II.

We passeeren den poolcirkel.--In het pakijs.--De groote Barrière.--Op

het terrein van onze werkzaamheid.--Eerste uitgang van de honden.--De

beide eerste tenten.--Bouw van onze woning.--Zielkundige beschouwing

over de honden.--Het vraagstuk van de verwarming.--De tenten van de

honden.--De Terra Nova van Scott brengt ons een bezoek.

Wij leggen het er nu op aan, den 65sten parallel te kruisen op den

175sten graad O. L. Zoodra mogelijk willen we het pakijs doorkomen,

dat den toegang tot de Rosszee afsluit. Sommige schepen zijn daar

zes weken in het ijs opgehouden, en andere zijn er in eenige uren

doorheen gekomen, juist langs den weg, dien wij gaan. Op 31 December

waren wij op 62.15 Z. B. Op den Oudejaarsavond kunnen we elkander

met een glas grog gelukwenschen bij de komst van 1911; allen zijn we

volmaakt gezond en vol goeden moed voor onze groote onderneming.

Den 1sten Januari om drie uur 's morgens wekt mij de officier van

de wacht. De eerste ijsberg is in het gezicht! Onmiddellijk ga ik

naar dek, om dien schildwacht op vooruitgeschoven post te zien van

het leger, dat wij gaan bekampen. Het is in de verte een schitterend

punt in de bleeke stralen van de opgaande zon. 't Is een groot blok

in tafelvorm, als zooveel antarctische ijsbergen. Gewoonlijk doet de

ontmoeting met zulk een reusachtige ijsmassa den zeeman niet prettig

aan; maar wij waren er bepaald blij mee. Is die ijsberg niet de

aankondiging van de nabijheid van het pakijs? Dat willen wij zoodra

mogelijk ontdekken. De vaart door het ijs zal wat afwisseling brengen

in het eentonig leven, dat we sinds vijf maanden leiden en dat ons

begint te vervelen. Eens op een ijsschots te loopen lijkt ons het

grootste genot. Bovendien zullen we op het pakijs zeehonden vinden,

en we zullen kunnen smullen, allen, menschen zoowel als dieren.

In den namiddag en den volgenden nacht neemt het aantal ijsbergen

toe. Gelukkig kan men zich, daar het voortdurend dag is, voor een

aanvaring hoeden. We zouden geen beter weêr kunnen wenschen, heldere

lucht en een lichte, gunstige wind.

Den tweeden Januari om acht uur in den avond bereikten we den

poolcirkel, en enkele uren later kondigde de man op wacht het pakijs

aan. Het water zakt en het schip ligt stil. Den volgenden morgen om

negen uur wordt de jacht geopend. Een groote zeehond ligt juist op

een schots vlak voor ons. Bij onze nadering beweegt het dier niet;

eerst als hij verscheiden kogels heeft gekregen, begint hij den ernst

van den toestand in te zien en tracht, zich in zee te gooien. Te

laat! Twee man zijn al op het ijs en maken zich van hem meester. Een

kwartier later werd de zeehond op dek gesneden en leverde ons ongeveer

tweehonderd pond vleesch voor de honden en buitendien nog vrij wat voor

onze tafel. Driemaal dien dag hebben we de jacht met hetzelfde gunstige

gevolg kunnen herhalen. Nu hebben we dus weer voorraad, en de gelukkige

gebeurtenis wordt naar haar waarde gevierd. De honden eten, tot ze

haast bersten, en ze verdienen het wel om het uithoudingsvermogen,

dat ze op deze reis hebben getoond. Wij zijn ook vlug door onze

zeehondragoût heen, en na de eerste proef heeft dit antarctisch

gerecht dadelijk vrienden gewonnen, die snel in aantal toenemen. De

zeehondsoep met groenten wordt nog geestdriftiger ontvangen.

Het ijs was nog zoo los, dat we verder konden varen in onze gewone

snelheid, maar den 4den en 5den Januari lagen de schotsen soms zoo

dicht, dat we ze moeten wegduwen of er omheen varen; maar ze houden

ons niet op, en altijd vinden we nog openingen, die wijd genoeg

zijn. Den 6den echter worden de ijsmassa's smaller en de kanalen

breeder; de open zee ligt in wijde ruimte vóór ons. We zijn het ijs,

dat den toegang tot de Rosszee verspert, door! Plaats op den middag

180 O.L. en 70 graden Z.B. In vier dagen zijn we zonder moeite door

het pakijs gekomen. Toen de open zee weer een mooie gelegenheid gaf

aan de Fram, om haar talent van rollen te toonen, was er meer dan

één onder ons, die de kalme vaart door het ijs betreurde. Het laatste

deel van de vaart wordt ook door de omstandigheden begunstigd. Het is

altijd prachtig weêr, en gedurende de vier dagen, die we in de Rosszee

doorbrengen, zijn er bijna geen ijsbergen, enkel wat kleinere brokken.

