Als 's Meesters eenige zoon, had Jan van Nijkerk zich in zijn jeugd
voor een grootheid van het dorp gehouden. Het sprak van zelf, dat
hij anders in de school zat dan de overige jongens. Hij hoorde er,
de school was een stukje van zijn huis, en Meester, Meester, in wie
alle jongens, de meisjes, de kweekelingen, zelfs de ondermeesters, een
hooger, het hoogste wezen zagen, Meester was zijn eigen vader. Al in
de eerste klas had hij het volle besef van wat natuurlijk zijn toekomst
zou zijn. Maar bij dat bewustzijn kwam daar al een kwelling: ook Jacob
van Zanten wou kweekeling worden. Jacob--dacht Jan dus--werkte hem
tegen; Jacob kwam in zijn weg te staan, en--dorst knapper wezen dan
hij. Doordien Jacob gemakkelijk kweekeling werd, had Jan daar erge
moeite mee. Jacob werkte geregeld door voor onderwijzer; naast die
kalme geregeldheid werd Jan ongeduldig, dood-ongelukkig, en bleef hij
hokken, hoe vader streng-was. Tot vader meester Ten Have er bij haalde,
tegen meester Ten Have zei:--"Beproef gij het eens, ik kan het niet,
doordat ik de vader ben." En meester Ten Have een maand of wat na
die opdracht dorst oprecht zijn:--"Waarlijk, Meester, geloof me,
het gaat niet" ....
Dat was een moeilijke tijd--voor Meester. Ook wel voor Jan, die
vond, dat, terwijl hij bevoorrecht moest zijn, hij hondsch werd
achtergesteld. Maar dieper, veel dieper was 't leed van Meester.
Toen kwam Dominee Wevers met zijn plan.
Die had Jan een paar jaar vroeger belast met de agentuur van Het
Penningske. 's Zaterdags ging de jongen het dorp rond en haalde
aan achttien huizen een cent op. Daar kregen de menschen het
zendingsblaadje voor. Hij had dat altijd netjes besteld, vond het
agent-zijn heel gewichtig. Dus had hij ook gretig een lijst aangenomen,
om inteekenaars te zoeken voor de Weezenalmanak van Neerbosch. Hij
schreef briefjes aan Van 't Lindenhout, hield een bus voor de weezen,
en belegde op 't Lindenhouts verjaardag, in September, een "feestelijke
bijeenkomst", 's avonds om half zes in de school, voor welke hij een
feestzang had gedicht:
Wie zingt niet mee op dee-ee-zen dag,
Van 't Lindenhout ter eer....
op de wijze van 't Wien Neerlandsch Bloed. Ongelukkig had ook Jacob
een vers, en de meisjes en jongens vonden dàt veel aardiger:
O Joh.
O Joh.
O Joh. van 't Lindenhout....
op de wijs van Piet Hein.... Toch ging Jan met het bushouden door en
met de almanak.
Dominee, die in Jan's ijver een blijk had ontdekt van christen-zin,
kwam dan vragen, of hij geen lust had in een christelijken
dorps-boekhandel: De Almanak, Het Oosten, De Standaard, 't kon wel
een zaakje worden, en nùttig!
Jan stemde gretig toe, vader zuchtend; een vriend van Dominee hielp
op dreef; Jan moest ook nu en dan naar de stad; en na een klein jaar
wilde hij "verder", 't kon toch niet bij dat dorpszaakje blijven! Te
Utrecht kwam hij in de leer; na twee jaar werd hij bediende te Gouda;
toen meende hij 't recht te hebben te trouwen....
En nu, zoolang als Geertje heugde, woonde Oom Jan te Rotterdam,
in een eigen zaak--die niet te best ging.
Een half jaar geleden was hij verhuisd, en Geertje, vol herinneringen
van haar logeeren aan de Binnenweg, schrikte, toen zij de nieuwe
winkel zag.
