VII.

Hij had gezegd: ik zal je schrijven. Zij wachtte nu al-tijd op zijn

brief. De nachten lag zij woelende te snakken naar de morgen: 's

avonds had hij haar wellicht geschreven en dan kwam 't met de eerste

bestelling; en de dagen daasde zij door, moeër van geeuwhong'rige

onrust dan van de slapeloosheid des nachts. Eind'looze gonzingen

had zij in 't hoofd. Dan kon ze 't in de winkel niet houden, in

die weeë verlatenheid, waar zij nog op heette te passen, die grauwe

mufheid, waar nooit een klant kwam; Tante, met het mokkend gezicht,

snauwde schouderophalend: "Och.... ja", wanneer ze vroeg of z'even

uitmocht; en ze vluchtte weg, de lucht in, naar het rumoer, dat het

suizen deed einden. Naar het Steiger dorst zij niet meer. Hij had

gezegd:--"Niet d'eerste dagen, anders he'k geen leve thuis"; de eerste

dagen nìet mekaar zien--dus, dan moest zij het Steiger ook mijden,

dat niemand van bij-hem-thuis haar zag. Misschien kwam zij hem nog

ergens tegen.... Thuis zou zij hem zeker niet zien.... En ze liep,

ze sleepte haar moeheid; en bij haar eenzaamheid onder de menschen

folterde het verlangen naar hem als een pijn van geamputeerd-zijn;

zij wist opeens niet meer wat zij dacht; het gonsde onstuimig in

haar hersens of zij liep met een hoofd waar het bloed uit scheen;

ook was het of 'er lichaam niet heel was, of zij afgesneden van iets,

daar aan de buik, die zwaar lag, o schande.... Schaamtevol sleurde

zij wezenloos voort. Dan priemde plotseling andere onrust: nu was

de post er misschien wel geweest!... En hoezeer zij opzag tegen het

weer-opgesloten-zijn in dat armoehuis dat zij haatte, veel schielijker

dan ze zich had voorgenomen, keerde zij terug.

Op een middag vond zij Oom in de winkel, achter de toonbank gezeten,

iets lezend. Hij keek op, en rits was zijn hand weg, met het papier

onder de toonbank, waar hij het vouwde. 't Flitste haar door de

gedachten: háár brief! Zij voelde zich, als wie juist te laat komt,

na uren zich te hebben gehaast. Razend-ongelukkig, opééns. Of dit nu

haar ongeluk was.

--Wat leest u daar!? trachtte zij te vragen. Maar haar kaken klemden

van angst, met inspanning stootte ze: "w.... wa'" uit.

--Jéé....sus! wa' zie jij der uit!

Oom wipte op van de kruk, met een ruk had hij de toonbankla los, het

papier in de la, bons, de la was weer dicht, en hij stond vóór haar,

tusschen haar en de la.

--Zeg, wat is-t-er?

Strak zag hij haar aan. Zij gaf er zich rekenschap van, dat

hij werkelijk ongerust-onderzoekend haar aankeek; maar geen

moment verflauwde de overtuiging, dat hij haar bestal, verried,

komediespeelde, wegmoff'lend de brief. Zij snikte in woede om

machteloosheid, één diepe snik, waardoor ze achter haar adem kwam;

en hij, haar ziende het hoofd achterover, de mond als in een stuiptrek

geopend, ondersteunde en duwde haar naar de kamer, mompelend klanken

van medelij, terwijl zij, ofschoon, in een onweerstaanbare behoefte

om toe te geven aan die onmacht, zich leiden en verzorgen latend,

volkomen zeker en helder overlegde, dat ze met geweld het papier

toch niet uit de la zou hebben gekregen, dat het eenige middel nog

zijn kon list. Hij voerde haar naar de hoek in de leunstoel, en zij,

daar neerzittend bleek en ontdaan, alsof ze bijkwam uit een flauwte,

luisterde zijn bewegingen af. Hij ging naar de keuken, fluisterde

iets tegen Tante; die viel uit:--"Och wat!"--toen drong hij aan,

schielijker fluisterend en iets harder--en zij dacht: nu gauw naar

de toonbank, op slot was de la niet, de brief gegrepen, en dan weg,

het huis uit, voor goed.... Het doorweekelijkte haar, dat zij de

kracht miste om op te staan. Maar ze voelde meteen voldoening,

dat ze daartoe was gekomen: dat ze zich had durven voorstellen,

voorgoed, heelemaal te breken met Oom. Het was, of de brief haar

nu niet zooveel meer kon schelen, nu ze, te moe van lichaam om te

bewegen, met taaiheid vasthield aan die gedachte: hier het huis uit,

breken met alles. Breken dan ook maar met Groo'va.

