Toen van Vleuten vertrokken was, had Wiechen zich onmiddellijk naar de
eetkamer begeven, na alvorens zijn jas te hebben uitgetrokken en over
een stoel gehangen, een gewoonte die Marie verafschuwde, doch waarvan
hij niet was af te brengen. Onderweg had hij de brieven uit de postbus
genomen, en legde die naast zich neer op tafel, om zoodra ieder was
gediend, die al etende één voor één te openen en te lezen.
„Mag ik die fransche postzegels hebben, Pa?” vroeg Ella, wijzende op
een brief, die nog ongeopend lag.
„Waar?” zeide hij, zoekend met de oogen. „Hm!”
En zonder op Ella’s vraag te antwoorden, nam hij den brief en brak dien
open. De inhoud scheen zijn bijzondere belangstelling te wekken,
althans de vork in zijn rechterhand bleef geruimen tijd in verticale
positie op tafel rusten, de tanden omhoog, tot groote ergernis van
Marie, die iets mompelde van „boerenmanieren”, waarop Ella begon te
lachen.
Wiechen keek even op, hapte het stukje aardappel van de vork, en hernam
zijn vorige positie, turend in den brief, dien hij in dien tijd
gemakkelijk tien maal had kunnen gelezen hebben.
„Je bent erg gezellig vandaag,” meende Marie eindelijk te mogen
opmerken....
„Stil,” zeide hij, „ik moet even nadenken.”
En opstaande, nam hij een spoorwegboekje van het rekje.
„7.43 spoortijd. Dat kan ik net halen,” vervolgde hij toen. „Pak even
mijn valiesje met een en ander voor vannacht. Ik ga naar Amsterdam.”
In den trein herlas hij den brief nogmaals. Beenhuis berichtte hem
daarin het overlijden zijns vaders, en tevens dat hij den volgenden
middag bij hem kwam, om de zaken te regelen.
Het was dat woord „regelen”, dat hem in dien brief van stonde af niet
bevallen had. Toen hij, niettegenstaande het verzoek van Beenhuis, zijn
wissels precies op de vervaldagen had laten aanbieden en protesteeren,
zonder te wachten op een aangekondigd bezoek, had Beenhuis zich
tegenover Arnolds uitgelaten, dat hem dit berouwen zou. En Arnolds had
het hem weer verteld. Nu was er voor Beenhuis een waarschijnlijk
aanzienlijke erfenis opengevallen. Kreeg hij die inhanden, dan konden
de schuldeischers, die op zijn eerlijkheid vertrouwden, lang wachten,
en misschien gaan procedeeren in den vreemde. Dat maakte de rekening
niet. Hier moest gehandeld worden, en snel gehandeld. Eer Beenhuis in
het land kon zijn, en wie weet wat voor streken uithalen, moest hij,
Wiechen, het geld doen vastleggen. Een beslag dus. Dan kon hij morgen
op zijn gemak luisteren naar de „regeling”, die Beenhuis zou voorslaan,
en die al dan niet accepteeren. Het geld was dan in elk geval veilig,
en kon niet naar Parijs.
In Amsterdam aangekomen, was zijn eerste werk een koffiehuis binnen te
loopen, en een kop koffie te bestellen, waarna hij den kellner preste
om hem eenige advocaten aan te wijzen, die hun kantoor in huis hadden
en tevens telefonisch aangesloten waren. Daarna telefoneerde hij het
rijtje af, tot hij bij den derden antwoord kreeg, en deze zich bereid
verklaarde hem op dit uur nog tewoord te staan.
Een „aapje” bracht hem naar het kantoor van den advocaat, waar hij zijn
zaak blootlegde, en de toezegging kreeg, dat alle stukken nog dien
avond zouden worden gereed gemaakt, om den volgenden ochtend, na
verkregen Presidiaal verlof, dadelijk het beslag ten sterfhuize te
kunnen leggen. De advocaat maakte in het begin eenig bezwaar, om een
deurwaarder te zenden in een huis, waar de kist nog boven aarde stond,
doch Wiechen stelde hem het gevaar voor verduistering zóó dreigend voor
oogen, dat de ander zwichtte.
