Het lied van den snoeier, in den populier, deed Jozef inwendig
glimlachen. Dat was nog iets uit zijn jonge dagen; en terwijl hij
den grond openspitte om een groentenbeddeken aan te leggen, en de
vettige klonten aarde openwierp, hommelde hij het vooiseken mee:
Wanneer ik soms terugdenk aan die dagen
als ik nog rond ons moeders papteil zat...
Jozef richtte zich op, stak zijn schup in den grond, en met zijn
elleboog op den steel leunende, luisterde hij geroerd, om verre
herinneringen naar het lied, en zag met halftoeë oogen het fijne
landschap aan.
En 't landschap was zoo schoon dat hij het lied vergat.
Hoe heerlijk toch de aanblik van het land, dat snel verjongd wierd
door de groote nanoenzon, die hare gulden haren over de aarde schudde,
en ze langs de kentelende akkers slijpen liet!
De boomen waren helder van het kikvorschgroene mos, en er was
geschitter op de rappe loopende waterkens.
Een gouden stof trilde in de aarzelblauwe lucht, waardoor er nieuwe
vogels naar de purperbruine konijnenbosschen keerden; en van het zachte
blauw der heuvelen kwam het blij getoeter van een herdershoren. Er
blonken madeliefjes waar de os en de ezel aan het grazen stonden.
't Was alsof Jozef ineens nieuw bloed gekregen had. Hij was blij
en wist niet om wat. "Wat een goed weer! wat een goed weer!" wist
hij slechts te zeggen: en hij zag rond, naar zijn eigen, naar de
knotwilligen en draaiende molens.
't Was hem allemaal zoo nieuw en heerlijk; hij dronk het met gulzige
oogen, alsof hij voor den eersten keer op de aarde was geplaatst.
Hij aanschouwde met frisschen vreugde, hoe zijn verbleekt rood
slaaplijf behagelijk afstak tegen den donkeren grond, en tegen het
hagelwit der windellappen van Kindeken Jezus, die ginds te drogen
hongen in de zon en op het pluimenwindeken; en och! hoe jeugdig
speelde op het einde van zijn korte baard het zilver van de zon!
't Was een van de zeven schoone dagen dat het korte maandeken, dat
Februari heet, verplicht is ons te geven. De boeren wier beenen
voos van 't zitten waren op eenen en denzelfden stoel, waren met
den eersten zonnestraal uit hun schelp gewipt, en stonden lenig op
het veld te werken als voor hun plezier. De ploegen doorsneden het
vleesch der aarde, het zaad reuzelde in de voren, de groentenbedden
wierden opengelegd, en de beer die drift geeft aan den groei, en toch
zoo aangenaam om rieken is als hij van ver komt en vermengd met grond,
wierd weelderig, goudbruin, uitgegoten.
De winter was voorbij, de eerste vogelen waren gezien in ons land!
"Wat een goed weer toch!" zei Jozef maar herhaaldelijk, om zijn fijne
zielevreugde te uiten.
Hij zag Maria zitten, aan de deur bij een wissen wieg. Zij stopte
kousen. De zon hong glanzend in heur korengulden haren, waarover de
witte hoofddoek zedig gebonden, met het knoopken onder de kin.
Haar blauw kleed was hier en daar bleek afgegaan, en haar zoet
aangezicht, verfijnd door verdriet en alverterende liefde scheen
doorzichtbaar als dun perelmoer, en de groene oogen die groot-open de
verte aanschouwden en het rustige Bethlehem, waren glanziger, dieper
van kleur, en een wereld van schoone gevoelens lichtte er uit op,
die men maar hebben kan als men moeder is.
Als Jozef haar zoo jong en heerlijk zag, en toch zoo droef, voelde
hij zich week worden, en wilde haar zijn blijdschap mede deelen met
te roepen: "He, Maria, wat een schoon zonneken toch nietwaar?" Zij
bracht de hand boven de oogen en knikte hem gemoedelijk toe.
"Maar," riep de snoeier van uit den populier, "de zon is nog niet
droog achter haar ooren, er zit nog andere peper in de lucht!"
