NAAR ZEE.

Het was vroeg in het voorjaar van 1817 en we lagen met onze korvet,

dat is een soort van oorlogsschip moet je weten, te Vlissingen in het

dok. Het was meer dan noodig, dat we die haven binnengeloopen waren;

want _De Windhond_, zoo heette ons schip, had het vorig jaar nogal

wat geleden, toen we den Algerijnen den mantel uitgeborsteld hadden,

dat de wol er afvloog. We moesten in het droogdok, maar die het eerst

komt, het eerst maalt, dat was ook hier waar; want niet minder dan

zes schepen waren ons voor. Als die klaar waren werd het onze beurt.

Zulk een leven aan den wal is voor Janmaat het onplezierigste wat er

wezen kan. We verveelden ons vreeselijk en dikwijls dacht ik, als ik

zoo naar de groote beelden keek, die boven het beeldenhuis staan:

"We hebben nu op het oogenblik veel weg van die steen en dingen

daarboven! Is dat een leven?"

We hadden een bovenstbesten kommandant. Hij hield van zijn volk, en

zijn volk hield van hem. Waar hij ons maar pleizier kon doen, daar deed

hij het, zoodat we menigmaal verlof kregen om eens te gaan wandelen.

Ik weet niet of je op het eiland Walcheren bekend zijt. Denkelijk wel

niet en daarom wil ik je even zeggen, dat het een der mooiste streken

van ons land is. Weiland, bouwland, buitenplaatsen, vriendelijk

gelegen dorpjes, mooi aangelegde wegen, mooie duinstreken, zware

dijken en zee wisselen elkander af.

Geen wonder, dat we dan ook altijd van de vergunning om te wandelen

gaarne gebruik maakten en wel zorgden, dat er nooit klachten over ons

kwamen. Want, zie je, dan wisten we, als er een veldwachter aan boord

van _De Windhond_ kwam om te klagen, dat een der matrozen hier of

daar wat gedaan had, dat niet in den haak was, dan zat er wat op. De

minste straf was een maand dekarrest, dat wil zooveel zeggen als een

maand lang aan boord blijven.

Zooals ik daar straks al zei, het was vroeg in het voorjaar toen we

in het dok kwamen te liggen. We hadden een koude, schrale Februari en

Maart was nog een beetje erger. Op de timmerwerf van de schepen was

werk in overvloed, maar al de andere ambachten wachtten op het mooie

weer om te beginnen; vooral hadden de metselaars het kwaad, bitter

kwaad. In het najaar was het werk vroeg gedaan geweest en nu duurde

het zoo lang eer ze weer beginnen konden met wat te gaan verdienen.

Voor ons kwam het er evenwel niet zoo erg op aan; we ondervonden

alleen het onaangename van de koude, maar voor het overige hadden

we er geen hinder van. Spek en gort kregen we meer dan we lustten,

en dikwijls gebeurde het, dat de bakmaats den bak met gort niet leeg

konden krijgen.

Eens op een morgen, dat ik zoo aan den valreep naar de beelden van het

beeldenhuis en dan weer naar de beweging op straat stond te kijken,

zag ik twee jongetjes door de modder van de pasgevallen watersneeuw

loopen. Ze zagen er schraaltjes uit. De kleertjes, die ze aan het lijf

hadden, waren brandhelder, maar dun, dun, o, men kon de ribbetjes,

die er onder zaten, bijna tellen. Gezond zagen ze er ook niet uit;

de oudste had lange, zwarte haren en daardoor kwam zijn mager

gezichtje nog veel meer uit. Zijn oogen kropen bijna weg, alsof ze

zich schaamden, dat ze boven een paar zulke magere wangen staken,

en de wijde pijpen van de broek woeien met den wind zoo achteruit,

dat men de beentjes, zoo dun als talhoutjes, er in kon zien zitten.

En toch scheen dat kereltje geen verdriet te hebben; want onderwijl

zijn jonger broertje, dat er iets beter uitzag en die ook betere

kleertjes aanhad, liep te huilen, floot hij een deuntje.

"Jongens," dacht ik, "vanmorgen hebben we wel een bak half vol met

gort overgehouden, er is nog een stuk spek in ook, wie weet of die

kleine snuiters dat niet graag hebben zouden!"

