III.

Bezoek van de Terra Nova.--Verkenning van de Barrière.--Vestiging

van een dépôt van levensmiddelen op 80 graden Z. B.--Voorzorgen

om de dépôts te kunnen terugvinden.--Een étappe van honderd

kilometers.--Verbeteringen in de uitrusting.--Tweede expeditie

voor het inrichten van een "cache."--De herfst in de Zuidelijke

IJszee.--Eén-en-veertig graden onder nul.--Een koudepool op de

Barrière.--Derde expeditie naar 80 graden Z. B.

Om half zeven in den morgen waren wij als gewoonlijk allen vertrokken,

om de bagage te halen van de baai, toen de man, die voorop liep, als

een gek begon te wuiven. Blijkbaar ziet hij wat zeer bijzonders. Maar

wat? Bij hetzelfde punt gekomen, begint een tweede dezelfde bewegingen

te maken en schreeuwt verklaringen, die ik niet kan verstaan. Door

nieuwsgierigheid gedreven, stap ik harder aan en bereik weldra de

kameraden. Wat zie ik? Daar ligt een groote boot langs het ijs ten

zuiden van de Fram. Het is de _Terra Nova_, het schip van commandant

Scott. Heel dikwijls hebben we gesproken over de mogelijkheid van

een ontmoeting met de engelsche expeditie, als die weg is naar Koning

Eduard VII-land; maar toch is het een groote verrassing.

De Terra Nova was om middernacht aangekomen. Op dat uur was de man,

die de wacht had aan boord van de Fram, juist naar beneden gegaan,

om een kop koffie te drinken. Toen hij weer aan dek kwam, lag er een

tweede schip vóór de Barrière! Onze man wreef zich de oogen uit en

kneep zich in den arm, om zich te overtuigen dat hij niet droomde.

Luitenant Campbell, de leider van de groep, die Koning Eduardsland

moest exploreeren, haastte zich, een bezoek te brengen aan Nilsen. Hij

vertelde, dat, daar hij niet kon landen, hij op weg was naar de Mac

Murdosound, om van daar naar het noordelijk gedeelte van Victorialand

te gaan. Terstond na mijn aankomst kwam luitenant Campbell weer aan

boord van de Fram en herhaalde het nieuws voor mij. Toen het onderhoud

was afgeloopen, laadden we de sleden en keerden naar het station terug,

waar wij al spoedig het groote genoegen hadden, luitenant Pennel te

ontvangen, den kapitein van de Terra Nova, met luitenant Campbell en

den dokter van de expeditie. We sleten te zamen een paar genoegelijke

uren. Later op den dag gingen drie van ons de Terra Nova bezoeken en

bleven er ontbijten. Onze gastheeren toonden zich zeer gastvrij en

stelden voor, zich te belasten met onze brieven voor Nieuw Zeeland. Ik

zou graag die vriendschappelijke aanbieding hebben aangenomen, maar

onze tijd was zeer kostbaar en mocht niet aan correspondentie worden

besteed. Om twee uur in den namiddag voer de Terra Nova weg. Na het

bezoek gevoelden wij allen sterk de eenzaamheid, en het leek wel,

of we allen een verkoudheid in het hoofd hadden.

Den volgenden dag, Zondag den 5_den_ Februari, kwamen de mannen

van de Fram ons bezoeken. Daar ze niet allen te gelijk het schip

konden verlaten, waren vier bij ons ten eten en zes kwamen den avond

passeeren. Het was voor ons een genoegen, hun ons huis te laten zien

en hun een goede reis te wenschen.

We hadden nu voor het transport der goederen van de baai naar het

station niet meer acht man noodig, en daarom werd besloten dat,

terwijl vier van ons het transport zullen afmaken, de anderen het

terrein zullen verkennen in het Zuiden en een dépôt van levensmiddelen

zullen aanleggen op 80 gr. Z.B. Als datum van vertrek werd de 10de

Februari bepaald. Als we terugkomen, zal de Fram vertrokken wezen,

dus ging ik den vorigen avond afscheid nemen van de kameraden. Het

is mij een behoefte, die uitnemende medewerkers te bedanken voor

hun toewijding. Allen spijt het, ons te moeten verlaten op het

interessantste oogenblik en niet te kunnen deelnemen aan de expeditie

naar de pool. Maanden lang zullen ze strijd moeten voeren tegen het

ijs en de stormen, en dan over een jaar zullen ze weer een lange

moeilijke reis moeten ondernemen, om ons te komen afhalen. Het is een

hard ding voor hen; maar niemand denkt erover, te klagen. Daar ze hun

hulp hebben toegezegd voor het slagen der expeditie, stellen ze er

allen een eer in, rustig hun plicht te doen. Ik laat aan kapitein

Nilsen instructies achter, die in één enkelen zin zijn samen te

vatten: "Zet de uitvoering van ons programma voort op de wijze, die

gij het best zult oordeelen." De bekwaamheid van Nilsen boezemt mij

een onbepaald vertrouwen in; door dien ervaren officier bestuurd,

is de Fram in goede handen.

