Maria vroeg hem zoet: "Zouden ze ook langs hier komen?"

"Bah," gekscheerde de vent. "Zij zouden hier iets komen zoeken dat

er niet verloren is. Wie heeft er in dees arme streek een Koningsneus

buiten ik?... Mijn moeder heeft mij altijd gezegd dat ik voor groote

dingen in de wieg gelegd ben. Laat ze maar komen die gekroonde

menheerkens! Ik zal hun feestmaal eens gaan gereed maken!" Hij stak

den haring eens naar omhoog en trok er zonder meer van door.

Als Kruisduit ginder al zingend naar zijn tafelgroote woning opklom,

als Jozef terug aan 't spitten was, en de snoeier, ten boorde van

de naar Bethlehem loopende beek knotwilgen scheerde, zat Maria nog

peinzend aan de deur.

En alhoewel Kruisduit's verhaal haar de schrik had weggevaagd, toch

bleef er een angstig vermoeden in haar wegen. Zij zag nog steeds voor

zich het haar zoo dikwijls beschreven gelaat van Herodes: een purpel,

gulzig, dik gezicht met zatte boloogen, en vochtige puisten in een

schralen, rossen stoppelbaard. Waarom moest ze nu droef zijn. De

koningen waren goedertieren. Als er een nieuwe koning gevonden wierd,

zouden ze hem tegen de jaloerschheid van Herodes beschermen.

Al die overdenkingen gaven wel wat vrede aan haar hart; maar niettemin

bleef dit zatte woeste Herodeshoofd voor haar oogen hangen.

Zij wenschte weg te zijn in een heel ver land, waar geen koningen

kwamen, en er geen Herodes was.

Hare bleeke handen lagen lam in den schoot, en de bekommernisse deed

haar de oogen sluiten.

De zon raakte appelsienenrood bijna den zoom der heuvelen, en de

schaduwen schoten ver de velden in.

Doch vanuit de wieg klonk er blij gekraai, dat Maria deed opspringen en

't geluk in haar oogen glanzen.

Zij nam Jezusken behendig uit de wieg. Het wipte zich op haren arm;

sloeg zijn handekens in de lucht, en 't kraaide, gommelde en frazelde

van innerlijke pret.

Jozef hoorde het, liet zijn schup in den grond steken, en schalksch,

voorzichtig kwam hij achter den hoek van 't stalleken piepen.

Hij zag hoe Maria het de borst gaf, en hoe de kleine al zuigend,

zijn lieve pollekens glijden liet over hare zachte borst, en in de

haren van haar gebogen hoofd.

Het jonge moederken kikte en sprak er zoete woorden tegen, en speelde

met hare fijne vingeren voor zijn helderblauwe oogjes.

Jozef kwam naderbij geslopen.

Hoe verschoot Maria blijdzaam als zij het gelukkig gelaat van Jozef

over haar schouders gebogen zag naar het kind, dat nu gedaan had met

eten, en hen met speelsche oogen overentweer bezag.

"Geef mij het eens!" vroeg Jozef. De oude man nam het kind, onhandig

door voorzichtigheid bij zich. Jezusken hield met zijn linker polleken

Jozefs rechter wijsvinger omstrengeld, het schudde met zijn hand,

en wipte en danste op zijn arm; 't kraaide en 't kreet, en sloeg zijn

ander polleken kletsend op Jozefs gelaat.

Jozef en Maria lachten.

Het kindeken was nu twee maanden oud, maar zijn broos en teeder zieltje

dat nog in den schemer des levens half verzonken lag, trilde reeds

bij het licht der aangename, jonge zon, die warm straalde over zijn

wezentje en zoetekens in zijn herteken gonsde. Het zieltje wierd het

leven gewaar, het sprong op in een huivering van eerste vreugde.

Beiden hongen met hun gezicht tegen dit van het kind, riepen het

honderd aardige woorden toe, kittelden het onder zijn armen en op

zijn borstje.

"'k Zou u kunnen opeten!" zei Jozef.

"O mijn koning en mijn hemel!" juichte Maria!

Jezusken werd door al dit geroep en gespeel uitbundig; 't stampte en

't sloeg en trok zoo fel aan Jozefs baard dat de tranen er van in

zijn oogen sprongen. Maria gaf het een madeliefken...

Maar in eens bezagen zij met luisterende oogen malkander. Eene felle

ontroering stilde hen. Maria, die al rozig geworden was tot in heur

gele haren, verbleekte plotseling, en bij Jozef kwam er koud zweet

op zijn voorhoofd staan.