Het was aan de Schie, een korte zijstraat, als een lâ, zoo hol
hoog-recht. Die Woensdagmiddag, bij haar aankomst, was het juist
beginnen te regenen; in de straat zag ze niemand en niets dan
een handkar, met een griezelige hond er onder. Winkels schenen er
niet te zijn; grauw stonden de hooge wanden, de korte eentonige
huizenrijen. Oom moest zeggen:--"Hier is het, Geertje"; toen zag
ze eerst, dat er een winkel was. "Wat een vreemd, kort-breed,
haast vierkant raam; wat een armoedige uitstalling! De winkel was
benauwend donker, en zoo klein, dat zij aan het eind stond, toen ze
zich nauwelijks binnen wist. Tante, die van achter kwam, zag dadelijk
haar verwondering.
--'t Is hier ma'r klain, hè kind? An de Binneweg hadde me meer de
ruimte, wat?
--Maar de stand is hier beter, zei Oom; en later zei hij dat nog
eens:--Zie je, daar kwam te veel konkerensie, hier heb ik het rijk
alleen.
's Avonds, toen Oom de stad in was, begon Tante weer:
--Je zel hebben opgesien, Geer, da' me nou zoo klain behuisd
benne. Schraif d'er maar niet veel over naar huis, hé? 't He't Oom
wel an 'et hart gegaan, da' me den anderen winkel uit mosten, maar
hij kos 'et er niet hou'en, en nou hoopt ie dat 'et hier wat zel
geve. 't Wordt hier 'en heele nieuwe buurt, sie je, en d'er woont
hier nog wat raikdom....
Geertje vertelde van thuis, van het dorp. Maar telkens begon Tante weer
over hun verhuizing. En juist zei ze nòg iets van "algaers verbouwing"
en "je zel 'et is sien, wa' dat hier voor 'en drukke buurt wordt",
toen Oom binnenkwam en het laatste nog hoorde.
--Wat kles jij nou van drukke buurt? Maak de meid toch niks wijs! We
zijn verhuisd, omdat we moste! Ja, maar god, dat is geen schande! De
beste loop 'et dik'els tege, wat ze' jij Geer! Ik kan niet helpe, da'
'k daargin's vlàk bij m'en 'en schatrijke vent had, die z'en zaak
alleen nog anhoudt voor z'en zoon; ik begin pas, ik mot 'et van de
grond ophale', stikvreemd, in zoo'n groote stad, en zonder 'en cent
kap'taal.... Kan ik dat helpe? Wat bliksem, da's toch mijn schuld niet!
--Och, wie zait dat nau! suste Tante.
--Nou, leg dan ook niet te klesse! Wat mot Geer wel denke van jou
gepraat! Ja, as ik doen kon zooas Gelder, die al tweemaal failliet
he't gemaak', en altoos weer mak op z'en pootjes terech' komt! Maar
as je eerlijk man wil blijven....
Toen, zachter wat, als een bekentenis:
--Ik kon de huur nie' meer betalen, an de Binneweg. En nou wi' 'k
'et hier perbeere. Gaat 'et niet, dan gaat 'et niet....
Geertje moest in het keukentje slapen. Een klein hoog raampje, met
tralies, bleef open. Toen ze lag, dacht ze te stikken. Ze vreesde,
nooit in slaap te komen. Achter het raam leek iets als een plaatsje
te wezen, maar zoo nauw, zoo klein, dat een hooge vlekgele muur als
vlak voor het raampje oprees. Er kwamen allerlei geruchten daar van
buiten. En boven-naast zich hoorde zij telkens stappen op een trap. Wat
leefden de menschen hier dicht op elkander! En dan was dit nog een
stille straat. Wat een mierennest toch, zoo'n stad.... Zij snakte
naar lucht. Zij dacht aan haar kamertje thuis, aan de onafzienbare
ruimte buiten.... Toch verlangde zij niet. Maar wel voelde zij een
vage wrevel, als over een teleurstelling.
