Bewegingloos lag ze, de oogen open, zonder te zien de
bijna-duisternis der bedstee in starend, als een foltering voelend
het weer-bewust-zijn. Hard ziek was ze geweest, zei Tante, maar ze had
er niet van geweten. Was ze nog maar in die koorts. Want toen wist ze
niet. Nu wist ze. Wist van die pijn daar, aldoor die pijn. D'er mòest
wat gebroken zijn. Ze voelde geen leven meer in d'er buik. 't Kind
moest losgeraakt zijn, was dood. In haar buik lag dood het kind. Zelf
zou ze nu ook wel sterven. Als dan maar gauw. Want o, die kramp! 't
Was geen kramp. Een kramp duurt kort. Dit was al maar door een steek,
een felle pijn die geen óógenblik ophield. 't Doode kind, een dood
stuk in der lijf.
Om wat de dokter straks gezegd had, gaf ze geen zier. Zoo'n busvent
denkt: als ik hier maar weg kom. Wordt er immers niet voor betaald. En
dan vóór zoo'n muffe bedstee, in de stank en de rompslomp van Tante's
gehuishoud. De tweede middag dat ze lag, toen zij dachten dat ze
sliep, omdat ze gauw ademde van de koorts, had ze het hem hooren
zeggen:--Och jee, is ze niet getrouwd? Ja! En wat mot dat nou met
het kind?--Tante had eerst lang gefluisterd; zij zou dat misschien
ook wel hebben verstaan: Tante lispelde met zoo'n open spuuglip,
maar zij had te veel pijn in het hoofd, het schelle onafgebroken
gefiespel had haar scherper gehinderd dan het afgemeten spreken
van dokter: ze had getracht Tante niet te hooren, want zoo moe, zoo
zwaar in het hoofd--enkel naar 't spreken had ze geluisterd, dokter's
onverlet-luide zeggen:--Is ze niet getrouwd? och jee! en wat mot dat
nou met het kind?.... Toen was ze maar eens beginnen te kreunen, om
te toonen dat ze niet sliep. En Tante had 'er moeten verleggen en de
dokter had haar gezien en gezegd: ja, wel wat koorts, maar dat zal
zoo'n vaart niet loopen; en tegen haar had hij ook nog gezeid: hou
je nou vooral bedaard, want dat is in het belang van je kindje;--toen
had ze strak hem aangekeken, zoodàt ie z'en oogen af had gewend, met
haar oogen hem geantwoord:--Leugenaar, doe niet zóó over mijn kind,
je weet wel, ik kàn niet bedaard meer blijven, je weet wel, ik màg het
kind niet hebben. Maar gesproken had ze geen woord. Zou je bedanken:
tegen zoo'n gluiper, die dat gezegd had van haar en d'er kind.
Nù had ie gezeid:--Niks as zenuwen.--Wou niet erkennen, dat het kind
was gestorven. Had gelàchen:--Hoe kòm je d'er an?--Zoo'n ongevoelige
lammeling, om zoo met haar leed te spotten! enkel omdat zij niet
was getrouwd.... Moest begrepen hebben, dat zij hem niet geloofde,
dat ze zóó krankzinnig niet was van aan te nemen: zenuwen....