"Wat sta je daar als een baliekluiver de straatsteenen te

tellen?" vroeg opeens iemand, die achter me stond.

Het was onze kommandant; ik keerde me om, sloeg de voorste vingers

van mijn rechterhand tegen mijn wollen muts en zei: "Ik keek naar

die twee arme kinderen, kommandant, en ik dacht ... ik dacht ..."

"Nu, wat dacht je?"

"Ik dacht, kommandant, dat die arme zielen misschien de gort wel

zouden lusten, die wij vanmorgen hebben overgehouden!"

"Wel, vraag het dan, kerel! Van mij heb je permissie!" antwoordde hij.

"Alstublieft, kommandant," zei ik, liep de loopplank af en haalde de

jongens, die op hun sukkeldrafje al een heel eind ver geloopen waren,

spoedig in.

"Hei, hei!" riep ik.

De kinderen keken om en toen ze mij zagen wenken stonden ze stil.

"Heb jelui soms ook honger?" vroeg ik.

"Ik heb mijn buik vol gefloten, maar mijn broertje kan niet fluiten

en die denkt nu zijn buik vol te kunnen huilen; maar dat schijnt hem

niet te gelukken!" zei de oudste.

"Lust je ook gort met spek?" vroeg ik weer.

"Die niet lust is dood! Ik lust alles!" antwoordde hij.

"Best, ga dan maar met me mee, dan kan je bij ons aan boord

schaften. Hallo, frisch op maar! Wie van jelui beiden er het eerste

is krijgt het meeste."

Rrrt, daar ging de kleinste, loop je niet, zoo heb je niet! als een

kogel uit eene draaibas! De oudste deed het niet en kwam langzaam

achteraan slenteren.

"Wat," riep ik hem toe, "kan jij niet loopen?"

"Neen, mijn broertje wint het altijd van me," zei hij en kwam wel

een paar minuten later aan boord dan zijn broertje en ik.

Weldra zaten we tusschendeks, ik op zij, en die twee plat op de

planken met den bak tusschen zich in.

"Jij mag twee prikken tegen dat ik er een neem, Jan," zei de oudste;

"jij hebt het gewonnen, jij mag dus het meeste!"

En, verbazend, wat at die kleine! Zulk eten heb ik nooit gezien! Maar

toch kon hij alles niet op en er bleef nog heel wat over. Zoodra Jan

den lepel neerlegde deed Tom, zoo heette de ander, het ook.

"Nu, Tom," sprak meester Barend, die er ook bij gekomen was, "nu Tom,

heb jij zoo'n kleine maag?"

"Welneen," antwoordde hij, "maar ik heb ze al vol gefloten en ... en

thuis, weet u ... thuis ..."

"Nu, thuis?"

"Ja, vader en moeder en de twee kleintjes kunnen ook niet fluiten!"

Ik keerde me om, zag meester Barend aan en ... dat had ik nog nooit

gezien, meester Barend kreeg opeens zulke natte oogen, alsof hij

zwaar verkouden was en niezen moest en het niet kon.

"Te weerga, jongen, eet!" riep hij. "Eet, zeg ik je! Jij bent een

jongen, hoor! Je bent van de stof waaruit onze Lieve Heer de engelen

gemaakt heeft! Eet, zeg ik je! Die daar thuis zijn en niet fluiten

kunnen, krijgen van mij en mijn kameraads een bak vol! Toe kerel,

eet, eet dan!"

Maar zie eens aan! In plaats van nu opnieuw toe te tasten, vloog de

lange lummel zijn broertje om den hals en begon hardop te huilen,

en daar huilen een aanstekelijke ziekte is, begon Jan ook. Dat was

me een mooi gezicht! Twee huilende kwajongens en een schaftbak met

gort en spek er naast.

"Mag ik ook weten wat hier te doen is, meester Barend?" vroeg de

kommandant.

"Wij hebben hier een jongen gevonden met een groot hart in 't lijf,

kommandant," antwoordde meester Barend en, terwijl hij vertelde wat

die oudste jongen zoo al gezegd en gedaan had, kwamen een paar groote

tranen langs zijn wangen rollen.