Luitenant Presterud en ik gaan aan den overkant van de baai

toegangswegen zoeken aan den voorkant van de Barrière. Aan die zijde

is het pakijs nog onaangetast met slechts enkele spleten. Verderop

naar het midden van de baai verrijzen rijen heuvels, opgeworpen

door den ijsdruk; de baai is er betrekkelijk smal, ongeveer vijf

kilometers. De bestijging van het front van den gletscher was niet

moeilijk, en in enkele oogenblikken waren we boven. De hoogte was niet

meer dan twintig meters. Groot is onze ontroering bij het betreden

van de Barrière. Nooit hebben we tot hiertoe een ruim uitzicht gehad

op het ijsveld naar den kant van het Zuiden. Het panorama geeft ons

geen verrassing, maar indrukwekkend is toch dat reuzensneeuwveld,

dat eindeloos is. Onze weg naar het Zuiden zal ons brengen naar den

rand van de hoogten, waar we al over gesproken hebben. De weg is goed

met het dunne laagje sneeuw op vast ijs, een ideaal terrein voor

de ski. Maar het model van schaatsen, dat wij bezitten en dat lang

en smal is, kan ook best dienen op deze oppervlakte. Dus hebben wij

het punt ontdekt, waar het gemakkelijk is, de Barrière te beklimmen,

en geconstateerd, dat er een weg is naar het Zuiden zonder groote

bezwaren. De plek werd later van een vlag voorzien en ontving, toen

er een tentje was opgeslagen, den naam van Plaats van Vertrek.

Op den terugweg en in het heengaan zagen wij veel troepen zeehonden,

die op het ijs lagen te slapen. Bij onze nadering heffen ze eventjes

den kop op, kijken ons een oogenblik aan, maar keeren zich dan weer

om en vervolgen hun slaapje. Indien op het pakijs die dieren aan de

aanvallen van vijanden waren blootgesteld, zouden ze door schildwachten

worden bewaakt, dat is wel zeker, juist als hun soortgenooten in de

Noordelijke IJszee.

Den 10den Februari 1911, om half tien in den morgen, werd er naar het

Zuiden opgebroken. De karavaan bestaat uit vier man en drie sleden,

elk getrokken door zes honden. Ieder voertuig draagt ongeveer 250 kilo

levensmiddelen, bestemd voor het dépôt, niet inbegrepen de proviand en

het materiaal benoodigd voor de reis. Die lading bestaat uit pemmikan

voor de honden (150 kilo per slede), vleesch en zeehondenspek, droge

visch, chocolade, margarine en beschuit. Het materiëel omvat twee

tenten voor drie man, vier slaapzakken, de keukenbenoodigdheden en

tien lange bamboezen met zwarte vlaggen eraan, om den weg aan te

duiden. Daar we nog niets weten van den toestand van de Barrière,

hebben we er geen denkbeeld van, hoe lang deze tocht zal duren. De

honden zijn in goede conditie en in galop verlaten we Framheim. Op het

pakijs van de baai gaan we over een reeks ijshoogten of toross, door de

drukking opgeworpen. Dat gaat niet geheel zonder ongelukken, en menige

slede wordt omgeworpen, zonder dat er groot oponthoud door ontstaat;

maar wel wordt alles dus goed op de proef gesteld. Verderop krijgen

we troepen zeehonden te zien, en de honden kunnen die verzoeking niet

weerstaan en vliegen snel naar het wild toe, om echter spoedig door

de zwaarte van de sleden te worden teruggehouden en uit zichzelf stil

te staan.

Rondom de ankerplaats van de Fram is het ijs verdwenen, en dus

kan het schip aan de Barrière zelf aanleggen. Onze vier kameraden,

die op het station moeten blijven, doen ons uitgeleide, om ons ook

te helpen bij het beklimmen van het front van den gletscher. Op den

terugweg zullen ze zich met de jacht bezighouden. Op het pakijs kan

men nog wel eens een mooi schot doen; in alle richtingen zullen ze

zeehonden aantreffen, een wild, dat de moeite waard is. Ik heb Wisting

tot hoofd van het station benoemd. Tijdens onze afwezigheid moeten

de bewoners van Framheim de rest van de levensmiddelen vervoeren,

als ze ontscheept zijn, en tegen den westelijken muur van het huis

moeten ze een beschutting bouwen, opdat de keukendeur niet direct

op den gletscher uitkomt. Het afdakje zal dan meteen tot werkplaats

dienen voor den timmerman. Bovendien moeten onze vrienden zooveel

mogelijk zeehonden schieten. Het is van belang, dat de voorraad versch

vleesch voldoende zij, om een overvloedige voeding mogelijk te maken

voor menschen en honden. Er is wild in overvloed. Als wij gedurende

de overwintering geen voldoenden voorraad versch vleesch hadden,

zouden we dat aan onszelf te wijten hebben.