Den 11den Januari tegen den namiddag wijst een witachtige helderheid

in het Zuiden ons aan, dat we dichtbij ons doel zijn, en om half twee

verschijnt eindelijk de Groote Barrière. Na zich langzaam boven de

zee te hebben opgeheven, doet ze zich in al haar majesteit voor. Het

is moeilijk, den eersten indruk te beschrijven, die door den machtigen

ijsmuur wordt teweeggebracht. In ieder geval laat het zich gemakkelijk

begrijpen, dat met zijn hoogte van 30 tot 35 meter die muur zeventig

jaar geleden nog beschouwd werd als een onoverkomelijke slagboom. In

dien muur opent zich een deur naar het onbekende, de Walvischbaai,

zoowat honderd mijlen oostelijker gelegen dan het punt, waar wij ons

nu bevinden. Dus wordt daarheen de steven gewend, en vier-en-twintig

uren lang varen we langs de Barrière, den kolossalen muur van ijs

bewonderend, die een der vreemdste dingen is, die men op aarde kan

aanschouwen. Niet zonder vrees naderen we de baai, het doel van onze

heele vaart. Zullen we er open water vinden of zal er afsluiting zijn

door ijs? Zullen we gemakkelijk kunnen landen?

De eene landpunt na de andere gaat ons voorbij; maar altijd weer

dezelfde witte muur. Eindelijk op den middag van den 12den Januari

buigt de rots naar binnen op 164 graden W.L., juist op de plaats,

door onze voorgangers aangegeven. Vóór ons breidt zich een wijde baai

uit, zoo lang, dat we het einde niet kunnen zien. Voor het oogenblik

kunnen we er niet aan denken, binnen te varen. De baai is gevuld

met groote brokken ijs, resten van een hoop pakijs, die versplinterd

is. We gaan daarop een weinig meer oostelijk, om de gebeurtenissen

af te wachten. Den volgenden morgen keeren we naar den ingang van

onze baai terug. Een paar uren later beginnen de schotsen te bewegen,

en weldra glijden ze de eene na de andere naar de open zee. Spoedig

is de passage vrij. Eenmaal in de baai, zien we, dat men overal zal

kunnen landen. Het komt er maar op aan, het beste punt te kiezen.

Om kort te gaan, den 14_den_ Januari 1911, dat is één dag vroeger,

dan ik had voorzien, hebben wij het eerste deel van ons programma

afgewerkt. Het is ons gelukt, den heelen troep in goeden staat naar

het terrein van onze werkzaamheid te transporteeren. En nog meer,

er zijn onderweg meer bijgekomen. Negentien geboorten hebben het

aantal honden op 116 gebracht. Bijna allen zijn gezond en zullen

kunnen worden gebruikt voor onze groote onderneming, die binnen twee

maanden zal kunnen beginnen.

Voor het oogenblik hebben we te zoeken naar een geschikte plek voor de

oprichting van het winterstation op de Groote Barrière. Mijn bedoeling

was eerst geweest, mij te vestigen op een vrij grooten afstand van

de zee, zoodat als de gletscher begon te "kalven", wij geen gevaar

zouden loopen, ons op een drijvend eiland te bevinden en door den

oceaan te worden her en der gevoerd naar het believen van wind en

stroom. Om tegen iets dergelijks beveiligd te wezen, wil ik onze

kwartieren opslaan ongeveer 18 kilometer van het laagste uiteinde van

de Groote Barrière. Maar zoodra we in de Walvischbaai zijn, zie ik,

dat we niet zoover zullen behoeven te gaan. Rondom de ankerplaats is

de gletscher zeer afwisselend in hoogte.

Vlug wordt de Fram vastgelegd aan een ijsveld, dat zich over

een afstand van twee kilometer vóór den rand van den gletscher

uitstrekt, en niet minder haastig worden de toebereidselen gemaakt

voor de voorloopige verkenning, die ons zal moeten zeggen, waar

ons hoofdkwartier zal zijn, van waar we naar het Uiterste Zuiden

zullen vertrekken. Al lang zijn reeds de dingen daarvoor in orde

gebracht. Na een korten maaltijd vertrekken we om vier uur 's

middags. Een beslissend oogenblik! Van de resultaten van deze eerste

onderneming hangt voor een goed deel de toekomst der expeditie af.