Zij luisterden.

Heel ver, achter de blauwe heuvelen, ruischte er groeiend muziek,

met vaag, rhythmisch, donderdommelend geroffel, waarvan 't gedreun

tot in hunne beenen kwam.

Maria nam het kind bij zich. Jozef dierf zijn gedacht niet zeggen. En

beiden stonden, niet wetend of zij angstig moesten zijn, naar de

bruine konijnenbosschen te zien, waarachter het geluid scheen op te

stijgen.... Het kwam langzaam maar gestadig dichterbij; 't wandelde

lijzig kronkelend achter de heuvelglooiingen en 't verplaatste zich

meer naar rechts, maar het wies en zwol tot een afgeteekend lied

van veelvuldig bazuingeschal onderdaverd en overgonsd van pauken en

van gongen.

't Volk kwam uit de huizen geloopen en klom op de heuvelen.

"Zie! Zie!" kreet Maria ineens. "Zie, ginder zijn ze!" Met rillenden

vinger wees ze naar Kruisduits hutteken, waar op den heuvelrug groote

beweging van menschendrommen en geschitter van metalen verscheen.

En als een deur waarachter muziek klinkt, in eens opengeworpen wordt,

zoo viel nu het bazuinengeschal en het paukengebrom feestelijk in de

dalen. Maria begreep en rilde, en als bij ingeving stamelde ze tot

Jozef: "Zij komen voor ons kind!"

Een zware verlegenheid greep hen aan, eene groote blijdschap vervulde

hen, en zij wisten niet wat doen. Maria beefde en moest zich op het

stoelken neerzetten. Zij bezag Jozef als wilde ze vragen wat ze moest

verrichten, maar Jozef wist met zich zelven geen raad; hij stond daar

met lompe kloonen aan de voeten, hij was maar een arm man, zij hadden

een vod van een woning, en die koningen gingen hier komen!

't Was bijna ongelooflijk! Al wenschende dat het maar een droom mocht

zijn, gevoelde hij zich toch fier, terwille van Maria en het kind

dat het waarheid was.

"Jozef, geef mij versche windellappen!" zei Maria zenuwachtig. "Doe

uw kieltje aan!"

Terwijl zij beiden in de war waren met het verzorgen van het kind,

dat een ander hemdeken en doeken kreeg, zijn haarken gekamd en zijn

gezichtje gewasschen, terwijl Jozef zijn blauw, stijf gestesseld

kielken aantrok en de aarde van zijn kloonen klopte, krioelde het

ginder van menschen en dieren en glanzen en kleuren, en kwam het

leger den heuvel afgedaald.

De pauken donderden en roffelden nu dat de grond er van schudde,

de bazuinen schetterden en schalden als brekend kristal, en helder

trippelde daartusschen de frischheid der fluiten, gedempter 't geblaas

der kinkhorens, en zachter het gegons van de zinderende rieten.

En als de krijgers in de dalen gekomen waren daagden nog steeds nieuwe

scharen achter den heuvelkam op.

De ploegen stonden verlaten en de schapenkudden aan de schepershonden

overgelaten; langs alle wegen en dwars over het veld liep het volk van

Bethlehem en der andere gemeenten de naderende volkerenstoet tegemoet.

Het nakende leger ontploeide zich uiteen, daar de wegen te smal waren

en kwam in massaaldikke drommen in de richting van het stalleken

afgezakt.

Paarden en voetvolk, ruige kemels, en olifanten met opgestoken trompen,

gele, bruine en grijze gezichten, naakte moorenlijven, die glommen

als mahoniehout, prachtig-uitgedoschte ruiters en met ijzer bekleede

krijgers, 't mengelde zich allemaal kleurig en glanzend ondereen. 't

Was één over en weer gedans van de teederste, felste en bontste tonen

en verwen, één opschitteren en weerflitsen van metalen, zijden en

juweelen en boven het drukke gewemel ontploeide de zoete oosterwind

de doorzichtbare regenboogige drakenvanen en de wisselkleurige wimpels.

En ginder diep in 't midden, waar alle muziek zich bijeenschaarde,

waar het roerde en gonsde, trilde en schalde, boven een bosch van

koperbenagelde speren, schitterden op hoogen olifantenrug de torentjes

van een gouden pagoden-kapelleken, waarin appelrood een bleeke koning

zat, en daarachter, elk op een kemel in een halve maan van oostersche

tapijten zaten de twee anderen.