's Woensdags had ze een briefkaart geschreven, Vrijdags moest daar
een briefje op. En weer begon Tante over de woning. Nee', ook de
stand hield hier niet over. Er woonde nog wel rijkdom in de buurt,
maar alles werd zóó over hoop gehaald, je wist niet wat van de Schie
zou worden. Ook moest Oom het van de rijkdom niet hebben. Zijn klant,
dat was de burgerman, maar met wat de kranten tegenwoordig voor
twee centen gaven, lazen de menschen niks anders meer. Ze kregen
de dingen nu haast kedo. Alleen met 'en heele groote omzet kon je
n'en kleinigheid verdienen. 't Was 'en moeilijke tijd voor de kleine
nering. Maar Geer moest er nou maar niks over schrijven aan Groo'va....
Die angst van Tante benauwde Geertje. Toch vond ze Tante's gedachte
lief. Ze herinnerde zich de aankomst bij Groo'va van brieven
waarin Oom om geld vroeg. Hoe was de oude man dan van streek
geweest! Hij had toch ook zelf niet veel, al was Groo'moe van
welvarende boerenfamilie. Daarom zou ze heel graag zwijgen over de
achteruitgang hier.
Maar wat moest ze wèl naar huis toe schrijven?! Zelf wist ze niet goed
nog, hoe ze het had. Het leek haar nú hier zoo héélemaal anders dan
de vorige keer, en daardoor was er wel wat dat haar tegenviel. Toch
had ze ook nú weer die blije gewaarwording van bevrijding, uit de
strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid gaf aan Groo'va en
Groo'moe, en aan de meeste menschen in 't dorp.
Niet dat zij aan vromen een hekel had. Heerlijk had ze het altoos
gevonden, vroeger toen ze naaide bij mevrouw Wevers, om 's middags
bij de oude mevrouw, de moeder van de dominee, te zitten, die van
de oude tijd kon vertellen, net of het een andere tijd was geweest,
met andere menschen, heelemaal anders. De oude mevrouw had 'er eigen
zitkamer met ouderwetsche meubels; het was een hooge benedenkamer,
met bijna wit behangsel, en zware donker groene gordijnen, en drie
geschilderde portretten in dikke zwarte lijsten. Mevrouw, in haar
hooge, rechte stoel, zat bij het raam aan een werktafeltje, zooals
Geertje er nooit ergens een had teruggezien. En dik lag de sneeuw in
de vensterkozijnen, gedurig vielen langzaam de vlokken in de leege,
triestige tuin, op de bulten van de perken en de spoelvormen van
de stamrozen. Van tijd tot tijd maande de oude mevrouw:--"Geertje,
denk je om de kachel?" en dan bukte Geertje maar weer eens naar het
heldergeschuurde lage deurtje van dat rustige witporseleinen gevaarte,
dat zonder eenige kacheldrukte juist de noodige warmte gaf--en mevrouw
vertelde weer voort van de tijd, toen zij jonge predikantsvrouw was, in
een Hollandsche pastorie, dicht bij het dorp waar de dominee woonde,
die dat prachtige boek had geschreven, De Pastorie te Mastland,
dat Geertje eens had te leen gehad....
Ja, dat was iets anders geweest, de oude mevrouw Wevers d'er
vroomheid....
Die eene namiddag, met de sneeuw, Geertje zou het nooit vergeten,
zooals mevrouw had zitten vertellen van háár pastorie in dat
Hollandsche dorp, van de kerk, en de Meische Zondagmorgen, toen zij,
jonge domineesvrouw, voor het eerst met dominee naar de kerk kwam,
en vóór de kerk de jongens stonden en de boerinnen met goud aan de
kappen; en hoe mevrouw, wat verlegen eerst, tot tranen toe geroerd
was geworden, doordat háár man een psalm had gelezen en hierna het
orgel had gedreund voor het preludium.... o, Geertje had het gevoeld,
gezien! die kerk, wat had ze die liefgekregen, wat moest dat heerlijk
zijn in zoo'n kerk--'t was een andere dan de kerk van haar dorp,
waar toch de oude mevrouw d'er zoon stond. En die zoon was eens in
die eerste gedóópt.... Maar Grootvader placht te zeggen:--"De tijden
zijn bitter, ook voor de kerk, God bezoekt Zijn gemeente zwaar"--had
Geertje dat nooit precies begrepen, het zou wel beteekenen kunnen,
dat nu al de blijmoedigheid weg was, waar de oude mevrouw van sprak.