Heerlijk weêr; geen zuchtje wind, een schitterende zon, die echt warm

is aan een helderen hemel, die bleekblauw is en gestreept met lichte

vederwolkjes. Te midden van die zachte omgeving honderden zeehonden op

de ijsvelden, wat een geluk is, want met zoo geregeld versch vleesch

zullen we zeker onze honden gezond houden. Een half uur, nadat we het

schip hebben verlaten, staan we aan den voet van die beroemde Groote

Barrière, die door de legende met een aureool is omgeven. Van Sir James

Ross af, die haar ontdekte in 1841, hebben alle ontdekkingsreizigers

er slechts met eerbied, gemengd met vrees, over gesproken als over

een vreemd en dreigend ding. Aangestoken door de besmetting van al

die schrifturen, dacht ik reeds lang met angst aan de verrassingen,

die deze buitengewone gletscher ons kon brengen. Hoe zullen wij van

het pakijs komen op die zee van vast ijs? Wat heeft die gedachte mij

vaak benauwd! Misschien eindigt de Groote Barrière in een formidabele

rots, die we met haken zullen moeten beklimmen! Misschien is ze van

het zee-ijs gescheiden door een breede en gevaarlijke spleet, waardoor

we lange en moeilijke omwegen moeten maken! En zie daar, één, twee,

drie...een klein sprongetje in de hoogte, en we zijn op de Barrière. Al

dadelijk is de bekoring gebroken. Hier eindigt de verschrikkelijke

gletscher eenvoudig aan zee in een bescheiden talud van zes tot zeven

meter hoog, en het gedeelte tusschen die kleine hoogte en het pakijs

wordt aangevuld door een flinke sneeuwlaag op een hellend vlak;

men zou geen gemakkelijker toegang hebben kunnen begeeren.

Eenmaal op de Groote Barrière, gingen wij aan het exploreeren en

volgden een klein dal tusschen twee heuveltjes, gevormd door de

drukking van het ijs tegen een oneffenheid van den ondergrond. Aan

het eene gaven we den naam van Mont Nelson en aan het andere dien van

Mont Rönnicken. Het terrein, dat de beide heuvels scheidde, is vlak,

en wat meer is we kunnen van hier de Fram zien liggen. Om al die

gunstige omstandigheden is mijn besluit spoedig genomen. We zullen

hier de honden installeeren.

Verder naar het Zuiden bereikten we na eene kleine depressie een groote

vlakte, aan alle kanten omringd door hoogten, een soort van kom. Die

ruimte geeft een indruk van vrede en rust; men moet er veilig en kalm

kunnen worden. Geen spleten, alleen kleine oneffenheden. Allen zijn

van oordeel, dat de plek de voorwaarden in zich vereenigt, wenschelijk

voor de oprichting van het winterstation, en eenstemmig wordt besloten,

dat het huis hier zal worden gebouwd. Op de gekozen plaats slaan we

een stok in het ijs, en vroolijk keeren we naar de Fram terug. Aan

boord wekte de gelukkige uitslag van onzen verkenningstocht groote

blijdschap. We hadden allen verwacht dat we verplicht zouden zijn, ons

station ver van de zee te moeten oprichten, en dus ons zwaar materiaal

ver te moeten vervoeren, een vermoeienis, die ons nu bespaard wordt....

Een prachtige avond. De zon schittert nog hoog aan den hemel; en

van de geheel verijsde aarde straalt een wit licht uit als helder

maanlicht. Rondom het schip is de zee lichtblauw, en terwijl in

het Zuiden het vreemde daglicht nog wijlt, maakt in het Noorden de

donkere lucht reeds een nachtelijken indruk. Het droomlicht schijnt

op de geheimzinnige werelden, en om den sluier te lichten, die erover

hangt, zijn wij bereid, desnoods ons leven te offeren.

Den volgenden dag was het Zondag en even mooi weêr; maar van

de wekelijksche rust kan geen sprake zijn. De bemanning is in twee

ploegen verdeeld, die aan boord en die van den wal. De eerste bestaat

uit Nilsen, Gjertsen, Beck, Sundbeck, Ludv. Hansen, Kristensen,

Rönne, Nödtvedt, Kutschin en Olsen. De andere is samengesteld uit den

leider der expeditie met Presterud, Johansen, Helmer Hansen, Haasel,

Bjaaland, Stubberud en Lindström, dus acht man. Zes van ons zullen

zich installeeren tusschen den Nelson en den Rönnicken, terwijl de

beide timmerlui Bjaaland en Stubberud, onmiddellijk zullen beginnen

met het in elkaar zetten van het huis.

