HOOFDSTUK X.

Toen van Vleuten vertrokken was, had Wiechen zich onmiddellijk naar de

eetkamer begeven, na alvorens zijn jas te hebben uitgetrokken en over

een stoel gehangen, een gewoonte die Marie verafschuwde, doch waarvan

hij niet was af te brengen. Onderweg had hij de brieven uit de postbus

genomen, en legde die naast zich neer op tafel, om zoodra ieder was

gediend, die al etende één voor één te openen en te lezen.

„Mag ik die fransche postzegels hebben, Pa?” vroeg Ella, wijzende op

een brief, die nog ongeopend lag.

„Waar?” zeide hij, zoekend met de oogen. „Hm!”

En zonder op Ella’s vraag te antwoorden, nam hij den brief en brak dien

open. De inhoud scheen zijn bijzondere belangstelling te wekken,

althans de vork in zijn rechterhand bleef geruimen tijd in verticale

positie op tafel rusten, de tanden omhoog, tot groote ergernis van

Marie, die iets mompelde van „boerenmanieren”, waarop Ella begon te

lachen.

Wiechen keek even op, hapte het stukje aardappel van de vork, en hernam

zijn vorige positie, turend in den brief, dien hij in dien tijd

gemakkelijk tien maal had kunnen gelezen hebben.

„Je bent erg gezellig vandaag,” meende Marie eindelijk te mogen

opmerken....

„Stil,” zeide hij, „ik moet even nadenken.”

En opstaande, nam hij een spoorwegboekje van het rekje.

„7.43 spoortijd. Dat kan ik net halen,” vervolgde hij toen. „Pak even

mijn valiesje met een en ander voor vannacht. Ik ga naar Amsterdam.”

In den trein herlas hij den brief nogmaals. Beenhuis berichtte hem

daarin het overlijden zijns vaders, en tevens dat hij den volgenden

middag bij hem kwam, om de zaken te regelen.

Het was dat woord „regelen”, dat hem in dien brief van stonde af niet

bevallen had. Toen hij, niettegenstaande het verzoek van Beenhuis, zijn

wissels precies op de vervaldagen had laten aanbieden en protesteeren,

zonder te wachten op een aangekondigd bezoek, had Beenhuis zich

tegenover Arnolds uitgelaten, dat hem dit berouwen zou. En Arnolds had

het hem weer verteld. Nu was er voor Beenhuis een waarschijnlijk

aanzienlijke erfenis opengevallen. Kreeg hij die inhanden, dan konden

de schuldeischers, die op zijn eerlijkheid vertrouwden, lang wachten,

en misschien gaan procedeeren in den vreemde. Dat maakte de rekening

niet. Hier moest gehandeld worden, en snel gehandeld. Eer Beenhuis in

het land kon zijn, en wie weet wat voor streken uithalen, moest hij,

Wiechen, het geld doen vastleggen. Een beslag dus. Dan kon hij morgen

op zijn gemak luisteren naar de „regeling”, die Beenhuis zou voorslaan,

en die al dan niet accepteeren. Het geld was dan in elk geval veilig,

en kon niet naar Parijs.

In Amsterdam aangekomen, was zijn eerste werk een koffiehuis binnen te

loopen, en een kop koffie te bestellen, waarna hij den kellner preste

om hem eenige advocaten aan te wijzen, die hun kantoor in huis hadden

en tevens telefonisch aangesloten waren. Daarna telefoneerde hij het

rijtje af, tot hij bij den derden antwoord kreeg, en deze zich bereid

verklaarde hem op dit uur nog tewoord te staan.

Een „aapje” bracht hem naar het kantoor van den advocaat, waar hij zijn

zaak blootlegde, en de toezegging kreeg, dat alle stukken nog dien

avond zouden worden gereed gemaakt, om den volgenden ochtend, na

verkregen Presidiaal verlof, dadelijk het beslag ten sterfhuize te

kunnen leggen. De advocaat maakte in het begin eenig bezwaar, om een

deurwaarder te zenden in een huis, waar de kist nog boven aarde stond,

doch Wiechen stelde hem het gevaar voor verduistering zóó dreigend voor

oogen, dat de ander zwichtte.