"Dat is mooi, dat is heel mooi," sprak de kommandant. "Eer die jongens

van boord gaan, moeten ze eens even bij mij in de kajuit komen!"

Wat de kommandant met deze jongens besprak, kwam ik natuurlijk niet te

weten, althans dien dag niet. Maar dat is zeker, dat ze meer van boord

rolden dan liepen, en dat ze voortaan elken morgen om de overgeschoten

gort kwamen. Zoo werden we langzamerhand bekenden.

Intusschen werd het in Juni ook onze beurt in het droogdok te gaan

liggen, dat is te zeggen, het schip, weet je, maar wij niet. Zoolang

_De Windhond_ daar lag, gingen wij aan boord van de _Neptunus_, een

oud linieschip, dat daar al sinds jaar en dag in het dok gelegen en

nooit zee gezien had. Op zoo'n schip, dat volstrekt geen tuigage had,

hadden we nog veel minder te doen dan op _De Windhond_, zoodat de

kommandant ons gaarne vergunning gaf met meester Barend eens een

rijtoertje te gaan maken.

Wij hadden een prettigen dag en kwamen tegen den avond langs Koudekerke

terug.

"Weet je wat, jongens," zei meester Barend, "het zitten en rijden

begint me te vervelen. Ik stel voor, den wagen naar Vlissingen leeg

terug te laten rijden, en dan gaan we van hier naar de duinen om zoo

langs het strand naar huis te gaan!"

De anderen hadden evenwel geen zin in het loopen, en daarom reden

er vijf mee en meester Barend en ik gingen loopen. Na bijna twee uur

gewandeld te hebben, we waren nog verdwaald geweest op den koop toe,

kwamen we zoowat een groot uur van Vlissingen af op het strand. Er woei

een stevige bries en dat beviel ons; want we waren niet weinig warm.

Toen we zoo omstreeks een half uur geloopen hadden riep meester

Barend opeens: "Kijk eens, George, zijn daar ginds geen jongens aan

het zwemmen?"

Ik keek op en zag ze ook; maar zwemmen deden ze niet. Ze schenen maar

wat in het water te loopen spelen.

"De lange lummel daar mag wel voorzichtig zijn," sprak meester

Barend. "Er gaat hier een sterke eb en de kwajongen waagt zich veel

te ver! Pas op, straks kunnen we nog gaan zwemmen om hem te redden."

Toen we nader kwamen zagen we wat er aan de hand was. Op de eb

dreef een heel klein scheepje, waarmee ze gespeeld hadden, doch dat

omgeslagen was, al verder en verder zee in.

"Ik weet al wie het zijn," zei ik na een poosje. "Die lange daar

met zijn stroohoed op is Tom, en die met dat mutsje, is Jan van den

metselaar uit de Vrouwenstraat. Zeker aan het spelen!"

"Mooi spelen!" bromde meester Barend. "Ze leggen het er op toe om te

verdrinken. Als hij nog wat verder gaat, dan ... daar gaat hij al,

daar gaat hij al!" Hierop zette meester Barend de holle handen voor

zijn mond en schreeuwde, evenals door een scheepsroeper: "Hei!"

Tom zag op en Barend wenkte hem, dat hij terug zou komen.

Maar dat terugkomen was gauwer gezegd dan gedaan. Er ging een sterke

stroom en eer Tom er op verdacht was, daar ging hij.

"Help! Help!" schreeuwde hij.

"Heb ik het niet gezegd?" riep Barend, "dat geeft vanavond nog een

bad!" en zoo als hij dat gezegd had, liep hij langs den kortsten weg

dwars door het water heen.

Tom dreef met den stroom al verder af en, was meester Barend niet

een baas in het zwemmen geweest, dan had Tom zijn onderneming om het

drijvende scheepje weer terug te krijgen, met den dood moeten bekoopen.

Onderwijl mijn oude kameraad zich met het redden van den

onvoorzichtigen Tom bezighield, had ik Jan op het droge gebracht,

en daar ik wel kans zag het scheepje nog te krijgen, ging ik opnieuw

te water, om van mijn zijde ook wat te doen.