Het beklimmen van de Barrière is nog al moeilijk. Nadat we de spannen

hebben versterkt, worden de sleden redelijk vlug opgeheschen naar

boven, terwijl ze op de Fram met kijkers onze bewegingen volgen. Nu

ze zien, hoe moeilijk deze beklimming is, zullen ze zich af vragen,

wat het wel zal zijn, als wij het plateau moeten beklimmen, dat den

toegang tot de Pool openstelt.

Op het oogenblik van de scheiding van onze kameraden van Framheim

werd geen ontroering aan den dag gelegd; het ging met een enkelen

handdruk en een Tot weerziens!

Op zijn ski ging Presterud aan de spits van de karavaan. De honden

loopen altijd beter, als er iemand voor hen uit loopt. Dan volgt

Helmer Hansen. Die plaats in de voorhoede bleef de zijne op al onze

verdere tochten. Wij hadden te zamen de Noordwestelijke Doorvaart

gemaakt, en op dien exploratietocht heb ik zijn meesterschap in het

regeeren van de honden leeren kennen. Op zijn slede bevindt zich

het standaardkompas, waardoor hij in staat is, den door Presterud

gevolgden weg te verbeteren. Na Hansen volgt Johansen, en dan kom

ik. Ik wil liefst achteraan komen, om op alles toe te zien. Hoe goed

men de lasten ook vastmaakt, er valt vaak iets van een slede. Als

de achterhoede flink oplet, kan ze voor de karavaan van groot nut

wezen. Wat heb ik in den loop van onze sledetochten veel onmisbare

voorwerpen zien vallen, die door mij zijn gered! De zwaarste taak

is natuurlijk voor den voorman, die den weg moet openen en de honden

moet doen loopen, terwijl de anderen maar hebben te volgen. Eere dus

aan Helmer Hansen, die tot algemeene tevredenheid dien plicht heeft

vervuld. De functie van voorlooper is ook niet van de aangenaamste. Al

heeft hij geen span honden te bewaken, hij heeft daardoor ook minder

bezigheid voor den geest, en zijn eenige afleiding is het gehoorzamen

aan de bevelen van Hansen: "Wat meer naar rechts, een beetje links!"

Op deze oppervlakte zonder eenige herkenningspunten, is het moeilijk,

zijn weg te houden. Stel u voor een onmetelijke vlakte, gehuld in een

dikken mist; geen geluid en overal gelijke sneeuw zonder den minsten

rimpel. Zeer zeker zou een Eskimo erin slagen, zijn weg te vinden

over de doodsche vlakte: maar een beschaafd mensch is daar niet zoo

knap in. Zonder de hulp van het kompas zou hij in alle richtingen

afwijken en zou ten slotte verdwalen.

De koetsiers hebben volstrekt geen tijd om zich te vervelen. Zonder een

minuut rust moeten ze op hun spannen letten en zich ervan overtuigen,

dat alle honden trekken. Aanhoudend moeten ze toezien, dat de sleden

niet omslaan bij een oneffenheid van den grond, want het is geen

kleinigheid, een voertuig, dat bij de 400 kilo weegt, op te tillen

en overeind te zetten.

Vanaf het punt, waar wij op de Barrière waren gegaan, rijst die vlakte

met zeer zachte helling, en na een klein eind van oneffenheid wordt ze

volkomen vlak. Op die oneffenheid houden wij stil. Onze kameraden zijn

verdwenen; in de verte ziet men nog de Fram, omlijst door schitterend

ijs. Zullen we onze vrienden ooit terugzien? En als we ze weer vinden,

hoe zal het dan zijn? In den tusschentijd moet het schip den oceaan

doorreizen, en wij moeten onbekende ijsgebieden beklimmen. Wat kan er

in dien tijd veel gebeuren!.... Heel in de verte wappert glorieus de

nationale vlag boven aan den mast. Het gezicht uit de verte, van die

lap stof, is als de laatste groet uit het vaderland.

Thans zijn wij op weg naar het Zuiden. De eerste aanraking met de

Barrière is bijzonder interessant. Dit deel van den gletscher is nooit

door een menschelijken voet betreden, en onze uitrusting is ook nog

niet op de proef gesteld. Hoe zal het terrein verder wezen? Zal het

zoo blijven of zullen zich bezwaren voordoen? Is het goed geweest,

al ons vertrouwen in de honden te stellen, of was het beter geweest,

rendieren mee te nemen of pony's, auto's of vliegtoestellen? De honden

vonden gelukkig steun op de dunne laag sneeuw en liepen vlug voort.