Jozef wierp zijn woorden naar omhoog, "'t Kan toch een dag of vijf
aanhouden, de maan staat in 't half kwartier!" Jozef wees naar de
hostie-bleeke maan die op grooten afstand de zon volgde.
"De maan en het weer! 't zit allemaal niet meer in den haak. 't
Hangt aaneen lijk gehakt stroo. 't Komt geloof ik met al die
voorteekenen. Gisteren avond is, zoo 't schijnt, de sterre met den
steert weer gezien worden! En hebt g'het al hooren zeggen van die
vieze mannen die in 't land gekomen zijn?"
"Neen," riep Jozef seffens ontrust, "wat voor vieze mannen?"
Bij Maria kwam er angst in haar oogen, en ze zag met spanning naar
den snoeier omhoog.
"Weet ge dat nog niet? Wacht, ik kom een pijpeken stoppen!" zei Sander.
Hij daalde naar beneden.
Hij had een blauw kiekje en een blauw schort aan, rond zijn bruine
hals hong een roode zakdoek met witte bollen, zijn kousen waren helder
groen als kropsalaad, en op zijn kleurloos hoedje glom wit en blauw,
het pluimeken van een ekster.
't Was een lange vent van rond de veertig, met een rossen neêrhangenden
knevel onder de rozen, bollen neus, met een lach in zijn verkensoogen,
en witte haarkens op zijn bruine handen. Als hij tabak genomen had
uit een verkensblaas, stak hij zijn handen in zijn broekzakken, bezag
eens innemend het slapend kind, en duchtig rookend vertelde hij vol
gewichtigheid tot de twee luisterende gezichten van Jozef en Maria dat
er een bende van 'kweet-niet-hoeveel duizend mooren en wilde mannen
op Gent marcheerde. "Zij worden aangevoerd door drie koningen, die de
rijkste en sterkste koningen zijn van heel de wereld. Die mooren en
chineezen hebben pieken en messen bij, genoeg om op één kwartierken
heel het leger van Herodes een koppeken kleiner te maken."
"En wat komen die hier doen?" vroeg Maria snel.
"Zie," zei Sander, gewichtig zuchtend, fier en blij omdat hij aan
Maria, die in de lande een groote faam van eerbied had gekregen, zijn
nieuws kon melden; en in al zijn ijver begon hij, zonder het duidelijk
te willen, geweldig te overdrijven. "Wat zij hier komen doen? maar als
't waar is dat zij kemelen en olifanten bij hebben, en andere wilde
dieren lijk tijgers en krokodillen, dan geef ik mijnen kop voor geen
kommeken soep!... Zoo 't schijnt vertrappen zij de velden uit louter
geneuchte, en eten de kleine kinderen op. Overal waar ze gegaan zijn
staat heele de streke in brand en..."
En terwijl hij maar voortvertelde, zich meeslepen liet door zijn
eigen verzinsels, was 't Maria of ze sterven zou. Ze ging tot bij de
wieg en verborg de rustige, poezelige pollekens van Jezusken in hare
witte handen.
Heel de zee van angst en verdriet stormde weer door haar heen.
Want sedert zij uit Simeon's mond het orakel van het zwaard vernomen
had, meende zij in alles een vijand van haar kind te zien. Booze
machten beloerden het vanuit de boomen, de lucht, de zon en het
water, en al de schoone dingen die zij vroeger zoo beminde. Met bijna
kinderachtige nauwgezetheid waakte zij over het kind. Zij sliep niet,
rustte niet, en werd opgegeten van knagende onrust.
Maar voelde ze dan, bij klaarder overdenken, dat ze streed tegen
hersenschimmen, dat het woord van Simeon de rechte waarheid was,
en onvermurwbaar als een rots, dat zelfs de Hemel zou helpen om het
te voltrekken, dan boog ze het hoofd, kneep de oogen toe, en zei vol
overgave, maar met gebroken ziel: "Uw wil geschiede naar uw woord."
Als ze dien kreet van opoffering uit haar hart had gerukt, was het
weer vrede en goedheid in haar, en zag zij kalm de ongeboren dagen in.