Tante bracht het eten op. Vroeg niet eens: hoe gaat het Geertje? Kon

Geertje niet schelen! Toch gauw van haar af. Fletsoogend zat ze

bewegingloos. Of ze van het doen om zich heen niets merkte. God wat

heerlijk, van allemaal af! Groo'va schrijven, of zègge: 't staat

zóó. 't Geld, waar ze recht op had, van hem vragen. En dan op een

gemeubelde kamer, waar Jan bij d'er komen kon. Hij--en verder niets op

de wereld. Als ze stil op zoo'n kamer woonde, zou hij wel weer durven

komen. 't Mensch kon dàt ommers toch niet nagaan! Hij moest telkens

uit voor de zaak. O gosje mijne, dat zou me wat wezen, hij weer bij

d'er! en vrij! alleen!.... 't Kind.... hè! als er nou nog maar geen

kind kwam. Als ze toen die avond bij de juffrouw van de advertentie

maar niet zoo mal-gauw was weggeloopen. Drie dagen d'erna nog buikloop

van de natte voeten; en, ze had het zoo dikwijls gemerkt; na die tijd

Jan nóóit meer als vroeger.... Misschien dat die vrouw toen had kunnen

helpen. Nou was d'er zeker niks meer aan te veranderen. Dat haar dat

toch telkens gebeurde; groote plannen, maar zonder vervulling. Zij,

die zóó graag flink wou zijn, klevver....

Tante had een bord voor haar neergezet; Oom en Tante aten, zwijgend;

haar was niet gevraagd, of zij wilde. Resoluut trok zij de leunstoel

dichter bij de tafel en schepte zich op. Ze zag dat Oom en Tante op

haar letten, dat Oom knipoogde; zij bleef zwijgen en at. Toen ging

opeens de winkelbel; "volluk", zei Oom op een toon van verrast-zijn;

voordat hij met zijn stoel had geschoven, was zìj uit haar leunstoel

op.

--Keu je? vroeg hij en keek verwonderd.

Zonder te antwoorden liep zij weg.

Een vrouw uit de buurt om kastpapier. Toen ze terug moest geven van

een kwartje, trok ze aan de la.--Open!--Wat daar lag.... géén brief,

zag ze daad'lijk. Maar ze wilde zich overtuigen. Zij stond, met de

rug naar de kamerkant, heengebogen over de la; vrij kon ze het papier

openvouwen: "Dwangbevel".... van de belasting!

--Je geef' drie cent te veel terug, zei de vrouw.

--O gut... Neem u me niet kwalijk.

En de oogen op het papier, sloot ze, aarzelend, de la.

Geweken was haar achterdocht niet. Wel was haar afschuw van Oom nog

vergroot. Al maar schuld, en aldoor pochen over de zaken die hij ging

doen.... Wanneer hij thuis was, deed hij niets; kletste, pochte op z'en

kepejon en maakte nijdige toespelingen op de last, die Heins nu van hem

en die kepejon zou hebben. Verder sprak Oom niet over Heins. Dreigde

ook niet meer met de peliessie. Kwelde haar niet met haar toestand,

evenmin als Tante, die enkel met mokken toonde, dat ze haar te veel

was. Eens, toen Gerrit Holkers er was, noemde die de naam van Heins,

en Geertje zag, hoe Oom hem met de oogen beduidde, dit niet te doen.

Haar argwaan wantrouwde al dat zwijgen. Glurende door de openingen

in de poovere uitstalling van het winkelraam, was zij nauwkeurig

te weten gekomen, wanneer de bestellers brieven brachten in de

straat. Zij zorgde thuis te zijn op die uren; zij ging trouwens nog

maar heel zelden uit. Want daar Jan nooit door de straat was gekomen

en er ook geen brief van hem kwam, vreesde zij wel, dat hij haar

nog altoos meed om de ruzie thuis. Soms stopte ze 's nachts haar

natgehuilde zakdoek in de mond, wanneer ze haar smart niet wist te

smoren. Haar slaap was slechts een soort verdooving, waaruit zij

opschrikte onverkwikt. Dan dacht ze vol medelij aan het kindje,

dat slecht moest groeien in haar ziek lijf. 't Was toch zijn kind;

och, ze had het wel lief, al had ze het graag opgeofferd, wanneer ze

daarvoor bij hem had mogen blijven. Den geheelen dag was ze moe en

werd nog moeër door haar argwaan. Want wanneer zij in de winkel was,

sloot Oom bij thuiskomst de deur van de kamer; en was Geertje in de

kamer, dan riep hij Tante alleen in de keuken.

Op een ochtend, toen Oom nog thuis was en weer de kamerdeur dicht

had gedaan, terwijl zij, wanhopig, haar dag begon met De Graaf de

Monte-Cristo, een boek dat ze al twee keer had gelezen, deed een

dikke heer haar ontstellen, die onvriendelijk vroeg naar Nijkerk.

--Oom, een heer om u te spreke.

Ze schrikte nog meer van de schok die dit gaf. Tante's kikkeroogen

rolden. Oom ging; zij bleef van zelf in de kamer; weer sloot

Oom de deur achter zich. Ze dacht nu wel, dat dit niet om Jan

was. Terwijl zij, om niet leeg te zitten, traag de boel uit de bedstee

afhaalde--Tante was met het ontbijtgoed bezig--, hoorde ze snel en

op ruzietoon spreken. O, geen twijfel:--over geld!