Barend kwam op hetzelfde oogenblik met Tom aan wal, als ik met het

scheepje, maar ik zou liever het scheepje dan Tom geweest zijn; want

die kreeg van Barend een ongemakkelijk pak voor de natte broek. Dat

deed hij nu niet om den armen jongen te straffen, maar alleen om den

schrik er uit te slaan.

Wij zagen er met ons viertjes keurig mooi uit. We waren heelemaal

nat en, al was het nu ook al in Juni, toch kan ik niet zeggen, dat

zulk een nat pak zoo heel plezierig en verkwikkend was. We beefden

van koude, en toen wij 's avonds in kooi lagen, konden we er ons nog

maar niet diep genoeg in rollen om toch maar warm te worden.

Een paar dagen later liepen meester Barend en ik eens langs den

Nieuwendijk te wandelen toen er een metselaar op ons afkwam.

"Meester Barend," zei hij, "ik bedank u wel voor het redden van mijn

jongen, hoor! Hij was er bijna geweest!"

"Ja," antwoordde Barend, "hij zal nu vooreerst wel geen scheepjes

meer laten varen; hij zal er wel schrik van gezet hebben!"

"Schrik van gezet hebben? Schrik van gezet hebben?" riep de man. "Lieve

schepsel, dat lijkt er niet naar. Hebben die kwajongens vanmiddag

het alweer niet gedaan? Ik kan hen maar niet van het water houden;

zóó ben ik de deur uit en zijn zij de straat op, of, jawel, op het

Hoofd, op het Rondeel, op het Dok, op de Kaai, nu hier, dan daar,

maar altijd om of bij het water!"

"Dan zullen ze zeeman moeten worden, vriend!" zei Barend.

"Ja, dat roepen ze allebei. Als ik vraag: Tom, wat moet je worden? dan

is het: Naar zee, vader! en doe ik diezelfde vraag aan Jan, dan is het:

Naar zee, vader!"

"Wel, stuur ze dan naar het wachtschip, vriend!"

"Naar het wachtschip? Wel, voor geen nog zooveel! Ze kunnen worden wat

ze willen, als ze maar aan den wal blijven! Want, een zeemansleven,

geen leven!"

"Zeker om daar 's winters gebrek te lijden, hé?" zei Barend, die

wat boos werd. "Je hebt gelijk, man, groot gelijk! Als ik jou was,

dan liet ik ze metselaar worden en anders aschman of zoo iets! Dan

heb je altijd volop werk, je verdient veel geld, en eten, drinken,

vuur, licht, kleeren en al wat je maar wilt, heb je volop. Ik zeg ook:

een zeemansleven, geen leven!"

"Neen, meester Barend, niet omdat jelui geen eten of drinken of goede

kleeren hebt, daarom niet; maar,--maar,--och, ik zal het u maar zeggen:

ik ben bang, dat er van die twee aan boord niet veel goeds groeit. Als

al het zeevolk was, zooals meester Barend en hier de deze,"--hij

wees op mij,--"dan zou ik zeggen: Ga naar zee, jongens, en je zult

wat worden. Maar nu,--neen, mijn vrouw zou het ook niet willen hebben!"

Toen de arme metselaar dat gezegd had, stond meester Barend een

poosje in gedachten. Eindelijk zei hij: "En als ik nu eens aan onzen

kommandant vroeg of de jongens bij ons aan boord mochten komen, dan

zouden mijn jonge vriend George en ik een oogje op die twee houden

en, misschien, misschien, dat er een paar ferme zeelui uit je jongens

groeiden! Wil je hebben, dat ik het vraag?"

De metselaar bedacht zich een oogenblik en zei eindelijk: "Als u dat

doen wilt, alstublieft! Heel graag, heel graag!"

Een week later was alles in orde en waren Tom en Jan bij ons aan boord

van het linieschip. Wel viel het leven beiden vreemd, maar daar ze

een paar flinke borsten waren, begonnen ze met op zij te zetten wat

hun niet beviel, en hemelhoog te prijzen wat niet onplezierig was.

Op den 31sten Augustus zeilden we weer uit. De korvet was heelemaal

hersteld en deed haar naam weer eer aan; want ze vloog over het water

als een zeemeeuw. Onze bestemming was West-Indië, waar we drie jaar

lang moesten kruisen om onze koopvaardijschepen te beschermen tegen

de vele zeeroovers, die deze streken onveilig maakten.