De kardinaalroode zon die de immer toeloopende menschen der streek

hun gelaat met haar warm rood bestreelde, jubelde als dronken haar

avondgoud in de koperen harnassen en pieken, de bronzen bazuinen,

in zilveren schilden en helmen en 't blinkend getuig van de paarden.

Traag en afgemeten met een Oostersche luiheid, als op pas der

olifantspooten, bonkte en bomde de donder der honderden pauken,

en gerokken en sleepend schalde 't geschetter der schelle bazuinen,

terwijl zoetzagerig, herhalend de rieten en schelpen zich mengden onder

't gedrup der heldere fluiten.

Zoo naderden al dichter en dichter onder 't dreunen der aarde de

kleurige scharen als een grootsch, log-langzaam maar onontwendbaar

geweld.

Maria werd angstig om die nakende grootschheid van dit blinkende leger

met donkere gezichten. Haar hart klopte rap en zij hijgde als na een

verre reis.

Zij kon niets denken of willen, maar bleef lam op haar stoelken met

het frazelende kind op haar schoot. Jozef liep in en uit, knoopte

zijn zijden foulard met gele bloemen rond zijn hals, en kuischte het

druipende zweet van zijn voorhoofd. Doch op een teeken van haastige

ruiters bleef op een honderd meters afstand plots de stoet van ruiters

en voetvolk pal, en verstomden de pauken en daalden de bazuinen.

Er waarde nu een vreemde stilte waarin rauwe bevelende stemmen over

en 't weer riepen, waarin bangelijk 't geklank van de wapentuigen

hel in den komenden avond roerde, en 't brieschen der paarden van

ongeduldigheid getuigde.

Op een gegeven teeken van een kemel bereden hoofdman maakten de voorste

rijen den weg open, om Kruisduit te laten passeeren, gevolgd van de

machtige vorsten.

Kruisduit riep wat naar den koning die op den hoogen olifant zat en

wees met zijn stok naar het stalleken.

"Ginder is 't!" hoorde Maria hem roepen. Met een zaligen lach van

fierheid op zijn tandeloozen mond stapte hij vooruit, en knikte van

ver naar de bleeke Maria en den ontroerden Jozef.

Op een halven boogscheut van het hutteken, hielden de dieren stil en

knielden om de koningen neer te laten.

Maria stond recht, verlei de plooien van haar kleed en wachtte. Jozef

kwam nevens haar staan. En daar waren ze! Kruisduit voorop, dan de

koningen, eveneens omhuld van zware balsemgeuren.

De eerste in 't rood, de tweede in 't goud en de andere, de zwarte,

in maneschijnengroen.

"Zie," zei Kruisduit zijn hoofd ontblootend als ze bij Maria gekomen

waren. "Edele Heeren, daar is dit kindeken waarnaar gij mij gevraagd

hebt, en dat zijn zijne ouders." Daarmee zette hij zich op zij, zag

eens fier rond, en luisterde en zag dan met vooruitgestoken kop naar

de koningen. De roode koning maakte een trage, diepe, stramme buiging

en kwam vooruit.

Hij droeg om de smalle schouders een appelroode fluweelen mantel,

met goud doorstikt en afgeboord met hermelijnenpels: op zijn vaal,

glad geschoren vogelenhoofd met grooten zakneus, en korentenoogskens

stond een tafelgroote roode hoed waarboven schitterenden de tanden

van een zware, gouden kroon. In zijn witte-gehandschoende handen,

waarop eigroote, citroengele steenen fonkelden, hield hij een zilveren

kistje, zoo gevuld met gouden sieraden dat het scheel er van openstond.

En hij sprak met ontroerde vrouwestem in gebroken Vlaamsch: "Laat ons

toe U te groeten! Het kind dat gij in uwe armen draagt, aanbiddelijke

moeder, is de nieuwe koning wiens ster wij verwachtten, en die wij

in het Oosten op onze reize naar hier, dan Goddank ook ontdekt hebben.

Uw kind is de koning van Hemel en aarde en van alle komende geslachten,

en alhoewel hij op uw armen zit in den vorm van een lief kindeken,

vervult hij met zijn geest alle dingen die wij zien en niet zien; hij

is de schedel van den Hemel en de torscher der werelden, hij is God!