Het verwonderde haar dan ook niet, toen Oom later bij haar kwam in

de winkel, waar ze, het lezen moe, een oude rok van Tante uittornde;

en, schrijlings zich op de toonbank zettend, vriendelijk zei:

--Zeg Geer, weet je wel wat jij us most doen?.... Je weet, wa'

we-n-afgesproke benne over da' geld, da' me Groo'va vrage?.... Ja

nou, ik schreef d'er nog niet om. Eerst mot Cohen.... Affijn, dat tot

daaran toe. Maare.... Jij heb' ook geen geld meer? Zie je, we hebbe

je graag in huis, da' weet je wel. Maar as Groo'va nou us je kosgeld

betaalde? Vin je niet? Dat ken ie best doen.... Toe, schrijf jij um

es. Vraag om wat geld? Vraag of tie vijftig gulde wil sture?.... Wee

je?.... Beste meid bei je, hoor.... Gee' me-n-'en kus.... We blijve

maatjes....

O God, die kwal, hij raakte haar aan! Niemand had haar gekust, sinds

ze hier was; Truusje's morgenkus was de laatste geweest; en nu voelde

ze hèm aan haar voorhoofd; ze prikte zich in de schaar van nijd. Maar

ze antwoordde, heesch, dat het goed was.

--Doe je 't dan gauw? Vemorrege nog?

--Ja.

Oom ging naar de keuken.

Kostgeld? En wat zij zelf had gegeven? Hoeveel kostte ze per

dag?!.... En die ruziemakerij over het opvragen van de erfenis;

dat was dan drukte voor niks geweest!!....

Ze voelde een drang om te huilen van machtelooze ergernis.

Maar.... was zij niet net als Oom? Met 'er plan om geld voor zich te

vragen en dan weg te gaan, Oom z'en huis uit! Nou zat ze met Tante

d'er ouwe rok; net een oud wijf, dat toch ìets doen wil.... O, te

dùrven, als Jan; te dòen....

Ach, ze zou de brief maar schrijven.

Het antwoord, na twee dagen, bracht de helft van het gevraagde geld

en de boodschap: "Nu Geertje uit haar dienst is, doet ze beter bij

ons te komen"....

Schrik bij allen. Niet meer dan de helft! Oom had vàst op de

vijftig gerekend. Ja, die meneer die toen 's morgens geweest was,

een deurwaarder, dat wàs om geld. Geertje ontstelde ook een weinig

van de stelligheid in die zin over haar. Zij naar huis! Maar ze wàs

nog hier. En Oom en Tante waren nu maatjes. Al zei Oom:

--Wat heb ik an vijf en twintig! Net zoo graag had ik niks gehad!

Het bankbiljet had hij opgestoken en daags te voren nog gezeid:

Geer is mit ons in 't keplot....

Doch het bedroefde haar, toen Oom 's middags thuis kwam en haar bleek,

waarvan de deurwaarder betaald was:

--Maandag he't me de rest geleend.

Daar Oom zag, dat ze ontstelde, zei hij:

--'t Is op z'en bes' voor 'en week. Zaterdag wacht ik zelf weer geld.

Hoe het met de belasting gegaan was, bleef daarbij voor Geertje

een raadsel.

Zij dacht nu dikwijls na over geld. Hier in die armoe kon ze niet

blijven. Al niet om het kind, want ze leed hier honger. Ze kon de kost

niet naar binnen krijgen, die onsmaak'lijke koeskoes van Tante. Eten

stond haar toch al tegen en dan uit Tante's gore pan. Op d'er eigen

gaan wonen, was 't beste. Dan, hoopte ze, kreeg ze hem bij zich

terug. Het wisselspel van haar verlangen en haar aarzelen om hem te

schrijven, of hem te gemoet te gaan op uren dat ze zeker kon wezen

hem op eenige plek te vinden, draaide nu op die reden tot uitstel:

geld vragen--weg hier--een kamer huren.

Doch herlas ze Groo'va's brief, dan krompen al die plannen

ineen en dacht ze verbijsterd aan wat te voren doodeenvoudig had

geleken. D'erfenis vragen en alles bekennen--Groote God! alles bekennen

aan Groo'va!

Zij had zijn keurige schrift maar te zien, die fijn-gelijke

regeltjes, dicht opeen en toch zoo keurig, van altoos gelijkvormige

en toch zoo sprekende haaltjes en trekjes, waar nooit iets was in

doorgestreept, smetteloos, smetteloos tot het einde, om, tegelijk met

een macht'looze weerzin, een gedwongen gedweeheid te voelen, te zien:

de Vermaning-die-gelijk-heeft.

Dan lag opeens de wanhoop op haar, hetzelfde van die vrees'lijke nacht,

toen ze droomde van 't Steigerwater, dat ze daarin was met een boot en

die, glibberig, onder haar wegschoot. Zij wìlde niet, neen, zij kon het

niet denken, och wel nee, wel nee, de dood!.... Vertwijfelend dwong ze

zich 't nìet te gelooven, maar terstond voelde ze dìt weer als làfheid,

o, die slangig-afschuuwlijke lafheid, die hier lag op het huis, over

Oom! Zij óók laf.... Maar God! mòest ze dan sterven? En haar kindje,

schuldeloos wicht....

