In een hoekje van de ruimte onder de glazen bekapping van Café Central,
zaten Boom en Arnolds. Zij hadden zich klaarblijkelijk afgescheiden van
hun gezelschap, daar aan een tafeltje, meer naar het midden, Viehof
zat, met drie dames.
Naast hem zat Fifi, het slanke meisje van de courses te Auteuil, die
dus blijkbaar een voorraad nieuw ondergoed had opgedaan. De beide
anderen wedijverden in dikte. De eene, Leda genoemd, had iets
onbeschrijfelijk indolents over zich. Alles was even langzaam aan haar,
van de beweging af waarmee zij vrij dikwijls haar glas opnam, tot haar
spreken toe. Dit laatste geschiedde in een Fransch, dat de Franschen
„le Belge” noemen, ter onderscheiding van hetgeen zijzelf spreken,
evenals dat, waaraan zich de Hollanders vergasten, in de wandeling „le
Batave” heet. De andere, dik en blond evenals Leda, doch minder
gesoigneerd van uiterlijk, met den naam Helene aangesproken, praatte
Duitsch met een onmiskenbaar plat Berlijnschen tongval, en was even
levendig als Leda langzaam was. Soms sloeg zij door, een paar noten
zingende, wat telkens een sst! van de anderen uitlokte. Het verschil in
taal scheen geen beletsel om zich met elkaar te onderhouden, noch om
vrij stevige hoeveelheden port, ja zelfs bitter te verorberen.
Het zakelijke van het gesprek werd gevoerd door Arnolds en Boom. De
eerste, op wiens convocatie men hier was gekomen, moest Boom inlichten
waartoe dit geschied was. Men wachtte een vreemdeling, een Belg, met
wien Arnolds en Viehof hadden kennis gemaakt op buitenlandsche courses,
en die hun een zaak had voorgesteld. Zijn naam was Hervau.
„Bekend,” zeide Boom. „Ik heb, toen ik nog in mijn rijke dagen was,
dien man in Nice zien tricheeren, dat het een lust was om te zien. Ik
meen later gehoord te hebben, dat hij zoowat op alle renbanen
gedisqualificeerd is. Een geverfd paard laten loopen, of zoo iets.”
„Dezelfde,” zeide Arnolds. „In elk geval iemand die wat aandurft. Hij
heeft Viehof en mij in Ostende gesproken over een zaak, waar geld aan
te verdienen is. Ik zal je ze uitleggen.”
En Arnolds gaf Boom een toelichting als volgt. De zaak betrof,
voorzoover zich Hervau had uitgelaten, den verkoop van een partij
effecten hier te lande, die in Frankrijk en België onverkoopbaar waren.
Daar bestond een wettelijke bepaling, elders onbekend. Wanneer effecten
aan toonder vermist of gestolen waren, werd daarvan in den Moniteur,
het officieele blad, een lijst opgenomen, en deze zooveel mogelijk
verspreid bij de verschillende banken. Daarmee waren dergelijke stukken
frappés d’opposition, wat tengevolge had, dat de coupon niet werd
uitbetaald, en de stukken onverhandelbaar werden, totdat de oppositie
verjaard was. Gold dit in de genoemde landen, in bet buitenland, waar
geen dergelijke wettelijke voorschriften bestonden, konden de stukken
van hand tot hand blijven gaan, en, zoodra de verjaring plaats gehad
had, waren ze ook in Frankrijk weder verhandelbaar. In Engeland bestond
voor dergelijk papier een vaste markt, tegen beurswaarde verminderd met
de rente tot aan het einde der verjaring.
Nu was de quaestie deze. In Holland was dit bij weinigen bekend, en zou
het dus niet moeielijk vallen zulke effecten hier of daar aan den man
te brengen, en zulks zonder de Engelsche courtage. Hervau wilde daar
een proef mee nemen, en de helft dier zoo gewonnen courtage laten aan
Arnolds en Viehof, of wie daarin verder van dienst waren. Het bedrag
dat hij straks mee zou brengen, was vrij aanzienlijk, zoodat ieder een
deel voor zijn rekening moest nemen.
