Midden tusschen de huizen van het dorpje Schootwerve lag een
allerliefst tuintje, dat door een heg van hulst van den weg
afgescheiden lag. Dat tuintje zag er keurig net onderhouden
uit. Tusschen de perkjes, die allerlei vormen hadden, slingerden
zich paadjes, die met schelpzand bedekt waren. De perkjes zelf waren
omringd door een laag hegje van steekpalm en versierd met allerlei
soorten van zaaibloemen.
Het grootste perk, dat in het midden lag, was een zoogenaamd tapijtbed,
dat er met zijn veelkleurige bloemen uitzag als een groote, heel groote
lappendeken, waardoor middenin een mannetje gekropen was. Dat mannetje
was een pop van aardewerk en stelde een rookenden Moor voor. Vroeger
had hij voor een tabakswinkel gestaan, maar toen hij bij de een of
andere gelegenheid zijn rechterhand, die de pijp vasthield, gebroken
had, was hij bij een uitdrager verzeild, en bij dezen had de eigenaar
van het tuintje den invalide gekocht. De timmerman van het dorp,
een echte knutselaar, had den steenen Moor een houten hand en pijp
gegeven en deze met draadnagels aan zijn lichaam vastgemaakt.
En zoo stond daar de rookende Moor den heelen zomer midden tusschen
de bloemen. Kwam het najaar aan, dan werd hij op den zolder gebracht
en eerst in April, na goed afgestoft, geveegd en opgeverfd te zijn,
kwam hij, den eersten zomerschen dag den besten, weer te voorschijn.
Roepen op andere plaatsen de jongens elkaar toe, als ze den
koekoek voor het eerst in het jaar hebben gehoord: "Ik heb den
koekoek gehoord!" hier riepen alle jonge Schootwervers: "Ik heb Jan
met de pijp gezien!" Want Jan met de pijp was de bijnaam van den
opgelapten Moor. Ja, de vrouw van den smid zou niet eer aan de groote
voorjaarsschoonmaak beginnen, vóór zij wist, dat Jan met de pijp van
den zolder in den tuin gekomen was.
Achter het tuintje stond een ouderwetsch huis. De muren waren van
onder tot boven begroeid met klimop en het was er zoo rustig en stil,
dat verscheidene vogeltjes het waagden hun nestjes in de altijd groene
takken te maken.
Het huis zelf had een groote voorkamer, een zijvertrekje, een
tuinkamer en een keuken. Boven waren nog een paar kamers en drie
slaapvertrekken. Tusschen de voor- en de tuinkamer was een alkoof en
hierin sliep de eigenaar van het huis, de oude heer Van Laeken.
Wie de oude heer Van Laeken was, zal ik jelui eens even vertellen.
Met Nieuwejaar van het jaar 1800 was hij te Antwerpen geboren, waar
zijn vader magazijnmeester was. De menschen hadden fatsoenlijk hun
brood, maar toen Napoleon beval, dat er geen Engelsche schepen meer in
de havens mochten komen om voortbrengselen uit Oost en West binnen te
brengen, toen was er in het magazijn van den rijken koopman, bij wien
Van Laeken's vader in dienst was, geen magazijnmeester meer noodig;
want het pakhuis was ledig.
Nu stond bittere armoede voor de deur.
De oude Van Laeken kon goed rekenen, schrijven en lezen, maar van
een ambacht verstond hij niets. Zijn eenig zoontje moest terstond
van school af, hoewel het ventje nog maar elf jaar oud was, en zijn
twee zusjes, die reeds bij een Franschen meester waren, werden ook
thuis gehaald.
"Als je nu nog leeren wilt, dan moet je jezelf maar oefenen en als je
met het een of ander niet voort kunt, vraag er mij dan maar naar en,
als ik kan, dan zal ik je helpen!" zei vader.
Maar van dat leeren kwam niet veel; want wie wat verdienen kon met
werken of boodschappen doen, die moest er maar op uit.