Daarentegen lieten de atmosferische toestanden te wenschen over voor

een expeditie over onbekend terrein. Al is de temperatuur zacht en

de lucht rustig, het licht is slecht. Een nevel maakt het voortgaan

moeilijk, en een diffuus licht hult de lucht en den gletscher in een

zelfde schijnsel. Er is nergens wat schaduw, en zoo kunnen wij lastig

de oneffenheden onderscheiden. De voorlooper valt dan ook telkens

en moet wanhopige pogingen doen, om het evenwicht te bewaren. De

koetsiers hebben het beter, want zij kunnen zich desnoods aan hun

sleden vasthouden. Maar zij moeten ook goed op de oneffenheden letten,

om de sleden in balans te houden. Het licht is pijnlijk aan de oogen

en leidt maar al te vaak tot sneeuwblindheid, want vooreerst moet men

de oogen er erg bij inspannen en dan tilt men vaak den sneeuwbril op,

om beter te onderscheiden. Wij hebben in den loop van onze expeditie

niet veel last van de kwaal gehad.

Zonder veel inspanning leggen we 28 kilometers af.

We hebben twee tenten, en om brandstof te sparen wordt de keuken maar

in een ervan in orde gebracht. De temperatuur is niet koud genoeg om

in ons verblijf te stoken. Op dezen eersten tocht en op alle verdere,

om nieuwe dépôts aan te leggen, duurden de toebereidselen in den

morgen veel te lang. Hoewel we om vier uur opstonden, gingen we eerst

om acht uur op weg. Ik drong te vergeefs op meer spoed aan. Thans is

dat nog niets, maar op den tocht naar de pool zullen we meer haast

moeten maken.

Den 10den Februari vertrokken, kwamen we, na 141 kilometers te hebben

afgelegd, den 14den op 80 graden Z.B., waar we begonnen met den aanleg

van een dépôt. Het werd zeer stevig gebouwd en kreeg een hoogte van

vier meter. Iedere 15 kilometer hebben we een staak geplant met een

vlag, om den weg aan te geven. Toen eenmaal het dépôt gereed was,

namen wij plaats op de sleden en gingen op weg naar Framheim. Een

bijzonder prettige reis, een echte pleziertocht, zich zoo te laten

trekken. Thans is onze eenige bezigheid, den weg te merken met onze

kabeljauwen. Elke 500 meter wordt een visch in de sneeuw gestoken. Die

nieuwerwetsche manier van aanduiding levert een zeer goed resultaat,

want de begraven visschen steken duidelijk af tegen het witte

sneeuwveld. Herhaaldelijk kwamen we later erdoor weer terug op den

goeden weg, en bij den terugkeer van de tweede expeditie werden de

visschen zeer op prijs gesteld door onze uitgehongerde honden.

Vandaag hebben we een étappe van 70 kilometer! We komen niet vóór één

uur op bed en zijn al om vier uur weer bij de hand en om half acht

op weg. Veertien uur later zijn we in Framheim terug, na honderd

kilometer te hebben afgelegd. Met die snelheid reizend, is het

ons er niet om te doen een record te vestigen voor de Barrière,

maar we willen eenvoudig terug zijn vóór het vertrek van de Fram,

om nog eens de hand te kunnen drukken van onze kameraden. Maar onze

ijver is vergeefsch; het schip was vertrokken eenige uren vóór onze

aankomst. Wat zag toen de ledige reede er somber uit! Er omhulde ons

een waas van melancholie in het stille landschap.

Na onzen verkenningstocht mogen we de toekomst met vertrouwen tegemoet

zien. We kennen het terrein van onze aanstaande werkzaamheid,

en we hebben het middel van vervoer, dat ons ten dienste staat,

beproefd. Beide bevallen ons wel. Ik heb altijd gedacht, dat honden

onvergelijkelijke trekdieren zijn, en na deze laatste tochten is mijn

bewondering tot geestdrift gestegen.

Tijdens onze afwezigheid hebben onze op Framheim gebleven kameraden

wonderen verricht. Het huis ziet er heel anders uit met zijn

veranda. Die uitbouw beslaat den heelen westelijken gevel van 3.90

meter en is ongeveer drie meter breed. Met de verlichting door twee

vensters, is het er zeer behagelijk. Om het huis heen hebben de

vrienden een galerij aangelegd van 1.50 meter breed, die ze overdekt

hebben door het dak te verbreeden tot aan de sneeuw. Daar kunnen de

blikken worden geborgen en ook het versche vleesch. Terzelfdertijd

is door een vernuftige schikking der planken gelegenheid gemaakt,

om de sneeuw van het dak op te vangen. Honderd-twintig honden zwerven

om het huis; dus is het wel noodig, schoone sneeuw te hebben voor de

keuken en voor waschgebruik.