„Hm,” deed Boom, toen hij deze uitlegging goed begrepen had, „ik wil
wel eens zien wat ik doen kan. Maar als ik verkoop, moeten jelui
leveren. Ik bedoel het zóó: ik spreek mijn kennissen aan, en bied
hun.... neen, vraag eenvoudig of ze wat van die dingen hebben willen.
Ik noteer iets lager dan de beurswaarde, maar niet veel, en als men
toehapt, moet jij of Viehof ze leveren. Beter is dat jij het doet, dan
denkt men dat ze van je vader zijn. Want Viehof heeft zoo’n beestachtig
slechten naam, na die valsche handteekening....”
„Hij is toch vrijgesproken.”
„Nu ja,” zeide Boom. „Iedereen neemt toch aan, dat hij het gedaan
heeft.”
„Dat is het beroerde hier in Holland. Als je maar ergens van
beschuldigd wordt, laat staan vervolgd, heb je ’t gedaan!”
„Juist. En daarmee houd ik rekening. Mijn reputatie is gelukkig goed,
en daardoor kan ik een boel dingen doen, die noch jij, noch Viehof
zouden kunnen, of je was binnen vierentwintig uur gepakt.”
„Ik toch niet? Ze hebben me nu al driemaal bij zoo’n Rechtercommissaris
laten komen, en telkens weer kalmpjes naar huis laten gaan.”
„Zoolang tot ze je eens een poos houden. Dat moet op zichzelf al
onplezierig genoeg zijn. Maar daar hebben we het nu niet over, hoe laat
komt je vriend Hervau?”
„Tegen zes uur. Dan gaan we eten. Wij zijn gasten, dus je behoeft je
niet te geneeren.”
Boom trok een vergenoegd gezicht, als iemand wien lekker eten, dat hij
niet dikwijls krijgt, bekoren kan.
„Ik wou enkel, dat ik dadelijk wat cash kon maken,” zeide hij.
„En je hebt pas dien Indischen snuiter te pakken gehad!”
„Ja, maar dat zit vast. Ik houd daar boek van, en toucheer alleen de
helft van de winst. De andere helft stuur ik hem. En zelfs dat nog niet
eens, want ik kapitaliseer nog een groot deel, zoodat we misschien
zoowat ieder een vierde nemen.”
„Dat kapitaal is vast iets, dat hij nooit terug ziet, tenminste als ik
jou een beetje ken.”
„Och, hij krijgt telkens verschillende bedragen, waarvoor ik hem
quitantietjes laat teekenen.”
„Tot je zooveel quitantietjes hebt, als het kapitaal bedraagt, hè? De
manoeuvre van Wiechen.”
„Zeg, zijn zulke uilen beter waard?”
„Dat niet. Maar... je wou contanten maken. Ik weet een manier om een
schoon duizendje te verdienen voor je.”
„Buiten die effecten?”
„Natuurlijk. En ik wil er niets van hebben.”
„Geen luchtje aan de zaak?”
„Integendeel. Je wordt door een stelletje oude freules als een goed
mensch bewierookt.”
„En duizend pop toe? Zeg op, kerel!”
„Kijk eens. Je vrouw is altijd voor jou alleen geweest, hè?”
„Ik geloof het wel. Wat zou dat?”
„Ja, dat is een kardinaal punt. Een vereischte is, dat je haar verleid
hebt, zooals ze dat noemen.”
„Nu,” zeide Boom, „dat staat vast. In mijn rijke dagen heb ik in zaken
met de oude lui kennis gemaakt. Toen de slag viel, en ik overal heen
toog, zat ik eindelijk zonder geld in Berlijn. Toen hebben de oude lui
me uit medelijden opgenomen, en me een half jaar gelogeerd. Helene was
toen een kind van even zestien. Makkelijk goedje, dat!”
„En later?”