Een slede, met acht honden bespannen, wordt beladen met 300 kilo

materiaal en levensmiddelen. De dieren huilen en springen rechts en

links en hun leidsels raken in de war, zoodat het een herrie wordt van

belang; eindelijk is er wat orde gekomen, en het bevel tot vertrekken

wordt gegeven. Maar jawel, nauwelijks hebben de honden eenige passen

gedaan, of ze gaan allen te zamen op den grond liggen en weigeren,

zich te bewegen. Hun houding legt een groote verbazing aan den

dag. Gedurende meer dan zes maanden hebben ze niets anders gedaan dan

eten en drinken zonder een slag werk te doen, en nu begrijpen de dieren

niet, dat die periode van rust voor goed is afgeloopen en dat er een

nieuwe tijd voor hen aanvangt. De zweepen klappen, maar in plaats van

vliegensvlug te gaan, duwen de honden tegen elkander aan en beginnen

een geregeld gevecht. Ik, die zoo trotsch ben op mijn cavalerie,

ik voel me zeer teleurgesteld, en eerst na veel geroep en sterke

aanmoediging gelukt het, ook door zelf mee te duwen aan de sleden,

de aangespannen honden in beweging te brengen. Dit is waarlijk geen

schitterend begin.

Tusschen den Nelson en den Rönnicken, 2200 meter van zee verwijderd,

wordt een groote tent voor zestien personen opgericht, de eerste,

die we op de Barrière opslaan. Er rondomheen wordt een stalen kabel

gespannen in een driehoek met vijftig meter zijden, om al de honden

aan te kunnen vastleggen. Vervolgens slaan we een tweede tent op, even

groot als de eerste, in de kom op de plek, voor ons winterkwartier

gekozen. Na een onderzoek wordt besloten, dat het huis zal liggen

in oostwestelijke richting met de deur naar het Westen. De toekomst

leerde, dat die schikking zeer doelmatig was. De heerschende winden

bliezen inderdaad uit het Oosten. Na gedaan werk keeren we naar

boord terug en wijzen den gevolgden weg aan door elke vijftien

schreden groote, zwarte plekken op het ijs te maken. Dank zij die

voorzichtigheid zal het ons mogelijk wezen onzen weg terug te vinden

tusschen de beide tenten en tusschen de laagste en de zee. Er ligt

een afstand van vier kilometer tusschen de plek van het huis en

de ankerplaats.

Op 16 Januari is het werk in vollen gang. Tachtig honden sleepen naar

de eerste tent het materiaal en de levensmiddelen, en twintig andere

brengen naar het winterkwartier lasten van niet geringer gewicht. Dat

gaat niet alleen. Herhaaldelijk komen oogenblikken van verzet voor,

en om de muiters tot rust te brengen, moeten wij erbij te pas komen;

de menschen winnen het altijd in den strijd, maar hoeveel zweepslagen

moeten die stumpers van honden hebben.

Al om vijf uur in den morgen klinkt de reveille, en er worden lange

werkdagen gemaakt. Zelden gaat het licht uit vóór elf uur in den

avond. Maar het werk gaat ons vlug van de hand, en we hebben allen

haast, opdat de Fram weer zee kunne kiezen. Het schip is er in

deze haven niet te best aan toe. Ieder oogenblik breekt het ijs,

waar het aan vast ligt, en dus moet men telkens weer van plaats

veranderen. Behalve die ongeriefelijkheid is de plaats vrij goed; wel

doet de golfslag zich soms bemerken en brengt onaangename schokken

teweeg, maar gevaarlijk is het niet, en daar de stroom steeds naar

buiten gaat, worden de ijsbergen naar zee meegesleept.

De bemanning van de Fram heeft tot taak, het materiaal uit het ruim te

halen en dat en de proviand op het pakijs te zetten, en de landbrigade

moet de hoopen kisten en vaten opladen. Het werk heeft zoo geregeld

plaats, dat zelden de werkers aan boord behoeven te wachten op de

sleden of vice versa.

Moeilijk is het de eerste dagen voor de landploeg, om vrede te houden

met de onwillige honden; ze moeten onophoudelijk naast hen loopen,

om ze op den goeden weg te houden en altijd moet er geschreeuwd en

gegild worden, zoodat enkelen van de mannen dagen lang geen stem

hebben. Op den 17den Januari werd een begin gemaakt met het huis. De

beschrijvingen van de antarctische stormen zijn zoo schrikwekkend,

dat, om de fondamenten stevig te leggen, alle mogelijke voorzorgen

worden genomen. Met dat doel maakt men gaten in het ijs tot op een

diepte van 1.20 meter, om er de steunsels in te planten voor het

huis; een zeer moeilijk werk. Op een diepte van 60 centimeter treft

men niets dan wit ijs, dat zeer hard is, en waar men met het houweel

nauwelijks een krasje op maakt! Daarbij een wind uit het Oosten, die

de sneeuw tot groote hoogte doet opstuiven en dan weer in de laagten

doet neervallen, zoodat naar gelang onze jongens dieper graven,

de kuil zich weer vult. Maar dit zijn geen knapen, die zich laten

afschrikken! Met wat palen en zeilen maken ze een soort van scherm

en zijn zoo goed beschut, dat ze tot den avond doorwerken en gereed

komen. Daar is geen moeilijkheid, die zulke werklui kan terneerslaan.