Eer de groote koude invalt, moeten we ons bezighouden met de

installatie van het winterkwartier voor de honden. Daartoe graven we

in den grond van de Barrière tot op 1.50 M. diepte, een moeilijk werk,

waar de ijsbijl bij te pas komt, en op die holte zetten we daarna

de tent. Het hondenhuis is zes meter hoog en heeft aan den voet een

middellijn van 4.50 meter. In het midden zijn twaalf palen op onderling

even grooten afstand in het ijs geslagen, om de bewoners van het huis

vast te leggen. De honden schenen schik te hebben in hun woning en

hebben het er ook zeer goed. Geen enkele maal tijdens hun verblijf in

de tent heb ik hun haar met ijzel bedekt gezien. Die ruime bergplaats,

die goed gelucht en verlicht was, voldeed aan alle hygiënische

eischen. Om hem te beschutten voor de tanden van de bewoners werd de

middenpaal van de tent omringd door een sneeuwzuil van menschenhoogte.

Daar in sommige omstandigheden een boot ons van dienst zou kunnen

wezen, had de Fram ons een van haar booten achtergelaten. Die werd

op de Barrière geheschen op eenige honderden meters van den rand van

de baai, en de plek werd aangeduid met een vlaggemast.

Terwijl wij het dépôt in orde hebben gebracht, hebben onze kameraden

een ware slachting onder de zeehonden aangericht. Er is dus haast

bij de oprichting van de tent, waar al die voorraad moet worden

geborgen. Als die onbeschermd op den heuvel blijft liggen, zal er

gauw niet veel van over wezen. Om hem te beschermen voor de tanden

van de honden, zoolang het magazijn nog niet klaar is, maken we er

een sneeuwmuur van twee meter hoog omheen.

Den 22sten Februari begeven we ons weer op weg, om een tweede dépôt

aan te leggen. Er is werk in overvloed. We hebben vooreerst de

levensmiddelen in gereedheid te brengen, die we zullen meenemen. De

kisten met pemmikan moeten worden geopend, daarna de blikken, die

gesoldeerd zijn en die elk vier porties bevatten, en dan moeten die

porties in de kisten worden gelegd zonder de blikjes. Zoo maken

we de lasten lichter en vermijden de noodzakelijkheid, om later

dat werk op de Barrière te doen, als wij die levensmiddelen eruit

nemen voor de expeditie naar de pool. Om het pemmikan te onttrekken

aan de warmte tijdens de reis door de heete luchtstreek, was het in

gesoldeerde kisten geborgen. Die beide bewerkingen, het openen en het

weer inpakken van den inhoud, eischten heel wat tijd, maar we kwamen

er mee gereed. Het werk werd verricht in de veranda.

Het nazien van onze uitrusting was ook een heel werk. Het onderwerp

schoeisel moet grondig worden behandeld. De meerderheid is voor een

model van stijve laarzen, waar eenige veranderingen aan zullen worden

aangebracht; andere zijn voor soepele laarzen. Voor het oogenblik

is het van niet zoo groot belang, en ieder werd vrijgelaten, om het

model te nemen, dat hem het best aanstond. Ik voor mij stem voor

laarzen met zware zolen en zachte bovenstukken, die wijd genoeg zijn,

om verscheiden paar kousen te bergen. Als onze leverancier had kunnen

zien, hoe we het werk, waar hij zoo trotsch op was, aan stukken sneden,

zou hij er een ziekte van hebben gekregen. Daar ik geen talent voor

schoenmaken heb, neem ik met genoegen het aanbod van Wisting aan, om

mijn schoeisel in orde te brengen. Toen hij de laarzen mij terugbracht,

waren ze niet te herkennen, maar ze waren warm en groot genoeg, en

dat is de hoofdzaak. De harde zolen lieten het gebruik van de ski

Huitfeldt-Höyer-Ellefsen toe. De ervaring gaf mij later nog weer

eenige veranderingen aan de hand, en vóór het definitieve vertrek

naar de pool, kwamen mijn laarzen nog eens onder Wisting's handen,

om na die tweede herziening volmaakt te wezen. Zoo waren er elken dag

verbeteringen aan te brengen in onze uitrusting. De verschillende

onderdeelen van onze kleeding ondergingen ook wijzigingen. De een

maakte oorbanden aan zijn pet, de ander hield er niet van; een derde

maakte een bedekking voor den neus, en ieder verdedigde zijn meening

met kracht. Uit practisch oogpunt had men er niet veel aan, maar het

hield de vroolijkheid gaande.