„Nu, ze heeft heel wat met me doorgemaakt. Telkens moest ik ze naar
haar ouders terug sturen, omdat ik niets meer had. Maar even trouw kwam
ze altijd weer terug, als ik wat verdiende.”
„Mooi zoo! Dan klopt de zaak. Mijn vader is penningmeester van een
vereeniging van oude freules. Die bemoeien zich met het zedelijk
bewustzijn. Je weet waar dat zit bij de vrouwen. Als nu iemand trouwt
met ’n kind dat hij verleid heeft, geven ze een som voor de inrichting
van het huis. Te leen, altijd, maar je hebt vijf jaar tijd eer je aan
afbetalen hoeft te denken. En dan...”
„Je weet, dat ik failliet ben.”
„Dat wil zeggen, dat je nooit een cent terugbetaalt. Dat spreekt als
een boek. Voorloopig is de zorg, dat het geld in je handen komt. Je
moet dus trouwen. Zoodra je aangeteekend ben, krijg je de duiten.”
„Ik doe het. Alleen, dat aanteekenen gaat zoo gauw niet. Ik zou
natuurlijk in Berlijn moeten trouwen, dan betalen mijn aanstaande
schoonouders de kosten, en krijg ik van hen en van allerlei familie nog
een hoop cadeaux. Alleen, dat gaat zoo gauw niet. Alle stukken moeten
gelegaliseerd worden, en hoe die rommel meer heet.”
„Geen nood. Ik ken een advocaat hier, die je heele rommeltje in orde
maakt in den tijd van een dag of tien.”
„Onmogelijk. Ik weet iemand, die al bijna acht maanden wacht.”
„Dat weet ik wel,” zeide Arnolds. „Maar ons mannetje weet er een loopje
op. Hij laat de legalisaties over de Consuls loopen, in plaats van over
de Ministeries, en dan gaat alles als een handelszaak, per keerende
post. Hij heeft het klaargemaakt voor een nicht van ons, óók in een
onmogelijk korten tijd, en voor betrekkelijk weinig geld.”
„Ik zal hem veel beloven....”
„En niets geven. Dat begrijp ik. Enfin, dat is jou wel toevertrouwd,
zou ik meenen.—Zet de zaak maar in gang, en ik zal den ouden heer en
z’n freules bewerken. Vergeet niet huwelijksche voorwaarden te maken.”
„Wiiii.... iet!” floot Boom. „Dan moet ik nog een notaris erbij zien te
lijmen. Wacht, dien heb ik.... Daar komt Hervau. Laat ons naar de
vrouwen gaan.”
Hervau was een breed geschouderd man, met blauwe, onrustige oogen en
bruinen baard, gekleed in gestreept flanel.
Luidruchtig begroette hij het gezelschap, en liet zich aan Helene
voorstellen, de andere meisjes blijkbaar kennende. Zich dadelijk
schikkende in de rol van gastheer, liet hij opnieuw inschenken, en de
spijskaart komen.
Zijn drukdoen bleef hem bij tot na afloop van het diner, waarna hij, de
dames latende aan hun tafeltje, de heeren apart nam. Terstond werd hij
ernstig, zakelijk, het drietal beurtelings ondervragend en
instrueerend. Arnolds en Viehof kregen toen elk een deel van de
meegebrachte effecten, en teekenden daarvoor een reçu. Boom had te
kennen gegeven dat hij wel voor plaatsing wilde zorgen, doch geen der
stukken in zijn bezit wilde hebben.
Hiermede waren de zaken voorloopig afgehandeld, en keerde men tot de
dames weder.
Bij deze had zich inmiddels, toen de anderen weg waren, Wiechen
neergezet, tusschen Leda en Helene, in wier dikke armen hij om beurten
kneep, aldus de conversatie aanvullende.
„Qui est ça?” vroeg Hervau.
„Wiechen,” antwoordde Arnolds. „Maak desnoods kennis, maar praat niet
over zaken. Il est tellement esbrouffe! We zullen je voorstellen als
eigenaar van een renstal.”