Aan het eind van den dag kruipen we in onze slaapzakken, om een

welverdiende rust te genieten. Maar dan maken vaak de vetganzen of

pingoeïns uit de buurt nog lawaai. Wat zou er gebeurd zijn in de

gevleugelde republiek? Uit de tent tredend, staan we plotseling

neus aan neus met een keizerpingoeïn. De reusachtige vogel stapt

deftig naar voren en groet statig naar rechts en links. Het lijkt

wel, dat hij bij ons is gekomen naar de hoogte, om ons een bezoek te

brengen. Zulk een blijk van beleefdheid is toch in elk geval roerend;

maar de eetlust wint het van die waardeering, en de gast zal zijn

leven op onze tafel eindigen.

Den 18den Januari beginnen we met het transport van het

bouwmateriaal. Daar de honden weer aan het werk gewend zijn, gaat

alles naar wensch. Pas is een slede ontladen, of een andere komt

aan, en terstond worden dan de materialen, die gebracht zijn, op hun

plaats gezet. Alle stukken zijn genummerd vóór het vertrek en aan

boord opgeborgen in de volgorde, waarin ze moeten worden gebruikt. Dus

behoeft er nooit te worden gezocht, om dien of dien balk te vinden;

men heeft alles bij de hand. Bovendien heeft in Noorwegen een van

onze timmerlui ons huisje opgezet op de werf en kent het dus tot in

de kleinste bijzonderheden.

Met trots en voldoening denk ik aan die bezige dagen; met vreugde ook,

want nooit verneem ik een enkele klacht, hoe moeilijk het werk ook is;

wie zou er niet trotsch op wezen, over zulke gezellen te zijn gesteld,

die er enkel aan denken, hun plicht te doen?

In den nacht zakt de wind, en den volgenden dag is het weder rustig en

helder. Het is een waar genoegen te werken in die zachte lucht en bij

dit mooie licht. Op ons heen en weer gaan tusschen het schip en het

station maken we jacht op zeehonden. We behoeven ze niet te zoeken;

het wild komt maar zoo op ons pad.

Toen den 20sten Januari het transport van de materialen was afgeloopen,

moest er worden begonnen met dat van de levensmiddelen. Dat karwei

gaat onder groote vroolijkheid van de hand. De eerste reis van den

dag van het kamp naar de Fram in den vroegen morgen was bijzonder

amusant met de ledige sleden. Bij het ontwaken wordt ieder gewekt

door het vroolijk blaffen van zijn span. De heele troep huilt om het

hardst en springt en trekt aan de kettingen. O, als ze maar bij hun

meesters konden komen! En wij haasten ons dan ook, om onze trouwe

dienaren op te zoeken. De équipage-meester gaat tusschen hen door en

geeft ieder een liefkoozing, en wie die ontvangt, is er hoogelijk

mee ingenomen, terwijl de kameraden zich willen losrukken, om ook

aan de beurt te komen. Ze zijn allemaal buitengewoon jaloersch,

en die dieren, die toch maar getemde wolven zijn, houden van hun

meester even veel, zoo niet meer, dan ons huiselijkste huisdier. Na

die ontmoeting brengen de koetsiers de zeelen aan, en weer klinken

juichtonen. Hoe vreemd dat moge schijnen, de beesten houden van het

werk; maar als ze eenmaal zware en moeilijke tochten hebben gedaan,

zal dat wel anders worden. Des morgens, als ze verkwikt zijn door

het overvloedige maal van den vorigen avond en door den slaap van

den nacht, zijn de spannen frisch en opgewekt, en het aanspannen is

dan geen gemakkelijke arbeid. Als dat gebeurd is, is men nog niet

klaar. Er liggen in het kamp verspreid hier en daar kisten en vaten,

die den honden de grootste belangstelling inboezemen, en zoodra is

niet het sein tot het vertrek gegeven, of ze vliegen in volle vaart

naar die dingen, en men kan ze niet op den goeden weg houden. De dieren

storten zich dan op dat speelgoed en willen het voor zich uit rollen,

en er moet een echt gevecht tegen hen worden geleverd. Ook op het

pakijs is er veel afleiding door de troepen zeehonden, die zich in de

zon liggen te warmen. Zoo gauw, als onze honden hen hebben geroken,

vliegen ze naar het wild toe, en in zoo'n geval kan alleen een zeer

bekwaam koetsier hen vasthouden. Dat zijn de voorvallen van den morgen,

en hoewel de thermometer op 20 graden onder nul staat, komt men vaak,

druipend van zweet, aan boord terug. Indien bij toeval alles goed

gaat, leggen de spannen in een paar minuten de twee kilometer af,

die het kamp van de aanleg plaats der Fram scheiden.