Den 21sten Februari zijn we klaar voor het vertrek. De schitterende

wijze, waarop de honden zich hebben gedragen op de vorige expeditie,

heeft ons een vermoeden van hun kracht gegeven, en dezen keer laadden

we te veel op de sleden. Den 22sten om half negen in den morgen

begeeft de karavaan zich op weg en laat Framheim in de hoede van

Lindström achter; er waren acht mannen mee en zeven sleden, getrokken

door twee-en-veertig honden. Deze expeditie is de moeilijkste van

alle geweest.

Ze duurde van 22 Februari tot 21 Maart. Den 27_sten_ Februari kwamen

we aan het dépôt, dat op 80 graden was opgeslagen. In geval van nevel

kan men de cairns nog best overslaan, en daarom willen we het dépôt nog

duidelijker aanduiden door aan beide zijden ten oosten en ten westen

ervan tien palen in het ijs te slaan, met zwarte vlaggen eraan met

tusschenruimten van 900 meter. Op die manier is de gletscher door

een rij palen gebarricadeerd over een afstand van negen kilometer

aan weerszijden van het dépôt, en daar ieder paal een nummer draagt,

weet men, hoe ver men nog van de bewaarplaats verwijderd is. Dit

systeem heeft ons veel dienst bewezen.

Den 28_sten_ Februari zetten we onzen tocht zuidwaarts voort. Naarmate

we verder doordringen in het binnenland, wordt de temperatuur lager;

we hebben nu 43 graden vorst. De honden zijn vermoeid. Ze hebben

stijve pooten en kloven in de zolen, zoodat het moeite in heeft,

des morgens op weg te komen. Die wonden komen door de sneeuw, die

verijzeld is en door de zwaarte van de sleden barst, waardoor de

voeten van de honden gewond worden. Ook komen sneeuwballen tusschen de

palmen van hun voeten en belemmeren hen in het loopen. Zeer ernstig

waren bovendien de wonden, waaraan de honden zijn blootgesteld op

het pakijs in het voorjaar en den zomer. Het ijs uit de zee, dat

heel scherp is, geeft vaak wonden en het zeezout dringt daarin en

geeft veel pijn. Om daaraan te gemoet te komen, deden we de honden

sokken aan; maar de voorzorg bleek overbodig op onze gewone tochten,

want terwijl de pooten van de honden zacht en gevoelig waren geworden

door hun langdurig verblijf aan boord, was de huid vermoedelijk in den

winter weer verhard; in ieder geval leden de spannen er niet aan in

het voorjaar, ofschoon de weg nog veel oneffener was dan in het najaar.

Het dépôt, dat we oprichtten op den 81sten breedtegraad, bevat

560 kilogram pemmikan voor de honden. Bij gebrek aan bamboestaven

wordt de plek aangewezen door planken van de kisten, die we in het

ijs plantten over een afstand van negen kilometers ten oosten en ten

westen van het dépôt. Die stokken zijn 60 centimeter hoog. Daar er in

deze buurt niet veel sneeuw valt, bestaat er geen gevaar, dat ze zullen

oversneeuwen. Om ons te kunnen oriënteeren in geval van nevel, krijgen

de aan den oostkant geplaatste paaltjes nog een insnijding met de

bijl. Die houtblokjes, over de wijde vlakte verspreid, zien er wel heel

onbeduidend uit; maar toch is hun een rol van beteekenis toebedeeld,

en van hen hangt in zekeren zin het succes van de expeditie af.

Den 5den Maart verdeelde zich de colonne. Bjaaland, Hassel en Stubberud

blijven achter, terwijl ik met vier gezellen mijn weg naar het

Zuiden voortzet, om een derde dépôt nog verder in die richting op te

richten. Ik zend een van de honden terug, die door het tuig verwond is

geworden, en zet met slechts vijf dieren den tocht voort. Mijn honden

zijn zeer mager geworden en zien er uitgeput uit; maar hoe het zij,

het is noodig tot den 82sten graad te komen. Ik had hoop gehad, het tot

den 83sten te brengen; maar dat kan niet om den toestand van de honden.