„Is hij zoo’n groote vriend van jelui, dat hij zoo maar bij de vrouwen
gaat zitten?”
„Neen, maar de vent weet niet beter. Het is er zoo een, wien je geen
enkele lompheid kwalijk neemt.”
„Jaag hem op een beleefde manier weg,” meende Hervau.
„Daar is hij te onbevattelijk voor. En ruzie maken doe ik liever niet.
We hebben hem soms noodig. Het eenige zou zijn, dat we opbraken, en elk
de richting naar zijn huis inslaat, om dan op een andere plaats weer
bij elkaar te komen. Want gaan we tegelijk, dan sluit hij zich aan.”
„Qu’il reste,” meende Hervau, schouderophalend.
Zooals vermoed was, bleef Wiechen „plakken”, en het meest pratende met
Helene, wier koeterwaalsch hij het best verstond, luisterde hij
nochtans aandachtig naar het spreken der overigen.
Opeens spitste hij de ooren. Een woord had hem getroffen. En met eenige
inspanning meende hij te begrijpen, dat Hervau sprak over effecten, die
hij ergens moest hebben achtergelaten of verloren, doch later
teruggevonden en meegebracht. Jawel, want hij hoorde nu Fifi vragen:
„Alors vous avez retrouvé vos effets?” en Hervau antwoorden: „Mais oui
ils sont ici maintenant”. Hij rook een zaak.
Wachtende tot de gelegenheid gunstig was, stootte hij Arnolds even aan.
„Zou hij niet wat van die effecten bij mij willen plaatsen?” vroeg hij.
Niettegenstaande Arnolds over het algemeen zijn gelaatstrekken goed kon
beheerschen, ontstelde hij zichtbaar.
„Gévédé, hoe weet jij daarvan?” riep hij uit.
„Dat doet er niet toe,” zeide Wiechen brutaal. „Je ziet dat ik het
weet.”
Arnolds bleef een oogenblik in stomme verbazing zitten. Hij keek in de
richting waar zij gezeten hadden. Maar neen, die plaats was van hieruit
niet te zien. En als Wiechen daar in de buurt gepasseerd was, althans
zóó dicht, dat hij had kunnen hooren of zien, zouden zij hem hebben
opgemerkt.
„Wel, zorg je ervoor?”
„Ik begrijp niet... Als je niet duidelijker bent, kan ik niet raden wat
je bedoelt,” zeide Arnolds, die in elk geval wou weten hoeveel de ander
wist.
„Wel, ik heb toch ooren! Hij zit te praten over effecten, die hij hier
heeft. Natuurlijk is dat om een zaakje te doen.”
„Je droomt,” zeide Arnolds. „Hij heeft geen stom woord over ef... O...
ik snap het! Des effets heb je gehoord, niet waar?”
„Juist. Zie je nu wel?”
„Haha, die mop is goed!” lachte Arnolds. „Dites donc, les autres!”
En hij begon de aardigheid te vertellen, ten slotte Wiechen, die zich
niet weinig ergerde, dat men zich te zijnen koste vroolijk maakte,
uitleggende dat met effets in het fransch bedoeld werd kleederen en
andere reisbenoodigdheden, en Hervau juist had zitten verhalen, hoe hij
op reis hierheen een koffer was kwijtgeraakt, en weer teruggevonden
had. Wat wij effecten noemen, heet in het fransch titres, valeurs,
obligations, actions, enzoovoort.
Wiechen moest zich met deze uitlegging tevreden stellen, alhoewel hij
de zaak bleef wantrouwen.
„Waarom vroeg je dan zooeven of ik van die effecten wist?” probeerde
hij nogeens.
„Dat is een lang verhaal,” zeide Arnolds. „Een beursmanoeuvre,
gecombineerd met het laten loopen van renpaarden. Hij heeft ons dat
onder het eten zitten vertellen, en daarom begreep ik niet hoe jij
eraan kwam. Blijf je nog lang?”
„Neen,” zeide Wiechen droog.
En hij wendde zich weer tot zijn buurvrouw.