Dit afgedaan zijnde, spoedde zich Wiechen terug naar het station,

tevreden over zichzelf. Alles liep mee, doordat hij nog juist den

laatsten trein kon halen, en dus niet, wat hij gevreesd had, den nacht

in Amsterdam behoefde te blijven. En juist de haast die hij gemaakt

had, was uit een ander oogpunt voordeelig geweest. Bij meer tijd tot

kalm bekijken der zaak, ware het niet onmogelijk geweest, dat de

advocaat bemerkt zou hebben, dat de protestdag der eerste wissels,

samenviel met den trekkingsdag der tweede serie, wat tot eenige

bevreemding van zijn kant aanleiding had kunnen geven, indien er

althans wat kennis van handelsusances in hem was. Weliswaar vond men

die bij de heeren rechtsgeleerden zelden of nooit, maar men kon het

treffen, dat men juist bij een der uitzonderingen was terecht gekomen,

en dan zouden lastige vragen allicht gedaan zijn.

Maar, zooals het nu liep, was alles in orde. Morgen kon hij op zijn

gemak Beenhuis de wet voorschrijven, en zou hij zijn geld krijgen

meteen. Het eerste was haast nog plezieriger dan het andere. Ja, daarom

alleen zou men geld, veel geld willen hebben, om telkens dat heerlijke

gevoel te ondervinden, als iemand voor je moet buigen, die anders een

hooge borst zou opzetten. En dat voor zoo’n eenvoudigen boerenjongen!

Hij had het wel gehoord, wat Marie dien middag aan tafel gezegd had, en

waarom Ella had gelachen. Boerenmanieren, jawel! Ook zij zou die

boerenmanieren ondervinden, en juist zij, omdat haar vader zooiets

hoogs in die rechterlijke macht was geweest.

„Meneer, ik geloof dat u iets mankeert,” zeide zijn eenige

medepassagier, wijzende naar zijn eigen neus.

Met spoed trok Wiechen den zakdoek uit zijn zak, en hield dien tegen

den neus. Daarop, met de vrije hand zijn valiesje openend, vond hij

daarin gelukkig schoone zakdoeken. Toen, zich voorover buigende,

verwijderde hij den eersten zakdoek van zijn neus, dien laag houdend,

en liet het bloed vrijelijk daarin druppelen.

De medepassagier, een oud heer, nam zijn handkoffer uit het net, en

dien ontsluitende, haalde hij een pakje watten voor den dag.

„Stelpt u het hiermee,” zeide hij Wiechen de watten aanbiedend.

Doch deze weerde hem hoofdschuddend af, en bleef in dezelfde positie

zitten, tot de bloeding ophield.

„Ik dank u voor uw moeite,” zeide hij toen. „Maar het is niet goed voor

mij, om dat te stoppen. Ik had het al veel te lang niet gehad. Ziet u,

als ik dit niet had, zou ik waarschijnlijk krankzinnig worden. U hoeft

volstrekt niet bang te zijn,” ging hij glimlachend voort, ziende dat de

oude heer onwillekeurig een eindje weg schoof. „Mijn vader is met zijn

volle nicht getrouwd, en hoe het zij, door al mijn zusters loopt een

streepje. Eén ervan is zelfs in een gesticht. En mijn eenige broer is

een achterlijke jongen. Ik ben de eenige die niets mankeert, en dat

schrijf ik toe aan die neusbloedingen.”

„Jawel, dat laat zich verklaren,” antwoordde de oude heer, die met

genoegen bespeurde, dat de trein vaart begon te minderen, en men dicht

bij Leiden was.

Daar stapte hij uit en liet Wiechen met zijn eigenaardige theorie, of

erger, verder alleen reizen.

Op het oogenblik dat de trein in het station den Haag binnenreed, zag

Wiechen op het perron de bekende lange figuur van Arnolds. Hij riep hem

aan.

„Wat doe jij hier?” vroeg hij, toen hij uitgestapt was.

„Iemand weggebracht,” antwoordde de ander. „En waar kom jij vandaan? Ga

je nog even mee naar Central?”

„Ja, dat is goed,” zeide Wiechen. „Laat ons naar de tram gaan. Ik zal

je onderweg een mop vertellen.”

Op de tram deed hij Arnolds het verhaal van zijn tocht naar Amsterdam

en de aanleiding daartoe, waar de ander belangstellend naar

luisterde....