Dit afgedaan zijnde, spoedde zich Wiechen terug naar het station,
tevreden over zichzelf. Alles liep mee, doordat hij nog juist den
laatsten trein kon halen, en dus niet, wat hij gevreesd had, den nacht
in Amsterdam behoefde te blijven. En juist de haast die hij gemaakt
had, was uit een ander oogpunt voordeelig geweest. Bij meer tijd tot
kalm bekijken der zaak, ware het niet onmogelijk geweest, dat de
advocaat bemerkt zou hebben, dat de protestdag der eerste wissels,
samenviel met den trekkingsdag der tweede serie, wat tot eenige
bevreemding van zijn kant aanleiding had kunnen geven, indien er
althans wat kennis van handelsusances in hem was. Weliswaar vond men
die bij de heeren rechtsgeleerden zelden of nooit, maar men kon het
treffen, dat men juist bij een der uitzonderingen was terecht gekomen,
en dan zouden lastige vragen allicht gedaan zijn.
Maar, zooals het nu liep, was alles in orde. Morgen kon hij op zijn
gemak Beenhuis de wet voorschrijven, en zou hij zijn geld krijgen
meteen. Het eerste was haast nog plezieriger dan het andere. Ja, daarom
alleen zou men geld, veel geld willen hebben, om telkens dat heerlijke
gevoel te ondervinden, als iemand voor je moet buigen, die anders een
hooge borst zou opzetten. En dat voor zoo’n eenvoudigen boerenjongen!
Hij had het wel gehoord, wat Marie dien middag aan tafel gezegd had, en
waarom Ella had gelachen. Boerenmanieren, jawel! Ook zij zou die
boerenmanieren ondervinden, en juist zij, omdat haar vader zooiets
hoogs in die rechterlijke macht was geweest.
„Meneer, ik geloof dat u iets mankeert,” zeide zijn eenige
medepassagier, wijzende naar zijn eigen neus.
Met spoed trok Wiechen den zakdoek uit zijn zak, en hield dien tegen
den neus. Daarop, met de vrije hand zijn valiesje openend, vond hij
daarin gelukkig schoone zakdoeken. Toen, zich voorover buigende,
verwijderde hij den eersten zakdoek van zijn neus, dien laag houdend,
en liet het bloed vrijelijk daarin druppelen.
De medepassagier, een oud heer, nam zijn handkoffer uit het net, en
dien ontsluitende, haalde hij een pakje watten voor den dag.
„Stelpt u het hiermee,” zeide hij Wiechen de watten aanbiedend.
Doch deze weerde hem hoofdschuddend af, en bleef in dezelfde positie
zitten, tot de bloeding ophield.
„Ik dank u voor uw moeite,” zeide hij toen. „Maar het is niet goed voor
mij, om dat te stoppen. Ik had het al veel te lang niet gehad. Ziet u,
als ik dit niet had, zou ik waarschijnlijk krankzinnig worden. U hoeft
volstrekt niet bang te zijn,” ging hij glimlachend voort, ziende dat de
oude heer onwillekeurig een eindje weg schoof. „Mijn vader is met zijn
volle nicht getrouwd, en hoe het zij, door al mijn zusters loopt een
streepje. Eén ervan is zelfs in een gesticht. En mijn eenige broer is
een achterlijke jongen. Ik ben de eenige die niets mankeert, en dat
schrijf ik toe aan die neusbloedingen.”
„Jawel, dat laat zich verklaren,” antwoordde de oude heer, die met
genoegen bespeurde, dat de trein vaart begon te minderen, en men dicht
bij Leiden was.
Daar stapte hij uit en liet Wiechen met zijn eigenaardige theorie, of
erger, verder alleen reizen.
Op het oogenblik dat de trein in het station den Haag binnenreed, zag
Wiechen op het perron de bekende lange figuur van Arnolds. Hij riep hem
aan.
„Wat doe jij hier?” vroeg hij, toen hij uitgestapt was.
„Iemand weggebracht,” antwoordde de ander. „En waar kom jij vandaan? Ga
je nog even mee naar Central?”
„Ja, dat is goed,” zeide Wiechen. „Laat ons naar de tram gaan. Ik zal
je onderweg een mop vertellen.”
Op de tram deed hij Arnolds het verhaal van zijn tocht naar Amsterdam
en de aanleiding daartoe, waar de ander belangstellend naar
luisterde....