Zoo ook wist Jozef haar soms op te wekken, als hij haar voorspiegelde
dat eerst haar kind nog groote dingen moest verrichten.
Maar telkens rees, bij 't minste, het zorgend, kommerend moederhart
weer boven.
En nu, nu Sander haar daar zoo nuchter die gruwelijke ijselijkheden
kond deed, was het haar of het leven haar ontvlood.
Jozef zag het, en hardnekkig, slechts om zijn vrouw te verlichten en
niet om Sanders woord te loochenen, hapte hij tegen den snoeier in:
"Ik geloof er niets van dat ze langs hier zouden komen. Het zijn
landverhuizers, landverhuizers zeg ik u, die recht naar zee zullen
trekken om zich daar in te schepen voor verre landen, naar waar
de vogels henen-trekken als het winter wordt. Ik geloof van al die
dingen niets."
Jozef zweette van inspanning.
Sander was er van uit zijn lood geslagen. "'k Zal niet zeggen dat
het heelemaal waarheid is. Als Pier de slachter liegt, lieg ik ook,
ik heb het zelf niet gezien... Maar weet ge wat," en hier bracht hij
het verhaal op andere wegen, "'k Heb altijd gedacht dat er ievers in
stilte tegen Herodes wierd gekonkelfoesd. Zie nu maar," hij teekende
met zijn houten pijp groote gebaren op de lucht, "die mannen komen hier
voor de eene of de andere noozele reden met zoete gezichten binnen,
maar als ze met twee voeten op vasten grond staan, ge zult het zien,
dan slagen zij den boel hier kort en klein, en knoopen dien vetlap
van een Herodes aan het Belfort op!"
Hij zocht naar de uitwerking zijner woorden op hun gezicht.
Maar ginder klonk een vroolijk lied.
Met drieën zagen ze om.
"Kruisduit! Kruisduit! Kom eens langs hier!" riep Sanders naar den
zanger. "Zie," zei hij tot Jozef en Maria, "ginder is Kruisduit, en
die komt als gewoonlijk zeker van Gent, die gaat ons nu het nieuws in
't lang en breed vertellen."
Op den kronkelenden wegel, kwam er wijdbeenend een kromme oude
aangestapt, met een mand op den rug en een groene slipjas aan. Hij
stak zijn stok omhoog ten teeken dat hij komen ging.
Zij hoorden zijn lied.
Ik ben te vroeg geboren
Al keer ik mij om en om
Mijn geluk komt eerst morgen,
Al had ik een keizerdom,
Daarbij den tol van den Rhijn
En waar' Venetiën mijn,
Het waar' toch al verloren
Het moet versluimet zijn.
Zoo en wil ik dan niet sparen
En wil daarom verteren.
Ik en wil daarom niet zorgen
God bezorgt mij morgen meer
Wat helpt mij dat ik spaar....
Kruisduit had een echt spekulasieventengezicht. De zon schoot een
zilveren punt in de lek die aan zijn kapneus biggelde, en glom in
het vet van zijn versleten muts.
Het was een vent die het zeventig keeren had zien winter worden,
maar als hij zijn al te lange beenen openzette, stapte hij er nog op
los, als iemand die ter kermis gaat. Hij woonde alleen in een strooien
hutteken. Het stond ginder op den kalen top der dichtste heuvelhelling,
blak en bloot voor alle winden en zichtbaar over heel de streek. Een
blind paard kon er alles omver loopen. De menschen zeiden dat hij
alles uit een denzelfden pot at die nooit water had gezien, en alles
wat niet te heet was òf te zwaar Kruisduit's eigendom. Maar toch een
goede vent; waar hij kwam wierd er gelachen.
Soms bij open weer, was hij heel den dag op de baan, met een lied op
zijn lippen, en een lek aan zijn neus, en de mand vol nestels, garen
en lint, kaarten, solferstekken, haarpommade, blink, postpapier,
en zelfs een fleschken reuk, en roze en blauwe kinderkammen. Hij
sliep dan in een hooimijt of onder den blooten hemel. Had hij honger
en geen centen op zak, dan vulde hij zich met uitgetrokken peeën en
rapen, en dronk aan de sloten uit zijn muts; maar als hij "kommersie"
had gemaakt dan dansten de stuivers, kocht hij een maatje brandewijn,
een hespenknook, zette zich in de zon en speelde het smakelijk naar
binnen met mosterd en met brood.