„Zeg Wiechen, laat dat, wil je?”
Het was Boom, die dit riep, bemerkende, dat Wiechen het Helene lastig
maakte, door haar telkens als hij wat zeide, tevens ergens te streelen
of te knijpen, waartegen zij zich vruchteloos verzette.
„Laat jij de paardjes maar loopen,” antwoordde Wiechen „Ik zal je
meisje wel zoolang bezig houden...”
Tevens knipte hij met de oogen tegen Helene.
Tot eenig antwoord nam Boom zijn glas wijn op, en met een
trefzekerheid, die plotseling opgekomen drift alleen geven kan, wierp
hij Wiechen den inhoud ervan midden in het gezicht. En toen, als achtte
hij den ander genoeg gestraft, althans belemmerd in de voortzetting van
zijn onhebbelijke gedragingen, wendde Boom, tot kalmte manend met een
handbeweging, zich weer tot Hervau, en zette zijn gesprek met dezen
voort.
Wiechen stond op, doch de wijn, hem in de oogen bijtend, belette hem
het zien, zoodat hij gedwongen was zich weer op zijn stoel te laten
zakken, en zijn gezicht met zijn zakdoek schoon te vegen. Toen dit was
geschied, kon hij eerst aan weerwerk denken, doch keek verbluft om zich
heen.
Zijn weerpartijder, dien hij zich had voorgesteld als hem te zullen
aanstaren met booze oogen, zat bedaard te praten, met van hem afgewend
gelaat. De overigen, die er, weer volgens zijn voorstelling, òf bezorgd
òf geamuseerd hadden moeten uitzien, zaten, zonder een gezicht te
vertrekken... bedaard te praten. En de dames, het meest van allen
geneigd om wat er in hen omgaat op hun gelaat te doen afspiegelen,
hadden de hoofden bijelkaar gestoken, en zaten... bedaard te babbelen.
Hijzelf was in vol gezelschap alleen, voor de anderen ijle lucht.
Misschien voor het eerst van zijn leven, was Wiechen geheel overbluft.
Hij wist niet wat te doen. Verschillende gedachten vlogen door zijn
hoofd. Boom aanvallen ging hier midden in de restauratie niet, en in
elk geval was het oogenblik daartoe voorbij. Dat had hij dadelijk
moeten doen. Het gebeurde nu weer oprakelen, terwijl niemand er meer
aan scheen te denken, was ook mal. Blijven zitten in een gezelschap,
dat hem uitsloot, waarvan niemand met hem sprak, was al even
ondoenlijk; reeds nu verbeeldde hij zich, dat hij en zijn door den wijn
gekleurd overhemd ieders aandacht in de zaal trok. Opstaan en heengaan?
Dat was althans maar voor een oogenblik pijnlijk. Het gaf een gevoel
van weggejaagd worden. Maar het duurde slechts een oogenblik, tot de
uitgang van de zaal was bereikt. En daarbuiten kon men ineens op wraak
zinnen.
Dit gaf den doorslag. Wiechen ging heen, iets mompelend dat een groet
of ook iets anders kon zijn, en waarvan niemand veel notitie nam.
Wiechen was van de leer, dat wraak koud moest worden genoten, en
hiervan zoodanig doortrokken, dat hij in de ontelbare gevallen, waarin
hij zich verplicht achtte zich te wreken, veelal zooveel tijd liet
verloopen, tot hij zelf de aanleiding er toe vergat. Wel herinnerde hij
zich dan met dezen of genen nog een appeltje te schillen te hebben,
doch precies waarom wist hij niet meer. Hij rangschikte dan de
betrokkenen maar onder de groote massa dergenen, die, omdat zij niet in
de gelegenheid waren met zijn werk zijn voordeelen te behalen, hem
benijdden om dat voordeel en in de ban deden om dat werk.
Bij uitzondering wilde hij ditmaal eens vlug handelen. Het heele
stelletje zou hij krijgen! Want weliswaar had alleen Boom hem direct
beleedigd, doch die had zoo brutaal niet durven zijn, als hij geen
rugsteun had gehad. Met hun allen hadden zij het gedaan, met hun allen
zouden zij ervoor boeten!