In het café bleef Arnolds zeer kort bij Wiechen, bewerende, dat hij te
middernacht thuis moest zijn, doch zoodra hij vrij was, ging hij
ijlings naar het telefoonhokje, en berichte Beenhuis, die in de stad
was, wat hij had gehoord...
Den volgenden middag zat Wiechen op zijn kantoor, met ongeduld te
wachten op de komst van Beenhuis, en werkelijk, tegen vier uur
verscheen deze.
„Dag, meneer Wiechen,” zeide hij vriendelijk glimlachend. „Wel, hoe
maakt u het? U heeft mijn brief toch ontvangen?”
„Ja zeker,” antwoordde Wiechen. „Ik dank u wel. En mag ik u
condoleeren? Het kwam niet onverwacht, hoop ik?”
„Dank u. Neen, en dat is de reden waarom ik u laatst verzocht een
oogenblik geduld te hebben. We zullen nu alles regelen.”
„Wanneer denkt u dat te doen?”
„Natuurlijk moet eerst de begrafenis afgeloopen zijn,” zeide Beenhuis.
„Daarna zult u bericht krijgen van den notaris. Ik zal veertig percent
aanbieden.”
„Wat blief?” riep Wiechen.
„Een mooi aanbod, nietwaar?” vroeg de ander, steeds glimlachend. „Als u
geen beslag had laten leggen, zou ik met ieder afzonderlijk
geaccordeerd hebben, en u had ik het volle bedrag uitbetaald, omdat u
mij werkelijk van dienst is geweest. Haar nu heeft u zelf de zaak
bedorven. Het spijt mij zeer.”
„Ik begrip niet.... Hoe weet u...?”
„Zeer eenvoudig. Ik kom van Amsterdam, en vond daar wat u gedaan had.
Toen ben ik naar mijn advocaat gegaan, en hebben wij overlegd, dat ik
onmiddellijk al mijn crediteuren moest waarschuwen. Daar mijn erfenis
op ongeveer twee ton geschat wordt, en mijn schulden tegen het millioen
aanloopen, begrijpt u, dat de familie deze gelegenheid aangrijpt, om
met eenige opoffering harerzijds mij uit mijn schuld te helpen....”
„Maar u moest toch veel meer dan twee ton erven. Uw vader werd geschat
op tien millioen!”
„Schattingen van dien aard zijn meestal te hoog. En, er is een
testament. Ik krijg eenvoudig niet meer.”
„U kunt daartegen opkomen,” zeide Wiechen. „En als u het niet doet, de
schuldeischers.”
„Dat laatste is een vergissing,” zeide Beenhuis. „En ik zal niet tegen
de beschikkingen van mijn vader opkomen.”
„Dan vraag ik uw faillissement aan.”
Beenhuis trok de schouders op.
„Dan krijgt u ongeveer de helft van hetgeen ik nu bied, behalve dat ik
elke vordering van u tegenspreek. Een jaar is dan al het minste, dat we
er over procedeeren zullen. Heeft u daar trek in, mij wel!”
Wiechen trok een vies gezicht.
„’t Is heel wat, om zestig procent te laten vallen,” merkte hij op.
„En, als uw familie nu al moet bijspringen, waar moet u dan van leven?
U hebt toch vrouw en kinderen.”
„Ik dank meneer Wiechen zeer voor de belangstelling. En wat die zestig
percent aangaat.... enfin, ik reken u ook niet na. Dat u aan mij
verlies zou lijden, kunt u zonder lachen toch moeielijk zeggen.”
„Wanneer is uitbetaling?”
„Als u toestemt, en mij dit papiertje geteekend meegeeft, dan
aanstaanden Zaterdag, bij onzen notaris te Amsterdam.”
„Op den sabbat?” vroeg Wiechen.
„De Joden zullen geen werk doen,” zeide Beenhuis. „De notaris kan zijn
candidaat nemen, anderen een gemachtigde. Een anderen dag schikte nu
eenmaal niet. Dus.... u doet het?”
„Ik moet wel,” verklaarde Wiechen zuchtend.
Hij teekende zijn toestemming tot het accoord, waarna Beenhuis vertrok,
onder belofte hem nader het uur der uitbetaling te zullen doen weten.