"Hè! gij zijt er van aan 't profiteeren! De zon zit lijk wijn in mijn
beenen. Ik voel mij nog geen vijftien jaar!.... Maar nu gaat gijlie
mij eens handgiften; ik heb nog niets verkocht, en Kruisduit heeft
een maag als een platte doedelzak!"
"Wat spartelt daar onder uwen frak?" vroeg Sander listig, wijzend op
een dik pak op Kruisduit's borst.
"Och arme!" schuddebolde Kruisduit met een lijkbiddersgezicht. "Een
arm haantje dat naar mij kwam toegeloopen van den grooten honger. Ik
zal het t'huis zijn mizerie verlichten, 'k zal 't opeten, ik kan geen
beesten zien lijden!"
"Komt hij waarlijk van Gent?" vroeg Maria aan Jozef.
Om Maria's jagende nieuwsgierigheid te verzoeten richtte Jozef zich
tot Kruisduit: "Komt ge van Gent?"
"Ja ik!" zei Kruisduit. "Eergisteren verlaten, altijd recht door
gestapt in de richting van de staartster, die desen nacht weer in
den hemel heeft gestaan. 'k Ben nu eerst langs Bethlehem omgetoerd
om er een pekelharing te koopen...."
"En hebt gij de drie Koningen gezien?" onderbrak Sander.
"Hei!" juichte Kruisduit verheugd. "Zeker, zeker heb ik ze
gezien.... Maar wie kan er mij wat toebak geven?".... Als Kruisduit
eenige profijtelijke trekken gedaan had uit zijn kort steenen
baardbranderken, met den koper behoosden pijpekop naar omlaag, terwille
van zijn neus, veegde hij het speeksel van zijn gladde kin en begon.
Terwijl hij vertelde roerde de druppel aan zijn neus en schoot soms
kleine straaltjes. "Ik deed mijn kommersie. 't Was tegen den avond
als de lampen wierden aangestoken, zie ik daar achter mij drie ijzeren
mannen, zoo zwart als een hoed, met een rolleken papier in hun hand,
te paard voorbijrijden. Wij staken de koppen bijeen en gingen eens
piepen wat die venten in 't snuitje hadden. Ze galoppeerden naar
't paleis van Herodes en een beetje daarna waaiden de vlaggen van de
gevel, wierden er op al de stadspoorten de horens geblazen, en begonnen
alle klokken te luiden. Op de straat begosten de soldeniers tonnen pek
in brand te steken om veel licht te geven, lijk bij de groote feesten.
Langs alle kanten wìerd er geroepen: "Er komen drie koningen met
duizend soldaten!" Hoe het kwam weet ik niet, maar heel Gent, klein
en groot, was op een weerlicht op de been en liep lijk één man naar
de stadpoort. Ik liep natuurlijk mee. Ge kost over de koppen loopen,
en in de vensters, op de daken, op de boomen, overal zaten er menschen
getroppeld. Maar dan heb ik me daar een soldaatjes uit de poort zien
komen! Duizend, tienduizend, honderdduizend, ze kwamen lijk uit den
grond gerezen. Ik wist niet dat er zooveel volk op de wereld was! Ik
zal dat van mijn leven niet vergeten al word ik honderd jaar! Maar
't waren geen soldaten lijk wij er hier zien, weet ge! Neen, allemaal
mannen uit de warme landen, met smoelen zoo zwert als mijnen inkt
en zoo bruin als koffieboonen. Er waren er met scheel oogen, met
schuine oogen, met platneuzen, met ringen in hun ooren en ringen in
den neus--hoe die venten hunnen neus snuiten begrijp ik niet--precies
lijk de menscheneter die alle jaren op de foor in Brugge staat."
"En!" vroegen ze gedrieën.