Meestal kwam deze angst in de nacht. Wanneer ze opschrìkte uit de

verdooving, uit dat holle-heete nìet-denken, waarnaar ze gesnakt had,

hoe weinig 't verkwikte. Dan lag ze moe, alsof geslagen. Kromp ze onder

de dekens, om slaap. Schoon ze wist, dat niets zou baten. Dat er geen

méédoogen was--het moest. Zij làg daar, wakker, in de nacht. Niets dan

de wekker van Oom en de gootsteen, o God, de marteling van dat gedrup,

en die eeuwige zure stank.... uh! 't was of ze 't Steiger rook. Ze

wrong zich omhoog, ver het hoofd boven bed uit, wijd de mond open,

de borst in een deuk, inhoudend, almaar inhoudend de adem, dat ze

over mocht geven, maar 't kwam niet; speeksel vloeide over de lippen,

bleef lauw liggen op de kin; en, de loome oogleden sluitend, plofte ze

zwaar op het kussen terug, rillend van kou bij dat machteloos-heete,

terwijl ze niet wist meer, niet kon, enkel leed.

Nu hoorde ze geluiden van buiten en het gesnork van Tante of Oom,

en wanhopig staarde ze 't zwart aan.

Dagelijks keek z'op de scheurkalender, hoeveel minuten vroeger

het dag werd. Maar 's nachts duurde 't eindeloos. Eens had ze

dit bang-voor-de-nacht-zijn gekend: tijdens de ziekte van haar

vader. Máár wat was dàt beetje droefheid geweest, bij deze ellende,

dit niets-dan-ellende.

Zooals ze koud en heet tegelijk was, zoo wilde z'en wilde niet de dood.

Dan bracht ze vreesachtig de hand op haar kindje en meende ze,

verlicht, te huilen; maar o nee! nu dee' ze weer laf.

Hem moest ze hebben. Hij wist het alleen.

Eén nacht trachtte zij te bidden.

"Lieve Jezus".... Gekrieuw aan haar neus. En een voelen van niets

dan haar lichaam. 't Weten: al wat ze wilde, was Jan. Roerloos bleef

z'als omkneld door ellende.

Wist nu niets, dan, dat hij haar niet zocht.

Weg was de strakzwarte leegheid der keuken, in een gelig-zwartgestreept

licht gonsde het van overal om haar. Haar hoofd had gesteund op de

linkerarm, krachteloos was de arm gevallen, ze had een kramp in de

buik gevoeld, maar ze voelde niet meer, ze zag slechts.... Zag in dat

rossige geel-zwartgestreept.... Hij, die haar aankeek, en niet meer

met liefde.... Weg!.... en ze stòrtte zich om, ìn het dek, 't hoofd in

de wol, die hard schoof langs haar slapen.... Feller een kramp. En zij

dacht aan het kind. Roerloos, omangstte zij 't kind met haar denken,

't kind, dat ze dóódde met al haar gewoel. Miskraam?.... Mee dood?....

Nee. Ze kòn 't niet gelooven. 't Wàs niet zoo. Jan hàd haar lief,

hàd haar lief. Enkel bang. Bàng voorr die ffeeks, o die helleveeg,

dat wéze.... Bang was-ie, ochchot, om Truus en om Koos, bang voor

z'en zake, de goeiert, de lievert.... Niemand dan haar had hij

liefgehad--óóit.

En altoos, dat er geen brief kwam.

De tijd was voor haar niets dan weifeling, een niet weten waar te

zoeken, een heen en weer gezweef van de geest, als van een hond

die zijn meester kwijt is. Haar hunkeren snakte naar tijding,

tijding, en plots omving haar de vage vrees, dat ze beter deed

niet te verlangen. Wel spròng dan heel haar ziel in verzet en door

haar verslagenheid zwalpte krachts-koorts, doch daar bleef slechts

geprikkeldheid van, de schrijning van het getwijfeld-hèbben tegen

haar wil, haar vaste-gevoel. Uit de bestoven-rommelig-kale nauwheid,

de sombere opgeslotenheid van het doodsch-liggen-blijvende winkeltje,

tuurde zij niet meer spiedend de straat op, de zonnige winderigheid

van de stofstraat. Als een steek behield zij den hekel aan Oom,

een steek die telkens even priemde, en met dien afkeer den weerzin

van 't huisje, van al dezen achteruitgang, dit slap-weerstandsloos

gebrek. Maar bij het stâge gevoel dat zij recht had op beter omgeving

dan deze goorheid, waarin Oom zich had laten verzinken, kwam haar nu

met tusschenpoozen een bewustzijn folteren als een ontzetting, dat

zij dieper nog weg was dan hij. Haar moeheid voelde de argwaan tegen

hem als iets misschien-wel-ongegronds en zij kon aan die achterdocht

denken als aan iets ook-al-weer-voorbij's, iets dat haar ook al weer

was ontglipt. Zoo scheen haar elke nieuwe dag feller van leed dan de

voorgaande, alsof zij aldoor verder dwaalde, machteloos zich afdwalen

liet. Soms leek dit haar vijand te wezen: haar willoosheid, niets

dan die willoosheid. Dat ze niet opsprong en holde naar 't Hang,

om hem te roepen, te schreeuwen: hier ben ik. Maar zooals ze zich

koortsiger voelde worden onder 't bedenken: of ze niet ziek was;

zoo, voelde ze, werd ze nòg machteloozer, wanneer ze ging tobben: 'k

weet niet wat ik wil. Dan was het, of alles nog meer om haar draaide,

in kringen en stralen, of alles bewoog....

Toen gebeurde het opeens.