Toen George, zoo heette de jongen, zag, dat hij met boodschappen doen
het niet heel ver in de wereld brengen zou, zag hij naar alle kanten
uit, of hij niet iets kon vinden waarmede hij een eerlijk stuk brood
verdienen kon.
Zoo liep hij eens tegen den avond langs de kade toen een zeeman op
hem afkwam en vroeg: "Wat zoek je, jongen?"
"Ik zoek werk! Ik wil een ambacht leeren!" antwoordde George.
"En wat wil je leeren?"
"Daar geef ik niet om, als het maar iets is waarmee ik mijn brood
verdienen kan!"
"Je bent een onverschillige jongen," zei de zeeman.
"Dat is niet waar," antwoordde George. "Nu heb ik twaalf ambachten
en dertien ongelukken. Dat wordt nooit wat goeds! Ik wil één ambacht
leeren!"
"Nu, nu, het was zoo erg niet gemeend, manneke! Weet je wat ik ben?"
"Matroos?"
"Neen!"
"Stuurman of hofmeester dan?"
"Ook al niet! Ik ben scheepstimmerman aan boord van een oorlogsschip."
"En is dat een goed ambacht?"
"Dat zou ik wel gelooven. Z. M. de Keizer zorgt goed voor zijn
manschappen. Er is maar één Napoleon!"
"Dat zeg je! Maar zou ik dat scheepstimmeren ook kunnen leeren?"
"Waarom niet? Zou jij het bij mij aan boord willen leeren? Ik was er
juist op uit een jongen te zoeken!"
George's oogen glinsterden en den zeeman bij den arm vattend, zei hij:
"Ga mee naar vader en moeder en doe een goed woordje voor me!"
De man voldeed hieraan gaarne en.... veertien dagen later was George
aan boord van _La France_, een prachtig linieschip.
In den scheepstimmerman, meester Barend, zooals hij door de Hollandsche
matrozen genoemd werd, vond George een goed leermeester en een warm
vriend. Jarenlang, ook nog na den val van Napoleon, voeren ze samen,
doch na 1825 niet meer ten oorlog, maar ter koopvaardij.
Eindelijk was meester Barend zoo gelukkig een erfenis te krijgen
en daar zijn dienstjaren juist verloopen waren, ging hij uit den
zeedienst en vestigde zich als scheepstimmerman in de stad, waar
hij zijn vriend en makker George bij zich nam. George had de eerste
drie jaren aan boord van _La France_ niet alleen zijn vak geleerd,
maar daar de betrekking van schrijver door een gewezen schoolmeester
vervuld werd, en deze in zijn ledigen tijd gaarne nog wat deed, had
George van hem geleerd wat hij, door het ongeluk van zijn vader, in
Antwerpen niet had kunnen leeren. George schreef een goede hand en
wist van het Fransch en Engelsch zooveel, dat hij deze beide talen,
zonder grove fouten te maken, lezen, spreken en schrijven kon. Deze
kennis kwam hem nu uitmuntend te pas. Hij hield boek en meester
Barend zorgde, dat het volk op de werf zijn plicht deed. Het gevolg
hiervan was, dat de scheepmakerij in bloei toenam en toen meester
Barend op 62-jarigen leeftijd aan een slepende ziekte overleed,
was George van Laeken eigenaar van de geheele zaak. Meester Barend,
die op de geheele wereld geen familie meer had, had kort voor zijn
dood alles aan George vermaakt.
Hadden George's ouders nu nog geleefd, dan had hij voor hen kunnen
zorgen, maar ze waren in 1812 kort na elkaar gestorven, en zijn
zusters waren de wijde wereld ingegaan, zonder eenig spoor van zich
achter te laten.
Oude buren verzekerden, dat ze met de vrouw van den gewezen maire
(burgemeester) van Antwerpen waren medegegaan naar Frankrijk.
