Soms kon

hij er in zijn eentje om zitten huilen, zoo’n avond na te hebben

verloren en daarom flink getracteerd te zijn door degenen die zijn geld

hadden gewonnen.

Misschien kwam het door het een en ander, dat zijn scheeve neus allengs

dikker werd, en daardoor bijna in het fatsoen kwam, doch tevens zóó

rood werd, dat zijn „achterstalligen” hem op een straatlengte al

bespeurden, en door gewetenskneepjes benauwd, in hun zak tastten, in

angst voor het „bonjour amice”.

Den Haag was een straatfiguur rijker.

Moderne schelmen (Indië in Den Haag): Oorspronkelijke roman · 第 21 / 24 题