Als nederige dienaars die zich slechts kunnen verheugen door hun Heer

te dienen, en voor hun Heer te lijden, is het hoogste geluk onzes

levens hier mogen neer te knielen voor zijne goddelijke voetjes, en Hem

in den vorm onzer onvermogende woorden, en in 't aanbieden van deze

geringe gaven, te mogen huldigen, vereeren en aanbidden. Aanvaard,

o begenadigde moeder van dit kind, deze onbeduidende geschenken, die

slechts als symbolen hoeven aanzien te worden, want alle onze landen,

onze wijsheid en onze tresoren bereiken nog de weerden niet van een

haarken van uw goddelijk kind.

Daarom gelieve aan te nemen deze luttele beteekenissen uit onze

knechtenhanden.... Mijn naam is Balthazaar, en ik mag de gunst genieten

te regeeren over de landen waar de specerijen groeien. Ik heb een

boek geschreven over de komste van uw kind. De sterren hebben mij

het geheim geopenbaard."

Hij gaf het kistje aan Jozef. Alsdan ontblootte hij zijn witharig

hoofd, nam de zware kroon van den hoed en hield ze over het onschuldig

hoofdje van het kind, hij deed een wijle de oogen toe, prevelde iets

binnensmonds, en met een lach als van iemand die alle geluk bereikt

heeft, plaatste hij de kroon weerom op den hoed. Jozef beet op de

lippen om de tranen tegen te houden, en zag swenst met denkende

verbazing de schoone doening aan. Maria kon geen woorden uiten

van ontroering. Zij stond daar als een wassen beeld, zoo stil en

zoo wit; die vereering der machtigste koningen der wereld met hunne

heirscharen, hier als knechten knielend in het gers, voor haar eigen

vleesch en bloed, het overstelpte en overweldigde haar, en snoerde

haar de dankende woorden af.

Toen naderde de koning met gouden mantel om. "Dit is Caspar," lei

koning Balthazaar uit. "Hij heerscht daar waar de Euphraat het land

dooradert, en waar het aardsch paradijs eens zijne weelde van geuren

en geluk openspreidde. Men noemt hem de volkeren-smelter, omdat hij

honderd en zes oorlogen heeft gemaakt, en twaalfhonderd stammen onder

zijn edelen scepter gelukkig laat leven. Honderdduizend muilezelen

kunnen al het goud niet dragen dat in zijn twintig roze-marmeren

paleizen met hangende tuinen berust. Hij kan maar een weinig Vlaamsch."

De krachtige, witgebaarde koning, klein onder de reuzige, purperen

juweelenbebloemde tiara, sloeg zijn brokaat-gouden mantel open van

binnen gevoederd met zalmroze zijde, een rok van ragfijne kanten raakte

tot aan zijn purperen schoenen. Hij knipte eens even met den wijsvinger

over den duim en een zwartgrijs moorken met roze handpalmen, een ring

in de neus, en zijn haar verduldig in honderd keperkens geknoopt,

bood hem een gulden wierookvat. De Koning knikte ernstig-vroom tot

Maria en Jozef, knielde en liet met korte zwaaikens de blauwe wierook

zoetjes voor het kind opwolken.

Tegelijkertijd kwam de koning der Mooren, omhuld van krakende

goud-groene zijde, waardoorheen het hemelsblauw van zijn kleederen

glom.

Een breede ketting van vingerdik goud en zwaar van robijnen-glanzen

liet op zijne borst een zon van waterhelle diamanten stralen.

De gekrolde tippen zijner schoenen waren van gebrand zilver, en op

zijn hagelwitte tulband waaide een bos van radijsroze pluimen.

Hij rook naar munt en kostelijke olie, en Balthazaar wist van hem te

zeggen dat hij Melchior heette en heerschende was over de woudrijke

landen der olifanten en tijgers, dat hij vooral bekend stond als

dichter en handig de harp bespeelde. Zijn land was zoo groot dat,

als het op 't eene eind avond was, op 't andere de middagzon kookte.

Melchior lachte zijn tanden bloot in zijn van olie blinkend, bruin

gezicht. Het was als een gebarsten kastanje. Hij zei iets in zijne

vreemde taal, en bood een kunstig gesneden ivooren kelk waarin de

amberkleurige korrelen myrrhe blonken. Hij kuste met zijne witte

tanden het rozig voetje van het kind en knielde toen. Ook Balthazaar

zette zich in biddende houding nevens Caspar, en Kruisduit boog een

knie in het gers en vouwde zijne vuile handen.