Twintig jaar lang bleef George scheepstimmermansbaas, maar toen besloot
hij stilletjes te gaan leven. Hij zocht daarom een vriendelijk gelegen
plaatsje en vond dat in Schootwerve. Hij kocht daar een groot stuk
duingrond, liet er een huisje bouwen en legde er, met heel veel moeite
en voor heel veel geld, een mooi tuintje aan. Achter zijn huis had
hij berken en dwergeiken laten planten en die tierden daar uitmuntend.
Toen hij ongeveer een jaar of tien te Schootwerve met een huishoudster
geleefd had, kwam op zekeren dag de burgemeester bij hem om te vragen,
of hij ook nog familie in Antwerpen had.
Nu, wat zou mijnheer Van Laeken zeggen? Hij wist niet beter dan
van neen.
"Ik heb anders vanmiddag een brief gekregen uit Antwerpen waarin
me gevraagd werd, of bij mij op het dorp niet een zekere George van
Laeken woonde. Daar waren twee kleine meisjes te Antwerpen gekomen met
een brief waarin stond, dat haar grootmoeder een zuster was geweest
van George van Laeken, die als scheepmakersleerling in Franschen
dienst gegaan was. Die grootmoeder had daar in Frankrijk haar man,
haar dochter en haar schoonzoon zien sterven en toen zij voelde dat
ze ook niet lang meer leven zou, had ze aan de twee kinderen van haar
dochter een brief gegeven om dien aan den burgemeester van Antwerpen
te brengen, als ze gestorven zou zijn. Kort daarop stierf ze; haar
geringe bezitting werd verkocht en in gezelschap van den pastoor van
het dorp waren ze naar Antwerpen gegaan!"
"Nu," zei mijnheer Van Laeken, "dat kan best waar zijn. Ik zal naar
Antwerpen gaan en de zaak onderzoeken!"
Drie weken later kwam de oude heer te Schootwerve terug met twee
meisjes bij zich. Ze waren tweelingen en heetten Helena en Anna.
Voor die nichtjes was hij alles, en waar hij haar pleizier kon
doen, daar deed hij het, en zij toonden dat ze die liefde ten volle
verdienden.
Die meisjes kregen weldra vriendinnetjes en menigmaal was er
kinderfeest in huis, op welk feest ook de broertjes van de
vriendinnetjes mochten komen.
Eindelijk maakte de oude heer met al de jongelui de volgende
afspraak. "Iedere week zal ik aan den hoofdonderwijzer vragen wie
er de heele week goed opgepast heeft en zij nu, op wie hij niets
te zeggen heeft, mogen Zaterdags bij me komen, dan zal ik hun een
vertelling doen!"
Dat werd natuurlijk goedgevonden en den volgenden Zaterdag was de
oude man door wel dertig kinderen omringd. Een stuk of acht jongens,
echte belhamels, hadden om hun slecht gedrag niet mogen komen, en
die waren hierover zóó boos, dat ze mijnheer Van Laeken allerlei
leelijke namen gaven, en op het laatst hem bijna niet anders kenden,
dan onder den naam van "_Jan met de Pijp_."
"Wel," zei de vriendelijke oude heer, toen hij dat hoorde, "ze noemen
me _Jan met de Pijp_, best, heel best!" Hierop was hij naar de stad
gegaan, had zijn portret laten maken en veertien dagen later gingen
meer dan dertig kinderen naar huis, en ieder had een keurig nette
afbeelding van den goeden man in den zak.
Ik heb het geluk gehad zulk een portret meester te worden, en als
je nu weten wilt, hoe mijnheer George van Laeken er als _Jan met
de Pijp_ uitziet, bekijk dan maar eens het prentje in dit boek, dan
weet je het. Hij lijkt sprekend. En als je hem nu goed bekeken hebt,
lees dan maar verder wat hier in dit boekje staat. De vertellingen,
die ik uit zijn mond opgevangen heb, staan hierin, en ik twijfel geen
oogenblik of ze zullen je wel bevallen.