Het lijden van de uitnemende dieren is de eenige treurige herinnering

van mijn zuidpool-expeditie. Ik heb van hen gevergd meer dan ze kunnen

leveren. Tot mijn verontschuldiging kan ik aanvoeren, dat ik mijzelf

ook niet spaar. Met uitgeputte dieren een slede op gang brengen, die

meer dan een halve ton weegt, is geen kleinigheid; vaak moet ik hard

duwen, om de honden aan het trekken te krijgen. Al sedert lang heeft

de zweep geen uitwerking meer. Gebruik ik die, dan kruipen de beesten

tegen elkander aan en trachten slechts hun koppen te beschutten. Heel

dikwijls moet ik, na alle pogingen in het werk te hebben gesteld, om

mijn span aan het werk te zetten, hulp vragen aan de kameraden. Twee

van hen duwen dan de slede, terwijl een derde de zweep hanteert

en uit alle macht schreeuwt. In dergelijke omstandigheden wordt de

mensch boosaardig en verliest alle gevoeligheid. Wat kan men gauw

veranderen! Ik houd van alle dieren en vermijd steeds, hun pijn te

doen. Ik geef niets om de jacht, behalve in geval van doodsgevaar,

en nooit zou ik er over denken, een dier te dooden behalve een rat

en vliegen. In het gewone leven heb ik mijn honden lief, maar de

omstandigheden, waarin wij ons bevinden, zijn exceptioneel, of wel ik

ben in een ahnormalen staat. De tweede veronderstelling is denkelijk de

juiste. Het zware dagelijksche werk en de woeste geestkracht, waarmee

ik mijn plan, de verwezenlijking van mijn programma, doordrijf, maken

mij wreed. Gedurende het pijnlijk geschreeuw van Thor sla ik hem, een

grooten, zwaren, goedigen hond, om hem vooruit te krijgen. Zijn gehuil

laat mij koud, of liever, ik weiger er de beteekenis van te begrijpen,

en het arme dier moet verder trekken tot het neervalt. De lijkopening

toonde aan, dat hij gestorven was aan een enorm abces in de borst.

Op den middag van den 8sten Maart zijn we op 81 graden, 54 minuten en

30 seconden Z.B. We leggen nog tien kilometer verder naar het Zuiden

af en slaan om half vier het kamp op bij de 82ste parallel. En den

volgenden morgen gaan we over tot den bouw van het dépôt en het op

de plaats brengen van de palen, die de hervinding moeten mogelijk

maken. Ik laat mijn slede achter, die de uitgeputte honden niet

meer kunnen trekken; later zal het voertuig ons hier van veel dienst

wezen. De cairn, die vier meter hoog is, draagt een bamboestok met

een vlag.

Den 10den Maart beginnen we den terugtocht, een moeilijken tocht,

want de vermoeienis van de honden maakt het onmogelijk, dat we ons

laten trekken, zooals bij den terugkeer van de vorige expeditie. De

koude is zeer hevig en ze zal nog toenemen; ze stijgt van 32 tot 43

graden vorst.

Den 15den Maart bezweek de beste hond van Wisting. Op het oogenblik,

toen zijn lijk onder zijn kameraden zou worden verdeeld, veranderen

we van besluit, vreezend dat het abces, waaraan hij is gestorven,

het gansche lichaam kon hebben aangedaan, zoodat het vleesch ongezond

is. Daarom wordt het lijk in een leêge kist gedaan en begraven. In

den nacht worden we wakker door een vervaarlijk lawaai; de troep is

erin geslaagd, het lijk op te graven en vecht om de brokken.

Eindelijk komen we den 27sten in den avond op Framheim. Onze

tweede expeditie kost ons in het geheel acht honden. Naar alle

waarschijnlijkheid is de koude de hoofdoorzaak geweest van die sterfte;

in een gewone temperatuur zouden onze dieren zeker de vermoeienissen

van den langen tocht hebben kunnen doorstaan.

We beginnen met de toebereidselen voor een derden tocht. Vóór de

komst van den winter stel ik mij voor, naar den 80sten breedtegraad

twaalfhonderd kilo zeehonden vleesch te vervoeren. Om aan onzen tocht

naar de pool succes te verzekeren, is het van het hoogste belang, den

honden een overvloed van vleesch te verzekeren aan dit dépôt. Eer

we vertrekken, brengen we in onze uitrusting nog verschillende

wijzigingen aan, door de ervaring aangewezen. Presterud en Johansen

verzekeren, dat een slaapzak voor twee beter is dan een voor een enkel

mensch. Er wordt lang over die quaestie gesproken, maar we kwamen niet

tot eenstemmigheid. Als het model, door zijn kameraden voorgesteld,

groote voordeelen biedt, is er toch ook veel voor het andere te zeggen,

en als in zooveel zaken, is dit ook een quaestie van smaak. Prestured

en Johansen bleven de wenschelijkheid volhouden en gebruikten den zak

met twee slaapplaatsen. Van hun kant waren Hansen en Wisting bezig, de

tenten te veranderen. Het model, dat ze maakten, lijkt in vorm zooveel

mogelijk op de sneeuwhutten van de Eskimo's; het is, in plaats van

rond, langwerpig en heeft geen platten kant, waar de wind vat op heeft.

Het middengedeelte van de Walvischbaai is nu met ijs overdekt, maar

buiten blijft de zee nog open. Het huisje is geheel onder de sneeuw

bedolven, een werk van Lindström meer dan van de atmosfeer. Zeer

terecht heeft onze metgezel begrepen, dat zulk een dek ertoe zou

bijdragen, de warmte binnen te houden.