Nu hong er eene stilte tot ver in de rangen der menschen en krijgers.

De loop van het waterken was hoorbaar in 't riet, en ievers in een

boomgaard probeerde een merel een lied te fluiten.

Het windeken beroerde de vlaggen.

Met het verschuiven van de zon verkleurde de hemelrondte tot staalblauw

en in het Oosten, in purperen luchtdamp sprong een bleeke ster te

voorschijn.

Maria zat daar met de oogen toe, terwijl het kind aan een knopken

van haar boezelaar speelde. Jozef met de schatten der koningen in

zijn armen, bleef rood van geluk het heerlijke uitzicht der legers

en koningen bewonderen, al biddend.

Ineens verscheen de staartster melkbleek in het fluweelen blauw van den

wassenden avond. Duizend handen wezen naar het hoogste van de lucht.

Er kwam meteen beweging onder het soldatenvolk, en onder de menschen

van de streek. De soldaten die nu al zoo lang dag en nacht, door

koude en wind en sneeuw waren gemarcheerd, en hunne heerlijke landen

van zon en sappig fruit en schoone vrouwen hadden verlaten, om hun

vorsten naar den nieuwgeboren koning te leiden, brandden van begeerte

om ook dit wezen te mogen zien, waarvan zij wonderen hadden verteld

onder het lange gaan en bij den rooden schijn der waakvuren.

Hunne klimmende nieuwsgierigheid woelde onrustig in hun lijf; en

de nek moe van over de koppen te willen zien, hunne voeten stram

van op de teenen of in de stijgbeugels te staan, 't maakte hen zoo

ongeduldig dat zij den tucht hunner oversten vergaten. De een wrong

wat vooruit, een anderen wist zich eenige meters verder te schuiven,

er kwam gedrang, gestoot, luid spreken dat tot geschreeuw groeide en

groot tumult van bewapende menschen, en ineens ten einde ongeduld,

schoot het allemaal haastig naar voren en seffens was het stalleken

van heel dichtbij met wringende mannen omringd. Er hongen er in de

boomen, zij klommen op het doorzakkende dak, en stonden op malkanders

schouders, en klauterden op olifant en kemelenrug.

Nu de soldaten zelve de orde braken, profiteerden de dorpelingen er

van om ook van dichtbij de koningen en het kind te zien, en nevens

een zwarte hoofdman bevond zich een blozende boerin, of jonge meiden

hielden zich aan de schouders van die wilde mannen vast om beter op

hun teenen te kunnen staan.

De koningen, gestoord in hun stille, heilige aanbidding zagen

verbolgen op. Balthazaar stond recht en begon kwade woorden tot een

wanhopigen overste te schreeuwen, maar de woorden stokten hem in

de keel. Hij begreep hun aller wensch. Hij streelde aan zijn kin en

dacht er wenkbrauwen fronzend over na hoe die duizend menschen gauw

te voldoen. Een flink gedacht wipte in hem op. Hij deed met zijn hand

van rustig te zijn, hij wendde zich tot Maria. Deze was recht gestaan,

verschrikt om dien plotselingen toeloop, en had het kind vast in hare

armen genomen om het desnoods tegen alle geweld te beschermen. Ook

Jozef stond zwaar-ernstig die dringende drommen krijgers te bezien.

"Vrees niet," zei Balthazaar, glimlachend om hun ijdelen angst. "Maar

ge ziet hoe deze brave lieden hunkeren om uw kind, ons aller Koning, te

zien; mag ik zoo vrij zijn u te vragen of ik het hun mag toonen?" Maria

verstond hem niet goed, maar daar hij zijne armen uitstak gaf ze hem

het kind.

Hij ging toen op een omgevelden olm staan en hief het wicht zoo hoog

hij kon boven zijn hoofd naar het volk gericht.

Een rilling liep door die duizenden menschen, als zij in de witte

koningshanden een spartelend, rozig kindje met bloote voetjes en

hangende windellappen zagen.

In een enorme stilte van verwondering, verbazing en vereering stak er

een krijger zijn bazuin omhoog en blies; en als in afspraak schetterden

nu ineens alle bazuinen los, daverden de donderende pauken en ronkten

als miljoenen bijen de schelpen, de gongen en de rieten.