Zij moest voor Tante een boodschap doen in de Zomerhofstraat, daar

twee kilo aardappels halen, omdat de vent in hun straat ruzie maakte

over wat er nog te betalen stond. Zij was maar zoo even weggeloopen,

't kon haar nooit schelen, nu, hoe ze er uitzag. In moeë droomerigheid

ging ze zonder te zien door de straten, onvatbaar voor alle gerucht,

als er boven; soezende: wáár hij nu wezen zou, als over het zachtere,

't prettige, tusschen dat eeuwige foltervragen: wàt het kon zijn,

wàt het toch kon zijn.

En opeens nu, daar, schuins vóór haar, als een wonder dat ongelóóflijk

een droom vertastbaart tot werkelijkheid, daar ging hij! Met Benjamin

Cohen. Nog geen twintig pas vóór haar uit. Zij dacht, dat ze tegen

de huismuur zou deinzen. Op eenmaal was de straat vol leven, dat

haar omroesde, kleurvlekkend en schetterend. Menschen en dingen,

vol kracht en geweld, kwamen dreigend op haar af, bleken dan haar

voorbij te gaan, maar meedoogenloos onverschillig. Fel zàg ze ieder

mensch, elk ding. De bonte zware wagen van de petroleum, de hortend'

en stootende vuilniskar, een kind midden op straat, aan de overkant

drie pratende vrouwen. Ze naderde de aardappelwinkel: de baas praatte

vóór de deur met een buitenman. Dáár hadt je dat meisje van Waanders,

uit het kefee bij hun in de straat....--"Daëg!"--Wat kéék die! Zij zàg

er ook uit! Zóó vóór Jan.... Hij wàs het toch?--Of hij het wàs!.... Had

warempel alwéér 'en andere hoed. Stond um goed, van achter op zij. Daar

trok tie wéér met z'en rechter arm, dus knelde die jas nòg an de

schou'er. Had ie um toe' m'ar teruggegeven, al dat verandere gaf toch

niks. En dan voor iemand die zoo precies was, die de kleeren an z'en

lijf wou gegote. Droeg toch alles ook zoo prachtig! Wat 'en héér, naast

die sjofele, in z'en knieë knikkende smous. God, maar zij.... Toch,

ze mòest naar 'em toe.... Vóór 'um te staan, z'en stem te hoore, dat

z'en hoofd weer boog naar haar over. Nou zoo daad'lek, Groote God!....

.... Hàd de man uit de aardappelwinkel op 'er gelet? Zij had, verlegen,

gegroet. Waarom niet zóó voorbijgegaan! Nou zou de vent.... Och,

wat gaf dat nou. Hè, die ellendige zenuwe....

Alles trilde, schokte aan 'er, vezels als stuiptrekkende. Met een smak,

of 't hoog en zij zwaar was, stapte ze af van het trottoir, en toen

ze midden in de straat kwam, omhuiverde haar een angst voor drukte,

een zich stumperig-machteloos weten, een besef als stond z'in het

water, als stróómde dit tegen haar in, onafwendbaar. Wat ze nooit had

opgemerkt: de straat lag met bolten en holten als wannen, kuilen met

wijd uitbultende randen, nèt als thuis in 'er dorp de zand-hei. Als

ze dáár vroeger liep, dacht ze: de zee. En nu was het hier de zee,

't golven en deinen, haar omklampend. Zij dacht aan de Joden in

de Roode Zee en aan Petrus' angst op het water, opééns wàs weer de

Bijbel in haar, dat oude op-haar-instòrmen van de gewaarwordingen uit

Bijbelsche verhalen en woorden; het doorflitste haar, doorgistte haar,

het was als warmte en kracht in haar, en het doorvlijmde, als zóó lang

verloren. Petrus! dat pràchtige gebeurde met Petrus. Nacht; het schip

midden in de zee en in nood van de baren. Jezus nadert: "Het is een

spooksel!" Dan klimt Petrus neer van het schip, hij verdrinkt!.... "Gij

kleingeloovige! Waarom hebt gij gewankeld?".... Ach, zij!.... Hàd

zij geloof nog! Wànneer bad ze nog!.... Zelfs niet voor hèm!....

God! waar was-t-ie!? O, daar op de brug.

Nu zag ze hem van de andere kant. Als hij toch maar eens één keer

omkeek! Waar zou-d-ie heenloope met die Cohen? Kòn zij mee, et

Singel op? 't Mòest! Verbeel' je, dìt niet kunne! Hòeveel weke was

't nou al, dat ze dag en nacht om hem riep; en nou-d-ie dáár vlak

vóór d'er ging, zou ze terugkeeren, omdat Tante zat te wachten op

aardappels.... Hè! daar keek ie.... Had haar niet gezien. Jee, wat

liepe die twee toch langzaam. En zij, slonzig, en met 'er mand.... Kwam

d'er wat op 'an!.... O, God!....

Heins en Cohen stonden stil, opééns, midden op de weg. 't Was haar,

als botste ze tegen hen aan, haar keel kneep toe--zij aarzelde even,

toen stapte zij ijlings het trottoir op en ging het hek in van een van

de huizen. Een heel klein tuintje: daar de huisdeur.... och God nee,

ze kon toch niet bellen....

In haar nood wist ze weer wat te doen. Weifelend, verwonderd blijven

staan, het huis aankijken. Verdwaasd lachen. Terugkeeren.