In het café bleef Arnolds zeer kort bij Wiechen, bewerende, dat hij te

middernacht thuis moest zijn, doch zoodra hij vrij was, ging hij

ijlings naar het telefoonhokje, en berichte Beenhuis, die in de stad

was, wat hij had gehoord...

Den volgenden middag zat Wiechen op zijn kantoor, met ongeduld te

wachten op de komst van Beenhuis, en werkelijk, tegen vier uur

verscheen deze.

„Dag, meneer Wiechen,” zeide hij vriendelijk glimlachend. „Wel, hoe

maakt u het? U heeft mijn brief toch ontvangen?”

„Ja zeker,” antwoordde Wiechen. „Ik dank u wel. En mag ik u

condoleeren? Het kwam niet onverwacht, hoop ik?”

„Dank u. Neen, en dat is de reden waarom ik u laatst verzocht een

oogenblik geduld te hebben. We zullen nu alles regelen.”

„Wanneer denkt u dat te doen?”

„Natuurlijk moet eerst de begrafenis afgeloopen zijn,” zeide Beenhuis.

„Daarna zult u bericht krijgen van den notaris. Ik zal veertig percent

aanbieden.”

„Wat blief?” riep Wiechen.

„Een mooi aanbod, nietwaar?” vroeg de ander, steeds glimlachend. „Als u

geen beslag had laten leggen, zou ik met ieder afzonderlijk

geaccordeerd hebben, en u had ik het volle bedrag uitbetaald, omdat u

mij werkelijk van dienst is geweest. Haar nu heeft u zelf de zaak

bedorven. Het spijt mij zeer.”

„Ik begrip niet.... Hoe weet u...?”

„Zeer eenvoudig. Ik kom van Amsterdam, en vond daar wat u gedaan had.

Toen ben ik naar mijn advocaat gegaan, en hebben wij overlegd, dat ik

onmiddellijk al mijn crediteuren moest waarschuwen. Daar mijn erfenis

op ongeveer twee ton geschat wordt, en mijn schulden tegen het millioen

aanloopen, begrijpt u, dat de familie deze gelegenheid aangrijpt, om

met eenige opoffering harerzijds mij uit mijn schuld te helpen....”

„Maar u moest toch veel meer dan twee ton erven. Uw vader werd geschat

op tien millioen!”

„Schattingen van dien aard zijn meestal te hoog. En, er is een

testament. Ik krijg eenvoudig niet meer.”

„U kunt daartegen opkomen,” zeide Wiechen. „En als u het niet doet, de

schuldeischers.”

„Dat laatste is een vergissing,” zeide Beenhuis. „En ik zal niet tegen

de beschikkingen van mijn vader opkomen.”

„Dan vraag ik uw faillissement aan.”

Beenhuis trok de schouders op.

„Dan krijgt u ongeveer de helft van hetgeen ik nu bied, behalve dat ik

elke vordering van u tegenspreek. Een jaar is dan al het minste, dat we

er over procedeeren zullen. Heeft u daar trek in, mij wel!”

Wiechen trok een vies gezicht.

„’t Is heel wat, om zestig procent te laten vallen,” merkte hij op.

„En, als uw familie nu al moet bijspringen, waar moet u dan van leven?

U hebt toch vrouw en kinderen.”

„Ik dank meneer Wiechen zeer voor de belangstelling. En wat die zestig

percent aangaat.... enfin, ik reken u ook niet na. Dat u aan mij

verlies zou lijden, kunt u zonder lachen toch moeielijk zeggen.”

„Wanneer is uitbetaling?”

„Als u toestemt, en mij dit papiertje geteekend meegeeft, dan

aanstaanden Zaterdag, bij onzen notaris te Amsterdam.”

„Op den sabbat?” vroeg Wiechen.

„De Joden zullen geen werk doen,” zeide Beenhuis. „De notaris kan zijn

candidaat nemen, anderen een gemachtigde. Een anderen dag schikte nu

eenmaal niet. Dus.... u doet het?”

„Ik moet wel,” verklaarde Wiechen zuchtend.

Hij teekende zijn toestemming tot het accoord, waarna Beenhuis vertrok,

onder belofte hem nader het uur der uitbetaling te zullen doen weten.