Dood was het kind. Het lag dood in haar lijf. Als God ook haar
nu bevrijden wilde. Maar misschien moest ze leven tot straf. In
het bewustzijn dat zij tot last was. Wie was zij nìet tot last
geweest? Groo'moe zelfs had om haar geleden, door haar ongestadigheid,
haar ontevreden-zijn thuis in de stilte, haar niet willen omgaan met de
Heukelmans, haar doordrijven dat ze hier naar Oom zou.... Groo'va--ze
zag hem: vermanend, niet anders, omdat hij vreesde: "Geertje,
Geertje".... En nu--Oom dorst niet schrijven om geld, uit angst
dat Groo'va zou overkomen voor haar, en het weten opeens. Als ze
maar sterven mocht, dàn kon-d-ie vragen, geld voor de begrafenis;
na haar dood mocht Groo'va haar zien, 't zou niet moeilijk zijn te
liegen, want zóó dik was d'er lijf nog niet. Maar God wilde niet,
zij moest leven, en het kind moest zóó er uit. Hù, zoo griezelig,
nu in der buik.... Zou het wicht hebben geleden? Moest wel, nu 't
was doodgegaan. Arme stumper, niets dan geleden; al wat moeder voor
je gedaan heeft, is dat zij je lijden liet.... Iederéén te zijn tot
een làst! Alles hier in huis was veranderd, heel de huishouding over
stuur, Oom en Tante huisden in de winkel, sliepen, veel te klein,
in de keuken, trachtten alles zacht te doen.... Toch sloeg het rumoer
telkens over haar heen, 't huis was zoo klein, ze lag als aan straat,
en er kwam geen geruchtje binnen, of als ze wakker was, mòest ze het
hooren. Toen de heer kwam van de belasting en Oom uitvluchten zocht
en smeekte, bang dat alles zou worden verkocht--ieder woord had ze
kunnen verstaan, snikkend had ze toegeluisterd, Oom zoo nederig en
zoo rampzalig, dubbel benauwd nu zij daar ziek lag en hij niets meer
aan Groo'va kon vragen, die al gedreigd had over te komen, ook om
te zien hoe het stond met de zaak. Alle menschen was zij tot last,
en God wilde niet dat ze stierf! Zelfs Jan, zelfs Jan was zij tot
last, want door haar had hij ruzie thuis. 't Wàs waar, wat Oom had
gezeid, dat hij haar nu uit de weg liep; maar hij mòest het doen
om thuis, voor de kinders, want anders geen leven. Zij had hem al
haar liefde gegeven, maar ze had hem onheil gebracht. Ach, waarom
was zij geboren! Haar moeder had zij het leven gekost en zij was
een tot niets nutte, dooden deed ze wat leefde in haar. "Verdord",
"geworden als een hout", zooals stond in Klaagliederen 4. "Zoo iemand
in mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank,
en is verdord; en men vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur,
en zij worden verbrand"....
Haar klamme hand trok aan het laken, dat het sloot om haar hals
als een doek. Het was of de angst haar dreef in de rug. Maar toen de
behoefte zich te verbergen, door zich tot iets kleiners te maken, haar
de knieën optrekken deed, kreunde zij om een steek als een breuk--het
geringe geluid viel neer in de stilte, want het was nu volkomen stil,
Tante was een boodschap gaan doen. In de straat lag de doodschheid van
's namiddags.
Zij vòelde zich schrikken, had hartkloppingen en een kilheid kroop
langs haar gelaat. Opeens knaagde weer die holheid om de oogen, ze
hield de adem in, daar zij dacht te moeten overgeven. Toen begonnen de
slapen te gloeien: de hoofdpijn kwam! en zij lag onmachtig. Zij kneep
beide handen tot één vuist, haar lippen trachtten te prevelen:--"Lieve
Jezus, Lieve Heer."--Maar ze kon niet, ze mocht niet meer bidden. O,
ze was verdoemd voor de hel! Buiten geworpen, verdord als de rank. Men
vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur. Of het vuur nu al was in
haar hoofd. Neen. Ze leefde. Het kind was dood. Maar zij leefde. Zij
mocht niet sterven. Niet slapen mocht zij. Zij wist weer alles en in
haar buik lag het doode kind. "Die van de vreeze ontvliedt, zal in
den kuil vallen, en die uit den kuil opkomt, zal in den strik gevangen
worden." Stond Groo'va daar vóór de bedstee? Zijn vermanende stem sprak
de tekst.... Och nee, zij lag alleen.... Maar Gòd zag naar haar, liet
haar niet los!.... Haar oogen brandden, zij kon ze niet sluiten. Dat
was wat Groo'va zoo vaak had gezegd: God volgt in de duisternis,
overal volgt Hij, daar is geen schuilplaats. Mozes vroeg naar Gods
aangezicht en de Heer antwoordde: "Zou mijn aangezicht moeten medegaan
om u gerust te stellen?" Maar wie Hem niet vreezen, die achtervolgt
Hij, voor die is geen duisternis en geen nacht. "Ga in den rotssteen,
en verberg u in het stof, vanwege den schrik des Heeren." Op aarde was
het Gods ergste straf voor een vrouw, wanneer de vrucht in haar buik
verdorde. "Er zal geene misdragtige noch onvruchtbare in uw land zijn:
Ik zal het getal uwer dagen vervullen." Zoo sprak de Heer voor het
volk dat Hem vreesde, Hij, die Sara zegende dat zij bevrucht werd, en
Rebekka, en Lea, toen Jacob Rachel liever had dan haar. "God verhoorde
Lea en zij werd bevrucht." Maar Rachel sprak tot Jacob haar man:
"Geef mij kinderen! of indien niet, zoo ben ik dood."