Eén weg wees zich al. Arnolds kon onverwijld getroffen worden in zijn
vader. Het geld toch, dat de oude dokter aan hem schuldig was, had
moeten dienen om een Amsterdamschen woekeraar af te betalen. Instede
het daarvoor te besteden, had de oude man er mee gedobbeld. Natuurlijk
was er een deel van in de zakken van zijn zoon en Viehof terecht
gekomen, maar in elk geval was de Amsterdammer niet voldaan. Dat wist
Wiechen, en door dezen te waarschuwen, aan te raden het faillissement
van zijn debiteur aan te vragen, trof hij er alvast één. Immers, zoodra
zijn vader hem ontzonk, kwam Arnolds ten laste der andere bende-leden.
Die waren dan meteen getroffen, en voor het overige.... nu ja, één voor
één.
Geheel in de vroegte vertrok Wiechen den volgenden ochtend naar
Amsterdam, om zijn voornemen uit te voeren. Om twee uur was hij weer
terug, en de zaak in gang. Den Amsterdammer had hij persoonlijk niet
gesproken, daar deze een zonderling was, die bewerende, dat de drukte
van overdag een geregeld denken in den weg stond, eenigszins
belangrijke zaken des nachts behandelde, en dan tusschen éénen en
drieën te spreken was. Wie geen tijd of lust had om dat uur bij hem te
komen, moest maar met zijn procuratiehouder spreken. Dit had Wiechen
gedaan.
Nauwelijks thuis, meldde zich Arnolds aan. Wiechen schrok er bijna van.
„Ik heb een zaakje, Wiechen,” begon deze echter tot zijn
geruststelling. „Effecten te koop.”
En nu vertelde hij in hoofdzaak, wat hij den vorigen avond niet had
willen loslaten.
Wiechen begreep dat hij ditmaal te vlug was geweest. Daar leverde men
zichzelf al in zijn handen. Het was jammer, dat hij niet wat geduld had
gehad, daar hij den ouden heer best had kunnen sparen, en deze hem toch
eigenlijk nooit kwaad gedaan had.
Immers Arnolds, die met zijn deel der effecten van Hervau bij hem kwam,
was niet fijn genoeg, om voor Wiechen het luchtje verborgen te houden,
dat er aan de bewuste stukken hing, en hieraan had deze genoeg. Ineens
zijn besluit nemende, verklaarde hij zich bereid de effecten onderdak
te brengen. Hijzelf wilde er enkele nemen, en voor het grootste deel
wist hij iemand. Als Arnolds hem voorloopig van elk soort één stuk
wilde laten, om te kunnen vertoonen, hoopte hij het zaakje spoedig
opgeknapt te hebben.
„Neem het heele zoodje maar in,” stelde Arnolds voor.
Doch Wiechen bleef bij hetgeen hij gezegd had. Eén van elk soort, en de
rest te zijner beschikking.
„Tot hoelang?” vroeg Arnolds.
„Tot overmorgen ochtend,” zeide Wiechen. „Kom dan even hier.”
Toen Arnolds weg was, danste hij van pret de kamer rond.
„Ik heb ze! Ik heb ze!” riep hij luid.
„Mevrouw vraagt of u niet komt koffiedrinken, Pa,” zeide Ella, die hij
niet had hooren binnenkomen. „Heeft u zoo’n pret?”
„Hm, ja.... Ik heb het druk. Breng me maar een enkel kop koffie en zeg
aan mevrouw, dat ik vanavond thuis blijf.”
„Mevrouw wou u juist ergens over spreken.”
„Jawel! Vrouwen moeten iemand altijd ergens even over spreken, als men
het druk heeft. Het zal wel tot vanavond kunnen wachten. Toe, kind,
haal nu een kop koffie.”
Haastig dronk hij zijn kopje leeg, en reed op zijn rijwiel weg.