Wiechen zuchtte nu niet meer. Met de tweeduizend francs, die hij in

Parijs had ontvangen, had hij, tengevolge van zijn handigheid met de

oude, geprolongeerde wissels, nu, niettegenstaande het accoord, zijn

geld eruit, en een dertig percent winst over den tijd dat het

uitgestaan had. En het kwam binnen zonder moeite, zonder dat vervelende

procedeeren, dat voor hem in het bijzonder zoo risquant was. Ziezoo,

dat waren weer een dikke twintig mille, die hij naar Parijs kon

brengen. Want de som was wel wat te groot om die door bemiddeling van

een Haagsch bankier te laten overmaken. Men mocht eens suspicie krijgen

vóór den tijd! En bovendien, het ging niemand aan, waar hij zijn geld

bergde.

Maar.... hoe drommel wist Beenhuis van zijn beslag af? Dat was

zonderling. Hij had gezegd naar Amsterdam te zijn geweest. Dat zou wel

waar zijn, maar om al die maatregelen te beramen, en daarna naar

advocaat en notaris te loopen, daarvoor was de tijd tekort geweest. Het

beslag kon, met het oog op het eerst aan te vragen verlof van den

President der Rechtbank, niet lang vóór twaalven gelegd zijn. Beenhuis

wist er dus al van eer hij naar Amsterdam ging. En nu was de combinatie

niet moeielijk. Arnolds moest hem in de vroegte gewaarschuwd hebben,

of.... Ja, dat moest het zijn! Beenhuis was gisteravond in de stad

gekomen, en.... Een blik in het spoorwegboekje helderde de zaak op.

Vier minuten vóór hem was de trein uit Brussel aangekomen. Men had hem

gezien, toen hij met den Amsterdamschen trein aankwam, Beenhuis was

snel weggegaan, terwijl Arnolds hem had opgevangen en uitgehoord. Wacht

even!

Hij belde Café Central op, en vroeg, zonder eerst te informeeren of hij

er wel was, Arnolds aan de telefoon te roepen.

„Dankje wel, Arnolds.” riep hij, zoodra hij het bekende neusgeluid

hoorde. „Dankje wel, voor de inlichting aan Beenhuis gegeven.”

„Tot je dienst,” klonk het terug. „Betaal een andermaal de menschen,

die wat voor je doen, en besteel ze niet. Bonjour!”

Een krassend geluid toonde aan, dat Arnolds de telefoon had opgehangen,

doch het doel was bereikt. Het was altijd de beste manier, iemand

brutaalweg te beschuldigen. Of hij gaf allicht een aanwijzing, en zooal

niet, dan hielp hij zoeken naar den waren schuldige, teneinde zichzelf

te zuiveren van den blaam. Voorzoover hij had ervaren, was Boom de

eenige bij wien dat niet lukte. Dit bleef altijd onbewogen en

presenteerde iemand met een effen gezicht een pak slaag. Maar

overigens... dat kon men nu weer zien. Enfin, het bevrijdde hem tevens

van alle verplichtingen tegenover Arnolds, en dat was zóóveel gewonnen.

Wiechen nam zijn agenda en sloeg den datum op van den volgenden

Zaterdag. Slechts één wissel moest op dien dag geind worden. Hij zocht

dien uit zijn portefeuille, en nam toen een doosje, waarin zich

verschillende plakzegels bevonden, allen reeds gebruikt, doch blijkbaar

daarna weer losgeweekt. Zijn handteekening stond er geheel op, zoodat

hij enkel de streep eronder aan weerskanten op het papier wat bij te

halen had, om, zoolang hij den datum niet op het zegel had gezet, dit

telkens weer te kunnen gebruiken. Zoo spaarde men het zegelrecht uit,

wat op een kantoor als het zijne, per jaar anders een aardig sommetje

aan den fiscus zou opleveren. En daar had niemand wat aan.

„Frans!”

De geroepene kwam uit de andere kamer.

„Waar is de schakellijm? Zet de dingen toch weer op hun plaats, als je

ze gebruikt hebt.”

„De lijm was op, meneer, en...”

„Denk er dan aan, dat je morgen nieuwe meebrengt. En... vang eens een

kip uit de ren, en breng die hier.”

„Een kip, meneer?”

„Ja, één kip, en geen twee, al heb ik het tweemaal moeten zeggen.”

De bediende draaide zich om, en ging aan den last voldoen, lachend

zoodra hij uit het gezicht was. Eenige oogenblikken later bracht hij

het verlangde dier bij Wiechen.