Het was voor Geertje's gewaarwording, als zei ze de teksten, vele
teksten, van hier en van daar, uit de gansche Bijbel. Gelijk vroeger,
toen zij tallóóze teksten kende en 's avonds in bed die alle opzei,
tellend hoevele zij er al wist, toen zij nog een klein meisje was;
ze in haar hoofd bij elkander brengend, ze schikkend, als bloemen
voor een boeket, toen zij ouder was geworden. Groo'moe, wanneer ze
dit wel vertelde, had verboden: zoo mag je niet doen, je ratelt ze
af als een roomsche 't latijn. Maar het bleef haar een zóó groot
genoegen, in haar gedachten rijden de teksten, 't was haar als lagen
ze klaar in haar hoofd, als schoven bij reeksen vanzelf ze vooruit,
als weergalmden haar hersens van teksten-geprevel:--knap kende z'er
honderde, Meesters kleinkind.
Nù wéér bedacht ze de teksten haars ondanks. De gloeiïng aan haar
slapen nam toe, haar jukbeenen brandden, ijl was 't in haar schedel,
een weeheid met pijnrand als gaapte een wond; maar de teksten kwamen,
zij mòest ze bedenken: nu zag ze de plaat, thuis, boven de bloemenbak
met de begoniaas: Jacob aan de put met de mannen van Haran en met
Rachel die hij kust.... "En Jacob kuste Rachel; en hij hief zijne
stem op en weende".... "Alzoo diende Jakob om Rachel zeven jaren;
en die waren in zijne oogen als eenige dagen, omdat hij haar
liefhad...." Nu zit Groovader aan het harmonium! Maar het klinkt
als het kerkorgel.... Is dat Rika Schaap, die zingt?.... Dominee
Wevers! hoor! hij leest.... O, hij leest uit het heerlijke
Hooglied.... "Ondersteunt gijlieden mij met de flesschen, versterkt
mij met de appelen, want ik ben krank van liefde. Zijne linkerhand zij
onder mijn hoofd, en zijne regterhand omhelze mij...." Nee, Jan! denk
om het kind, nou niet! En het kind is dood, is dood.... Denk an
et fleschje, toe Jan dan toch! God, waarom gaat ie niet an bij die
juffrouw, 't mensch wil et geve, maar hij moet et hale, 't drankje
staat op de bedsteeplank, Tante heeft et straks in bed late valle, nou
staat et weer op de bedsteeplank, maar zij kan et zelf niet krijge,
Jeeses Jan, da' weet je toch wel, Geer kan ommers niet overend,
waarom wil zoo'n vent da' niet doen! "Gij hebt mij het hart genomen,
mijne zuster, o bruid! gij hebt mij het hart genomen, met een van uwe
oogen, met eene keten van uwen hals.... Hoe schoon is uwe uitnemende
liefde.... mijne zuster, o bruid!.... Vele wateren zouden deze liefde
niet kunnen uitblusschen.... Al gaf iemand al het goed van zijn huis
voor deze liefde...."
.... Had zij geslapen?.... Zij was zoo loom.... Hè!.... Het was, als
voelde ze leven.... Weer.... een stootje tegen haar huid.... Och et
kon niet, hij was ommers dood....
--Is u daar, Tante?
--Hier he 'k je drankje.
--Tante, ik voelde d'arnet weer beweging.
--Ja m'ar je slaapt ook sau onrustig. Dokter he't gesaid: hau je kalm.
--Nee beweging in me buik.... Denk u dat et mogelek is?
--Wat no' weir?
--Dat et kind nog leeft?
--Maal je nau wéér om die gekheid! Hoe haal je de malligheid toch in je
kop! Netuurlek leeft et. M'ar aj nie stil leg, krai j'en miskraam. Dus
pas nau op!.... Sau.... No' je drankie.... Sau.... En hauje bedaard....
--Eet u uie vemiddag, Tante?
--Kind, et is al hallef fier. M'ar d'er staat nog wat op f'er Aum. Da'
beroerde stel he't weir gewalmd.
Geertje rook de petroleumstank. 't Licht van het looplampje deed haar
pijn. Slaap'rig begroef ze 't gezicht in het kussen. Wanneer de koorts
af raakte, was ze zóó moe. Zou het heusch waar kunnen zijn van het
kind? Dan kwam alles misschien nog terecht. Jan was altoos verzot
op kinders.... Als het een jongen was, lijkend op hem.... Rustig
blijven.... Zoo'n goed dee het slapen....