Daar is op 21 Januari ons schip weg! In den nacht heeft een felle

wind met sneeuwbuien het verplicht, het ruime sop te kiezen. Dien

morgen sloeg de zee nog met kracht tegen de Barrière. In afwachting

van de terugkomst der Fram blijven wij niet werkeloos en gaan voort

met het vervoer naar het station van veertig zeehonden, die den

vorigen avond door kapitein Nilson zijn geschoten. Terwijl wij ons

met dat werk bezighouden, komt het schip in de baai terug. Intusschen

wordt ijverig aan het huis gewerkt. Het dak is er op gekomen, en de

timmerlui kunnen nu onder beschutting arbeiden. Hoewel ze veel last

hebben van de koude, klagen ze nooit. Kom ik na mijn dagtaak in de

tent, dan is een van hen met den avondmaaltijd bezig. Er is niet

veel afwisseling, altijd flensjes en zwarte koffie. Maar wat smaakt

het goed! Tusschen de beide liefhebber-koks ontstond een wedijver,

wie de mooiste flensjes en pannekoeken kon bakken, en ieder meende de

baas te zijn. Naar mijn meening waren hun talenten gelijk. De mannen

in het benedenkamp waren ook niet te beklagen, dank zij Wisting,

die een voortreffelijk kok bleek. Hij was een baas in het klaarmaken

van pingoeïns en in meeuwen à la Béchamel.

Op 22 Januari is het Zondag en rustdag, welverdiend na den arbeid

van de week. We vereenigen ons allen aan boord behalve de weinigen,

die voor de bewaking van de tenten moeten zorgen.

Den 23sten gingen we voort met het vervoer van de levensmiddelen. Daar

het terrein bij het station heel ongelijk is, brengen wij ze niet

geheel tot aan de hut, maar naar een heuvel op zoo wat een 600 meter

afstands. Later, als de Fram vertrokken is, zullen we ze dichter bij

huis brengen. Daar de tijd ons er later voor ontbrak, bleef een groot

deel van den voorraad daar liggen. In den aanvang gaf het transport

veel moeilijkheden. De honden, die gewend zijn aan het lagere kamp,

weigeren een nieuwen weg in te slaan, en het traject tusschen het dépôt

en het schip is soms heel bezwaarlijk met de ledige sleden, want als de

honden hun kameraden ergens hooren, trekken ze ons in die richting mee.

Wij hebben ongeveer negenhonderd colli's; op elke reis heeft een

slee er zes, van samen 300 kilo's; naar onze berekening moet een

week voldoende wezen voor het transport. Inderdaad zijn op Zaterdag

28 Januari op den middag alle lasten ter plaatse. Het dépôt ziet er

werkelijk indrukwekkend uit met de lange rijen kisten, elk voorzien

van een duidelijk zichtbaar nummer; het zal in het vervolg gemakkelijk

wezen, vlug te vinden, wat men noodig heeft.

Thans is ons huis voltooid. Hoeveel verschilt het landschap, dat er nu

omheen ligt, van dat, waar het oorspronkelijk is gebouwd. Daarginder

groen en kabbelend water, terwijl hier niets dan ijs is. Prachtig

is ook hier soms het uitzicht, maar niets haalt toch bij het

vaderland. Zooals ik reeds heb gezegd, hebben wij kabels meegebracht,

om het huis stevig aan den bodem van de Barrière te bevestigen;

maar bij de rustige atmosfeer, die er sinds onze aankomst is geweest,

lijkt ons die voorzorg overbodig. Door de fondamenten schijnt het huis

voldoende stevig te staan. De voorgevel is geteerd, en het dak bedekt

met geteerd papier Het is al uit de verte duidelijk te onderscheiden.