„Omdraaien,” gebood deze, en trok toen de kip een paar veertjes uit,

onder den staart, met het versch uit de huid gerukte gedeelte zijn

plakzegel besmeerend.

„Breng dat beest maar weg,” zeide hij, het zegeltje op den wissel

drukkend. „Berg dezen wissel in je tasch,” ging hij voort, toen de

bediende terug was. „Zaterdag aanbieden, en als hij niet betaald wordt,

dadelijk bij den deurwaarder brengen. Ik ben Zaterdag uit de stad.”

„Goed mijnheer.”

„Sluit nu maar. O ja, denk erom; Zaterdagavond heb ik je noodig. Je

moet zorgen om precies 7.22 op het perron van de Hollandsche Spoor te

zijn, met een koffertje, dat mevrouw je geven zal. Dan let je op den

trein, die uit Amsterdam komt, en waar ik inzit, om me het koffertje te

geven. Als het soms niet hoeft, zal ik telegrafeeren. Begrepen?”

„Ja meneer.”

Wiechen wachtte even, tot de bediende weg was, en ging naar boven, waar

hij Marie van zijn reisplan in kennis stelde.

„Het schiet op, als we nog een paar zulke gelukjes hebben,” zeide hij.

„Als over zes weken de groote post van Dokter Arnolds binnenkomt, denk

ik, dat we ons voor het vertrek maar gereed moeten maken.”

„Is dat veel?” vroeg zij.

„Twaalf mille.”

„Ben je met groote sommen van dien aard nooit bang?”

„Och,” zeide Wiechen, „een bedrag is een bedrag. Een man als hij, die

jaarlijks een vijf en twintig mille in zijn practijk verdient, kan

altijd betalen.”

„Waarvoor had hij dan zooveel geld noodig; heeft hij een huis gekocht?”

„Neen, dat minder. Zijn zoon vertelde mij, dat de oude heer nogal zwaar

speelt in het buitenland. In Namur vooral schijnt hij veel te laten

zitten. En dan onderneemt het jongemensch wel eens dingetjes op zijn

eigen houtje, waarvoor papa bloeden moet. Het ergste moet de oude

mevrouw zijn; die maakt eigenlijk het heele zoodje aan den gang.”

„Ik zou zoo iemand toch liever niet als dokter hebben,” meende Marie.

„Als hij zoo zwaar speelt, moet hij meer daaraan denken dan aan zijn

patienten.”

„Dat denk je maar. Hij staat hoog aangeschreven. Zijn zenuwen houdt hij

er trouwens onder met morfine-inspuitingen, naar de jonge Arnolds me

vertelde.”

„Maar dat is vreeselijk! Dat moet nog veel erger zijn dan drinken, heb

ik wel eens gehoord.”

„Ik heb het nooit geprobeerd,” zeide Wiechen. „Maar iemand die drinkt

kan je het altijd aanzien, en van hem zou ik het niet geweten hebben,

als zijn zoon het me niet zelf verteld had. De man ziet er altijd even

opgewekt uit.”

„Blijf je lang in Parijs?” vroeg zij, van het onderwerp afstappend.

„Misschien ben ik Dinsdagmorgen al terug,” zeide Wiechen. „Als er

echter morgen een oude dame komt, mevrouw de Kraay, dan zou het kunnen

zijn dat ik een dag langer wegbleef. Haar zoon woont in Parijs en heeft

geld noodig, een mille of vijf. Als zij voor aval teekenen wil, is het

geld veilig, en dan zie ik niet in waarom ik dat winstje voorbij zou

laten gaan. Maar anders ben ik Dinsdagmorgen vast thuis.”

„Ik zou wel mee willen gaan, en ineens blijven,” zeide Marie.

„Dat zou ik jou en Ella graag gunnen,” antwoordde Wiechen, „als het

niet te veel in het oog liep. Men zou lont gaan ruiken, en dat mag

niet. Weet je wat nu dezer dagen nog moest gebeuren? Een van mijn

polissen van levensverzekering moest eens afloopen. Dat zou een zetje

geven!”

Op dat oogenblik kwam Ella binnen, en staakten zij het gesprek.

Moderne schelmen (Indië in Den Haag): Oorspronkelijke roman · 第 13 / 24 题