En ze liep terug, de kant van de brug. Nu dacht ze dat ze voorover

zou vallen, zoo bonsde haar hart. Zou-ie haar gezien hebben? Het

moest haast wel! Zou-ie bóós zijn? Zou-ie komen?.... Komen? Nee,

dat voelde, wist ze--hij was nu niet achter haar.... God, als ze hem

dan tòch niet sprak!.... Ze bleef even vóór de brug, op het trottoir

tegen een boom staan en gluurde. Nog altoos stond hij. En met de rug

naar deze kant! Wellicht had hij haar niet gezien! En Cohen zou haar

wel niet hebben herkend. O, Lieve Heer, ik dank u! "Want de Heere zal

zijn volk niet begeven, en Hij zal zijne erve niet verlaten".... Och

nee gut, moch' ze dàt nou wel denke? Ze was toch zondig, God had haar

begeven.... Als ze vùrig bad om vergeving.... Bidden zou ze weer. Ook

voor hèm.... Et zou zoo vrééselik zijn geweest, as-t-ie, daar same

met Cohen, haar had moete zien, zooa's ze der nou uitzag. Maar wanneer

zoue' die twee nou toch van mekaar gaan?....

Zij schuifelde voort, tusschen hekken en boomen, telkens schichtig even

spiedend.... Nu had hij zich half naar deze kant gewend, ze zag hem

lachen, ze méénde 'm te hóóren.... Een gloed doorgulpte haar--zijn

lach! O, wat had zij die vreugde ontbeerd, die zaligheid als zijn

tandenmond lachte, als hij haar wèg-maakte met zijn lach.... En weer

voelde zij zich licht--'t kòn alles niet waar-zijn, hij meed haar nù

maar, tijdelijk, na het onweer thuis....

Daar kwam-d-ie! Goddank! Nu hem dádelijk vragen:--"Kijk maar niet

naar me, 'k zie d'er uit!".... Nu zag hij haar.... Jee.... Keek

niet blij....

Haar voelen kromp samen, haar denken verwarde; het was of men haar

na een eindelooze benauwing plotseling in de lucht bracht en meteen

de borst toedrukte; zij kon niet laten hem aan te zien, hoewel ze

zich tot sidderens toe schaamde, omdat haar oogen schoten vol tranen;

zij voelde zich zóó gering en nietig en toch wist ze zich één met hem.

--Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe.

--Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde

schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen.

Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had, zich

verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de linker

vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en toch,

telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze nieuwe

dingen te zeggen--want hij zweeg, keek haar aan en zweeg, keek met

oogen die ook niets zeiden.

--Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig.

--Ik?.... Hoedat?.... vroeg hij traag, bijna stuursch.

Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer.

--Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je martel

me zoo! Spréék nou teminste. Zeg hoe of wat....

--Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn

tegegekomme....

Zij wist al. Toch zei ze:

--Je zou me schrijve.

--Ik jou schrijve?.... aarzelde hij. Toen opeens rad:--Ja! A'k gekund

had. Maar na wat je Oom me gebakke heit.

--Oóm?.... Wàt he't die?

Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel.

Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van: maak

me niets wijs:

--Hè't ie jou daar niks van verteld?

--'k Zwéér je.... angstigde ze hem tegemoet.

Doch ze bedacht: och, meent ie dàt? denkend aan de ruzie, die Oom

gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. En deze gedachte

verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het:

--Zie je! Je weet t'er wèl van....

--Meen je, toe Oom me koffer gehaald he't?

--Je koffer? Wat? Och meid, je klèst.

--Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig.

Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol.

--Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte komme?

--Jij bij de kommesaris! Waarvoor?

Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was haar blik

vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had en die haar

gezegde van "d'en eenigsten weg."

--Jok d'er toch niet om! zei Jan fier.

--'k Jòk niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer gehaald

he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie....

--Nou dan!

--Ja maar da's ook al!....

--Maar je wis' t'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging

volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar

me bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou

verschijne: de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak

heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was! In me schrik

he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)--Ja, da' was

stom. Ik weet et wel. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En

dan.... 'k dàcht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me vrouws

moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat dacht ik

eig'luk.... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in je dienst,

sta je daaran bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben gegaan.... Jawel,

of ik Geertje Hendriks kende.

--Wist ie me náám?

--De vent wist alles!.... Ja, dat dank je nou aan j'Oom! Van je

femielje mo'je 't hebbe.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!.... 'k Doch'

dadelek an de mogelekheid da'k je nog us zou kunne trouwe. M'ar

de wet verbiedt 'en huuwlijk tusse mense dieë.... overspel

hebbe gepleegd. Bekende-n-ik nou, 't was voor eeuwig nie'

moog'lek. Offisjeele bekentenis!.... 'k Heb alles geloochend, wat

j'Oom gezeid had....

--En?....

--En niks. Toe kon ik gaan.

Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in Geertje's

brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan:

--M'ar nou begrijp je wel, da' we voorlóópig niks motte beginne. Kan

'k je mit ie's helpe.... mit geld of zoo.... gráág netuurlek. Da'

weet je wel. Maar we motte uit mekaars buurt blijve. Juist voor

later. Om niks te bederve. Want je begrijp, ze loere nou op me.

Geertje wist niet meer wàt ze had begrepen.

Jan meende het goed. Maar dàt wist ze altóós! Doch hoe was het

nou? Nóóit mekaar zien? Niet in weken? Niet in maanden? Ze vond geen

vraag die ze durfde doen.