In den namiddag heffen we de beide kampen op, en we installeeren ons in

het nieuwe huis, dat Framheim zal heeten. Welk een indruk van comfort,

gezelligheid en netheid krijgen we bij het binnentreden! Een blinkend

linoleum bedekt den vloer, zoowel in de kamer als in de keuken. Het

tweede deel van ons programma is nu afgeloopen, en wel in veel minder

tijd, dan ik had durven hopen. De weg, die naar het doel leidt, komt

meer en meer open te liggen. We beginnen, in de verte het tooverkasteel

te onderscheiden. Ze slaapt nog, de schoone slaapster, die er woont,

maar de kus zal komen, die haar zal wekken! Het was een vroolijke

avond, de eerste in het nieuwe huis. Bij de tonen van de grammophoon

werd er gedronken op de toekomst onder gepraat en gelach en gezang. De

honden waren ondergebracht bij het station, aan kabels vastgebonden

in een vierkant van 30 meter zijde. Natuurlijk tracteeren onze buren

ons op wat muziek. Onder de leiding van een van hen geven ze overdag

en 's nachts concerten. Vreemde dieren. Wat willen ze toch te kennen

geven door dat gehuil? Plotseling weerklinkt te midden van de diepe

stilte, die ons omringt, een gehuil van een enkeling; er volgen twee

of drie, en geleidelijk neemt het aantal huilers toe, tot ten slotte

de honderd honden van de partij zijn. Gewoonlijk blijven ze bij het

concert zitten en heffen den kop zoo hoog op, als ze kunnen. In dien

tijd schijnen ze vol aandacht en laten zich niet afleiden door wat

het ook zij. Opmerkelijk, hoe het concert eindigt. Plotseling als

met één slag houden allen zich stil.

Wie legt hun die plotselinge en onmiddellijke stilte op! Ik ben geneigd

te denken, dat het een lied is, dat ze hebben ingestudeerd. Bezitten

die dieren het vermogen, elkander hun gedachten door geblaf kenbaar

te maken! Na onze langdurige vertrouwdheid met de Eskimohonden

twijfelt niemand van ons er meer aan. Wat mij betreft, ik kon zoo

goed de beteekenis van de verschillende toonhoogten van hun geblaf

onderscheiden, dat, zonder de honden te zien, alleen door ze te

hooren, ik ried, wat ze uitvoerden. Elke daad, elk gevoel, ze drukken

ze uit door een eigen geluid. Om hun aanhankelijkheid tegenover hun

meester aan den dag te leggen, hebben ze een aparten klank. Als een

van hen iets verkeerds doet, als bij voorbeeld binnen te gaan in

het magazijn, waar het vleesch wordt bewaard, beginnen de anderen,

die er niet hebben kunnen binnenkomen, hard te loopen en te gillen.

Van zijn voorvader, den wolf, heeft de Eskimohond veel meer behouden

dan onze huishoud; het instinct van den strijd zit hem meer in

het bloed. De strijd om het bestaan heeft den Eskimohond van der

jeugd af gesterkt en heeft hem in verrassende mate het talent van

matigheid en volharding bijgebracht. Daarbij heeft hij een vlug en

levendig verstand, als men in aanmerking neemt het werk, waarvoor hij

bestemd is en te midden waarvan hij leeft. Men zou verkeerd doen,

als men laag neerzag op den Eskimohond, omdat hij niet gemakkelijk

leert op te zitten en op bevel een stukje suiker op te vangen;

dat zijn kunstjes, te verschillend van zijn ernstige levenstaak,

dan dat hij ooit die circusnommers kan aanleeren. In hun onderlinge

betrekkingen kennen deze dieren geen andere wet dan die van den

sterkste. De sterkste beveelt en doet naar zijn welbehagen. Alles

behoort hem, en de zwakste is tevreden met de kruimpjes, die van zijn

tafel vallen. De vriendschap ontwikkelt zich gemakkelijk onder deze

viervoeters, maar altijd een vriendschap, met vrees gemengd en met

eerbied voor de meerdere kracht. Gehoorzamend aan het instinct van

zelfbehoud, zoekt de zwakke de hulp en de bescherming van den sterke,

die de rol van beschermer op zich neemt, welke hem in geval van

nood een trouwen steun belooft. Datzelfde instinct blijkt ook in de

betrekkingen tusschen den hond en den mensch. Het dier begrijpt, dat

zijn meester voor zijn levensonderhoud zorgt en om die reden schenkt

hij hem eerbied en liefde; ik kon zonder vrees een brok uit den muil

van mijn twaalf honden nemen, en geen enkele zou gepoogd hebben, mij

te bijten. De vrees voor straf, die in onthouding van eten bestond,

verklaarde die groote onderworpenheid. Met noorsche honden zou ik

die proef niet hebben durven doen. Waarin ligt nu de oorzaak van dat

verschil? Ik geloof, dat bij onzen huishond de gehoorzaamheid gegrond

is op de vrees voor de zweep en niet, zooals bij den groenlandschen

hond, op het instinct van zelfbehoud, zoodat als de eetlust het wint

van de vrees voor de karwats, de meester een knauw krijgt.

Eenige dagen later kwam Adolf Hendrik Lindström, die tot nu toe op de

Fram was gebleven aan het hoofd van het keukendepartement, bij ons op

het station. Zijn komst maakte bij ons het gezelschap compleet. Aan

de fornuizen aan boord nam het jongste lid van de expeditie, Karinius

Olsen, zijn plaats in. Lindström heeft gedurende veertien maanden zijn

verantwoordelijken post ingenomen met een toewijding en bekwaamheid,

waaraan ik niet genoeg hulde brengen kan. De rook steeg vroolijk

uit den schoorsteen van ons huis en kondigde al uit de verte de

aanwezigheid van een woning op de Barrière van de antarctische zee

aan. Na een vermoeienden dag van arbeid buitenshuis was de indruk

van die kleine rookpluim voor ons weldadig en aangenaam. Het was

een symbool.