"Ze bliezen op kromme trompetten en bonkten op trommels met koperen
buiken. Maar schoon gekleed dat die mannekens waren! 't Was allemaal
goud en zilver, belegd met bronzen platen en olifantentand. Een heelen
regenboog van alle koleurige zijden, groen, blauw, geel, purpel;
kleedjes met bollen en strepen, met bloemen en met ventjes, en op
hunnen ijzeren hoed of op hun kopkussen een vollen arm pluimen.... Maar
zij zaten niet alleen op paarden, maar ook op kemels en dromidarissen,
en er waren beestjes bij zoo groot als een huis, met een steert van
voor en een steert van achter. Ze noemen dat olifanten. Die hebben
tanden zoo dik als mijn bil!"
Kruisduit lachte zoodanig dat de lek van zijn neus viel en openpletste
op zijn glimmende hand.
Die warme lach verjoeg de ongerustheid van Maria. Als Kruisduit
zoo lachte, was het een teeken dat hij er geen schrikkelijke dingen
zou bijvoegen.
Zij zuchtte van verlichting.
"En hebt gij ook de koningen gezien?" vroeg Jozef.
"Hoe waren die?" voegde Sander er bij.
"Ja, die heb ik gezien, en zij hebben mij ook gezien! Zij zaten op
kemels en olifanten en ze waren omringd van mannen die op rieten
fluitjes speelden, en met hun vingertoppen op lange trommeltjes
klopten. Zij roken naar den schoonsten hof die ge maar kunt uitdenken!
En dan volgde er een oceaan van soldaten met muziek en vanen en scherpe
wapenen, en 'k weet niet hoeveel karren met ossen bespannen...."
"Maar wat komen die hier doen?" vroeg Maria.
"Die komen hier naar een nieuwen koning zoeken!"
"Een nieuwe koning?" riepen ze met drieën verbaasd.
"Ja, een nieuwe koning!... Zij zijn uit de warme landen gekomen,
over den Rhijn, langs Hasselt, Leuven, Mechelen, Antwerpen en Gent...."
"En waar is die nieuwe koning?" gewaagde Sander.
"'t Is dat wat ze bij Herodes zijn gaan vragen!"
"Bij Herodes?" bibberde Maria, die telkens de schrik op 't lijf kreeg
als ze dien naam uitspraken.
"Wat heeft Herodes gezegd?" vroeg Jozef ernstig.
"Herodes heeft eerst wat op zijn poot gespeeld, en hij zei dat hij
alleen de koning was, maar zij hielden staan bij hoog en bij laag, dat
er in Vlaanderen een nieuwe koning leefde. Dan heeft hij stillekens
gezwegen uit angst voor hunne olifanten en messen. Hij heeft sito al
de wijsneuzen der stad, de filosofen, kletskoppen, lettervreters en
profetenbazen bijeengetrommeld, om in oude papieren te zoeken of dit
wel de waarheid was."
"En?"
"Zij zoeken nog. 'k Heb zóólang op mijn teenen voor 't verlicht paleis
staan te wachten dat ik er de krampen van kreeg, en 'k ben er maar
van onder getrokken.... want mijn kommersie gaat voor alles!"
Er woog een pijnlijke stilte. Terwijl Kruisduit opnieuw zijn pijpeken
aanketste, stonden de anderen daar verslagen als uit de lucht gevallen.
"Ik geloof," sprak Kruisduit al paffend, "dat Herodes met de poepers
zit," en hij klopte met zijn wijsvinger en zijn middelvinger tegen zijn
duim. "Hij is bang dat hij van zijn gouden kappikel zal tuimelen. Het
volk loopt al in benden rond en ze zingen:
"Hij is van de brug het water ingevallen!"
"Zeg eens Kruisduit," smeekte Maria, "is het waar dat zij de kinderen
opeten?"
Kruisduit schoot in een lach dat hij de handen op zijn buik moest
houden. "Kinderen opeten! Ah, ah! Wat ge u-toch allemaal laat
wijsmaken! Kinderen opeten! Wel ze gooien zoo maar de centen in de
grabbel, het bier loopt zoo maar in de riolen! Onder hun vies gezicht
zitten er goede zielen, en als Herodes zoo was, dan waren wij hier in
't Landeken van Belofte!"