--Schrijf je m' ook niet? schuchterde ze.

--Schrijve?! Dat was et stomste van alles.

En daar ze opkeek, verschrikt van zijn toon:

--Oom kent ommers m'en handschrift, meid! As die de brief in hande

kreeg, tien tegen een, da' jij um nooit zag.

Geertje griezelde, maar haars ondanks. Ze voeld' ook verlichting:

Jan had gelijk. Die angst, dat Oom zijn brieven zou stelen--het

was precies wat zij had gevreesd. Hij had gelijk: zij konden niet

anders.... Máár dat dit nu kwam door haar Oom. O, die jeloerschheden

van de mannen! Dat zij daar nu al haar geluk om verloor.... Dàt kon

toch ook niet. Nee, 't kon niet en zou niet!.... Ze voelde alles in

zich in opstand. Smeekend keek ze Jan aan: wat dacht hij? En, o God,

nu doorvloeide haar droefheid: Jan zijn oogen stonden gewoon. Hij

vond het toch ook naar, hij had haar lief--hoe kon hij dan berusten,

kalm zijn, onder wat schandelijk was van wreedheid?

--Zeg meid, we motte hier niet zoo lang staan.

--Ja.

Ze gaf hem de hand, keerde schielijk zich om--het verlichtte, dat ze

alleen was.

Eens keek ze nog om--daar liep hij op 't Singel--als ze hem rìep,

achternáging?.... Nee.

Maar naarmate ze verder de Zomerhofstraat in kwam, meer in

de rumoerigheid van de stad terug, vervulde haar een volslagen

loom-makend besef van nu-niets-meer-te-begrijpen, als was ze omwikkeld

door raadselachtigs. Ze kòn niet nadenken, was ook zoo slap; en

toch folterden zóóvele vragen en grepen-in in haar overtuiging

met martelende tegenspraak. Ze was tegelijk erg moe en zwaar en ze

ging wezenloos, of ze geen lijf had. Ze schrikte, toen ze, volkomen

onwillekeurig, ophield voor de aardappelwinkel.

--Twee kilo van nege cent....

De man ging naar de bak, doch toen hij er vóór stond:

--Is dat niet voor....re Nijkerk?

Geertje knikte angstig: O God, nou zou die vent ze weer niet willen

poffen.

--Je tante is d'er zelvers al gewees'.

En glimlachend om haar beduisd- en bedeesdheid:

--Daar zit wat op voor ie.... Daëg!

Zij schreide. Onder in haar spookte de zelfhaat: hoe kòn ze

in-Gods-naam hierom gaan huilen? Maar de drang was te hevig: dat dit

er nog bij kwam; nu zou Tante vragen, verwijten.

Oom was thuis, hij snauwde haar toe. Als ze niet eens meer een

boodschap kon doen! Zeker weer naar d'er schat loopen zoeken, mooie

schat, maar onvindbaar voor haar....

Ze kon zich niet inhouden, snibde terug:

--Niet waar! 'k Heb 'um juist gespro....

De laatste lettergreep zei ze niet: zoo voelde ze onmiddellijk de

domheid van haar uitval.

--Hei j'um gesproke. Zoo. En waar?

--'k Kwam um tege.

--Ja, da' begrijp ik. Kasuweel. In zoo'n groote stad!

Geertje trok even met de schouders. Oom had zijn treitertoon en zij

wou geen ruzie, ze was er te moe voor, te zwak, onmachtig. Maar hij,

woedend op Heins omdat zijn Cohen evenmin als hijzelf iets bleek te

vermogen tegen de twee uit het Hang, ging voort met schampscheuten,

hoe langer hoe feller, hoonde Jan dòm, uit de overkroptheid van zijn

domme wrok.

Toen beheerschte zij zich niet meer. Het was een voldoening, als een

dolle triomf, over Oom niet alleen: ook over de raads'lige smart van

daar straks, hem toe te kijven en te sarren, dat Jan wat maalde om

Oom z'en gedoe en dat die met al zijn hoogmoedig gehaspel slechts

háár ongeluk had bewerkt.

Tante, in de keukendeur, de linkerarm log rond een pan die ze had

staan uitvegen, beukte en bonkte den borstel d'erin, om voldoening te

krijgen voor haar, op de ademhaling geslagen, woede. Oom, verbleekt,

stond naast zijn stoel--nou zal ie me slaan, dacht Geertje: ze wilde

't.

Maar hij mepte haar enkel met lachen, een te luide, lééd-verradende

schamplach, waar Geertje den onderklank in hóórde en die toch haar

striemde en griefde als hoon.

--Jij laat je toch alles wijsmake, zei hij.

--J.... jà! siste Tante, zich verlichtend met die instemming.

--Nietwaar! Jan he't me niks wijsgemaakt!

Geertje huilde de woorden uit.

Nu ging Oom weer zitten, naast haar.