De aankomst van onzen kameraad was niet enkel een verbetering voor

onze tafel, maar ook voor ons licht en onze luchtverversching. Hij

maakte de Luxlamp in orde en ons verblijf straalde van helderheid,

en daarna zorgde hij met behulp van Stubberud voor de ventilatie. De

installatie van den ventilator was een heel ding, en ondanks alle

moeite wou de machine nooit goed functioneeren, vooral niet in stil

weer. Als de ventilator stilstond, gaven Lindström en Stubberud zich

de grootste moeite, om hem weer aan den gang te helpen; dan werkten ze

soms een paar uren op het dak, hoe slecht het weêr ook was, tot alles

weer goed liep. Een goede ventilatie is een wezenlijke voorwaarde

voor de gezondheid bij een overwintering in de poolstreken. Als een

groot aantal expedities van koude hebben geleden en van de vocht en

door ziekten zijn geteisterd, dan komt dat hoofdzakelijk, doordat de

luchtverversching in hun verblijf niet voldoende was. Als de frissche

buitenlucht in genoegzamen overvloed binnenkomt, zal de verbranding der

kolen in de kachel vollediger worden en bij gevolg ook de warmte, die

ze afstraalt, zich vergrooten. Is daarentegen de ventilatie gebrekkig,

dan brandt een groot deel van de kolen niet, en het vertrek wordt koud

en vochtig. De Luxlamp en het fornuis in de keuken waren voldoende,

om een aangename temperatuur in het huis te onderhouden. Degenen,

die in de bovenste slaapplaatsen lagen, klaagden zelfs over de warmte.

Onze gemeenschappelijke kamer heeft tien slaapplaatsen; daar we

maar met ons negenen zijn, wordt de eene slaapplaats weggenomen, en

daarvoor in de plaats de kist van de chronometers gezet. De weerkundige

instrumenten zijn in de keuken opgehangen, de eenige plek, waar wij

over beschikken. Lindström nam den post van onderdirecteur op zich

en van machinist op het weêrkundig station Framheim. Op den zolder

waren geborgen de medicamenten, de siropen, de confituren, de pickles

en sausen en de room, en we brachten er ook de bibliotheek onder. Na

den 30sten Januari haalden we naar het station de kolen, het hout,

de petroleum en den voorraad droge visch. In den zomer wisselde de

temperatuur af tusschen vijftien en vijf-en-twintig graden vorst.

Dagelijks schoten we veel zeehonden. We hebben er al zoowat honderd

neergelegd, en een groote hoop vleesch is voor de hut gedeponeerd. Op

een avond onder den maaltijd kondigt Lindström aan, dat het onnoodig

is, voortaan weer naar het pakijs te gaan, om wild te halen, want

het komt al van zelf. We gaan allen naar buiten, en werkelijk daar

is een zeehond op weg naar ons toe, wien zijn nieuwsgierigheid duur

te staan komt.

In de eerste week van Februari nemen we van de Fram de laatste

aan boord gebleven honden over, twintig jongen, die nog werden

gezoogd. De anderen willen ze wel missen. De temperatuur blijft

in de buurt van twintig graden vorst, en met zulke gasten is

het onmogelijk, het dek schoon te houden. Het water, dat men erop

spoelt, bevriest dadelijk. Pas zijn onze kweekelingetjes vertrokken,

of men gaat boenen, en de Fram is weer helder en blinkend. Met den

eerbied, aan hun leeftijd verschuldigd, worden de jonge diertjes in

kisten vervoerd. Te hunnen behoeve is een tent opgericht, maar ze

weigeren beslist erbinnen te gaan, en dus moeten we ze wel buiten

laten. Die jonge honden slijten het grootste deel van den winter in

de buitenlucht, maar de voor hen ingerichtte toevlucht blijft niet

ongebruikt, want Tisper, die jongen zou krijgen, werd erin gebracht,

en de tent krijgt den naam van Moedertent.

Wij slaan dan de andere tenten op, acht als kennels voor de spannen

honden, twee voor de droge visch, een voor het zeehondenvleesch,

een voor de levensmiddelen en een voor de brandstof, in het geheel

veertien tenten. Nu ziet het station er als een kamp uit.

Op 4 Februari heeft er een groote gebeurtenis plaats, namelijk een

bezoek van de Terra Nova, het expeditieschip van kapitein Scott!

Aan de Zuidpool De Aarde en haar Volken, 1913 · 第 3 / 9 题