Onze 107 honden, zelfs die, welke onlangs zijn beproefd geworden

op de Barrière, zijn nu dik en vet, als dieren die tegen Kerstmis

worden gemest. De beesten hebben het voorrecht, zeer snel dik te

kunnen worden. Toen ze op het station terug waren, legden de honden

in het geheel geen verbazing aan den dag; ze waren er dadelijk weer

thuis en waren alleen een beetje meer hongerig dan hun kameraden,

die er gebleven waren. De ontmoeting tusschen Lassesen en Fix, twee

onafscheidelijke vrienden, was heel grappig; de eerste commandeerde

altijd den ander, die hem blindelings gehoorzaamde. Daar Fix mij

voor den laatsten tocht te zwak leek, had ik hem niet meegenomen, en

tijdens onze afwezigheid was hij sterk gegroeid. Nu vroeg ik mij af,

of Fix niet van zijn kracht zou profiteeren, om het bevel op zich te

nemen over zijn verzwakten vriend, die onderweg zooveel ontberingen

had geleden. Zoodra hij Lassesen zag, liep hij recht op hem toe en

likte hem vol liefde, zoo zijn vreugde bij het weerzien te kennen

gevend. De ander ontving die blijken van vriendschap met een zeer

vermakelijk air van meerderheid, en dan wierp hij zich zonder aarzelen

op zijn vazal en gooide hem in de sneeuw, blijkbaar om hem te bewijzen,

dat hij ondanks zijn magerheid in volstrekten zin de meester bleef van

den ander. De arme Fix stond verward op; maar hij kon spoedig revanche

nemen. Toen hij de zwakte van zijn suzerein bespeurde, weerhield niets

hem, om dien op den rug te springen en hem eens flink te schudden.

Terwijl de toebereidselen voor onzen derden tocht worden voortgezet,

schieten mijn metgezellen veel zeehonden. Bjaaland, Hassel en Stubberud

hebben er in veertien dagen twee-en-zestig geschoten. Blijkbaar is

nu de voorraad versch vleesch voldoende voor ons en voor onze honden

voor den heelen winter. We beginnen van dag tot dag meer te houden

van rosbief van zeehond, en we zouden er bij elken maaltijd van

willen nuttigen.

Het ontbijt, dat om acht uur wordt voorgediend, bestaat uit koffie,

brood, boter en kaas en taartjes met confituur. Lindström is een

meester in het klaarmaken van zulke lekkernijen. Aan het diner krijgen

we gebraad, bijna altijd van zeehondenvleesch, en een entremêt,

gekookte vruchten of een geconserveerden pudding. Bij het avondeten

wordt weer zeehondenvleesch gepresenteerd met jam, kaas, brood,

boter en koffie. Elken Zaterdagavond tracteer ik mijn gezelschap op

een grog en een sigaar. Nooit heb ik het ergens beter gehad, en het

is aardig, dat verlichte huis te zien in den avond daar eenzaam op

het uitgestrekte ijsveld, dat de Barrière is.

Den heelen dag zwerven de honden om het huis; als het donker wordt,

komen ze aan de deur. Nooit gaan ze voor den nacht naar binnen; wat

moeten die dieren een uithoudingsvermogen hebben! Sommigen zijn zoo

vet, dat ze haast niet kunnen loopen en als ganzen waggelen.

Den 28sten Maart zien we voor de eerste maal het zuiderlicht. Het

verschijnsel, bestaande uit stralen en strepen, die groen en bleekrood

zijn gekleurd, strekt zich uit van het zenith naar het Zuidwesten

en het Noordwesten. Tegelijkertijd genieten we van prachtige

zonsondergangen. In die bestraling lijkt het landschap een feeërie

in wit en blauw.

Het vertrek voor de derde expeditie ter aanvulling van de dépôts

is bepaald op 31 Maart. Eenige dagen te voren hebben de jagers zes

zeehonden geschoten, nog bestemd voor de cache op 80 graden. De zes

dieren zijn uitgesneden, om de vracht minder zwaar te maken, en hun

gewicht aan bruikbaar vleesch is ongeveer elfhonderd kilogram. Den

31sten Maart om tien uur in den morgen begeeft de colonne zich op weg,

bestaande uit zeven man en zes sleden, getrokken door zes-en-dertig

honden. Ik neem aan dezen tocht geen deel. Het lijkt prachtig weêr,

heldere lucht en geen wind. Lindström en ik, die het huis bewaken,

hebben het druk. We beginnen in de keuken het weerkundig station in

orde te maken; de instrumenten worden in een beschut hoekje gezet,

zoo ver mogelijk van de uitstraling van het fornuis.

Aan de Zuidpool De Aarde en haar Volken, 1913 · 第 4 / 9 题