Zijn toon werd anders: hij sprak tot een kind:

--Heins benadeelt me, da's waar. Geen mensch hep me meer benadeeld

as hij. Maar jou heppie veel erger angedaan. Dáárvoor he'k em voor de

kommesaris gedaagd. Niet uit wraak. Zelfs nie' mit de gedachte da'k em

achter de tralies kon brenge. Dat lukt nóóit, al zegt de wet et. Maar

as de plóért niet zóó gemeen alles had heete liege, had de kommesaris

me beloofd, dat ie um te minste zou wete te dwinge tot et schenke

van onderstand, nou, en later, voor jou en je kind.... Nee! Hou je

mònd, ìk spreek, hoor toe. Groo'va schuift niet af, da' weet je. Me

kenne-n-em dwinge, nou ja.... maar moeilek. En et is billijk.... zoo'n

rijke patser, dat ie wàt doet. Astie alleen maar op zich had wille

neme de koste van de bevalling en later jaarluks een som voor et kind,

m'ar de verdommeling doet nìks, net zoo gierig as dat ie vet is....

--U lìegt Oom! Hij he't et me net nog gezeid: a'k je ken helpe mit

geld of zoo....

--Ja! tege jou! Maar hei je-n-en cent?!

--'k Heb niks noodig....

--Zoo. Hei je niks noodig? En wie zel de bevalling betale?

--En ons, wie vergoedt et ons, da' je hier ben! mengde Tante zich

plotseling in. Dreigend stond ze nu vlak voor de tafel.

Geertje voer op:

--'k Ga dadelek weg.

--Weg?! Waarheen? Na Heins soms? Wat wee je?

--Dan ga 'k na Groo'va....

--Dat zeu je niet!--Oom duwde hard haar terug op de stoel.--Mit

praatjes en leuge's hebbe me den ouwe man tot nou toe onkundig

gehouwe.... as tie je zag, zoo, dan was et z'en dood. Jou is alles

onverschillig, iedereen en àlles! op Heins na! Ma'r mijn nog niet. 'k

Wìl nie da' je me vader vermoordt.... Ja! Vermóórdt! 'En moord zou 't

weze. 'k Zal et em wel mòtte zegge. Geld motter zijn en toch.... hij

merkt et. Maar niet zoo opeens jij voor 'em. Dat zou z'en dood zijn.

--En 't hoef toch auk niet. Wie jaagt je weg? kwam Tante lijzig.

--U! Allebei! krijschte Geertje uit.

--Wèl àllemachtig!

--Och.... stank voor dank. Maar da' ben me wel gewoon. Omda k d'er

gezeid heb, da' ze blind is, da' se nie' siet, hòe Heins zich van

d'er afmaak.

--Afmaakt! Hij doet et jùìst om me te trouwe!....

--Tròuwe? Heins? Mit jou? Je ben gèk.... Gek bei je, hóór je

't? Sta-pel-gek!

--M'ar maid, Hains ìs tuch getrauwd....

--Wa' komp datter op an voor Heins! Iemand as hij die màg ommers

alles! Hij wordt mermoon! Wat ìk je zeg!

En weer lachte Oom zijn hooge lach, zijn zenuwachtig-schelle lach.

--God, God, dat zoo'n verstandige meid nog luistert na zukke

apepraat. Dach' je dat Heins van z'en vrouw zou scheie? En haar geld

zit in de zaak? Iemand die zoo fel op et geld is! Om een deern die

die verleit he't. Dach' ie da'j de eerste was?!.... Nee.... Je zùlt

me-n-anhoore, nou. Vraag es an z'en vrouw, wat dìe weet. En je ken

d'er op an, die weet nog niet alles. M'ar 't was nou in z'en huis

gebeurd, mit 'en loontrekkende bediende. Dat was me kracht. M'ar

ik had geen bewijs. En jij hep niet wille hellepe. Alles heet de

smeerlaars liege. 't Kind van hem? Geen kwestie van! Maar hij wis' zich

sterk. Hij zei: "Al was 't zoo, z'is toch meerderjarig."--"Pas!" riep

toen de inspekteur. En toe' Heins:--"Is ze pàs meerderjarig? 'k

Weet et zoo net niet. Wat gaat et me-n-an? Me vrouw he't de meid de

deur uitgezet, omdat ze zag watter an de hand was. Ons huis is geen

kraaminrichtink".... Zoo werachtig as God, dat hep ie gezeid. "Ik heb

niks mit de zaak te maken", en: "ons huis is geen kraaminrichtink"....

In wanhoopsongeduld verschoof Geertje over haar stoel.

--Geloof je-n-et niet? Ga dan mee na 't bereau. Dan keu je de

kommesaris hoore. We wazze mit z'en viere manne. De kommesaris en

de-n-inspekteur zeij toch zeker wel geloove. 'k Hep d'er jou niks

van wille zegge. Uit mejelij. Enkeld uit mejelij. Ma'r nou je geloof

slaat an gèkkepraat, nou je nòg niet je bekomst van em hep, nou mot

je-n-et wete.... al is et te laat....

Even zag Geertje schuchter op. Ze wist niet. Het kon niet, het wàs

niet waar.... En toch.... straks had ze zelf getwijfeld.... Jan wàs

vreemd geweest tegen haar.... En Oom's stem klonk als van waarheid,

met iets hartelijks, medelijdends.... Even zag ze schuchter Oom

aan.... Toen werd ze onwederstaanbaar ontroerd.--Ze greep naar zijn

hand en snikte het uit.... Maar terwijl hij hare hand vasthield,

dacht ze: Wat hàd ie Jan dáár te halen?

Geertje · 第 32 / 53 题