Wiechen zuchtte nu niet meer. Met de tweeduizend francs, die hij in
Parijs had ontvangen, had hij, tengevolge van zijn handigheid met de
oude, geprolongeerde wissels, nu, niettegenstaande het accoord, zijn
geld eruit, en een dertig percent winst over den tijd dat het
uitgestaan had. En het kwam binnen zonder moeite, zonder dat vervelende
procedeeren, dat voor hem in het bijzonder zoo risquant was. Ziezoo,
dat waren weer een dikke twintig mille, die hij naar Parijs kon
brengen. Want de som was wel wat te groot om die door bemiddeling van
een Haagsch bankier te laten overmaken. Men mocht eens suspicie krijgen
vóór den tijd! En bovendien, het ging niemand aan, waar hij zijn geld
bergde.
Maar.... hoe drommel wist Beenhuis van zijn beslag af? Dat was
zonderling. Hij had gezegd naar Amsterdam te zijn geweest. Dat zou wel
waar zijn, maar om al die maatregelen te beramen, en daarna naar
advocaat en notaris te loopen, daarvoor was de tijd tekort geweest. Het
beslag kon, met het oog op het eerst aan te vragen verlof van den
President der Rechtbank, niet lang vóór twaalven gelegd zijn. Beenhuis
wist er dus al van eer hij naar Amsterdam ging. En nu was de combinatie
niet moeielijk. Arnolds moest hem in de vroegte gewaarschuwd hebben,
of.... Ja, dat moest het zijn! Beenhuis was gisteravond in de stad
gekomen, en.... Een blik in het spoorwegboekje helderde de zaak op.
Vier minuten vóór hem was de trein uit Brussel aangekomen. Men had hem
gezien, toen hij met den Amsterdamschen trein aankwam, Beenhuis was
snel weggegaan, terwijl Arnolds hem had opgevangen en uitgehoord. Wacht
even!
Hij belde Café Central op, en vroeg, zonder eerst te informeeren of hij
er wel was, Arnolds aan de telefoon te roepen.
„Dankje wel, Arnolds.” riep hij, zoodra hij het bekende neusgeluid
hoorde. „Dankje wel, voor de inlichting aan Beenhuis gegeven.”
„Tot je dienst,” klonk het terug. „Betaal een andermaal de menschen,
die wat voor je doen, en besteel ze niet. Bonjour!”
Een krassend geluid toonde aan, dat Arnolds de telefoon had opgehangen,
doch het doel was bereikt. Het was altijd de beste manier, iemand
brutaalweg te beschuldigen. Of hij gaf allicht een aanwijzing, en zooal
niet, dan hielp hij zoeken naar den waren schuldige, teneinde zichzelf
te zuiveren van den blaam. Voorzoover hij had ervaren, was Boom de
eenige bij wien dat niet lukte. Dit bleef altijd onbewogen en
presenteerde iemand met een effen gezicht een pak slaag. Maar
overigens... dat kon men nu weer zien. Enfin, het bevrijdde hem tevens
van alle verplichtingen tegenover Arnolds, en dat was zóóveel gewonnen.
Wiechen nam zijn agenda en sloeg den datum op van den volgenden
Zaterdag. Slechts één wissel moest op dien dag geind worden. Hij zocht
dien uit zijn portefeuille, en nam toen een doosje, waarin zich
verschillende plakzegels bevonden, allen reeds gebruikt, doch blijkbaar
daarna weer losgeweekt. Zijn handteekening stond er geheel op, zoodat
hij enkel de streep eronder aan weerskanten op het papier wat bij te
halen had, om, zoolang hij den datum niet op het zegel had gezet, dit
telkens weer te kunnen gebruiken. Zoo spaarde men het zegelrecht uit,
wat op een kantoor als het zijne, per jaar anders een aardig sommetje
aan den fiscus zou opleveren. En daar had niemand wat aan.
„Frans!”
De geroepene kwam uit de andere kamer.
„Waar is de schakellijm? Zet de dingen toch weer op hun plaats, als je
ze gebruikt hebt.”
„De lijm was op, meneer, en...”
„Denk er dan aan, dat je morgen nieuwe meebrengt. En... vang eens een
kip uit de ren, en breng die hier.”
„Een kip, meneer?”
„Ja, één kip, en geen twee, al heb ik het tweemaal moeten zeggen.”