We waren er spoedig en de eerste zes maanden ging alles vrij goed;

zeeroovers waren nergens te zien en we hadden eigenlijk niemendal

te doen.

Maar spoedig kwam er een vijand, op wien we niet gerekend hadden en

waarvoor we allemaal bang waren. Het was de gele koorts. Zie, tegen

zulk een vijand helpen geen kanonnen of scherpe sabels. De eerste,

die deze ziekte kreeg, was meester Barend. Dagen achtereen lag hij

vreeselijk ziek en er was wel niemand aan boord, die dacht, dat hij

er bovenop komen zou. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik bang was bij

hem te komen. Als ik die ziekte ook eens kreeg! En als ik er dan eens

aan stierf! Ik was toch nog zoo jong!

Jong, ja, dat waren Tom en Jan ook; maar die waren beter dan ik. Zij

dachten niet, dat het mogelijk kon zijn, dat ze sterven konden. Ze

hielden veel van Barend; hij had Toms leven gered en voor beiden als

een vader gezorgd.

"Tom," zei de dokter eens, "Tom, weet je wel, dat de gele koorts een

besmettelijke ziekte is, hé?"

Tom knikte van ja en zei, dat hij dat ook wel eens gehoord had.

"Nu, jongen, laat de ziekenoppasser den armen Barend dan

verzorgen! Waag je leven niet, hé!"

"Ja maar, dokter, meester Barend heeft mijn leven eens gered, en

gezorgd, dat mijn broertje en ik bij hem aan boord kwamen! We wilden

hem toch liever oppassen!"

"Nu, als je er op staat en de kommandant wil het hebben, dan is het

mij onverschillig, hé!"

Onder ons, we noemden den dokter altijd "meneertje Hé," omdat hij, als

hij wat zei, altijd eindigde met "hé!"--Toen dan "meneertje Hé" bij den

kommandant kwam en hem vertelde wat die twee jongens deden, zei deze:

"Wel, die jongens toonen, dat ze ook dankbaar kunnen zijn en het zou

jammer wezen, als we hun nu gingen beletten hun vriend op te passen!"

De dokter kon er dus niemendal aan doen, zoodat Tom en Jan aan het

ziekbed van Barend bleven en den man zóó trouw verzorgden, dat een

moeder niet beter op haar kind kon passen.

Eindelijk hadden Tom en Jan het genoegen te zien, dat hun zeevader

het gevaar te boven was en langzaam van zijn ziekte herstelde.

Van dien tijd af was meester Barend aan de jongens gehecht, alsof

het zijn eigen kinderen waren. Maar wat gebeurde er? Reeds waren

verscheidene manschappen aan de ziekte bezweken en had de kapitein

besloten het eiland Curaçao aan te doen om hen, die nog ongesteld

waren, aan wal te brengen, het heele schip te laten zuiveren en versch

drinkwater in te nemen. Niemand onzer gevoelde hierover eenige spijt

en allen zagen verlangend uit naar het oogenblik, dat het eiland in

het gezicht zou zijn.

"Wel, Tom," zei ik op zekeren dag, "zie je niets?"

"Ja," was het antwoord, "ik zie wel wat, maar ik kan nog niet zeggen

wat het is!" Opeens echter kwam de kommandant op het voorschip loopen

en gaf bevel, dat alle zeilen terstond moesten gereefd worden. Wat

Tom zag, was geen schip, geen bergtop, geen eiland, het was een wolk,

die spoedig al grooter en grooter werd. Opeens ging de wind liggen;

het werd bladstil. De wimpel zakte neer en de zeilen hingen slap

tegen het want.

"Handen uit de mouwen, jongens, we krijgen storm! En storm in deze

zee zegt zoo iets!" riep meester Barend.

Wij hielpen waar wij konden, maar konden niet begrijpen vanwaar die

storm nu komen moest.

"Bravo!" riep nu de kommandant, "dat heet ik werken! Mijnheer Blaasbalg

kan nu komen en wij hopen hem moedig het hoofd te bieden!"