Er was gejoel en vlaggengezwaai, en de spontane hulde voor den

nieuwgeboren Koning der wereld jubelde heerlijk, zwellend-zingend,

machtig stijgend, geestdriftig als een orkaan van vreugde over het

schoone land van Vlaanderen.

Terwijl de krijgers nu verspreid liepen, de eenen in Bethlehem waar

ze geen bier genoeg vonden, de anderen op de hoeven waar ze zich hesp

met eieren en melk lieten voorbrengen, anderen bij de honderd met

ossen bespannen wagens waar ze hun paard en rijdieren voedsel konden

geven, zaten de drie koningen nevenseen op den neergevelden boom,

met Maria, Jozef en Kruisduit vertrouwelijk te praten als goede en

oude kameraden. De halve maan die heel den dag de zon had gevolgd,

kreeg in de donkerende lucht een gele goudvisschenschijn, en gaf een

zachte schaduw aan de dingen.

De verten verpurperden en sterren ontloken. De avond kwam vol

goedheid. Donker en reuzig zag Maria de gestalten der drie koningen

tegen den lichten avondhemel geteekend. Zij zag hoe taande de glans en

de kleur hunner sieraden en kleeren, maar op het kletshoofd van Caspar,

wiens tiara aan zijn voeten stond, lei de maan een zachte glimming. De

zoete balsems stegen weelderig uit hunne kleederen. Nevens haar

stond Jozef met de handen gevouwen, en Kruisduit leunde, profijtelijk

rookende tegen den deurstijl aan, terwijl Maria donkerblauw vóór het

witgekalkte gevelken rustte. Het kind lag, gewikkeld in den Schotschen

sjaal, slapend in haar schoot, en bleek waren hare lange handen en

haar eenvoudig gelaat, waarin de olijfgroene oogen donker droomden.

En in de avondlijke stilte die om alle dingen waarde, luisterden

ze devotielijk naar Balthazaar die zoetjes zijne reize verhaalde,

onderbroken door naieve vragen van Kruisduit, en verwonderd, zacht

roepen van Jozef.

En zoo kwam het dat ook Maria, door vragen gepraamd, het wonder

der boodschap en der geboorte vertelde. Groot wierden de oogen der

machtige vorsten en met opene monden aanhoorden zij de schoone,

bovennatuurlijke gebeurtenissen.

Toen zij zweeg en de vrede der velden hunne harten deed spreken,

knielden de wijzen uit het Oosten voor haar voeten neer en zoenden

in hooge adoratie den zoom van haar kleed.

Als zij heengingen naar hunne Morgenlanden, in maneschijn en

fakkellicht, en elke koning een stukje windellap van 't kind als een

heilige relekwie zorgvuldig bij zich droeg, stampten zij zonder het

te willen alle hooge, geestelijke vreugde van Maria stuk, staken haar

een priem in 't hart, met te zeggen: "Nu zullen wij ook naar Herodes

gaan en hem melden waar zich uw kind bevindt, opdat hij volgens zijne

belofte een dezer dagen ook het kind kome bezoeken en aanbidden."

Maria had niets durven zeggen, en nu zat zij daar met een benepen

hart van schrik.

"Och Jozef," zuchtte ze, "waren wij nu maar ver, ver weg."

Kruisduit schudde zijn kop en zei onheilspellend: "Herodes is tot

alles in staat!"

Jozef wilde zalvend optreden, maar de angst deed zijn woorden beven.

Er woog een benauwende geruchteloosheid.

In de huizekens wierden allengerhand de lichtjes uitgedoofd, de sterren

ijverden klaarder en eenzamer in den nacht; en als iets dat verkwijnt

en henen gaat stak de nevelpluim der staartster haar bleekheid in

de lucht.

Nu en dan bij een huiverend windeken waaide er nog wat vaag

bazuingeschal tot hen.

"Ik ga slapen," zei Kruisduit met moeite. "Tot morgen."

"Als 't God belieft," zeiden ze met tweeën in een zucht.

En nog den eigensten nacht, nadat Jozef in zijn droom een groote engel

had gezien die wanhopig, gebiedend zei: "Vlucht, want Herodes gaat

het kind zoeken om het te dooden!" als de maan rood gebrand op de

slapende heuvelen ging liggen, trokken zij weg met het noodige gerief.

Maria en het kind op het goedaardige ezeltje, en Jozef trekkend

vooraan, almaardoor biddend, in de richting van de noordster.

Het Kindeken Jezus in Vlaanderen · 第 11 / 15 题