In het dorp waren daar omstandigheden bij gekomen: Dominee's
droefgeestigheid sedert de dood van zijn eenige zoon, en de saaie
stilte in huis, nadat zijn vrouw zoo doof was geworden, en Dominee
maar liever zweeg, dan elke kleinigheid te moeten schreeuwen in een
hoorn. Bij haar, Geertje, thuis, ommers ook zooveel naars! Groo'va,
die er nooit over heen kwam, dat Oom Jan geen onderwijzer was geworden;
en dan de dood van zijn eenige dochter, Geertje's moeder, van wie
Groo'va zóó zielsveel had gehouden, dat hij er op tegen had gehad toen
ze trouwde. Daarna binnen de twee jaar dood!.... Groo'va was zoo'n
gevoelige man! Altijd treurde hij over die dingen. Groo'moe had nog
'es eens gezeid:--"Ja, we hebben ons kind verloren, maar het kind
van ons kind is als ons kind." En Geertje had dat zóó lief gevonden,
zóó diepzinnig gedacht, zóó mooi gezegd, dat ze in huilen uit was
gebarsten. Nóóit had Groo'va zoo iets gezegd. Hij sprak altijd van
"de wil des Heeren", maar over zijn triestigheid heen kwam hij niet.
Misschien was dat toch wel méést om Oom Jan--en nu wist Groo'va
nog niet eens alles!.... Ook niet, dat het bij Oom heelemáál geen
Christelijke Boekhandel meer was. Op de Binnenweg was er nog een
aparte Bijbelkast. Maar hier!....
--Dank je! Die reuk van heiligheid he't me niks as schaaj gedaan! had
Oom de vorige avond gespot, toen Geertje naar de bijbels gevraagd had.
--Bidt jij nog? had hij 's middags geplaagd, toen ze aanzaten voor
het eten. De eerste avond had ze 't gedaan, niet lettende op Oom of
Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.... Tante was tusschen
beide gekomen:--"Láát 'er toch!"--Maar zij had gelachen, en Oom had
gelachen, en voordat ze het wist, was de vork in d'er mond geweest....
Warrelend vlotten ze haar door het hoofd, indrukken en herinneringen,
terwijl ze met het eind van de penhouder zat te duwen en te schuiven
tegen de onderlip, akelig over dat velletje vóór haar, waar, met stad
en datum, nog niets op stond dan: Waarde Grootouders.
Tante, in 't keukentje aan de wasch, had haar gevraagd op de winkel
te passen, dan kon ze daar tevens haar brief schrijven. Nu, dikwijls
gestoord werd ze niet! Ze had plezier in een klein, bleek meisje, dat
lange tijd keek voor het winkelraam, zocht, diep tastte in 'er rokje,
en eindelijk in de winkel kwam, om voor twee cent plakplaatjes. Een
buurvrouw--"Buurvrouw", zei ze tot Geertje--kwam om drie velletjes
postpampier, ook voor twee cent dus, en verhaalde, dat ze moest
schrijven aan haar man, die varende was. En later kwam er een brillende
jongen, en bracht een boek uit de bibliotheek, en vroeg om een ander
dat Geertje niet kon vinden--Tante, de handen verbleekt van de zeepsop,
moest het komen geven. Oom was uitgegaan, Geertje wist niet waarheen.
Het was nu weer stil, en zij trachtte te schrijven. Zij had het eerste
blad bijna vol; telkens verschoof ze, en draaide, versprong, op het
matten zittinkje van het krukje, achter de lastig-hooge toonbank.
De voordeur ging open:--"Dag Geertje!" zei iemand. Zij kende
hem niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half
achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op licht,
lang-krullend warhaar.
--Dag.... Meneer, zei Geertje verwonderd.
--Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. 'k Heb je zien laupen,
ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.
--O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.
--Is je Aum d'er niet?.... Roep jai je Tante n'es voor me.
De bult en Tante bleken gemeenzaam.