Intusschen was in minder dan tien minuten tijds de heele westelijke

hemel met wolken bedekt en wel met wolken, zooals ik ze nog nooit

gezien had. Ze waren zoo blauw-zwart als leien, en onderwijl we er

zoo naar stonden te kijken en de anderen op het dek alles vastsjorden

wat los stond, hoorden wij een onophoudelijk gerommel, even alsof er

in de verte een boerenwagen over groote straatkeien reed.

Eensklaps begon de lucht ook van de andere zijden te werken en hoewel

het midden op den dag was, werd het zoo donker, alsof de zon zooeven

was ondergegaan.

Het gerommel werd sterker; en zoo mogelijk werd het nog stiller. En

drukkend heet dat het was! Men had het overal te kwaad; want zelfs in

het topje van den grooten mast was geen koeltje te voelen. Het waren

vreeselijke oogenblikken. We wisten allen, dat er wat komen zou en

de een keek den ander aan, alsof hij vragen wilde: "Komt het nog niet?"

Eensklaps schoot er zulk een bliksemstraal door de lucht, dat

er uit alle monden een: "Hè!" klonk en de slag, die er op volgde,

geleek veel op het bombardement van Algiers, maar het geluid was nog

sterker! Dit was het begin van het vreeselijkste onweder, dat ik ooit

heb bijgewoond. Tom en Jan waren overal waar ik was en ik was overal

waar meester Barend was. Zeker dachten we, dat die man ons helpen

kon. Angstig zag meester Barend uit naar den wimpel, die nog altijd

langs den mast nederhing. Als die zich begon te bewegen, dan....

"Hij komt, jongens, hij komt!" riep hij onverwachts.

"Wie, meester Barend, wie komt er?" vroegen wij alle drie te gelijk.

"De orkaan, kinderen, de orkaan!" was zijn antwoord, en pas had hij

dat gezegd of het schip, dat doodstil gelegen had, bewoog zich even,

de wimpel begon te trillen, in de verte zagen we golven aankomen,

de masten kraakten, het want zuchtte en kreunde, de wimpel fladderde

rond, nog een vreeselijke donderslag klonk en...

Daar lagen we alle vier op het dek! We waren op den eersten aanval

van den orkaan niet bedacht geweest. Met moeite stonden we op; de

eene zee na de andere sloeg over het dek, totdat eensklaps meester

Barend uitschreeuwde: "Man over boord!"

"Man over boord!" riep men aan alle kanten.

Wij hadden met ons vieren niet bij elkander kunnen blijven; we

werden van stuurboord naar bakboord geslingerd en toen ik eindelijk

bij meester Barend aankwam en hem vroeg: "Wie is er over boord

geslagen?" wees hij op Tom, die radeloos van droefheid zich aan

meester Barend vastklemde en uitriep: "Jan, meester Barend, red Jan

toch! Jan! Jan!"

Maar er viel niet aan te denken iemand te redden; geen boot kon te

water gelaten worden. Nu eens waren we boven op een waterberg, dan in

een waterdal. De masten bogen als breinaalden en hier en daar werd

een zeil losgerukt en een touw afgebroken, alsof het met een scherp

mes doormidden gesneden werd.

Zoo hield de orkaan wel een vol uur aan en toen hij wat begon te

bedaren, zag het er aan boord vreeselijk uit. De groote mast en de

fok lagen over boord; de watervaten waren van hun plaatsen geschoven;

de affuiten waarop de kanonnen rustten, waren op zijde geschoven;

stukken zeil, losgeslingerde touwen, planken van de verschansing en

nog veel meer, lagen overal langs het dek verspreid, en nog was er

geen kijk op om een en ander te herstellen; want al was de orkaan

voorbij, de storm hield aan. Twee dagen lang hadden wij er mede

te worstelen, en eerst den derden dag kwam het weer tot zichzelf,

en kon er aan gedacht worden om te zien, of we de reis naar Curaçao

konden voortzetten, ja of neen. Maar daar was geen denken aan. Alles

was onklaar, en daarom besloot de kommandant te beproeven, of we met

ons ontredderd schip het eiland Jamaïca konden bereiken, en met veel

moeite mocht ons dat gelukken.

Wat waren we blij, dat we na zulke vreeselijke dagen doorleefd te

hebben, weer in behouden haven mochten zijn. Blij, ja, dat waren we;

maar allen niet. De arme Tom liep stil en zwijgend daarheen. Hij had

geen enkel lachje, ook dan niet, als de konstabel, die de grootste

grappenmaker aan boord was, zijn kluchten verkocht.