De bediende draaide zich om, en ging aan den last voldoen, lachend
zoodra hij uit het gezicht was. Eenige oogenblikken later bracht hij
het verlangde dier bij Wiechen.
„Omdraaien,” gebood deze, en trok toen de kip een paar veertjes uit,
onder den staart, met het versch uit de huid gerukte gedeelte zijn
plakzegel besmeerend.
„Breng dat beest maar weg,” zeide hij, het zegeltje op den wissel
drukkend. „Berg dezen wissel in je tasch,” ging hij voort, toen de
bediende terug was. „Zaterdag aanbieden, en als hij niet betaald wordt,
dadelijk bij den deurwaarder brengen. Ik ben Zaterdag uit de stad.”
„Goed mijnheer.”
„Sluit nu maar. O ja, denk erom; Zaterdagavond heb ik je noodig. Je
moet zorgen om precies 7.22 op het perron van de Hollandsche Spoor te
zijn, met een koffertje, dat mevrouw je geven zal. Dan let je op den
trein, die uit Amsterdam komt, en waar ik inzit, om me het koffertje te
geven. Als het soms niet hoeft, zal ik telegrafeeren. Begrepen?”
„Ja meneer.”
Wiechen wachtte even, tot de bediende weg was, en ging naar boven, waar
hij Marie van zijn reisplan in kennis stelde.
„Het schiet op, als we nog een paar zulke gelukjes hebben,” zeide hij.
„Als over zes weken de groote post van Dokter Arnolds binnenkomt, denk
ik, dat we ons voor het vertrek maar gereed moeten maken.”
„Is dat veel?” vroeg zij.
„Twaalf mille.”
„Ben je met groote sommen van dien aard nooit bang?”
„Och,” zeide Wiechen, „een bedrag is een bedrag. Een man als hij, die
jaarlijks een vijf en twintig mille in zijn practijk verdient, kan
altijd betalen.”
„Waarvoor had hij dan zooveel geld noodig; heeft hij een huis gekocht?”
„Neen, dat minder. Zijn zoon vertelde mij, dat de oude heer nogal zwaar
speelt in het buitenland. In Namur vooral schijnt hij veel te laten
zitten. En dan onderneemt het jongemensch wel eens dingetjes op zijn
eigen houtje, waarvoor papa bloeden moet. Het ergste moet de oude
mevrouw zijn; die maakt eigenlijk het heele zoodje aan den gang.”
„Ik zou zoo iemand toch liever niet als dokter hebben,” meende Marie.
„Als hij zoo zwaar speelt, moet hij meer daaraan denken dan aan zijn
patienten.”
„Dat denk je maar. Hij staat hoog aangeschreven. Zijn zenuwen houdt hij
er trouwens onder met morfine-inspuitingen, naar de jonge Arnolds me
vertelde.”
„Maar dat is vreeselijk! Dat moet nog veel erger zijn dan drinken, heb
ik wel eens gehoord.”
„Ik heb het nooit geprobeerd,” zeide Wiechen. „Maar iemand die drinkt
kan je het altijd aanzien, en van hem zou ik het niet geweten hebben,
als zijn zoon het me niet zelf verteld had. De man ziet er altijd even
opgewekt uit.”
„Blijf je lang in Parijs?” vroeg zij, van het onderwerp afstappend.
„Misschien ben ik Dinsdagmorgen al terug,” zeide Wiechen. „Als er
echter morgen een oude dame komt, mevrouw de Kraay, dan zou het kunnen
zijn dat ik een dag langer wegbleef. Haar zoon woont in Parijs en heeft
geld noodig, een mille of vijf. Als zij voor aval teekenen wil, is het
geld veilig, en dan zie ik niet in waarom ik dat winstje voorbij zou
laten gaan. Maar anders ben ik Dinsdagmorgen vast thuis.”
„Ik zou wel mee willen gaan, en ineens blijven,” zeide Marie.
„Dat zou ik jou en Ella graag gunnen,” antwoordde Wiechen, „als het
niet te veel in het oog liep. Men zou lont gaan ruiken, en dat mag
niet. Weet je wat nu dezer dagen nog moest gebeuren? Een van mijn
polissen van levensverzekering moest eens afloopen. Dat zou een zetje
geven!”
Op dat oogenblik kwam Ella binnen, en staakten zij het gesprek.