--Riek, vroeg hij, hait je man nau geschreive?
Geertje kreeg de indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. Tante
méénde--zoo zei ze--van wel, maar zeker weten dee' ze 't niet,
't was zoo'n moeilijke brief voor d'er man om te schrijven.
--Wa's d'ar nau voor moeiluks an! Als d'en ouwe nie' wil, dan wil
ie niet. 't Vragen, sou 'k meenen, staat frai. Wat ze' jai Geer,
daar kan je Grau'fader toch nie' boos om worde.
--Laat haar d'er buite, viel Tante haastig in, ongerust.
Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar
nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was
als onderwijzer aan een openbare school de kameraad van Tante's
broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en
hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo'n hekel aan de
onderwijzersstand, net als Oom vroeger had gehad, en daarom was ie
nou k'ruspendent van dagbladen geworden.
--Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.
--Nou, da'j berichte stuur an de krante.
--En he't-ie dáármee z'en brood?
Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en
van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit dat je dàt
natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel zóóveel
te melden! Eén man kon het onmógelijk af. Daar zat ook juist de
moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk veel
konkerensie. Sommige heeren werkten samen, d'en eene nam dit en
d'en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En meneer
Maandag was altijd alleen.... Maar nou kreeg-d-ie misschien 'en eigen
krant. Ja, 'en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, waar-ie Oom
over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant zijn.... Als ze maar
het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar nog niet genoeg. Daarom
was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader te vragen, of die wat
wou geven....
--Groo'va! riep Geertje met niet verborgen angst. Ze kreeg een gevoel,
of d'er iemand Groo'va te lijf wou. Die goeie Groo'va, hij had zoo
weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!
--'t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.
--Hoe verschieten?
--Nou, z'en geld blaìft z'en geld, en ieder jaar kraigt ie z'en
rente. Ze denke zellefs van 'en hooge rente, meer as je Groo'va van
z'en geld maak'. Maandag is d'er zeker van, dat 'et 'en goeje zaak
zel weze.
--Wat heeft-ie dan Groo'va d'er in te hale! snuggerde Geertje,
vol bezorgdheid.
--Da's te zegge! Et kan misgaan. 't Is 'en nieuwen ondernemink. Je
brengt d'er je geld niet as bij de spáárkas!
--Nou kijk 'is an! riep Geertje overtuigd.
Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was
genoeg voor haar drift.
Tante had haar aangezien, en plotseling op andere toon:
--O ja, maar as jai ons no' ga tegewerke, geef je graufader zeker niks.
--Ik? wat heb ik d'er mee te make!
--Nau.... 'et is toch jou geld ook.
Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze 't keukentje in. Geertje
had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu niet
schreien! Het was zóó naar, zoo ànders hier alles, vijand was ze dus
met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.... Maar die arme
goeie Grootva.... Wacht....
Weer zette ze zich aan de toonbank, en schreef welbesloten haar brief;
zinnetje na zinnetje schreef zij, zóó, dat ze Groo'va moesten plezier
doen, zinnetjes over thuis en het dorp, over Groo'moe d'er zinkings,
of Groo'moe wel oppaste, omdat het toch nog altoos guur was, en over
de kippen en over de school, de groeten aan Hendrik en allemaal, en
toen, dat Oom en Tante d'er best uitzagen en hen vriendelijk lieten
groeten.... Zoodra ze eind'lijk het slot had staan: Uw u liefhebbend
kleinkind Geertje, liep ze naar achter naar Tante toe, en vroeg of
Tante nog wat had te zeggen: d'er brief was af:--Leest u 'em maar 'es.
--Kind, wat mot ik je brief leize!
--Ja, of d'er ook wat in staat dat niet goed is. Toe doe het nou! Maar
vlak u 'em niet!
En toen Tante grinnikend aarzelde--daar er gemorreld werd aan de
winkeldeur:--"'k Geloof dat er volk is".... Weg was zij.
Bij haar terugkomst zei Tante niets. Maar een duimvlak op de brief zei,
dat Tante hem had gelezen.