"Tom," zei ik, "je moet je wat opbeuren, jongen! Aan zulke

gebeurtenissen moet de zeeman gewoon raken!"

"Zeg, George," antwoordde hij, "heb je ooit een broer verloren, en dat

nog wel zulk een bovenstbesten broer? Wat zal ik zeggen, als ik thuis

kom, en vader en moeder vragen waar Jan is? Ik durf niet thuis komen!"

Zoo sprak Tom, en of ik al beproefde hem te troosten, het gelukte

me niet en meester Barend beproefde het mede tevergeefs. Tom zou van

verdriet sterven, of....

"Zoo," zei de stuurman, "die Deensche bark ziet er ook lief uit; die

heeft zeker ook Meneer Blaasbalg op zijn dak gehad! Maar wat weerga,

wat moeten ze van ons hebben? Ze zetten een sloep uit!"

Ongemerkt waren meester Barend, Tom, ik en nog een paar anderen bij den

stuurman komen staan en zagen naar de boot, waarin vier mannen klommen,

die iets droegen, dat wel wat op een mensch geleek.--Ze legden het

voorzichtig neer, namen de riemen op en roeiden naar ons schip.

Weldra lag de boot tegen ons boord en een stem van beneden riep in

gebroken Hollandsch, dat men den valreep nederlaten moest. Hieraan

werd voldaan. De mannen klommen naar boven en brachten bij ons....

Tom had iets, iets gezien. Een bleek jongensgezicht met zwarte

haren. Hij snelde er heen, gaf een schreeuw en.... viel.

Jan was weer bij ons aan boord. Wel was hij zwaar gekwetst en had

hij een gebroken been, maar hij leefde toch, en wie weet of hij niet

herstellen zou.

Onze kommandant vroeg den stuurman van de boot, hoe het mogelijk was,

dat ze dien knaap hadden kunnen redden.

Toen vertelde de man dit:

"Misschien een kwartier nadat de hevige orkaan voorbij en in een

storm overgegaan was, zagen we wat op een hooge golf drijven. De golf

sloeg tegen stuurboord en over het schip heen, en toen ze weer weg

was lag er een stuk mast met zijn losgierend touwwerk in ons want

verward. En tusschen hout en touwwerk lag deze knaap. We haalden hem

er uit en dachten eerst dat hij dood was, maar onze scheepsdokter

onderzocht hem en vond er nog leven in. Zijn been was gebroken,

zijn rechterarm gekneusd en over heel zijn lichaam had hij bulten en

schrammen. Toen hij na verloop van een paar uren wat bijkwam, vroegen

wij hem van welk schip hij kwam; maar hij verstond ons niet. Omdat

hij zoo zwart van opslag was hielden wij hem voor een Franschman,

Spanjaard of Napolitaan, tot hij met een zwakke stem vroeg: 'Drinken,

drinken!' Toen hoorden we dat hij een Hollander was en wisten nu heel

spoedig, dat hij als kajuitsjongen op het Nederlandsche oorlogsschip

_De Windhond_ diende. Zoodra we nu zagen, dat dit schip hier was,

namen we het besluit hem hier aan boord te brengen."

"En daar heb jelui goed aan gedaan," antwoordde de kommandant en

gaf den matrozen een goede fooi, waarop dezen weer naar hun vaartuig

terugroeiden.

Nu was Tom ook weer vroolijk, en al zei de dokter ook, dat Jans been

nooit meer terecht zou komen, toch rekenden we dat geen van allen

als iets. Zijn leven was gered en dat was het voornaamste.

En als je nu weten wilt wat er van Jan en Tom geworden is, ga dan

maar eens naar mijn vroegere scheepstimmerwerf en als je dan vraagt:

"Van wie is deze werf?" dan zullen de werklieden je zeggen: "Ze is

van twee bazen, broers, weet je! Ze heeten Thomas en Jan Epelaere. En

goed,--er leven er geen beter op de wereld.--Ze hebben vroeger ter

zee gevaren, maar...."

In het Schemeruur · 第 7 / 30 题